Van welk land is de wetgeving van toepassing?

Slowakije
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

De basiswet van het Slowaakse internationaal privaatrecht is wet nr. 97/1963 Coll. inzake het internationaal privaatrecht en het procesrecht (hierna "wet inzake het internationaal privaatrecht" genoemd). Hierin is door middel van conflictregels, die zijn opgenomen in de artikelen 3 tot 31 bepaald welk recht van toepassing is op specifieke rechtsgebieden (handelingsbekwaamheid, geldigheid van rechtshandelingen, zakelijke rechten, verbintenissenrecht, arbeidsrecht, erfrecht, familierecht). De wet inzake het internationaal privaatrecht is alleen van toepassing voor zover niet anders is bepaald in het rechtstreeks toepasselijke recht van de Europese Unie, in internationale verdragen waarbij de Republiek Slowakije partij bij is, of in een wet betreffende de uitvoering van dergelijke verdragen. Dit betekent dat wanneer hierna wordt verwezen naar de bepalingen van de wet inzake het internationaal privaatrecht, deze alleen van toepassing zijn wanneer er geen internationale of Uniewetgeving is.

In het Slowaakse recht zijn niet alleen in de wet inzake het internationaal privaatrecht conflictregels opgenomen, maar ook in andere wetgeving, zoals:

— wet nr. 513/1991 Coll., wetboek van koophandel. Behalve de conflictregel van artikel 22 zijn er onder titel III van deze wet bijzondere bepalingen opgenomen betreffende verbintenissen in de internationale handel, die moeten worden toegepast naast andere bepalingen die gelden voor contractuele verbintenissen met een internationaal element;

— wet nr. 311/2001 Coll., arbeidswetboek, artikel 241 bis, lid 7 (toepasselijk recht om vast te stellen of een werkgever de werkgever is die de controle heeft wanneer hij onder een ander rechtsstelsel valt dan dat van een lidstaat);

— wet nr. 8/2008 betreffende verzekeringen, artikel 89 (toepasselijk recht op verzekeringsovereenkomsten);

— wet nr. 191/1950 betreffende wisselbrieven en cheques (hierna "wet betreffende wisselbrieven en cheques" genoemd), bijzondere bepalingen van het internationaal recht betreffende wisselbrieven en orderbrieven (artikel 91 en volgende) en cheques (artikel 69 en volgende).

1.2 Geldende multilaterale verdragen

a) VN-verdragen: Verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud, 20 juni 1956; Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen, 24 april 1963;

b) verdragen van de Raad van Europa: Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht, 7 juni 1968; Aanvullend Protocol bij de Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht, 15 maart 1978; Europees Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, 20 mei 1980;

c) verdragen van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht: Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, 1 maart 1954; Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken, 18 maart 1970; Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed, 1 juni 1970; Verdrag nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen, 2 oktober 1973; Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken, 15 november 1965; Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, 25 oktober 1980; Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie, 29 mei 1993; Verdrag tot afschaffing van het vereiste van legalisatie van buitenlandse openbare akten, 5 oktober 1961; Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, 19 oktober 1996; Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen, 25 oktober 1980;

d) verdragen tot eenmaking van de conflictregels: Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg, 4 mei 1971; Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, 19 oktober 1996;

e) verdragen tot eenmaking van rechtstreekse regels van het materiële recht: Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken, 11 april 1980; Verdrag inzake de verjaring bij internationale koop van roerende zaken, ondertekend te New York op 14 juni 1974, gewijzigd bij het protocol van 11 april 1980;

f) verdragen op het gebied van arbitrageprocedures: Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, 10 juni 1958; Europese Overeenkomst over de internationale arbitrage in handelszaken, van 21 april 1961;

g) verdragen op het gebied van internationaal vervoer: Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, 19 mei 1965; Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer, 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol van 20 december 1990;

h) andere juridisch belangrijke verdragen op het gebied van internationaal privaatrecht: Wijzigingen van het Statuut van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht van 15 juli 1955, 30 juni 2005; Verdrag van Unidroit inzake gestolen of onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen, 24 juni 1995; Burgerrechtelijk Verdrag inzake corruptie, 4 november 1999; Overeenkomst inzake het vervoer van lijken, 26 oktober 1973;

i) verdragen die bindend zijn voor de Republiek Slowakije op het gebied van justitiële samenwerking: Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen staten en onderdanen van andere staten, 18 februari 1965; Statuut van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht, 31 oktober 1951 (in werking getreden op 15 juli 1955, gewijzigd en aangevuld op 1 januari 2007); Verdrag nopens de tenuitvoerlegging van in het buitenland gewezen scheidsrechterlijke uitspraken, 26 september 1927; Protocol betreffende arbitrageclausules, 24 september 1923; Verdrag inzake de beslechting via arbitrage van civielrechtelijke geschillen die voortvloeien uit economische en technisch-wetenschappelijke samenwerkingsverbanden, 26 mei 1972; Verdrag nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen, 15 april 1958; Verdrag inzake de rechtspositie, privileges en immuniteiten van intergouvernementele economische organisaties die op bepaalde samenwerkingsgebieden opereren, 5 december 1980;

j) verdragen op het gebied van de bescherming van intellectuele- en industriële eigendomsrechten (bijvoorbeeld): Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, 20 maart 1983; Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, 9 september 1886. Andere verdragen die bindend zijn voor de Republiek Slowakije zijn te vinden op de internetsite van het Slowaakse ministerie van Buitenlandse Zaken en Europese Zaken www.mzv.sk

