Juridische beroepen – inleiding
Er zijn momenteel 1 964 beroepsrechters waarvoor het Oostenrijkse bondsministerie van Justitie verantwoordelijk is (gegevens per 1 september 2019, op basis van actieve functies in voltijdsequivalenten, onder andere bij het Hooggerechtshof (Oberster Gerichtshof) en de federale administratieve rechtbank (Bundesverwaltungsgericht), maar exclusief het personeel van de centrale diensten).
Rechters worden ook buiten de bevoegdheid van dit ministerie om benoemd, bijvoorbeeld bij het Administratief Hof (Verwaltungsgerichtshof), de federale financiële rechtbank (Bundesfinanzgericht) of de administratieve rechtbanken van de deelstaten (Länder).
Daarnaast worden er leken (Laienrichter/Laienrichterinnen) aangewezen voor specifieke zaken, die op vrijwillige basis werken. Zij fungeren als lekenrechters (Schöffen/Schöffinnen) of juryleden (Geschworene) in strafzaken, maar ook als toegevoegde rechters met bijzondere deskundigheid in zowel handelszaken als zaken op het gebied van arbeidsrecht en sociale zekerheid.
Er zijn 413 openbaar aankla(a)g(st)ers (Staatsanwälte/Staatsanwältinnen) (gegevens per 1 september 2019, op basis van actieve functies in voltijdequivalenten, waaronder op het bureau van de directeur van het openbaar ministerie (Generalprokuratur), maar exclusief de centrale diensten) en 4 848 ambtenar(ess)en en medewerk(st)ers op contractbasis (gegevens per 1 september 2019, op basis van actieve functies in voltijdequivalenten, waaronder bij het Hooggerechtshof en het bureau van de directeur van het openbaar ministerie, maar exclusief de centrale diensten) die ervoor helpen zorgen dat de gerechten en de bureaus van het openbaar ministerie soepel functioneren.
Alle penitentiaire organisaties tezamen hebben in totaal 3 799 medewerk(st)ers (gegevens per 1 september 2019, op basis van actieve functies in voltijdequivalenten, waaronder de medewerk(st)ers van het directoraat voor het gevangeniswezen (Vollzugsdirektion)); dit cijfer omvat 3 214 medewerk(st)ers die binnen de penitentiaire inrichtingen werkzaam zijn (waaronder de medewerk(st)ers die verantwoordelijk zijn voor onderwijs aan gevangenen).
1. Rechter
Opleiding en benoeming van rechters
Wie rechter wil worden bij de gewone rechtbanken, moet na afronding van zijn/haar rechtenstudie en een stage bij een rechtbank (Gerichtspraxis) een opleiding tot rechter volgen (richterlicher Vorbereitungsdienst). Er worden jaarlijks zo’n 70 tot 80 kandidaat-rechters (Richteramtsanwärter/Richerteramtanwärtinnen) benoemd. De opleiding tot rechter duurt (met inbegrip van de stage bij een rechtbank) in beginsel vier jaren en vindt plaats bij districtsgerechten (Bezirksgericht), regionale rechtbanken (Landesgericht), een openbaar ministerie, een penitentiaire inrichting, een centrum voor hulp aan of het beschermen van slachtoffers en bij beroepsmatige vertegenwoordig(st)ers van partijen (advoca(a)t(e), notaris of het onderdeel van het openbaar ministerie dat het bondsministerie van Financiën vertegenwoordigt (Finanzprokuratur)). Een gedeelte van de opleiding kan onder andere ook worden gedaan bij de hoven van beroep (Oberlandesgericht), het Hooggerechtshof, het bondsministerie van Justitie, het directoraat voor het gevangeniswezen, reclasseringsinstellingen, zaakwaarnemerschapsverenigingen of bureaus voor jeugdzorg, functionarissen voor rechtsbescherming (Rechtsschutzbeauftragte) of in de financiële sector (bijvoorbeeld bij een geschikte onderneming). De opleiding tot rechter wordt afgesloten met het examen voor het ambt van rechter (Richteramtsprüfung).
Na te zijn geslaagd voor het examen kunnen kandidaat-rechters solliciteren op vacatures voor rechters.
Er bestaat geen opleiding tot rechter voor administratieve rechtbanken. Rechters van deze rechtbanken moeten echter wel relevante praktijkervaring hebben (bijvoorbeeld opgedaan bij een overheidsinstantie). Rechters van regionale administratieve rechtbanken (Landesverwaltungsgericht) en van de federale administratieve rechtbank moeten vóór hun benoeming een rechtenstudie hebben afgerond en vijf jaar juridische praktijkervaring hebben; voor rechters van het Administratief Hof is deze periode tien jaar.
