Op civielrechtelijk vlak blijven lopende procedures en procedures die voor het eind van de overgangsperiode zijn ingeleid, onder het EU-recht vallen. Zoals overeengekomen met het VK, wordt alle informatie op dat gebied in verband met het Verenigd Koninkrijk tot eind 2022 op het e-justitieportaal bijgehouden.

Van welk land is de wetgeving van toepassing?

Schotland
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

Schotland heeft een eigen en specifiek, “gemengd” rechtsstelsel. Dit terrein van het “toepasselijk recht” is met name beïnvloed door de rechtsstelsels van het Europese vasteland en door de common law. Schotland is een afzonderlijk rechtsgebied in het Verenigd Koninkrijk beschouwd en zowel in zaken binnen het Verenigd Koninkrijk als in echte internationale zaken zijn collisieregels nodig om het toepasselijke recht te bepalen. Wanneer het Verenigd Koninkrijk partij werd bij een internationale overeenkomst die regels in verband met het toepasselijke recht bevatte, werd meestal ook een beslissing genomen om dezelfde regels toe te passen op interne conflicten in het Verenigd Koninkrijk, hoewel er doorgaans geen verplichting is om dat te doen. In het Schotse recht wordt in dit verband gesproken over “international private law”, “private international law” en “conflict of laws”.

Net als in Engeland en Wales zijn veel van de bestaande regels ontleend aan rechtstreeks toepasselijke EU-verordeningen. Wat betreft burgerlijke en handelszaken gaat het hier om: Verordening (EG) nr. 593/2008 (“Rome I”) inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, en Verordening (EG) nr. 864/2007 (“Rome II”) betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen. De Contracts (Applicable Law) Act 1990 (waarmee het Verdrag van Rome werd geïmplementeerd) blijft relevant voor overeenkomsten die zijn aangegaan vóór 17 december 2009 (Rome I is van toepassing op overeenkomsten die op of na die datum zijn aangegaan). De Private International Law (Miscellaneous Provisions) Act 1995 is uitsluitend relevant ten aanzien van situaties die niet door Rome II worden gedekt (Rome II is van toepassing op gevallen waarin de schade na 11 januari 2009 is ontstaan).

Op andere terreinen is de common law doorgaans van toepassing. De bronnen voor familierecht in Schotland zijn de common law; geschreven recht (veelal op basis van aanbevelingen van de Scottish Law Commission); en EU- en internationale verbintenissen.

1.2 Geldende multilaterale verdragen

Verdrag van Den Haag inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen van 1961

Verdrag van Rome (vervangen door de Rome I-verordening voor overeenkomsten die op of na 17 december 2009 zijn aangegaan).

Verdrag van Den Haag van 1 juli 1985 inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts.

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

Er zijn geen bilaterale verdragen waarbij het Verenigd Koninkrijk partij is, die bepalingen over rechtskeuze bevatten.

Hoewel een staat op grond van het Verdrag van Rome en de Verdragen van Den Haag een andere rechtskeuzeregeling kan toepassen op “interne” conflicten – zoals conflicten tussen het recht van Engeland en Wales en het recht van Schotland – heeft het Verenigd Koninkrijk ervan afgezien van deze mogelijkheid gebruik te maken. Daarom zijn de regels van het Verdrag van Rome (voor overeenkomsten die vóór 17 december 2009 zijn aangegaan) en die van het Verdrag van Den Haag zowel van toepassing op conflicten tussen de verschillende rechtsgebieden van het Verenigd Koninkrijk als op internationale conflicten.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

Vreemd (d.w.z. niet-Schots) recht wordt door de Schotse rechterlijke instanties alleen toegepast wanneer het op grond van nationale collisieregels van toepassing is en alleen wanneer de partij die op dat recht een beroep wenst te doen, daarom verzoekt en dat recht bewijst. Deze regel houdt verband met bewijs en rechtspleging en wordt niet terzijde geschoven door EU-instrumenten.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

Herverwijzing is het proces waarbij de rechtbank waar een zaak aanhangig is, in het geval van een wetsconflict vreemd recht toepasselijk verklaart. Dit kan uiteenlopende rechtsgebieden betreffen, zoals erfrecht en familierecht, al is er maar relatief weinig Schotse jurisprudentie inzake herverwijzing. Herverwijzing is uitgesloten onder de relevante EU-verordeningen (zoals Rome I en Rome II), en die benadering wordt ook gevolgd in de Private International Law (Miscellaneous Provisions) Act 1995 met betrekking tot onrechtmatige daad.