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

1. Verdrag tussen de Socialistische Republiek Tsjechoslowakije en de Hongaarse Volksrepubliek inzake rechtshulp en tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, gezins- en strafzaken, 28 maart 1989.

2. Verdrag tussen de Socialistische Republiek Tsjechoslowakije en de Poolse Volksrepubliek inzake rechtshulp en tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, gezins-, arbeids- en strafzaken, 21 december 1987.

3. Verdrag tussen de Socialistische Republiek Tsjechoslowakije en de Sovjet-Unie inzake rechtshulp en tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, gezins- en strafzaken, 12 augustus 1982.

4. Verdrag tussen de Socialistische Republiek Tsjechoslowakije en de Republiek Oostenrijk inzake de wederzijdse betrekkingen in burgerlijke zaken, documenten en juridische informatie, met slotprotocol, 10 november 1961.

5. Verdrag tussen de Republiek Slowakije en de Republiek Tsjechië inzake wederzijdse rechtshulp tussen de justitiële autoriteiten en tot regeling van bepaalde rechtsbetrekkingen in burgerlijke, gezins- en strafzaken, met slotprotocol, 29 oktober 1992.

6. Verdrag tussen de Socialistische Republiek Tsjechoslowakije en de Federale Republiek Joegoslavië inzake rechtshulp en tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, gezins- en strafzaken, 20 januari 1964.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

De bepaling welke rechtsregel van toepassing is en hoe die regel op een concrete rechtsverhouding moet worden toegepast, is een zaak van de rechterlijke instantie, die hier dan ook ambtshalve toe overgaat op grond van het beginsel iura novit curia (de rechter kent het recht). Wat de toepasselijkheid betreft, wordt er in het Slowaakse recht een onderscheid gemaakt tussen dwingende en aanvullende conflictregels. Dwingende conflictregels moeten door de rechter verplicht worden toegepast ongeacht de wil van partijen en ongeacht het feit of partijen dit recht hebben ingeroepen. Aanvullende regels zijn rechtsregels waarvan kan worden afgeweken of waarvan de aanknopingspunten kunnen worden gewijzigd op grond van een overeenkomst tussen betrokken partijen (dit geldt in het Slowaakse recht over het algemeen vooral voor contractuele verbintenissen).

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

In het Slowaakse internationaal privaatrecht wordt renvoi krachtens de conflictregels gezien als verwijzing naar het gehele rechtsstelsel van de betrokken staat, inclusief de conflictregels van dat stelsel. Als algemene regel geldt dat renvoi krachtens de wet inzake het internationaal privaatrecht is toegestaan wanneer dat leidt tot een billijke en rechtvaardige oplossing van de zaak (artikel 35). De rechtbank neemt voor een beslissing over de aanvaarding of verwerping van de verwijzing en doorverwijzing naar een ander rechtsstelsel, alleen de feitelijke en juridische factoren in overweging die van invloed zijn op de keuze van het toepasselijke recht, en niet de factoren die van invloed kunnen zijn op de concrete inhoudelijke beslissing in de zaak. Overeenkomstig het Slowaakse recht moet renvoi worden toegestaan in zaken die betrekking hebben op het personen-, familie- en erfrecht. Bij contractuele verbintenissen is renvoi alleen bij hoge uitzondering toegestaan, en in het geval van rechtskeuze is het uitdrukkelijk uitgesloten (artikel 9, lid 2, van de wet inzake het internationaal privaatrecht). In de wet inzake wisselbrieven en cheques is hierover een bijzondere voorziening opgenomen op grond waarvan renvoi moet worden aanvaard zonder dat de rechtbank gehouden is onderzoek te doen naar het vereiste van een redelijke en billijke oplossing van de zaak (de artikelen 69 en 91 van de wet inzake wisselbrieven en cheques).

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Het Slowaakse recht kent geen algemene regels met betrekking tot de gevolgen van de wijziging van een aanknopingspunt. Wanneer een Slowaakse conflictregel niet bepaalt welk tijdstip bepalend is voor de beoordeling van het aanknopingspunt, leiden de Slowaakse rechters dit tijdstip af van een ander aanknopingspunt of maken zij gebruik van jurisprudentie. In het algemeen kan echter worden gesteld dat het tijdstip waarop het rechtsfeit zich voordoet, of de datum waarop de procedure wordt ingeleid, bepalend is al naar gelang de concrete omstandigheden van het geval.

