Op civielrechtelijk vlak blijven lopende procedures en procedures die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingeleid, onder het EU-recht vallen. Zoals overeengekomen met het VK, wordt alle informatie op dat gebied in verband met het Verenigd Koninkrijk tot eind 2022 op het e-justitieportaal bijgehouden.

Van welk land is de wetgeving van toepassing?

Noord-Ierland
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

De collisieregels in Noord-Ierland die gelden voor het bestaande recht zijn grotendeels ontleend aan rechtstreeks toepasselijke EU-verordeningen. Wat betreft burgerlijke en handelszaken gaat het hierbij om:

• Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (“Rome I”); alsmede

• Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (“Rome II”).

De Contracts (Applicable Law) Act 1990 (waarmee het Verdrag van Rome werd geïmplementeerd) blijft relevant voor overeenkomsten die zijn aangegaan vóór 17 december 2009 (Rome I is van toepassing op overeenkomsten die op of na die datum zijn aangegaan).

De Private International Law (Miscellaneous Provisions) Act 1995 is uitsluitend relevant ten aanzien van situaties die niet door Rome II worden gedekt (Rome II is van toepassing op gevallen waarin de schade na 11 januari 2009 is ontstaan).

De traditionele regels van het common law-systeem blijven van toepassing op het recht inzake onrechtmatige daad met betrekking tot laster en op erf- en zakenrecht.

Ook wat betreft het familierecht komen de regels van het toepasselijk recht doorgaans voort uit de common law, met enkele uitzonderingen. In familiezaken wordt doorgaans het recht van Noord-Ierland toegepast, met een beperkt aantal uitzonderingen die vallen onder de common law (bv. met betrekking tot het nietig verklaren van een huwelijk) of het geschreven recht (bv. met betrekking tot onderhoudsverplichtingen ingevolge de Maintenance Orders (Facilities for Enforcement) Act 1920 en de Maintenance Orders (Reciprocal Enforcement) Act 1972). Wat betreft kwesties inzake ouderlijke verantwoordelijkheid en kinderbescherming die vallen onder Verordening (EG) nr. 2201/2003 en het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen zijn de toepasselijke rechtsregels vervat in (en gaat het Noord-Ierse recht derhalve, enkele uitzonderingen daargelaten, uit van) de Parental Responsibility and Measures for the Protection of Children (International Obligations (England and Wales and Northern Ireland)) Regulations 2010 en artikel 15 van dat Verdrag.

• Verdrag van Den Haag inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen van 1961;

• Verdrag van Rome (zoals hierboven vermeld, is Rome I van toepassing op overeenkomsten die op of na 17 december 2009 zijn aangegaan);

• Verdrag van Den Haag van 1 juli 1985 inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts.

1.2 De belangrijkste bilaterale verdragen

Er zijn geen bilaterale verdragen waarbij het Verenigd Koninkrijk partij is, die bepalingen over rechtskeuze bevatten.

Hoewel een staat op grond van de in punt 1.2 hierboven genoemde verdragen een andere rechtskeuzeregeling kan toepassen op zijn “territoriale eenheden”, heeft het Verenigd Koninkrijk ervan afgezien van deze mogelijkheid gebruik te maken. Bijgevolg zijn de in punt 1.2. genoemde verdragen zowel van toepassing op conflicten tussen de verschillende rechtsgebieden van het Verenigd Koninkrijk als op internationale conflicten en wordt Noord-Ierland als een afzonderlijk rechtsgebied beschouwd, los van Engeland, Wales en Schotland.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

De collisieregels worden doorgaans alleen toegepast, wanneer ten minste één van de partijen heeft aangevoerd dat die moeten worden toegepast. Wanneer dat niet het geval is, of wanneer de inhoud van het vreemde recht niet voldoende is bewezen, zal de rechter normaliter het recht van Noord-Ierland op de zaak toepassen. Deze regel houdt verband met bewijs en rechtspleging en valt daarom niet onder de EU-verordeningen.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

Onder de EU-verdragen is herverwijzing uitgesloten in gevallen die door EU-conflictregels worden beheerst; dit strookt met de overheersende opvatting in de Private International Law (Miscellaneous Provisions) Act 1995 en de Contracts Applicable Law Act 1990. Daarom zal, wanneer de Noord-Ierse conflictregel naar het Franse recht verwijst, het Franse nationale recht worden toegepast, zelfs wanneer een Franse rechter het recht van een ander land zou hebben toegepast. Het feit dat in geval van toepassing van herverwijzing afbreuk zou worden gedaan aan de in de wetten vastgestelde complexe regels, blijkt een argument te zijn om herverwijzing in dit verband te verwerpen.