Rechters van gewone rechtbanken kunnen in administratieve rechtbanken worden benoemd. Na vijf jaar bij een administratieve rechtbank werkzaam te zijn geweest, kunnen rechters van deze rechtbanken op hun beurt worden benoemd tot rechter bij een gewone rechtbank.
Rechters worden in de meeste gevallen benoemd door de bondspresident die, wat de meeste functies betreft, deze taak gedelegeerd zal hebben aan de bondsminister van Justitie. Uitzondering: rechters van de regionale administratieve rechtbanken worden benoemd door de regering van de betrokken deelstaat (Land). Alleen Oostenrijkse burger(e)s(sen) kunnen als rechter worden benoemd.
Leken in het college moeten worden onderscheiden van beroepsrechters. Zij hoeven geen juridische opleiding te hebben genoten en werken op vrijwillige basis. Ze kunnen optreden als lekenrechters of juryleden in strafzaken, dan wel als toegevoegde rechters met bijzondere deskundigheid in zaken op het gebied van arbeidsrecht en sociale zekerheid.
Statuut van rechters
Rechters bij de gewone rechtbanken en de administratieve rechtbanken van de bondsstaat hebben een publiekrechtelijke arbeidsverhouding met die staat. Naast de bepalingen van de federale constitutionele wet (Bundes-Verfassungsgesetz) is de wet op de dienstverlening door rechters (Richterdienstgesetz) de belangrijkste rechtsbron voor wat betreft de opleiding en het beroepsstatuut van rechters. Een groot aantal bepalingen, zoals het tuchtrecht en de dienstbeschrijvingen, is voor rechters en openbaar aankla(a)g(st)ers in hoge mate overeenkomstig vastgesteld.
Rechters die zijn benoemd bij de regionale administratieve rechtbanken hebben een publiekrechtelijke arbeidsverhouding met de betreffende deelstaat. Hun beroepsstatuut is vastgelegd in de federale constitutionele wet en de specifieke wetten van de deelstaten.
Alle beroepsrechters worden voor onbepaalde tijd benoemd en gaan aan het eind van het jaar waarin zij de leeftijd van 65 jaar bereiken met pensioen.
Volgens de artikelen 87 en 88 van de federale constitutionele wet fungeren rechters als onafhankelijke staatsorganen bij de wetsinterpretatie en de rechtspleging. Deze onafhankelijkheid komt enerzijds tot uiting in het feit dat rechters zich niets gelegen hoeven te laten liggen aan welke instructie dan ook (onafhankelijkheid ten aanzien van de inhoud van de zaak) en in het feit dat zij niet uit hun functie kunnen worden ontheven en niet naar een andere functie kunnen worden overgeplaatst (persoonlijke onafhankelijkheid). Rechters zijn slechts gebonden aan de wet en oordelen op basis van hun eigen rechtsovertuiging. Zij zijn evenmin gebonden aan eerdere beslissingen van andere rechtbanken in soortgelijke juridische kwesties (geen precedentwerking).
Met uitzondering van wanneer zij blijvend met pensioen gaan na de pensioengerechtigde leeftijd te hebben bereikt, kunnen rechters alleen in de bij wet voorziene omstandigheden en op de daar voorziene wijze op basis van een formele rechterlijke uitspraak (artikel 88 van de federale constitutionele wet) uit hun functie ontheven of tegen hun wil naar een andere functie overgeplaatst of voortijdig met pensioen gestuurd worden.
De in de federale constitutionele wet voorziene speciale status is alleen op rechters van toepassing tijdens de uitoefening van hun ambt als rechter (bij het uitvoeren van alle bij wet of krachtens de dienstverdeling toegewezen gerechtelijke zaken). Een uitzondering vormen speciale zaken die de rechterlijke macht betreffen (Justizverwaltungssachen – maatregelen om de werking van het gerechtelijke apparaat te waarborgen). In die gevallen zijn rechters echter alleen onafhankelijk als zij dergelijke zaken behandelen in kamers of commissies (bijvoorbeeld de dienstverdeling, suggesties voor benoemingen tot rechter). Zo niet, dan zijn zij gebonden aan de instructies van hun hogergeplaatsten. Door een vaste dienstverdeling is het in de federale constitutionele wet verankerde recht op een rechter die binnen het rechtsstelsel opereert, gewaarborgd.
Rol en taken
Rechters hebben als taak recht te spreken in civielrechtelijke en strafrechtelijke zaken. In bestuursrechtelijke en constitutioneelrechtelijke zaken treden zij op als toezichthouder op het openbaar bestuur en hoeder van de grondwet.