De wijziging van statuut is kenmerkend voor roerende zaken. De wijziging van het aanknopingspunt van het toepasselijke recht op grond van de plaats valt onder toepassing van artikel 6 van de wet inzake het internationaal privaatrecht, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen roerende zaken als zodanig (in het algemeen) en roerende zaken die op grond van een overeenkomst worden vervoerd (res in transitu). In het geval van een roerende zaak als zodanig is de lex rei sitae van toepassing, dat wil zeggen het recht van de plaats waar de zaak zich bevindt op het tijdstip waarop de feiten zich voordoen die het recht doen ontstaan of teniet doen. Volgens vaste jurisprudentie moeten de inhoud en de gevolgen van een zakelijk recht dat is verkregen overeenkomstig een ander rechtsstelsel (dat wil zeggen de omzetting van in een staat verkregen rechten naar een vergelijkbare categorie in een andere staat) echter worden beoordeeld op grond van het recht van de nieuwe (actuele) plaats van de zaak.

In het geval van zaken die worden vervoerd (waarbij de zaak nog moet worden vervoerd), is het recht van de plaats van waaruit de zaken worden verzonden (lex loci expeditionis) van toepassing. Een wijziging van het aanknopingspunt kan zich ook voordoen in het geval van verkrijgende verjaring van roerende zaken. Hiertoe is speciaal in artikel 8 van de wet inzake het internationaal privaatrecht bepaald dat verjaring wordt beheerst door het recht van de plaats waar de zaak zich bevond bij aanvang van de verjaringstermijn. De verkrijger door verjaring kan zich echter beroepen op het recht van de staat waar de verjaring zich voordeed, indien vanaf het tijdstip waarop het goed zich in die staat bevond, aan alle voorwaarden voor verjaring is voldaan overeenkomstig het recht van die staat. Indien de zaak achtereenvolgens van het grondgebied van de ene staat naar het grondgebied van een of meer andere staten is verplaatst, worden de voorwaarden beoordeeld hetzij conform het recht van de plaats waar de zaak zich bevond bij aanvang van de verjaringstermijn, hetzij conform het recht van de plaats waar de zaak zich gedurende de gehele voor de verjaring relevante termijn onafgebroken heeft bevonden.

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Dwingende rechtsregels en exceptie van openbare orde

Het fundamentele verschil tussen dwingende regels en de exceptie van de openbare orde is te vinden in de gevolgen: dwingende rechtsregels hebben een offensief effect (ongeacht de inhoud van het vreemde recht), terwijl de exceptie van de openbare orde een defensief effect heeft (uitsluitend in het geval waarin de toepassing van het vreemde recht een gevaar vormt voor de openbare belangen). De exceptie van de openbare orde biedt geen bescherming voor alle dwingende regels van het Slowaakse recht, maar alleen voor de regels die als fundamenteel worden gezien (bijvoorbeeld het beginsel van een monogaam huwelijk).

De dwingende regels zijn regels van nationaal recht waar niet van kan worden afgeweken en die verplicht moeten worden toegepast in elke situatie, ongeacht het recht dat op grond van de conflictregels een bepaalde rechtsbetrekking beheerst. Deze regels vallen over het algemeen onder het publiekrecht, maar kunnen tevens privaatrechtelijk van aard zijn, aangezien zij tot doel hebben een bepaald wezenlijk belang te beschermen. Het is aan de rechter om te beoordelen of een bepaalde rechtsregel al dan niet dwingend van aard is. De wet biedt geen duidelijk antwoord op deze vraag; dwingende rechtsregels zijn kenmerkend voor het consumentenrecht en bepaalde gebieden van het arbeidsrecht (bijv. bepalingen betreffende gezondheid en veiligheid, arbeidstijden enzovoort). In het familierecht zijn bijvoorbeeld de bepalingen van het wetboek van strafrecht betreffende misdrijven gepleegd tegen familieleden en kinderen bepalingen van dwingend recht.

De exceptie van de openbare orde is vastgesteld in artikel 36 van de wet inzake het internationaal privaatrecht, waarin is bepaald dat vreemde rechtsregels niet mogen worden toegepast indien de gevolgen van de toepassing ervan in strijd zijn met de beginselen van de sociale en openbare orde van de Republiek Slowakije en haar rechtsstelsel. Deze beginselen moeten zonder voorbehoud in acht worden genomen, ongeacht de wil van de partijen. Hierbij moet voornamelijk worden gedacht aan de grondwettelijke bepalingen waarin het recht op een eerlijk proces en de fundamentele beginselen van gelijkheid voor de wet, het verbod op discriminatie op grond van geslacht, ras, huidskleur, geloofsovertuiging, nationaliteit enzovoort, zijn vastgelegd. Overeenkomstig het doel van de wet mag de exceptie van de openbare orde alleen in uitzonderlijke gevallen worden toegepast; de rechter mag bij toepassing ervan de rechtsregel van de vreemde staat niet onderzoeken of beoordelen en hij mag alleen nagaan welke gevolgen de toepassing van die rechtsregel zou hebben voor de openbare orde van de Republiek Slowakije.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