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Dit probleem wordt normaliter aangepakt door het tijdstip te specificeren waarop het aanknopingspunt wordt toegepast. Op overdracht van aanspraken op roerende goederen is het recht van toepassing van de plaats waar de roerende goederen zich bevonden op het tijdstip van de gebeurtenis waarmee de aanspraak zou zijn overgedragen.

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Schotse rechters kunnen weigeren vreemd recht dat anders van toepassing zou zijn, toe te passen, op grond van strijdigheid met de openbare orde in Schotland. Hoewel de term “internationale openbare orde” in deze context niet wordt gebruikt, wordt met “strijdigheid met de openbare orde in Schotland” bedoeld dat het betrokken recht als onaanvaardbaar wordt beschouwd, ook al wordt rekening gehouden met het feit dat de zaak internationaal is en dat ervan kan worden uitgegaan dat het Schotse recht niet van toepassing is. De Schotse openbare orde wordt soms afgeleid van internationale instrumenten of normen, zoals het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

In aanvulling daarop zorgen de verordeningen Rome I en Rome II nu voor toepassing van de bepalingen van bijzonder dwingend recht van de rechter bij wie de zaak aanhangig is, ongeacht het recht dat overigens op de overeenkomst van toepassing is. Er zijn niet veel dergelijke regels in het Schotse recht en de regels die bestaan, zijn terug te vinden in wetten die in het hele Verenigd Koninkrijk gelden. Voorbeelden daarvan zijn de niet-afdwingbaarheid van investeringsovereenkomsten die door of via niet-gemachtigde personen of na een onwettige mededeling aan de klant werden afgesloten, overeenkomstig de artikelen 26 en 30 van de Financial Services and Markets Act van 2000.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

De inhoud van vreemd recht is een feitenkwestie; het bewijs daarvan moet door de partijen worden geleverd en de rechter moet conclusies trekken op grond van een analyse van dat bewijs. De rechter kan niet autonoom vreemd recht onderzoeken en toepassen. Wanneer er tegenstrijdigheden bestaan in het bewijs, moet de rechter oordelen welke partij het meest geloofwaardige standpunt heeft, en mag hij daartoe vreemde wetten en zaken onderzoeken waarnaar in het bewijs wordt verwezen.

De enige uitzondering op de regel dat vreemd recht een feitenkwestie is, is het geval waarin het Supreme Court van het Verenigd Koninkrijk een beroep behandelt van een deel van het Verenigd Koninkrijk; in dat geval kan het Supreme Court het recht van een ander rechtsgebied van het Verenigd Koninkrijk toepassen, ook al is de inhoud van dat recht niet door bewijs verkregen. Het Supreme Court is immers samengesteld uit rechters uit alle rechtsgebieden van het Verenigd Koninkrijk, en acht zichzelf bevoegd om het recht van al die rechtsgebieden toe te passen.

Wanneer vreemd recht moet worden bewezen, gebeurt dit meestal via deskundigenbewijs. Het volstaat niet om alleen een tekst, zoals een vreemde wet, over te leggen aan de rechtbank; die zal zich immers niet in staat achten om vreemde rechtsbronnen te interpreteren of toe te passen zonder het advies van iemand met een goede kennis van dat systeem. Deskundigenbewijs kan door iedereen worden geleverd die over de gepaste kennis of ervaring beschikt, ook al is die persoon geen praktijkjurist in het andere land. Zo werd reeds een beroep gedaan op academici.

Wanneer de partijen het niet eens zijn over de inhoud van het vreemde recht, is het meestal nodig dit via mondeling deskundigenbewijs te bewijzen, waarbij mag worden verwezen naar documentatie die aan de rechtbank kan worden overgelegd. Wanneer partijen het niet oneens zijn, kunnen zij gewoonweg overeenkomen of een beëdigde verklaring overleggen.