De rol van herverwijzing is op andere rechtsgebieden momenteel enigszins beperkt, en in sommige gevallen niet helemaal duidelijk. Wel duidelijk is dat herverwijzing van toepassing is op grond die in het buitenland is gelegen, die naar Noord-Iers recht valt onder de lex situs. In dergelijke gevallen wordt er om pragmatische redenen de voorkeur gegeven aan het recht van het rechtsgebied waar de goederen zich bevinden, om de kans te vergroten dat alle beslissingen over de goederen doeltreffend zullen zijn. De jurisprudentie van gerechten van eerste aanleg ten aanzien van lichamelijke roerende zaken die zich in het buitenland bevinden, wijst uit dat herverwijzing niet in een verwijzing naar de lex situs is begrepen. In veel gevallen is het bewijs van de inhoud van vreemde regels over rechtskeuze echter duur, en de partijen zien er vaak van af om stappen te ondernemen die tot de toepassing ervan leiden (zie punt 2.1 hierboven).

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Dit probleem wordt aangepakt door bij elke conflictregel het tijdstip te specificeren waarop het aanknopingspunt wordt vastgesteld. Bij de overdracht van roerende goederen bijvoorbeeld is het toepasselijke recht het recht dat van toepassing is op de plaats waar het betrokken goed zich bevindt op het tijdstip van de overdracht.

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Onder de traditionele regels kunnen Noord-Ierse rechters weigeren vreemd recht (van een land of gebied) toe te passen dat in strijd is met de openbare orde. De openbare orde wordt beïnvloed door de internationale verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk, in het bijzonder die voortvloeiend uit het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Daar komt bij dat zowel Rome 1 als Rome II nu beide voorzien in de toepassing van de bepalingen van bijzonder dwingend recht van de rechter bij wie de zaak aanhangig is, ongeacht het recht dat overigens op de overeenkomst van toepassing is. Over het algemeen komen deze bepalingen voor op het gebied van consumenten- en arbeidszaken of in wetgeving ter aanvulling van een internationaal verdrag.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

De inhoud van het recht van een land of gebied buiten Noord-Ierland moet door de partijen worden bewezen als ware het een feit. Het is echter aan de rechter om de rechtsgevolgen van het aangevoerde bewijs in het licht van dat recht te beoordelen.

In een procedure voor een gerecht in Noord-Ierland kan deskundigenbewijs ten aanzien van het recht van een land of gebied buiten Noord-Ierland worden geleverd door eenieder die daarvoor door kennis of ervaring de geschikte kwalificaties heeft, ongeacht of hij in het betrokken land of gebied als praktijkjurist actief mag zijn of is geweest.

Onder bepaalde omstandigheden kan een gerecht in Noord-Ierland een eerdere beslissing of bevinding van een Engels gerecht met betrekking tot het recht van een land of gebied buiten Noord-Ierland in aanmerking nemen. In dat geval moet aan elke andere partij en hun respectieve advocaten een schriftelijke kennisgeving worden verleden van het voornemen van een partij om zich te beroepen op die eerdere beslissing.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

In alle zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst die een rechtskeuze met zich meebrengen, is Rome 1 rechtstreeks van toepassing. De conflictregels van de Rome-verordening zijn mogelijk ook van toepassing op gevallen die volgens het recht van Noord-Ierland niet als contractueel worden beschouwd (bv. overeenkomsten zonder tegenprestatie, zoals schenkingsovereenkomsten).

Procedurele kwesties worden op basis van de lex fori bepaald. Derhalve worden de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding (maar niet de verschillende schadeposten) en de bewijsmiddelen bepaald door het recht van de rechter bij wie de zaak aanhangig is. Termijnen zijn materiële voorschriften en worden derhalve in het geval van verbintenissen uit overeenkomst bepaald door het recht dat op basis van de verordening van toepassing is.