Wettelijke verantwoordelijkheid
Tuchtrechtelijk: een rechter die verwijtbaar zijn/haar beroepsplicht schendt, moet zich (voor wat betreft rechters van gewone rechtbanken) verantwoorden voor een volledig uit rechters samengestelde tuchtrechtbank bij een hof van beroep of het Hooggerechtshof (deze tuchtrechtbank is ook bevoegd in zaken betreffende schending van de beroepsplicht door openbaar aankla(a)g(st)ers). Op enkele uitzonderingen na gelden dezelfde tuchtrechtelijke regels voor de rechters van de administratieve rechtbanken van de bondsstaat. Het tuchtrecht dat van toepassing is op de rechters van de administratieve rechtbanken van de deelstaten, is daarentegen vastgelegd in de desbetreffende wetten van de deelstaten.
Strafrechtelijk: een rechter (of, indien van toepassing, een openbaar aankla(a)g(st)er) die verwijtbaar zijn/haar beroepsplicht schendt en tevens een strafbaar feit pleegt, moet zich verantwoorden voor de strafrechter (bijvoorbeeld in het geval van misbruik van ambtsbevoegdheid).
Civielrechtelijk: partijen die schade hebben geleden door het onwettige en verwijtbare gedrag van een rechter (of, indien van toepassing, een openbaar aankla(a)g(st)er) kunnen alleen tegen de Staat een vordering tot vergoeding van de geleden schade instellen. In geval van opzet of grove nalatigheid kan de Staat verhaal halen op de rechter (of, indien van toepassing, de openbaar aankla(a)g(st)er).
2. Openbare aankla(a)g(st)er
Organisatie
De hiërarchische organisatie van het openbaar ministerie komt in hoofdlijnen overeen met die van de rechtbanken.
Bij alle 16 arrondissementsrechtbanken die bevoegd zijn voor strafzaken, is er een bureau van het openbaar ministerie. Daarnaast is er een voor heel Oostenrijk bevoegd openbaar ministerie voor strafvervolging bij economische delicten en corruptie (Wirtschafts- und Korruptionsstaatsanwaltschaft). Elk hof van beroep heeft een bureau van openbaar hoofdaankla(ag(st)ers (Oberstaatsanwaltschaft) en het bureau van de procureur-generaal (Generalprokuratur) bevindt zich bij het Hooggerechtshof. De bureaus van de openbaar hoofdaankla(ag(st)ers en het bureau van de procureur-generaal vallen rechtstreeks onder de bondsminister van Justitie.
Opleiding en benoeming
De opleiding tot openbaar aankla(ag(st)er komt overeen met die van de beroepsrechters van de gewone rechtbanken.
Alleen wie aan de voorwaarden voor benoeming tot rechter voldoet, kan tot openbaar aankla(ag(st)er worden benoemd.
Vacatures voor openbaar aankla(ag(st)ers moeten, evenals vacatures voor rechters, openbaar worden gemaakt. De bondspresident heeft het recht openbaar aankla(ag(st)ers te benoemen, maar net zoals dit bij rechters het geval is, heeft hij/zij dit recht voor de meeste functies voor openbaar aankla(ag(st)ers aan de bondsminister van Justitie gedelegeerd.
Statuut van de openbaar aankla(a)g(st)er
De bureaus van de openbaar aankla(ag(st)ers zijn gerechtelijke autoriteiten die weliswaar losstaan van de rechtbanken, maar niet onafhankelijk zijn. Zij kennen een hiërarchische structuur en zijn gebonden aan de instructies van bureaus van de openbaar hoofdaankla(ag(st)ers en uiteindelijk de bondsminister van Justitie.
Er gelden nauwkeurig omschreven wettelijke regels voor het recht om instructies te geven. Instructies mogen alleen schriftelijk en gemotiveerd worden gegeven door een bureau van een openbaar hoofdaankla(ag(st)er of de bondsminister van Justitie. Eventueel ontvangen instructies moeten worden opgenomen in het dossier van de betreffende strafzaak. De bondsminister moet vóór het geven van een instructie eerst de adviesraad betreffende instructies (Weisungsrat) om advies vragen. De bondsminister van Justitie is ministerieel verantwoordelijk en moet het parlement dus informatie verstrekken en tevens verantwoording hieraan afleggen.
Medewerk(st)ers van de afzonderlijke bureaus van de openbaar aankla(ag(st)ers moeten de instructies van het hoofd van het bureau opvolgen. Indien zij een instructie echter strijdig achten met de wet, kunnen zij verzoeken om een schriftelijk bevel inzake de instructie en zelfs verzoeken om van de strafzaak in kwestie te worden afgehaald.