De Republiek Slowakije is een van de landen die een wettelijke bepaling behandelt als recht en niet als een feit dat moet worden bewezen. Rechterlijke instanties stellen dan ook ambtshalve vast welke wettelijke bepalingen er moeten worden toegepast. Overeenkomstig artikel 53 van de wet inzake het internationaal privaatrecht neemt de rechterlijke instantie alle nodige maatregelen om het vreemde recht te kunnen vaststellen, onder meer door met gebruik van eigen middelen de inhoud van het vreemde recht te controleren, door algemeen toegankelijke bronnen te raadplegen, door de procespartijen te verplichten informatie te verstrekken of door informatie op te vragen bij het ministerie van Justitie (dat aan het verzoek moet voldoen). Dit betekent dat de rechter ook gebruik mag maken van zijn eigen kennis van de inhoud van het vreemde recht of dat hij de inhoud kan vaststellen via een deskundige op het gebied van internationaal privaatrecht of via de procespartijen, of zelfs door het raadplegen van internet. Indien het niet mogelijk is de inhoud van het vreemde recht binnen een redelijke termijn vast te stellen of indien de vaststelling onmogelijk is of wanneer zich daarbij moeilijk op te lossen problemen voordoen, wordt het Slowaakse recht toegepast. In geval van twijfel bij het vaststellen van het vreemde recht, kunnen de rechters medewerking vragen van het ministerie van Justitie.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Verbintenissen uit overeenkomst

Alleen privaatrechtelijke overeenkomsten vallen onder de wet inzake het internationaal privaatrecht, dat wil zeggen overeenkomsten krachtens het burgerlijk, handels-, familie- en arbeidsrecht en andere vergelijkbare overeenkomsten met een internationaal aspect. Overeenkomstig het beginsel van de autonome wil van contractpartijen op het gebied van eigendomsverhoudingen, is in artikel 9 van de wet inzake het internationaal privaatrecht duidelijk de voorkeur gegeven aan de vrije rechtskeuze van de partijen (ook op het gebied van arbeidsrechtelijke betrekkingen is rechtskeuze mogelijk). De rechtskeuze is alleen beperkt in het geval van consumentenovereenkomsten die, wanneer het gekozen rechtsstelsel onvoldoende bescherming biedt voor de consument, worden beheerst door het recht dat voor de consument het meest gunstig is (artikel 9, lid 3, en artikel 10, lid 4, van de wet inzake het internationaal privaatrecht). Bij gebreke van een rechtskeuze, is het recht van staat op grond waarvan een geschil over dergelijke contractuele verbintenissen op redelijke wijze kan worden beslecht van toepassing. In overeenstemming met het beginsel van billijke beslechting worden in artikel 10, leden 2 en 3, van de wet inzake het internationaal privaatrecht, voorbeelden gegeven van welk recht over het algemeen van toepassing is op bepaalde soorten overeenkomsten. Koopovereenkomsten worden bijvoorbeeld beheerst door het recht van de plaats waar de verkoper zijn hoofdvestiging heeft. In de wet inzake het internationaal privaatrecht zijn er met betrekking tot contractuele verbintenissen tevens regels opgenomen betreffende de materieelrechtelijke gevolgen van contractuele betrekkingen (artikel 12), verjaring en verrekening (artikel 13), de regeling van eenzijdige rechtshandelingen (artikel 14), ongeacht of deze tot een specifiek rechtssubject zijn gericht (in welk geval het aanknopingspunt de woonplaats van de schuldenaar is).

Contractuele verbintenissen op het gebied van internationaal recht betreffende wisselbrieven en cheques worden specifiek beheerst door de wet betreffende wisselbrieven en cheques (artikel 69 en volgende) en cheques (artikel 91 en volgende).

Rechtshandelingen

Wetsconflicten met betrekking tot de geldigheid en de vorm van rechtshandelingen, en de gevolgen van de nietigheid van rechtshandelingen vallen onder artikel 4 van de wet inzake het internationaal privaatrecht. Het recht dat de gevolgen van een rechtshandeling beheerst, is tevens van toepassing op de geldigheid en eventuele nietigheid van die rechtshandeling. Het toepasselijke recht wordt vastgesteld aan de hand van de relevante conflictregel die voor die bepaalde rechtsbetrekking geldt. Er bestaan twee uitzonderingen op deze regel, waarbij de geldigheid van de rechtshandeling en de gevolgen van de nietigheid niet worden beheerst door hetzelfde recht als de gevolgen van de rechtshandeling, namelijk: wanneer de wet anders bepaalt of wanneer dat noodzakelijk is voor een billijke beslechting. Wat de vorm van de rechtshandeling betreft, volstaat het dat de rechtshandeling voldoet aan het recht van de plaats waar de handeling wordt of is verricht; het is derhalve niet nodig de vorm te gebruiken die is vereist volgens het recht dat van toepassing is op de grond van de zaak (lex causae), zoals dat voor de geldigheid wel het geval is. Deze aanvullende conflictregel mag echter niet worden toegepast wanneer het door de rechtbank van toepassing verklaarde recht een schriftelijke vorm voorschrijft als voorwaarde voor de geldigheid van de overeenkomst.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