Er geldt een vermoeden dat vreemd recht hetzelfde is als Schots recht. Dit is vanzelfsprekend weerlegbaar met bewijs dat de (verschillende) inhoud van vreemd recht afdoende aantoont.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

In gevallen waarin met betrekking tot verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken tussen de rechtsstelses van verschillende landen moet worden gekozen, is Rome I (Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst), rechtstreeks toepasbaar. Het beginsel van universele toepassing betekent dat ieder door Rome I aangewezen recht toepasselijk is, ongeacht de vraag of het het recht van een EU-lidstaat is.

Rome I is niet van toepassing op zaken betreffende bewijs en rechtspleging; die blijven vallen onder het recht van de rechter bij wie de zaak aanhangig is. De regels voor het regelen van de bewijslast vormen een uitzondering: die worden volgens Rome I bepaald door het recht dat ingevolge deze verordening de verbintenis uit overeenkomst beheerst. Zaken als de interpretatie van verjaring en verval, nakoming en de gevolgen van tekortkoming worden beheerst door het recht dat ingevolge de verordening van toepassing is.

De primaire regels van Rome I zijn de volgende. In gevallen waarin de partijen een uitdrukkelijke rechtskeuze hebben gemaakt, of wanneer de rechtskeuze duidelijk uit de bepalingen van de overeenkomst of uit de omstandigheden blijkt, is dat recht van toepassing.

De keuzevrijheid is beperkt. Ingevolge artikel 3 van Rome I laat, indien er een rechtskeuze is gemaakt maar “alle overige op het tijdstip van de keuze bestaande aanknopingspunten” zich bevinden in een ander land dan het land waarvan het recht is gekozen, de door de partijen gemaakte keuze de toepassing van de rechtsregels van dat andere land waarvan niet bij overeenkomst mag worden afgeweken, onverlet. Ingevolge artikel 9 moeten bepalingen van bijzonder dwingend recht van een land worden toegepast, zelfs wanneer de partijen niet voor een toepasselijk recht hebben gekozen. In consumenten- en arbeidsovereenkomsten mag het gekozen recht bovendien geen afbreuk doen aan dwingende regels ter bescherming van consumenten of werknemers die bestaan in het rechtssysteem dat van toepassing zou zijn wanneer er geen rechtskeuze was gemaakt.

In gevallen waarin er geen uitdrukkelijke rechtskeuze is gemaakt of waarin de rechtskeuze niet duidelijk uit de verbintenis of omstandigheden blijkt, biedt Rome I in artikel 4 nadere regels voor het vaststellen van het toepasselijk recht, dat in veel gevallen verbonden is aan de gewone verblijfplaats van de partij die niet voor het goed of de dienst betaalt, bv. de verkoper bij een overeenkomst voor de verkoop van roerende zaken, de leningverstrekker bij een banklening of de borg bij een borgovereenkomst. Dit vermoeden kan worden weerlegd ten gunste van een land waarmee de overeenkomst kennelijk nauwer verbonden is. Jurisprudentie in verband met het Verdrag van Rome, die mogelijk ook relevant blijft voor de interpretatie van Rome I, bevestigt dat er om dat vermoeden te weerleggen, ten minste een duidelijke dominantie van factoren ten gunste van dat andere land moet zijn. De meerderheid van de rechters in de belangrijkste Schotse zaak Caledonia Subsea v Microperi SA ging verder en was van oordeel dat het vermoeden alleen kon worden weerlegd als in de uitzonderlijke omstandigheden van de zaak de gewone verblijfplaats van de partij die de kenmerkende prestatie verricht, geen werkelijke betekenis had.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

Rome II (Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen) is van toepassing op niet-contractuele verbintenissen in burgerlijke en handelszaken in de gevallen waarin tussen de rechtsstelsels van verschillende landen moet worden gekozen. De regels van deze verordening zijn alleen van toepassing als er schade is of dreigt te ontstaan. Onder schade wordt verstaan ieder “gevolg” dat voortvloeit uit onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking, zaakwaarneming, precontractuele aansprakelijkheid of culpa in contrahendo (een niet-contractuele verbintenis die voortvloeit uit onderhandelingen voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst). Rome II is niet van toepassing op onder meer gevallen van laster of soortgelijke vorderingen onder vreemd recht.