Rol en taken
De bureaus van het openbaar ministerie zijn speciale organen die losstaan van de rechtbanken. Hun taak is het behartigen van het publieke belang in de strafrechtspleging, onder meer door het leiden van het voorbereidend onderzoek in de strafprocedure. Ook brengen zij tenlasteleggingen tegen personen uit en verdedigen zij de aanklacht in strafprocedures. Zij worden ook wel inbeschuldigingstellingsinstanties (Anklagebehörde) genoemd.
Een van de taken van de openbaar aankla(a)g(st)ers is het voor de rechter brengen en in rechte verdedigen van aanklachten, zowel voor de regionale rechtbanken als voor de districtsgerechten van het rechtsgebied van de desbetreffende regionale rechtbanken. In de regel brengen de openbaar aankla(a)g(st)ers van de districten (Bezirksanwälte/Bezirkanwältinnen) de aanklacht voor de districtsgerechten. Deze aankla(a)g(st)ers, functionarissen met bijzondere deskundigheid, hoeven niet in het bezit te zijn van een universitair diploma.
Het openbaar ministerie voor strafvervolging bij economische delicten en corruptie met bevoegdheid in heel Oostenrijk neemt een speciale positie in. De bevoegdheid van dit openbaar ministerie omvat nu ambts- en corruptiedelicten en economische delicten met schadebedragen ter hoogte van meer dan 5 000 000 EUR, evenals financiële delicten met schadebedragen ter hoogte van meer dan 5 000 000 EUR, gekwalificeerde gevallen van sociale fraude, gekwalificeerde handelingen door schuldenaren die schade berokkenen aan de schuldeisers en strafbare feiten krachtens de Oostenrijkse wet op naamloze vennootschappen (Aktiengesetz) of de wet op besloten vennootschappen (GmbH-Gesetz) die worden gepleegd bij overeenkomstig grote ondernemingen (met een aandelenkapitaal van ten minste 5 000 000 EUR of meer dan 2 000 werknemers).
De bureaus van de openbaar hoofdaankla(ag(st)ers staan boven die van de openbaar aankla(ag(st)ers en ondersteunen de hoven van beroep in Wenen, Graz, Linz en Innsbruck. Zij treden niet alleen op als openbaar aanklager voor de hoven van beroep, maar zien ook toe op alle bureaus van het openbaar ministerie in hun rechtsgebied en vallen rechtstreeks onder de bondsminister van Justitie.
Het bureau van de procureur-generaal bij het Hooggerechtshof neemt een bijzondere positie in. Dit bureau legt rechtstreeks verantwoording af aan de bondsminister van Justitie en is zelf niet gerechtigd om instructies te geven aan de bureaus van de openbaar aankla(ag(st)ers en de bureaus van de openbaar hoofdaankla(ag(st)ers. Evenmin brengt dit bureau aanklachten uit; het dient puur ter ondersteuning van het Hooggerechtshof. Dit bureau beschikt over de bijzondere bevoegdheid om zogeheten beroepen op grond van nietigheid in het belang der wet in te stellen in strafzaken waarin partijen geen (verdere) beroepsmogelijkheid hebben. Daarmee vervult het bureau van de procureur-generaal een belangrijke rol in het bewaken van de eenvormigheid van het recht en het waarborgen van de rechtszekerheid in het strafrecht.
Wettelijke verantwoordelijkheid
De tuchtrechtelijke, strafrechtelijke en civielrechtelijke verantwoordelijkheid van openbaar aankla(a)g(st)ers is op dezelfde manier geregeld als die van de rechters van de gewone rechtbanken.
3. Hulprechters (Diplomrechtspfleger/Diplomrechtspflegerinnen)
Organisatie
Hulprechters zijn een onmisbaar onderdeel van de rechterlijke organisatie in Oostenrijk. Meer dan 80 % van alle beslissingen in civielrechtelijke zaken in eerste aanleg wordt nu door zo’n 760 hulprechters genomen.