De fundamentele nationale conflictregel voor niet-contractuele verbintenissen is artikel 15 van de wet inzake het internationaal privaatrecht. Hierin is bepaald dat het recht op schadevergoeding wegens het niet nakomen van een verplichting die voortvloeit uit een rechtsregel van algemene strekking (aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad) of in het geval waarin de wet de schadevergoeding verplicht stelt ongeacht de onrechtmatigheid van de handeling (aansprakelijkheid voor het resultaat) wordt beheerst door het recht van de plaats waar de schade is veroorzaakt of de plaats waar de feiten zich hebben voorgedaan die het recht op schadevergoeding hebben doen ontstaan. De toepasselijke aanknopingspunten voor zaakwaarneming, ongerechtvaardigde verrijking enzovoort kunnen mutatis mutandis worden afgeleid uit artikel 15 en andere bepalingen van de wet inzake het internationaal privaatrecht.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

De algemene conflictregel, dat wil zeggen de vaststelling van het toepasselijke recht dat de bekwaamheid van een natuurlijke persoon beheerst, is neergelegd in artikel 3 van de wet inzake het internationaal privaatrecht, waarin is bepaald dat de handelingsbevoegdheid en de handelingsbekwaamheid van een persoon worden beheerst door het recht van de staat waarvan die persoon onderdaan is (lex patriae). Wanneer in de Republiek Slowakije een rechtshandeling wordt verricht door een vreemdeling die niet bekwaam is tot het verrichten van rechtshandelingen krachtens het recht van de staat waarvan hij onderdaan is, volstaat het dat hij op grond van het Slowaakse recht wel bekwaam is rechtshandelingen te verrichten. Dergelijke rechtshandelingen zijn mogelijk echter niet geldig in andere staten, waaronder de staat waarvan de vreemdeling onderdaan is.

Overeenkomstig het Slowaakse interne recht ontstaat de bekwaamheid van een natuurlijke persoon om rechten en verplichtingen te hebben bij de geboorte (ieder verwekt kind dat levend wordt geboren, heeft deze bevoegdheid ook) en gaat deze teniet bij het overlijden van de betrokkene of wanneer hij door een rechtbank overleden wordt verklaard. Volledige handelingsbekwaamheid ontstaat bij het bereiken van de leeftijd van achttien jaar of door het huwelijk (alleen mogelijk vanaf 16 jaar). Volledige handelingsbekwaamheid is een noodzakelijke voorwaarde om in rechte te kunnen optreden. De wet kan de bekwaamheid om in rechte op te treden niettemin toekennen aan een persoon die daar anderszins niet over zou beschikken, zoals een minderjarige ouder in een adoptieprocedure bij het bereiken van de leeftijd van 16 jaar. Minderjarigen zijn alleen bekwaam rechtshandelingen te verrichten die, naar hun aard, passen bij de intellectuele en mentale rijpheid die overeenkomt met de leeftijd. Een andere voorwaarde die aan volledige handelingsbekwaamheid wordt gesteld is, behalve de leeftijdsgrens, de geestelijke gezondheid. Alleen een rechter kan de handelingsbekwaamheid van een persoon intrekken of beperken.

Speciale nationale conflictregels inzake handelingsbekwaamheid zijn van toepassing op de bevoegdheid om in het huwelijk te treden (artikel 19 van de wet inzake het internationaal privaatrecht, zie punt 3.5), een testament op te maken en te herroepen (artikel 18 van de wet inzake het internationaal privaatrecht - zie punt. 3.7.) en de bekwaamheid van buitenlanders om in rechte op te treden (artikel 49 van de wet inzake het internationaal privaatrecht). In het Slowaakse recht zijn de conflictregels betreffende de bekwaamheid van rechtspersonen neergelegd in artikel 22 van het wetboek van koophandel, waarin is bepaald dat het personeel statuut van rechtspersonen wordt beheerst door het beginsel van oprichting, en de omvang van de bekwaamheid die zij hebben krachtens het toepasselijke recht wordt als zodanig erkend in het Slowaakse recht. De beoordeling van de bekwaamheid van een persoon om verbintenissen aan te gaan met betrekking tot wisselbrieven en cheques is geregeld in de wet inzake wisselbrieven en cheques, waarin is bepaald dat de betrokkene is gebonden aan het recht van de staat waarvan hij onderdaan is.