In gevallen waarin de partijen een uitdrukkelijke rechtskeuze hebben gemaakt, of wanneer de rechtskeuze duidelijk uit de omstandigheden blijkt, is dat recht van toepassing. Een rechtskeuze blijkt duidelijk uit de omstandigheden van de zaak wanneer een standaardovereenkomst wordt gebruikt, waarvan men weet dat er een specifiek recht op van toepassing is, of in het licht van voorgaande zaken tussen de partijen. Wanneer er een overeenkomst over de aanwijzing van een bevoegde rechter bestaat, kan daaruit dikwijls worden afgeleid dat partijen de bedoeling hadden om het recht van die rechter toe te passen, maar dat is niet altijd het geval. In het geval van een arbitrageovereenkomst waarbij de selectiecriteria voor de arbiters worden vermeld, zijn gevolgtrekkingen over een rechtskeuze gemakkelijker te maken dan wanneer voor de selectie van de arbiters wordt verwezen naar een internationaal orgaan. In dat laatste geval ligt het veel minder voor de hand dat wordt geoordeeld dat de keuze duidelijk uit de omstandigheden blijkt.

De keuzevrijheid wordt in verschillende opzichten beperkt. Ten eerste mag de rechtskeuze in consumenten- en arbeidsovereenkomsten geen afbreuk doen aan dwingende regels ter bescherming van consumenten of werknemers die bestaan in het recht dat van toepassing zou zijn geweest als er geen uitdrukkelijke rechtskeuze was gemaakt. Ten tweede mag, wanneer alle elementen van de betrokken situatie zijn verbonden met één land, de rechtskeuze er niet toe leiden dat de dwingende regels van dat land terzijde worden geschoven. Er zijn ook regels ter bescherming van consumenten in verband met verzekeringsovereenkomsten. Er dient tevens te worden vermeld dat bij een meningsverschil over de doelmatigheid van de keuze – bijvoorbeeld wanneer er sprake is van dwang – de doelmatigheid van de keuze moet worden vastgesteld op basis van het vermoedelijk toepasselijke recht (d.w.z. het recht dat op de overeenkomst van toepassing zou zijn indien de keuze geldig was), tenzij dit “onredelijk” zou zijn (in dat geval kan het recht worden toegepast van de gewone verblijfplaats van de partij die beweert haar instemming niet te hebben gegeven).

In gevallen waarin geen sprake is van een uitdrukkelijke of duidelijk uit de omstandigheden blijkende rechtskeuze, biedt Rome 1 specifieke regels, afhankelijk van het soort overeenkomst. Bieden die regels geen uitsluitsel, is het toepasselijke recht doorgaans het recht van de gewone verblijfplaats van de partij die de kenmerkende prestatie verricht. Het is soms moeilijk te bepalen welke partij de kenmerkende prestatie verricht, maar meestal is het de partij die niet voor de goederen of de dienst betaalt (bv. de leverancier van een product, de geldschieter bij een banktransactie of de borg bij een borgovereenkomst). Deze veronderstelling kan worden weerlegd ten gunste van een land waarmee de overeenkomst nauwer verbonden is.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

In het geval van niet-contractuele verbintenissen is doorgaans Rome II van toepassing. De Private International Law (Miscellaneous Provisions) Act 1995 is uitsluitend van toepassing op kwesties in verband met onrechtmatige daad die niet onder de verordening vallen; op kwesties in verband met laster blijft dus de common law van toepassing (zie hieronder).

Ook termijnen worden op grond van het toepasselijke recht vastgesteld.

Ingevolge Rome II geldt als algemene regel dat het toepasselijke recht het recht is van de plaats waar de schade zich voordoet. Er gelden bijzondere regels voor het recht dat van toepassing is op bepaalde soorten niet-contractuele verbintenissen, onder meer ter zake van productaansprakelijkheid, oneerlijke concurrentie, onrechtmatige daad in verband met milieuschade en onrechtmatige daad in verband met intellectuele-eigendomsrechten. Krachtens de verordening kunnen de partijen onder bepaalde omstandigheden ook zelf kiezen welk recht van toepassing is, maar niet als zij daarmee de toepassing van regels van dwingend EU-recht of van nationaal recht beogen te vermijden. Schade moet op basis van het toepasselijke recht worden beoordeeld.