Ingevolge Rome II geldt als algemene regel voor delicten dat het toepasselijk recht het recht is van de plaats waar de schade zich voordoet. Er gelden bijzondere regels voor het recht dat van toepassing is op bepaalde soorten niet-contractuele verbintenissen, onder meer ter zake van productaansprakelijkheid, oneerlijke concurrentie, milieuschade en schending van intellectuele-eigendomsrechten. De verordening bevat ook regels in verband met ongerechtvaardigde verrijking, zaakwaarneming en zg. culpa in contrahendo. De verordening biedt de partijen onder bepaalde omstandigheden de vrijheid het toepasselijke recht te kiezen. Er gelden daarbij echter wel beperkingen als de partijen via de verordening de regels van het nationale recht van de rechter bij wie de zaak aanhangig is, willen omzeilen, of de regels van een ander land dan dat waarvan het recht is gekozen, wanneer alle mogelijke aanknopingspunten op het tijdstip van de schadeveroorzakende gebeurtenis zich in dat land bevinden.

In Schotland zijn er enkele gevallen waarin Rome II niet van toepassing is als de Private International Law (Miscellaneous Provisions) Act 1995 of de common law van toepassing is.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

Woonplaats

In Schotland is de status van onwettigheid afgeschaft bij artikel 21 van de Family Law (Scotland) Act 2006. Als gevolg daarvan geldt volgens artikel 22, lid 2, van die wet van 2006 dat wanneer a) de ouders van een kind dat jonger is dan 16 jaar beiden dezelfde woonplaats hebben; en b) het kind bij een van de ouders of bij zowel de ene als de andere ouder woont, dat kind woonplaats heeft in hetzelfde land als zijn of haar ouders. In andere gevallen geldt volgens artikel 22, lid 3, dat het kind zijn of haar woonplaats heeft in het land waarmee het vooralsnog de nauwste band heeft.

Voor een persoon ouder dan 16 jaar blijft de vorige woonplaats van toepassing, tenzij hij of zij een andere woonplaats kiest. Om een woonplaats te kiezen moet de betreffende persoon ook feitelijk zijn verhuisd naar het land waar hij of zij wil verblijven, en aantonen voornemens te zijn om de vorige woonplaats te verlaten en om permanent in het nieuwe land te gaan wonen. Wanneer een woonplaatskeuze wordt opgegeven, geldt opnieuw de woonplaats van oorsprong om de leemte op te vullen totdat een nieuwe woonplaatskeuze is gemaakt.

De woonplaats van een gehuwd persoon wordt vastgesteld onafhankelijk van die van de echtgeno(o(e).

Krachtens artikel 1 van de Domicile and Matrimonial Proceedings Act 1973 heeft een gehuwde vrouw dezelfde rechten wat betreft de woonplaats als ieder ander persoon. Is die vrouw evenwel gehuwd voordat die Act 1973 van kracht werd (en heeft zij derhalve krachtens het oude recht de woonplaats van haar echtgenoot overgenomen), dan blijft dat haar woonplaats tenzij zij die verlaat of een nieuwe woonplaats kiest.

Naam

Het recht om een kind een naam te geven is onderdeel van de ouderlijke verantwoordelijkheden en rechten (de parental responsibilities and rights, PRRs). In ieder geschil omtrent PRR’s moet de rechter ingevolge artikel 11 van de Children (Scotland) Act 1995 het welzijn van het kind de hoogste prioriteit geven.

Volwassenen mogen zichzelf in Schotland normaal gesproken iedere naam geven die zij wensen, mits zij daarmee geen frauduleuze bedoeling hebben. Iedere persoon die ouder is dan 16 jaar en die in het Schotse geboorteregister is ingeschreven of legaal in Schotland is geadopteerd, mag bij National Records of Scotland een verzoek indienen om zijn of haar geregistreerde naam te laten veranderen. Er is echter geen verplichting om van deze dienst gebruik te maken. Zie voor aanvullende informatie over naamsverandering de website van National Records of Scotland.

Bevoegdheid om verbintenissen aan te gaan

De bevoegdheid om verbintenissen te sluiten, testamenten op te maken enz. wordt door verschillende rechtsstelsels beheerst, afhankelijk van de kwestie waarover de vraag naar de bevoegdheid wordt gesteld. Onder bepaalde omstandigheden is de Age of Legal Capacity (Scotland) Act 1991 relevant. Volgens deze wet is een persoon die 16 jaar of ouder is, bevoegd om alle soorten transacties aan te gaan. Wie jonger is dan 16 heeft slechts onder bepaalde omstandigheden bevoegdheid tot het aangaan van transacties, zoals uiteengezet in de Act.