Opleiding van hulprechters
De opleiding tot hulprechter staat enkel open voor gerechtelijk ambtenar(ess)en die een middelbareschooldiploma hebben gehaald dat voldoende is voor toelating tot een universiteit (Matura) of een school voor hoger beroepsonderwijs (Berufsreifeprüfung), een opleiding tot griffiemedewerk(st)er hebben gevolgd (Gerichtskanzleiausbildung) en geslaagd zijn voor het griffie-examen dat bedoeld is voor griffiemedewerk(st)ers (Gerichtskanzleiprüfung), evenals een speciaal examen voor deze dienst (Fachdienstprüfung). De opleiding tot hulprechter duurt drie jaar en omvat het werken bij een gerechtelijke instantie en het daar voorbereiden van zaken op het beoogde werkgebied, het deelnemen aan een basisleergang en een werkgebiedsleergang en het slagen voor een examen op dat gebied. Na te zijn geslaagd voor het examen van justitieel medewerk(st)er (Rechtspfleger/Rechtspflegerin), en mits de voorwaarden van artikel 3 van de wet op de justitieel medewerk(st)ers (Rechtspflegergesetz) zijn vervuld, krijgt de kandidaat-hulprechter een certificaat (diploma) dat wordt afgegeven door de bondsminister van Justitie, waarin het werkgebied staat vermeld. Door het afgeven van dit certificaat krijgt de gerechtelijk ambtena(a)r(es) de bevoegdheid onder zijn/haar werkterrein vallende zaken af te handelen op het federale grondgebied en kan hij/zij derhalve optreden als justitieel medewerk(st)er.
Vervolgens is het aan de president van het hof van beroep om te bepalen bij welke rechtbank, en, in voorkomend geval, hoe lang de desbetreffende gerechtelijk ambtena(a)r(es) als hulprechter moet worden ingezet. De hulprechter wordt bij de rechtbank in kwestie door het hoofd van de rechtbank (de president) toegewezen aan een door een rechter geleide afdeling of, indien van toepassing, aan een aantal afdelingen.
Statuut van hulprechters
Hulprechters zijn gerechtsambtenar(ess)en met een speciale opleiding aan wie het behandelen van specifiek omschreven civielrechtelijke zaken in eerste aanleg is overgedragen op basis van de federale constitutionele wet (artikel 87a) en de wet op de justitieel medewerk(st)ers. Zij moeten zich houden aan de voorschriften van de rechters aan wie de zaak is toegewezen volgens de dienstverdeling. De rechters kunnen te allen tijde de zaak weer in eigen handen nemen. Hulprechters kunnen alleen rechterlijke bevelen uitbrengen. Net zoals tegen beslissingen van rechters kan tegen beslissingen van hulprechters beroep worden ingesteld. Wanneer tegen een beslissing in verband met de waarde van de zaak geen beroep mogelijk is, of op grond van de algemene regels slechts een beperkt beroep, kan als eis worden gesteld dat de bevoegde rechter de zaak behandelt.
In de praktijk werken hulprechters zo veel mogelijk zelfstandig. Instructies van de rechters zijn niet gebruikelijk en komen zeer zelden voor.
Rol en taken
Hulprechters worden op de volgende werkgebieden ingezet:
- civiele proces-, uitvoerings- en faillissementszaken (“schuldregelingsprocedures”);
- niet-contentieuze zaken;
- kadaster- en scheepsregisterzaken;
- handelsregisterzaken.
Elk van deze werkgebieden vereist zijn eigen opleiding en specifieke benoeming van de hulprechters voor het betreffende gebied.
Verdeling van verantwoordelijkheden tussen rechters en hulprechters
Het werkterrein van een hulprechter omvat niet alle werkzaamheden en beslissingen die zich voordoen in de bovengenoemde werkgebieden. Welke zaken precies binnen het werkterrein van een hulprechter vallen, is nauwkeurig vastgesteld in de wet op de justitieel medewerk(st)ers en de omvang van de verschillende werkterreinen kan aanzienlijk uiteenlopen.
Deze wet voorziet voor de verschillende werkgebieden in diverse terreinen waarop concrete zaken aan de hulprechters worden toebedeeld (in faillissementszaken bijvoorbeeld bestrijkt het werkterrein faillissementsprocedures voor de districtsgerechten). Sommige bevoegdheden blijven evenwel voorbehouden aan rechters.
Voorts behelst elk werkterrein onder meer het uitvoeren van de betalingsbevelprocedure, het bevestigen van het rechtsgevolg en de uitvoerbaarheid van gerechtelijke uitspraken op het betrokken werkgebied, beslissingen over aanvragen voor rechtsbijstand in hulprechterprocedures en het verrichten van officiële handelingen naar aanleiding van een verzoek om justitiële bijstand van een binnenlandse rechtbank of een binnenlandse overheidsinstantie.
4. Advocate(n)(s)
Algemeen
Advocate(n)(s) zijn bevoegd om partijen in gerechtelijke en buitengerechtelijke, publiek- en privaatrechtelijke kwesties te vertegenwoordigen voor alle rechtbanken en instanties van de Republiek Oostenrijk.