Zoals hierboven gesteld, blijft de common law van toepassing op gevallen van laster (met inbegrip van laster met betrekking tot eigendomstitels of goederen, leugens met kwaad opzet en elke vordering naar vreemd recht “die met een dergelijke vordering of de strekking daarvan overeenkomt”). In dergelijke gevallen is de regel van “dubbele vervolgbaarheid” van toepassing: een onrechtmatige daad is in Noord-Ierland alleen vervolgbaar, indien de daad civielrechtelijk kan worden vervolgd overeenkomstig het vreemd recht van het rechtsgebied waar zij (meestal een publicatie) is gepleegd en indien de daad overeenkomstig het recht van Noord-Ierland civielrechtelijk zou kunnen worden vervolgd indien zij in Noord-Ierland was gepleegd. Er geldt echter wel een uitzondering: als een ander land een belangrijkere relatie met de gebeurtenis en de partijen heeft, is het recht van dat rechtsgebied van toepassing. Opgemerkt zij dat er over deze kwestie veel onzekerheid heerst.

Wat betreft het beheer van trusts wordt het toepasselijk recht beheerst door de Recognition of Trusts Act 1987 ter implementatie van het Haags Verdrag van 1 juli 1985 inzake het recht dat toepasselijk is op trusts. Daaruit vloeit voort dat het door de oprichter van de trust gekozen recht toepasselijk is, of, bij gebreke van een dergelijke keuze, het recht waarmee de trust de het nauwst verbonden is. Aan de hand van dit recht worden de geldigheid, de structuur, de gevolgen en het beheer van de trust bepaald.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

Bij de geboorte is de woonplaats van een kind (woonplaats van oorsprong), voor zover het om een wettig kind gaat, de woonplaats van de vader op het tijdstip van de geboorte van het kind. Bij een onwettig kind, of als de vader op het tijdstip van de geboorte niet meer in leven is, is de woonplaats van het kind die van de moeder. Deze regel blijft van toepassing tot het kind 16 jaar is (de woonplaats van het kind verandert dus wanneer die van de vader of de moeder verandert).

Voor personen ouder dan 16 jaar blijft de woonplaats van oorsprong van toepassing, tenzij deze personen een andere woonplaats kiezen. Als zij daadwerkelijk hun woonplaats in het desbetreffende rechtsgebied hebben en voornemens zijn daar voor onbepaalde tijd of permanent te wonen, is de woonplaatskeuze geldig. Zodra niet meer wordt voldaan aan een van deze criteria, vervalt de woonplaatskeuze en geldt de woonplaats van oorsprong.

De woonplaats van een echtgenote wordt niet langer bepaald door die van haar echtgenoot, maar wordt onafhankelijk daarvan vastgesteld.

De bevoegdheid om bepaalde verbintenissen aan te gaan (bv. overeenkomsten sluiten, een testament maken of huwen) wordt bepaald door de specifieke regels die voor dat gebied gelden; deze worden in de desbetreffende alinea’s besproken.

3.4 Afstamming en adoptie

De verantwoordelijkheden van een ouder ten aanzien van een minderjarige (persoon die jonger is dan 18 jaar) worden in de gevallen waarin de Noord-Ierse rechter bevoegd is, bepaald overeenkomstig het Noord-Ierse recht, zelfs als het kind in het buitenland verblijft en een vreemde nationaliteit bezit. Ingevolge Verordening (EG) nr. 2201/2003 is de Noord-Ierse rechter echter alleen bevoegd als het kind in Noord-Ierland verblijft of indien het kind in een andere lidstaat verblijft en ten minste één van de echtgenoten de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt en de bevoegdheid van de rechter door de echtgeno(o)t(e) is aanvaard.

Een kind is wettig als het ongeacht de plaats van geboorte uit een wettig huwelijk is geboren of als het op het tijdstip van de geboorte volgens het recht van de woonplaats van beide ouders wettig is.

De aanwijzing van een persoon als voogd van een kind: indien de Noord-Ierse rechter bevoegd is (dit is het geval als de verzoeker een Britse onderdaan is of zijn gewone woon- of verblijfplaats in Noord-Ierland heeft), past hij het Noord-Ierse recht toe.