3.4 Afstamming en adoptie

Onder het Schotse recht hebben ouders (en bepaalde andere personen die bevoegd zijn om voor een kind te zorgen) ouderlijke rechten en verantwoordelijkheden. De desbetreffende regels zijn neergelegd in de Children (Scotland) Act 1995. Het Schotse recht is van toepassing in alle gevallen waarin de Schotse rechter bevoegd is, met inachtneming van de bepalingen van het Verdrag van Den Haag van 1996 en de verordening Brussel II bis. Adoptiekwesties worden in het Schotse recht geregeld door de Adoption and Children (Scotland) Act 2007.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

Een huwelijk is in Schotland alleen geldig als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Beide partijen moeten vrij zijn van belemmeringen om te huwen, moeten volledig handelingsbevoegd zijn en moeten hebben ingestemd met het huwelijk.

Krachtens artikel 38, lid 1, van de Family Law (Scotland) Act 2006 moet het huwelijk bovendien voldoen aan de formaliteiten zoals die zijn vereist onder het recht van de plaats waar het huwelijk wordt voltrokken. Dit betreft de geldigheid van de voltrekking en de elementen daarvan, bv. de kwestie of er bepaalde woorden moeten worden gebruikt, of het huwelijk in een bepaald gebouw moet plaatsvinden en of het huwelijk bij volmacht kan worden voltrokken.

De vraag of een persoon die in het huwelijk treedt, daartoe bevoegd is en volledig met dat huwelijk heeft ingestemd, wordt bepaald door het recht van de plaats waar die persoon onmiddellijk voorafgaande aan het huwelijk zijn of haar woonplaats had (artikel 38, lid 2, van de 2006 Act). De leeftijd waarop een persoon bevoegd is om in het huwelijk te treden is in Schotland 16 jaar. Wat betreft instemming moet er tussen de huwelijkspartners sprake zijn van oprechte en serieuze wederzijde instemming met hun huwelijk.

Sinds de invoering van de Marriage and Civil Partnership (Scotland) Act 2014 wordt in Schotland ook het homohuwelijk erkend. Dit omvat huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht die in Schotland of elders zijn gesloten.

In Schotland mag iedereen trouwen, mits er geen wettelijke belemmering voor het huwelijk bestaat. Een stel dat in Schotland in het huwelijk wil treden, hoeft niet in Schotland woonachtig te zijn, maar personen van buiten de EU moeten mogelijk wel toestemming van de immigratiedienst hebben.

Geregistreerd partnerschap en homohuwelijk

Conform de Civil Partnership Act 2004 worden in Schotland ook geregistreerde partnerschappen erkend. Volgens artikel 85 van deze wet komt een geregistreerd partnerschap tot stand, wanneer twee personen van hetzelfde geslacht ten overstaan en in aanwezigheid van twee getuigen van ten minste 16 jaar en van een ambtenaar van de burgerlijke stand de ingevulde verklaring van geregistreerd partnerschap tekenen.

In deze wet van 2004 wordt ook specifiek aandacht besteed aan geregistreerde partnerschappen die buiten het Verenigd Koninkrijk tot stand zijn gekomen. Een buiten het Verenigd Koninkrijk rechtsgeldig tot stand gekomen samenlevingscontract tussen twee personen van hetzelfde geslacht wordt in Schotland behandeld als een geregistreerd partnerschap, mits aan bepaalde criteria vermeld in de wet van 2004 is voldaan.

Samenleving

In Schotland geldt als algemene regel dat als twee mensen samenleven als waren zij gehuwd, hun samenleven bepaalde rechten en plichten met zich meebrengt. Krachtens de Family Law (Scotland) Act 2006 heeft een samenlevend stel bepaalde rechten (ongeacht of het om personen van hetzelfde of personen van verschillend geslacht gaat). Zo worden in artikel 26 rechten ten aanzien van bepaalde huishoudelijke goederen behandeld; wordt in artikel 27 verwezen naar rechten op bepaalde gelden en goederen; is de alimentatie wanneer de samenlevende partners uit elkaar gaan, geregeld in artikel 28; is de alimentatie wanneer een van de samenlevende partners overlijdt zonder een testament te hebben opgemaakt, geregeld in artikel 29; en voorziet artikel 30 in bescherming tegen misbruik.

Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Wat betreft echtscheiding en scheiding van tafel en bed is in de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk (te weten de Domicile and Matrimonial Proceedings Act 1973 en de Civil Partnership Act 2004) geregeld wanneer de Schotse rechter bevoegd is inzake echtscheiding en ontbinding van een geregistreerd partnerschap. Op de website van de Scottish Courts and Tribunals kan aanvullende informatie worden gevonden.

Onderhoud

Wat betreft onderhoudsbijdragen voorziet het ministerie van Werk en Pensioenen in een wettelijke dienst voor onderhoudsbijdragen voor kinderenin heel het Verenigd Koninkrijk.

Verder zijn onderhoudsbijdragen in Schotland geregeld via de Family Law (Scotland) Act 1985 inzake onderhoudsverplichtingen voor gezinsleden, zoals echtgenoten en kinderen. Een onderhoudsverplichting is een verplichting om ondersteuning te bieden die gezien de omstandigheden redelijk wordt geacht.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

In Schotland is de alimentatie in het geval van echtscheiding of ontbinding van een geregistreerd partnerschap bij wet geregeld. Het Schotse recht kent een aantal beginselen die in aanmerking genomen moeten worden bij beslissingen over de alimentatie en verdeling van huwelijksvermogen. Die beginselen zijn neergelegd in de Family Law (Scotland) Act 1985.

De algemene regel in het Schotse recht is dat de nettowaarde van het huwelijksvermogen eerlijk en gelijkelijk tussen de partijen moet worden verdeeld, tenzij er redenen zijn die zich daartegen verzetten. Onder huwelijksvermogen wordt verstaan al het vermogen van de echtgenoten of geregistreerde partners dat voorafgaand aan of tijdens hun huwelijk of geregistreerd partnerschap is verworven. In artikel 9 van de wet van 1985 worden de beginselen genoemd die in aanmerking moeten worden genomen bij het uitvaardigen van bevelen omtrent de alimentatie bij echtscheiding of ontbinding van een geregistreerd partnerschap. Dit maakt het eenvoudiger te beslissen of het huwelijksvermogen in gelijke delen onder de partijen moet worden verdeeld, of dat een van de echtgenoten of partners aanspraak kan maken op een groter deel dan de andere.

3.7 Erfrecht

In gevallen van erfopvolging ab intestato (d.w.z. wanneer er geen testament is), is het recht van de plaats waar de erflater op de datum van zijn overlijden woonde, van toepassing op de erfopvolging met betrekking tot roerende goederen en is het recht van het land waar het goed op de overlijdensdatum is gelegen, van toepassing op de erfopvolging met betrekking tot onroerende goederen. Dezelfde regels zijn van toepassing wanneer er wettelijke rechten in het geding zijn (dit zijn de erfenisrechten van bepaalde familieleden, waaraan via een testament niet kan worden geraakt). Zowel bij erfopvolging ab intestato als bij testamentaire erfopvolging moet rekening worden gehouden met wettelijke rechten. Opgemerkt zij dat wettelijke rechten onder het huidige Schotse recht uitsluitend betrekking hebben op roerende goederen in de nalatenschap, en derhalve alleen opkomen indien de erflater bij zijn overlijden in Schotland woonde. Bij testamenten wordt de bevoegdheid van een erflater om een testament op te maken, beheerst door het recht van de plaats waar hij op de datum van het testament woonde waar het gaat om roerende goederen, en de wet van het land waar het goed is gelegen waar het gaat om onroerende goederen.

Krachtens de Wills Act 1963 wordt een testament geacht rechtsgeldig te zijn verleden (“formeel geldig”) (bv. volgens de vormvereisten en met het juiste aantal getuigen) als het in overeenstemming is met het recht van: het recht van de plaats waar het testament is verleden (ondertekend in aanwezigheid van getuigen); het recht van de woonplaats, gewone verblijfplaats of nationaliteit van de erflater op het moment waarop het testament werd verleden; het recht van de woonplaats, gewone verblijfplaats of nationaliteit van de erflater op het moment van diens overlijden. Een testament is ook formeel geldig ten aanzien van onroerende goederen, als het in overeenstemming is met het recht van het land waar de onroerende goederen zijn gelegen.