De term "woonplaats" met betrekking tot de burgerlijke staat wordt in het Slowaakse recht niet gebruikt als aanknopingspunt en deze term komt ook niet overeen met het Slowaakse begrip "trvalé bydlisko", oftewel permanente verblijfplaats (die in het bevolkingsregister van de Republiek Slowakije is opgenomen). Het recht van een persoon op een naam valt naar analogie onder het personeel statuut, zodat het toepasselijke recht derhalve het recht is dat de handelingsbekwaamheid van de betrokken persoon beheerst.

3.4 Afstamming en adoptie

3.4.1 Afstamming

Op grond van het interne recht is de moeder van het kind de vrouw die het kind heeft gebaard. In geval van twijfel stelt de rechtbank het moederschap vast op basis van vastgestelde feiten met betrekking tot de geboorte. De vaststelling van het vaderschap geschiedt op basis van drie weerlegbare vermoedens van vaderschap die nader zijn omschreven in wet nr. 36/2005 Coll. betreffende familiezaken (hierna de "familiewet" genoemd), te weten: 1) de duur van het huwelijk, 2) de verklaring van erkenning van de ouders bij de burgerlijke stand of de rechtbank, 3) het tijdstip waarop de vermeende vader en de moeder van het kind geslachtsgemeenschap hebben gehad.

De wet inzake het internationaal privaatrecht bevat conflictregels voor de vaststelling (erkenning, ontkenning) van het ouderschap dat is verbonden aan het tijdstip van de geboorte van het kind. Op grond van artikel 23 van de wet inzake het internationaal privaatrecht is het recht van de staat waarvan het kind bij de geboorte de nationaliteit heeft gekregen, van toepassing. Op grond van dit recht wordt met name het volgende vastgesteld: op wie de verklaring van afstamming betrekking heeft, op welke wijze de verklaring moet worden gedaan en of het mogelijk is het vaderschap van het geboren kind te erkennen enzovoort. Indien een kind bij de geboorte meerdere nationaliteiten of juist geen enkele nationaliteit heeft verworven, is artikel 33 van de wet inzake het internationaal privaatrecht van toepassing. Indien een kind op de bovenvermelde wijze de Slowaakse nationaliteit heeft verkregen maar in het buitenland is geboren en woont, is het toepasselijke recht het recht van de staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. In artikel 23, lid 3, van de wet inzake het internationaal privaatrecht is het volgende bepaald: wanneer het kind (ongeacht zijn nationaliteit) op het tijdstip van de beslissing in de Republiek Slowakije woont (d.w.z. daar zijn permanente verblijfplaats heeft), kan het ouderschap worden vastgesteld op grond van het Slowaakse recht wanneer dat in het belang is van het kind. Conform deze bepaling kan bijkomend ook de geldigheid van de erkenning worden beoordeeld volgens het recht van de staat waarin het ouderschap is erkend en niet volgens het recht van de staat waarvan het kind bij de geboorte de nationaliteit heeft. De erkenning van het ouderschap is echter pas geldig wanneer deze is uitgevoerd op de wijze zoals vastgesteld in het recht van de staat waar de erkenning plaatsvindt.

3.4.2 Adoptie

Ingevolge het Slowaakse recht (familiewet) ontstaat door adoptie een familierechtelijke band tussen de geadopteerde en de adoptant (en zijn familie) die juridisch gezien gelijk is aan de band binnen een biologische familie. Alleen een rechter kan uitspraak doen over de adoptie, op verzoek van de adoptant, die geen Slowaakse staatsburger hoeft te zijn, maar die wel moet worden ingeschreven in het adoptieregister conform wet nr. 305/2005 Coll. betreffende de sociaal-juridische bescherming van het kind en sociale voogdij. Het is alleen mogelijk een minderjarig kind te adopteren, d.w.z. een kind dat nog niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Volgens de huidige wetgeving is gezamenlijke adoptie alleen mogelijk voor gehuwde stellen (of voor een partner die met een van de ouders van het kind is gehuwd, of de weduwe/weduwnaar van de ouder of adoptieouder). In uitzonderingsgevallen kan een kind ook worden geadopteerd door een persoon alleen. Om een minderjarig kind in het buitenland te kunnen adopteren is de toestemming nodig van het Slowaakse ministerie van Arbeid, Sociale zaken en Gezinszaken of van een door het ministerie aangewezen overheidsorgaan. Een adoptie kan door een rechterlijke uitspraak worden herroepen binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop de adoptiebeslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Op grond van artikel 26 van de wet inzake het internationaal privaatrecht wordt adoptie beheerst door het recht van de staat waarvan de adoptant onderdaan is (lex patriae). Indien de adoptanten echtgenoten zijn die een verschillende nationaliteit hebben, is het recht van de staat van hun gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van toepassing. Bij gebreke van een gemeenschappelijke gewone verblijfplaats wordt de adoptie beheerst door het recht waarmee de adoptanten de nauwste band hebben. Het Slowaakse recht mag worden toegepast wanneer het vreemde recht adoptie niet toestaat of alleen toestaat onder extreem moeilijke omstandigheden en de adoptant of ten minste een van de adopterende echtgenoten al een bepaalde tijd in Slowakije woont (volgens de jurisprudentie minimaal een jaar). Conform artikel 26 bis van de wet inzake het internationaal privaatrecht wordt de plaatsing van het kind in de pre‑adoptieopvang (die ingevolge het Slowaakse recht aan de adoptie voorafgaat) beheerst door het recht van de staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Het land waarvan het adoptiekind de nationaliteit heeft (lex patriae), is van toepassing bij de beoordeling van de vraag of voor de adoptie toestemming van het kind of van andere personen of instellingen nodig is (artikel 27 van de wet inzake het internationaal privaatrecht). Deze bepaling is eveneens van toepassing in zaken die vergelijkbaar zijn met adoptie, zoals de erkenning van een natuurlijk kind (onbekend in het Slowaakse recht).