Adoptiezaken: telkens als de Noord-Ierse rechter bevoegd is (dit is het geval als de verzoeker op het tijdstip van het verzoek zijn woonplaats in Noord-Ierland heeft, maar de rechter onderzoekt ook of het waarschijnlijk is dat een beschikking in het buitenland wordt erkend indien dat voor de uitoefening van zijn bevoegdheid relevant is), past hij het Noord-Ierse recht toe. Een dergelijke beschikking heeft tot gevolg dat alle verantwoordelijkheden van de bestaande ouders op de adoptiefouders worden overgedragen.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

De formele geldigheid van een huwelijk wordt beheerst door het recht van de plaats van de huwelijksvoltrekking. Dit recht is van toepassing op de geldigheid van de voltrekking en de elementen daarvan, bv. de kwestie of er bepaalde woorden moeten worden gebruikt, of er een bepaald gebouw moet worden gebruikt, of ouderlijke toestemming is vereist en of het huwelijk bij volmacht kan worden voltrokken. Er gelden wel enkele uitzonderingen op deze regel, met name als de plaatselijke huwelijksvorm niet kan worden gebruikt. Er gelden ook speciale regels voor partijen die tot de strijdkrachten behoren en in een vreemd land dienen dat niet tot het Gemenebest behoort.

De bevoegdheid van personen om te huwen is afhankelijk van de woonplaats van de desbetreffende persoon op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het huwelijk. Dit recht is bijvoorbeeld van toepassing als het gaat om leeftijdsvereisten en om de kwestie of de partijen toestemming hebben gegeven en als het gaat om verwantschap als huwelijksbeletsel. Wat de minimumleeftijd betreft, zijn huwelijken tussen personen met woonplaats in Noord-Ierland ongeldig indien een van de huwelijkspartners op het tijdstip van het huwelijk jonger dan 16 jaar is.

Er bestaat in Noord-Ierland geen wettelijk homohuwelijk. Wel kan een verbintenis tussen personen van hetzelfde geslacht onder bepaalde omstandigheden krachtens het Noord-Ierse recht als een geregistreerd partnerschap worden behandeld.

Ter zake van echtscheiding is de Noord-Ierse rechter ingevolge Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad uitsluitend bevoegd om een echtscheidingsprocedure te behandelen indien aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan: de echtgenoten hebben hun gewone woon- of verblijfplaats in Noord-Ierland; de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt zich in Noord-Ierland, indien een van hen daar nog verblijft; de verweerder heeft zijn gewone verblijfplaats in Noord-Ierland; of de verzoeker heeft ten minste een jaar voorafgaand aan de datum van het verzoek (of zes maanden indien de verzoeker onderdaan is van een lidstaat) zijn gewone verblijfplaats in Noord-Ierland gehad. Als aan geen van deze vereisten is voldaan en geen andere lidstaat bevoegd is, is overeenkomstig het nationale recht de Noord-Ierse rechter bevoegd indien ten minste één van de partijen bij de aanvang van de echtscheidingsprocedure in Noord-Ierland verblijft. Indien een Noord-Ierse rechter bevoegd is, dan zal hij het recht van Noord-Ierland toepassen op de echtscheidingsprocedure. In procedures inzake nietigverklaring is, afhankelijk van de gronden van nietigverklaring, het bovenvermelde recht (recht van de plaats van huwelijksvoltrekking of recht van de woonplaats van de partij) van toepassing. Een buitenlandse echtscheiding wordt erkend, indien een van de partijen haar gewone verblijfplaats of woonplaats had in het desbetreffende land, of onderdaan was van dat land, op het tijdstip dat de buitenlandse procedure werd gevoerd.

Ter zake van onderhoudsverplichtingen is het Verenigd Koninkrijk gebonden door Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen. Een Noord-Ierse rechter is bevoegd, als hij voor de echtscheiding bevoegd is of als de echtscheiding in het buitenland werd uitgesproken en een van de partijen op het tijdstip dat de buitenlandse procedure werd gevoerd in Noord-Ierland woonde of voorafgaand aan dat tijdstip één jaar in Noord-Ierland zijn gewone verblijfplaats heeft gehad, of als een partij vruchtgebruik heeft van een voormalige echtelijke woning die in Noord-Ierland is gelegen. Op deze zaken is het recht van Noord-Ierland van toepassing.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

Bij gebreke van een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden worden de rechten van de echtgenoot en echtgenote ten aanzien van elkaars roerende goederen (die vóór of tijdens het huwelijk zijn verkregen) bepaald volgens het recht van de echtelijke woning op het tijdstip van het huwelijk. Als de echtgenoot en de echtgenote dezelfde woning hebben, geldt deze als de echtelijke woning. Hebben zij niet dezelfde woning, dan worden deze rechten bepaald op basis van het recht dat het nauwst verbonden is met de partijen en het huwelijk. De bedoelingen van de partijen op het tijdstip van het huwelijk zijn slechts van belang indien daaruit een impliciete rechtskeuze blijkt. Deze regel geldt waarschijnlijk ook ten aanzien van onroerende goederen.