De bepalingen van een testament ten aanzien van roerende goederen zijn geldig en uitvoerbaar (“materieel geldig”, bv. beperkingen wat het deel van de nalatenschap betreft waarover geldig kan worden beschikt) als het in overeenstemming is met het recht van de woonplaats van de erflater op de datum van diens overlijden. Een testament met betrekking tot onroerende goederen is materieel geldig als het in overeenstemming is met het recht van het land waar de onroerende goederen op de datum van overlijden zijn gelegen.

Een testament wordt geïnterpreteerd volgens het door de erflater beoogde recht dat uitdrukkelijk wordt genoemd in, of kan worden opgemaakt uit, de bewoordingen van het testament. In andere gevallen wordt de erflater geacht te hebben gekozen voor het recht van zijn woonplaats op de datum van zijn testament, met betrekking tot roerende goederen. Deze regel geldt waarschijnlijk ook voor onroerend goed. In uitzonderlijke gevallen, als het beoogde recht niet duidelijk uit het testament blijkt, wordt het recht van de woonplaats op de datum van overlijden toegepast.

In dit verband wordt gewezen op artikel 4 van de wet van 1963:

“Een eventuele verandering van woonplaats van de erflater na het verlijden van diens testament heeft geen invloed op de interpretatie van dat testament.”

De materiële geldigheid van een beweerde herroeping van een testament wordt, voor zover de herroeping gevolgen zou hebben voor een goed, bepaald door het recht van de woonplaats van de erflater op de datum van de beweerde herroeping met betrekking tot roerende goederen, en het recht van de plaats waar het goed is gelegen met betrekking tot onroerende goederen. Een testament waarmee wordt beoogd een eerder geldig testament of een bepaling daarvan te herroepen, wordt geacht formeel geldig te zijn indien het testament waarmee een eerder testament wordt herroepen, voldoet aan het recht van om het even welk land volgens welks recht het herroepen testament of de herroepen bepaling naar behoren verleden zou zijn geacht.

3.8 Goederenrecht

Of een goed roerend dan wel onroerend is, wordt bepaald op grond van het recht van de plaats waar het goed zich bevindt.

Op onroerende goederen is het recht van toepassing van de plaats waar de goederen zijn gelegen. Dit geldt voor alle vragen betreffende de transactie, met inbegrip van die over bevoegdheid, formaliteiten en materiële geldigheid. Er bestaat een onderscheid tussen enerzijds de overdracht van grond en van andere onroerende goederen, en anderzijds de overeenkomst waarin de rechten en verplichtingen van de partijen bij die overdracht zijn geregeld. Die overeenkomst wordt beheerst door aparte regels van toepasselijk recht (meer bepaald die van Rome I).

Op lichamelijke roerende goederen is het recht van toepassing van de plaats waar de goederen zich bevonden op het tijdstip van de gebeurtenis die de aanspraak op die goederen zou hebben beïnvloed. Een aanspraak op lichamelijke roerende goederen die overeenkomstig deze algemene regel zijn verworven, wordt in Schotland in beginsel erkend. Contractuele aangelegenheden worden uiteraard beheerst door Rome I.

3.9 Insolventie

In het Verenigd koninkrijk geldt Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad betreffende insolventieprocedures, waarin de regels zijn vastgesteld voor procedures waarmee schuldenaars het beheer en de beschikking over hun vermogen geheel of ten dele wordt ontnomen en procedures waarmee een curator wordt aangewezen, wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar in een EU-lidstaat (behalve Denemarken) is gelegen. Wanneer de Schotse rechters bevoegd zijn (hetgeen het geval is wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar in Schotland is gelegen; daarbij geldt het vermoeden dat de statutaire zetel het centrum van de voornaamste belangen is), wordt het Schotse recht toegepast.

In gevallen die niet onder Verordening nr. 1346/2000 vallen, wordt het Schotse recht toegepast wanneer de Schotse rechters bevoegd zijn en die bevoegdheid uitoefenen.

Laatste update: 07/06/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.