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

Overeenkomstig het Slowaakse recht kunnen alleen een man en een vrouw met een goede geestelijke gezondheid met elkaar in het huwelijk treden; zij mogen niet, wanneer zijn in het huwelijk treden, al reeds met een ander persoon zijn gehuwd. De wet verbiedt het huwelijk tussen bloedverwanten in de opgaande lijn, afstammelingen en tussen broers en zussen, evenals tussen minderjarigen (de rechtbank kan bij uitzondering aan een minderjarige van boven de 16 jaar toestemming verlenen om te huwen). Deze leeftijdsgrens kan worden aangemerkt als een dwingende regel van het Slowaakse recht. Overeenkomstig het Slowaakse recht wordt het huwelijk gesloten door ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand of een kerkelijke instantie in te stemmen met het huwelijk.

Volgens de wet inzake het internationaal privaatrecht (de artikelen 19 en 20) wordt de huwelijksbevoegdheid evenals de voorwaarden voor de geldigheid van het huwelijk beheerst door het recht van de staat waarvan de betrokkene onderdaan is (aanknopingspunt lex patriae). Wat de vorm van het huwelijk betreft, is het recht van de plaats waar het huwelijk is voltrokken van toepassing (lex loci celebrationis). In tegenstelling tot de algemene conflictregel (de artikelen 3 en 4 van de wet inzake het internationaal privaatrecht) is de subsidiaire toepassing van het Slowaakse recht uitgesloten. Aangezien ten aanzien van de vorm van het huwelijk geldt dat het recht van de plaats waar het huwelijk is voltrokken (lex loci celebrationis) van toepassing is, wordt dat recht ook toegepast bij het beoordelen van de volgende kwesties: de manier waarop een persoon instemt met het huwelijk, het aantal getuigen, het bevoegde orgaan dat het huwelijk mag voltrekken, de mogelijkheid om het huwelijk via een vertegenwoordiger te sluiten enzovoort. Dit criterium geldt niet in het geval van consulaire huwelijken. De sluiting van een huwelijk in het buitenland tussen Slowaakse burgers ten overstaan van een andere autoriteit dan een daartoe bevoegde Slowaakse autoriteit valt met name onder artikel 20 bis van de wet inzake het internationaal privaatrecht. In dit artikel is bepaald dat een dergelijk huwelijk dat geldig is volgens het recht van het orgaan ten overstaan waarvan het huwelijk is voltrokken, ook geldig is in de Republiek Slowakije, mits er op grond van het Slowaakse materiële recht geen huwelijksbeletselen bestaan.

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

Het Slowaakse recht bevat geen bepalingen betreffende andere partnerschappen dan het huwelijk. In de rechtsleer wordt ongehuwd samenwonen erkend, dat wil zeggen de situatie waarbij een man en een vrouw die niet met elkaar gehuwd zijn samen een levensgemeenschap vormen. Het betreft een feitelijk partnerschap zonder juridische betekenis. Het (geregistreerd) partnerschap tussen personen van hetzelfde geslacht en het begrip (wettelijke) scheiding van tafel en bed zijn in het Slowaakse recht evenmin bekend.

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Volgens het interne materiële recht wordt onder echtscheiding verstaan de ontbinding door een rechtbank van een huwelijk tussen twee in leven zijnde echtgenoten. Wanneer de ouders van een minderjarig kind scheiden, dient de rechtbank zich bij zijn beslissing tevens uit te spreken over de uitoefening van de rechten en plichten van de ouders. Conform het Slowaakse recht kan worden gekozen voor co-ouderschap.