Indien er wel een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden is, dan is het recht van de overeenkomst van toepassing; dat is het recht van de echtelijke woning als er geen andere indicaties zijn waaruit het toepasselijk recht blijkt.

3.7 Erfrecht

In gevallen van erfopvolging ab intestato (d.w.z. wanneer er geen testament is), is het recht van de plaats waar de erflater bij zijn overlijden woonde, van toepassing op de erfopvolging met betrekking tot roerende goederen; het recht van het land waar het goed is gelegen (lex situs) is van toepassing op de erfopvolging met betrekking tot onroerende goederen.

Bij testamenten wordt de bevoegdheid van de erflater om bij testament over zijn roerende goederen te beschikken, bepaald door het recht van de plaats waar hij woonde op de datum van het testament. Een legataris is bevoegd om roerende goederen te ontvangen wanneer hij daartoe bevoegd is krachtens hetzij het recht van zijn eigen woonplaats of het recht van de woonplaats van de erflater. Wat betreft onroerende goederen ligt niet vast welk recht het primaat heeft, maar dat zal veelal de lex situs zijn, die waarschijnlijk ook bepalend zal zijn voor de bevoegdheid van de legataris om onroerende goederen in een nalatenschap te ontvangen.

Krachtens de Wills Act 1963, en als de erflater op of na 1 januari 1964 is overleden, is een testament formeel geldig (bv. het juiste aantal getuigen) als het voldoet aan het recht van de plaats waar het testament is verleden (veelal de plaats waar het is in aanwezigheid van getuigen is ondertekend) op het moment van verlijden; het recht van de woonplaats, gewone verblijfplaats of nationaliteit van de erflater op het moment waarop het testament werd verleden; of het recht van de woonplaats, gewone verblijfplaats of nationaliteit van de erflater op het moment van diens overlijden. Een testament is ook formeel geldig voor de overdracht van onroerende goederen, wanneer het in overeenstemming is met het nationale recht van het rechtsgebied waar het onroerend goed is gelegen (en waarmee de toepasselijkheid van herverwijzing dus is uitgesloten, ook al gaat het hier om onroerende goederen).

Een testament over roerende goederen is materieel geldig (bv. beperkingen aangaande de omvang van de nalatenschap waarover bij testament kan worden beschikt), als het in overeenstemming is met het recht van de woonplaats van de erflater op het tijdstip van diens overlijden. Een testament over onroerende goederen is materieel geldig, als het in overeenstemming is met het recht van het rechtsgebied waar het goed is gelegen, dus het stelsel van nationaal recht dat volgens de lex situs van toepassing zou zijn.

Een testament wordt geïnterpreteerd volgens het door de erflater gekozen recht, dat wordt geacht het recht te zijn van diens woonplaats op de datum van het testament. Dit is een prima-facieregel, die terzijde geschoven kan worden als wordt bewezen dat de erflater kennelijk beoogde dat zijn testament in het kader van een ander rechtsstelsel geïnterpreteerd zou moeten worden. Ten aanzien van onroerende goederen is er mogelijk een aanvullende beperking, volgens welke de lex situs prevaleert als het uit een dergelijke interpretatie voortvloeiende belang onder die lex situs niet is toegestaan of niet wordt erkend.

De geldigheid van een beweerde herroeping van een testament wordt bepaald door het recht van de woonplaats van de erflater op het moment van de beweerde herroeping (waarbij zij opgemerkt dat onder het Engelse nationale recht, als dat van toepassing is, met een huwelijk een testament wordt herroepen tenzij wordt aangetoond dat dat testament juist met het oog op het huwelijk is opgemaakt). Als de herroeping evenwel het gevolg zou zijn van een later testament (in tegenstelling tot bijvoorbeeld het vernietigen van het testament), wordt de kwestie of dit latere testament het eerdere testament herroept, bepaald door het recht dat van toepassing is op de formele geldigheid van het latere testament. Als het onduidelijk is of een later testament een eerder testament herroept, wordt de kwestie van interpretatie beheerst door het door de erflater gekozen recht, dat wordt geacht het recht te zijn van zijn woonplaats op de datum van het latere testament.