Er is geen officiële benoeming nodig om als advoca(a)te te werken in Oostenrijk, maar de volgende eisen zijn wel voorwaarde voor de beroepsuitoefening.
De materiële rechtsgrondslagen zijn het reglement betreffende het beroep van advocaat (Rechtsanwaltsordnung), Oostenrijks staatsblad (Bundesgesetzblatt) nr. 96/1896, het tuchtstatuut van advocaten en aspirant-advocaten (Disziplinarstatut für Rechtsanwälte und Rechtsanwaltsanwärter), Oostenrijks staatsblad nr. 474/1990, de federale wet op de advocatenhonoraria (Bundesgesetz über den Rechtsanwaltstarif), Oostenrijks staatsblad nr. 189/1969 en de wet op het advocatenexamen (Rechtsanwaltsprüfungsgesetz), Oostenrijks staatsblad nr. 556/1985.
Voorwaarden voor de beroepsuitoefening
Wie wil toetreden tot het beroep van advoca(a)t(e), moet na de studie rechtswetenschappen (studie Oostenrijks recht) kunnen aantonen in totaal ten minste vijf jaar in een juridische beroepshoedanigheid te hebben gewerkt, waarvan ten minste zeven maanden bij een rechtbank of een openbaar ministerie en drie jaar als aspirant-advoca(a)t(e) bij een Oostenrijkse advoca(a)t(e).
Het voor de beroepsuitoefening noodzakelijke advocatenexamen kan worden afgelegd na drie jaar in de praktijk te hebben gewerkt, waarvan ten minste zeven maanden bij een rechtbank en ten minste twee jaar bij een advoca(a)t(e). Voorwaarde voor het mogen afleggen van het examen is bovendien dat men deelneemt aan de door de orde van advocaten bindend voorgeschreven scholingsactiviteiten.
Eenieder die aan de genoemde voorwaarden voldoet, kan zich laten opnemen op de lijst van advocate(n)(s) van de orde van advocaten in het ressort waar hij/zij een praktijk wil gaan voeren.
Onder bepaalde voorwaarden kunnen in Oostenrijk ook buitenlandse advocate(n)(s) die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland:
- op tijdelijke basis werk verrichten als advoca(a)t(e);
- na een onderzoek naar zijn/haar geschiktheid verzoeken om te worden opgenomen op de lijst van advocate(n)(s) van de desbetreffende orde van advocaten; of
- zich onder de beroepsaanduiding van de staat van herkomst onmiddellijk, zonder voorafgaand onderzoek naar zijn/haar geschiktheid, in Oostenrijk vestigen en na drie jaar van “effectieve en reguliere” beroepsuitoefening in Oostenrijk volledig in de Oostenrijkse advocatuur integreren.
Onder bepaalde omstandigheden kan in de Republiek Oostenrijk ook een lid van een orde van advocaten van een GATS-lidstaat tijdelijk bepaalde nauwkeurig afgegrensde werkzaamheden als advoca(a)t(e) verrichten.
Wettelijke verantwoordelijkheid
Advocate(n)(s) die hun beroepsplichten schenden of het beroep in diskrediet brengen, moeten zich verantwoorden voor een door de lokale orde van advocaten gekozen tuchtraad. De maximale straf die de tuchtraad kan opleggen, is de betrokkene van de lijst van advocate(n)(s) schrappen. Het Hooggerechtshof beslist in tweede aanleg over deze zaken, in kamers van vier leden die bestaan uit twee rechters van het Hooggerechtshof en twee advocate(n)(s).
Natuurlijk rust op advocate(n)(s) ook een strafrechtelijke en civielrechtelijke verantwoordelijkheid.
Orde van advocaten, Oostenrijkse federale orde van advocaten
Alle op de desbetreffende lijst opgenomen advocate(n)(s) en aspirant-advocate(n)(s) van een deelstaat vormen een orde van advocaten. Orden van advocaten zijn publiekrechtelijke rechtspersonen en zelfstandige bestuursorganen.
Op federaal niveau worden de belangen van de Oostenrijkse beroepsgroep behartigd door de Oostenrijkse federale orde van advocaten (Österreichischer Rechtsanwaltskammertag), waarin alle Oostenrijkse orden van advocaten zijn verenigd en waarvan het vertegenwoordigende orgaan bestaat uit afgevaardigden van die orden.
5. Notarissen
Algemeen
Voor het regelen van privaatrechtelijke rechtsverhoudingen kan de rechtzoekende bevolking een beroep doen op de notarissen als onafhankelijke en onpartijdige organen van de voorbereidende rechtspleging.
De hoofdtaak van notarissen is medewerking verlenen aan rechtshandelingen en juridische bijstand leveren aan het publiek. Notarissen stellen openbare akten op, bewaren goederen voor derden, stellen onderhandse akten op en vertegenwoordigen partijen, voornamelijk op niet-contentieus gebied. Notarissen hebben bovendien tot taak als gevolmachtigden van de rechtbank op te treden in procedures die geen geschil betreffen. Zij worden in deze hoedanigheid van gerechtelijk commissaris (Gerichtskommissär/Gerichtskommissärin) met name ook betrokken bij procedures die een nalatenschap betreffen.
Notarissen moeten ervoor zorgen dat de activa van een overledene veilig gesteld worden en overgaan op de personen die er recht op hebben. Deze activiteit vergt speciale kennis van het erfrecht en van niet-contentieuze procedures, wat er weer toe leidt dat notarissen voortdurend worden benaderd door burger(e)s(sen) om hen bij te staan bij het opstellen van testamenten en met name om advies te geven en als vertegenwoordiger op te treden in erfrechtsaangelegenheden.
Notarissen oefenen een openbaar ambt uit, maar zijn geen ambtena(a)r(es). Zij nemen het commerciële risico van het voeren van een praktijk op zich, maar voeren geen bedrijf. Het beroep van notaris is te vergelijken met een vrij beroep, maar als gerechtelijk commissaris geldt de notaris als rechterlijk ambtena(a)r(es). Het werk als notaris is het hoofdberoep en kan niet worden gecombineerd met werk als advoca(a)t(e).
Wijzigingen in het aantal notariskantoren en de locaties daarvan vinden plaats door middel van een verordening van de bondsminister van Justitie. In oktober 2019 telde Oostenrijk 519 notariskantoren.
De materiële rechtsgrondslagen voor deze activiteit bestaan uit de Oostenrijkse notariaatsverordening (Notariatsordnung), Oostenrijks staatsblad nr. 75/1871, de wet op notariële akten (Notariatsaktsgesetz), Oostenrijks staatsblad nr. 76/1871, de wet op de tarieven van notarissen (Notariatstarifgesetz), Oostenrijks staatsblad nr. 576/1973, de wet op het notarisexamen (Notariatsprüfungsgesetz), Oostenrijks staatsblad nr. 522/1987, de wet op gerechtelijk commissarissen (Gerichtskommissärsgesetz), Oostenrijks staatsblad nr. 343/1970 en de wet op de tarieven van notarissen als gerechtelijk commissaris (Gerichtskommissionstarifgesetz), Oostenrijks staatsblad nr. 108/1971.
Opleiding
Wie zijn/haar rechtenstudie (studie Oostenrijks recht) heeft afgerond en geïnteresseerd is in het beroep van notaris, zoekt een notaris die een arbeidsverhouding met hem/haar wil aangaan en hem/haar laat opnemen op de lijst van kandidaat-notarissen.
Opname op de lijst van kandidaat-notarissen die wordt bijgehouden door de verantwoordelijke kamer van notarissen, is alleen toegestaan indien de persoon in kwestie zeven maanden praktijkervaring heeft als juridisch stagiair(e) bij een rechtbank of bij een openbaar ministerie en op het moment van eerste opname op de lijst van kandidate(n)(s) nog geen 35 jaar oud is.
Om te worden toegelaten tot het notarieel examen, moet de kandidaat-notaris de door kamer van notarissen bindend voorgeschreven scholingsactiviteiten bijwonen.
Het notarieel examen wordt in twee delen afgelegd:
- de kandidaat-notaris kan het eerste gedeelte van het examen afleggen na 18 maanden kandidaat-notaris te zijn geweest, maar moet uiterlijk aan het eind van het vijfde jaar als kandidaat-notaris geslaagd zijn voor dit eerste gedeelte; anders wordt zijn/haar naam geschrapt van de lijst van kandidaat-notarissen;
- de kandidaat-notaris kan het tweede gedeelte afleggen na ten minste nog één jaar in de praktijk als kandidaat-notaris te hebben gewerkt. Het tweede gedeelte van het notarieel examen moet uiterlijk aan het einde van een periode van tien jaar als kandidaat-notaris zijn behaald, anders wordt de naam van de kandidaat-notaris van de lijst geschrapt.
Benoeming
Vacante of nieuw gecreëerde notarisplaatsen moeten alvorens ze worden ingevuld openbaar bekend worden gemaakt. De wet (artikel 6 van de notariaatsverordening) vereist onder andere dat sollicitante(n)(s) voor een notarisplaats:
- burger(es) zijn van een EU-lidstaat of een andere lidstaat van de EER of van
Zwitserland;
- de studie Oostenrijks recht met succes hebben afgerond;
- geslaagd zijn voor het notarieel examen; en
- aan kunnen tonen zeven jaar werkzaam te zijn geweest in een juridisch beroep, waaronder ten minste drie jaar als kandidaat-notaris na het afleggen van het notarieel examen.