3.8 Goederenrecht

In zaken met betrekking tot goederen wordt onderscheid gemaakt tussen roerende goederen en onroerende goederen. Of een goed roerend dan wel onroerend is, wordt bepaald op grond van het recht van de plaats waar het zich bevindt.

Op onroerende goederen is het recht van toepassing van de plaats waar de goederen zijn gelegen en wordt herverwijzing toegepast. Dit geldt voor alle kwesties betreffende de transactie, met inbegrip van die inzake bevoegdheid, formaliteiten en materiële geldigheid. Er bestaat uiteraard een onderscheid tussen enerzijds de overdracht van grond en van andere onroerende goederen, en anderzijds de overeenkomst waarin de rechten en verplichtingen van de partijen bij die overdracht zijn geregeld. Die overeenkomst wordt beheerst door aparte regels van toepasselijk recht (meer bepaald die van Rome I).

Waar het gaat om de overdracht van lichamelijke roerende goederen, is op kwesties inzake de eigendom (en dus niet inzake de contractuele verbintenis) over het algemeen het recht van toepassing van de plaats waar de goederen zich bevonden op het tijdstip van de gebeurtenis die de aanspraak op die goederen zou hebben beïnvloed. Het is niet duidelijk of in deze situatie herverwijzing wordt toegepast, maar afgaande op de uitspraken in eerste aanleg van de Engelse rechtbanken is dat niet het geval. Een aanspraak op een lichamelijk roerend goed die overeenkomstig deze algemene regel is verworven, wordt in Engeland rechtsgeldig geacht indien dat goed vervolgens wordt verwijderd uit het land waar het zich bevond toen die aanspraak werd verworven, tenzij – en tot het moment waarop – die aanspraak wordt vervangen door een nieuwe die is verworven overeenkomstig het recht van het land waar het goed naar toe is gebracht. Een specifieke uitzondering op de algemene regel inzake lichamelijke roerende goederen betreft de situatie waarin het goed in doorvoer is en zijn locatie niet bekend is bij de partijen of tijdelijk is; een overdracht die wordt erkend onder het toepasselijk recht van het land waar die plaatsvindt, heeft werking in Engeland.

In het geval van cessie van niet-lichamelijke roerende goederen is Rome I van toepassing, voor zover de relatie tussen de cedent en de cessionaris contractueel van aard is (zoals in het geval van de meeste schuldvorderingen) en de kwestie uitsluitend de geldigheid en werking van de cessie zelf betreft.

Opgemerkt zij dat de cessie en overdracht van niet-lichamelijke goederen door meerdere conflictregels worden beheerst, die bovendien lastig samen te vatten zijn, vooral omdat deze categorie goederen betrekking heeft op zeer uiteenlopende rechten, die niet alle van oorsprong contractueel van aard zijn. In zaken betreffende niet-lichamelijke roerende goederen wordt derhalve aanbevolen specialistisch advies in te winnen.

3.9 Insolventie

In het Verenigd koninkrijk geldt Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad betreffende insolventieprocedures, waarin de regels zijn vastgesteld voor procedures waarmee schuldenaars het beheer en de beschikking over hun vermogen geheel of ten dele wordt ontnomen en procedures waarmee een curator wordt aangewezen, wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar in een EU-lidstaat (behalve Denemarken) is gelegen. Wanneer het hooggerechtshof van Noord-Ierland bevoegd is (hetgeen het geval is wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar in Noord-Ierland is gelegen; daarbij geldt het vermoeden dat de statutaire zetel het centrum van de voornaamste belangen is), wordt het Noord-Ierse recht toegepast.

In gevallen die niet onder Verordening (EG) nr. 1346/2000 vallen, wordt het Noord-Ierse recht toegepast wanneer de Noord-Ierse rechter bevoegd is (hetgeen het geval is wanneer de onderneming in Noord-Ierland is geregistreerd, of wanneer personen in Noord-Ierland baat zouden hebben bij de liquidatie en er geen goede redenen zijn om zich onbevoegd te verklaren).

Laatste update: 08/06/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.