Aan deze basisvoorwaarden kan echter geen recht worden ontleend om tot notaris te worden benoemd. Tijdens de benoemingsprocedure worden de sollicitante(n)(s) beoordeeld en geselecteerd door de lokaal bevoegde kamer van notarissen en vervolgens door de personeelskamers van de verantwoordelijke regionale rechtbank en het hof van beroep, waarbij van doorslaggevend belang is hoe lang men in de praktijk heeft gewerkt. De kamer van notarissen en de twee personeelskamers stellen elk drie personen voor aan de bondsminister van Justitie. Hoewel de minister niet gebonden is aan de voorstellen, benoemt hij/zij in de praktijk alleen maar geselecteerde sollicitante(n)(s).
Het ambt van notaris kan worden uitgeoefend tot en met 31 januari van het kalenderjaar dat volgt op de 70e verjaardag van de notaris. Een notaris officieel naar een andere notarisplaats overplaatsen is niet toegestaan.
Toezicht op notarissen; wettelijke verantwoordelijkheid
Vanwege hun taken bij het opstellen van openbare akten en als gerechtelijk commissaris staan notarissen onder speciaal toezicht. Voor het toezicht op notarissen zijn de bondsminister van Justitie, de rechterlijke macht en, indirect, de kamers van notarissen verantwoordelijk.
Notarissen kennen eigen tuchtrecht. Overtredingen van de dienstvoorschriften worden in eerste aanleg door het hof van beroep als tuchtrechtbank voor notarissen en in tweede aanleg door het Hooggerechtshof als tuchtrechtbank voor notarissen gerechtelijk vervolgd, waarbij ook notarissen lid moeten zijn van de kamers die deze zaken behandelen. De maximale straf die de tuchtrechtbank kan opleggen is ontzetting uit het ambt. Eenvoudige overtredingen worden behandeld door de kamer van notarissen.
Naast hun verantwoordelijkheid onder het tuchtrecht rust op notarissen vanzelfsprekend ook een strafrechtelijke en civielrechtelijke verantwoordelijkheid.
Wanneer notarissen als gerechtelijk commissaris optreden, worden zij in strafrechtelijke zin als ambtenaar aangemerkt en moeten zij zich derhalve verantwoorden voor zogeheten ambtsdelicten, waaronder met name misbruik van de ambtsbevoegdheid. Voor de civielrechtelijke aansprakelijkheid gelden verschillende regelingen. Wanneer notarissen als gerechtelijk commissaris optreden, gelden voor hen dezelfde aansprakelijkheidsbepalingen als voor rechters en openbaar aankla(a)g(st)ers. Dit betekent dat de partijen niet direct een vordering tegen de notaris kunnen instellen, maar hun vorderingen voor schadevergoeding tot de Staat moeten richten. In het geval van opzet of grove schuld kan de Staat verhaal halen op de notaris. Buiten de hoedanigheid van gerechtelijk commissaris zijn de notarissen direct civielrechtelijk verantwoordelijk jegens de partijen.
Notariaatsraden, Oostenrijkse Kamer van Notarissen (Österreichische Notariatskammer)
De notarissen die hun praktijk uitoefenen in een deelstaat, en de op de lijst van kandidaat-notarissen van die deelstaat opgenomen kandidaat-notarissen vormen een raad van notarissen. De deelstaten Wenen, Neder-Oostenrijk en Burgenland, evenals de deelstaten Tirol en Vorarlberg, kennen gezamenlijke raden.
Deze raden zijn verantwoordelijk voor het behartigen van de eer en waardigheid van de beroepsgroep en voor het vertegenwoordigen van de belangen van deze beroepsgroep.
Elke raad van notarissen moet uit de eigen leden een kamer van notarissen kiezen. De kamer van notarissen bestaat uit een notaris als voorzit(s)ter en zes andere notarissen (twaalf in Wenen) en drie kandidaat-notarissen (zes in Wenen) als leden.
De Oostenrijkse Kamer van Notarissen bestaat uit de kamers van notarissen van de deelstaten. De Oostenrijkse Kamer van Notarissen heeft tot taak notarissen te vertegenwoordigen en hun rechten en belangen te behartigen in zaken die het Oostenrijkse notariaat in zijn geheel betreffen of in zaken die het bereik van een individuele kamer van notarissen te buiten gaan.
Relevante links
De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.