Artikel 22 van de wet inzake het internationaal privaatrecht bevat conflictregels voor de beëindiging van de huwelijkse levensgemeenschap door echtscheiding, door nietigverklaring van het huwelijk of door vaststelling dat het huwelijk nooit heeft bestaan. Dit artikel geldt in de eerste plaats voor de ontbinding van het huwelijk tussen in leven zijnde echtgenoten. De ontbinding van het huwelijk wordt beheerst door het recht van de staat waarvan de echtgenoten onderdaan zijn op het tijdstip waarop de procedure wordt ingeleid. Net als bij de persoonlijke en vermogensrechtelijke betrekkingen tussen de echtgenoten, is het toepasselijke aanknopingspunt hun nationaliteit (lex patriae) in samenhang met een specifiek tijdstip, namelijk het tijdstip waarop de echtscheidingsprocedure wordt ingeleid (hun oorspronkelijke nationaliteit of de verandering van nationaliteit is dus niet relevant). Wanneer de echtgenoten bij aanvang van de echtscheidingsprocedure niet dezelfde nationaliteit hebben, kan het recht van de staat van de nationaliteit (lex patriae) niet als aanknopingspunt worden gebruikt, zodat het Slowaakse dan van toepassing is. Wanneer de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding krachtens het toepasselijke (vreemde) recht niet is toegestaan of alleen mogelijk is onder extreem moeilijke omstandigheden, en de echtgenoten (of ten minste een van hen) gedurende een bepaalde periode in de Republiek Slowakije wonen, dan kan het Slowaakse recht worden toegepast. Deze mogelijkheid doet zich uitsluitend voor wanneer de betrokken personen een passende band met de Republiek Slowakije hebben. Volgens vaste jurisprudentie moeten de betrokkenen ten minste een jaar in de Republiek Slowakije wonen.

Conform de aanknopingspunten van artikel 22, lid 3, van de wet inzake het internationaal privaatrecht moet de geldigheid van het huwelijk dan wel de vaststelling of het huwelijk al dan niet heeft bestaan, in de eerste plaats worden beoordeeld volgens het recht van de staat waarvan de echtgenoten onderdaan zijn. Deze bepaling is echter in strijd met de artikelen 19 en 20 van die wet waarin de bevoegdheid om in het huwelijk te treden, de geldigheid en de vorm van het huwelijk worden geregeld. Volgens vaste jurisprudentie zijn de artikelen 19 en 20 van de wet inzake het internationaal privaatrecht van toepassing wanneer de mogelijkheid om te huwen (huwelijksbevoegdheid en huwelijksvorm) wordt beoordeeld voorafgaand aan de sluiting van het huwelijk, terwijl artikel 22, lid 3, van deze wet van toepassing is wanneer de geldigheid van het huwelijk en de vraag of het huwelijk al dan niet heeft bestaan, achteraf wordt beoordeeld. In de jurisprudentie is ook vast komen te staan dat het toepasselijke recht in het geval van artikel 22, lid 3, van de wet inzake het internationaal privaatrecht, het recht is van de staat waarvan de echtgenoten onderdaan zijn op het tijdstip waarop het huwelijk had moeten worden voltrokken.

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

Het Slowaakse recht kent zes basissoorten onderhoudsverplichtingen: de onderhoudsverplichting van ouders jegens hun kinderen (die als de belangrijkste wordt gezien), de onderhoudsverplichting van kinderen jegens hun ouders, de onderhoudsverplichting tussen andere verwanten, de onderhoudsverplichting tussen echtgenoten, de bijdrage in het levensonderhoud van de ex-echtgeno(o)t(e) en de bijdrage in het levensonderhoud van een ongehuwde moeder. De conflictregels van artikel 24 bis van de wet inzake het internationaal privaatrecht hebben uitdrukkelijk alleen betrekking op alle soorten onderhoudsverplichtingen van ouders jegens hun kinderen, met uitzondering van de vorderingen die de moeder van het kind op de vader heeft (recht van de nationaliteit van de moeder, artikel 25 van de wet inzake het internationaal privaatrecht), ongeacht of de onderhoudsgerechtigde minderjarig of meerderjarig is. In het geval van een minderjarig kind worden deze betrekkingen beheerst door het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. De Slowaakse rechters doen over het algemeen uitspraak op grond van het recht van het land waar de rechtsvordering is ingesteld (lex fori). De overige onderhoudsverplichtingen (zoals de onderhoudsverplichting tussen echtgenoten) worden beheerst door het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn woonplaats heeft.

Het aanknopingspunt van de gewone verblijfplaats van het kind is het belangrijkste aanknopingspunt dat wordt toegepast op de betrekkingen tussen ouders en kinderen. De rechtbank houdt alleen in uitzonderingsgevallen ook rekening met het recht van een andere staat waarmee de zaak ook nauw is verbonden.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

In de conflictregels van de wet inzake het internationaal privaatrecht (artikel 21) betreffende het huwelijksvermogensregime is bepaald dat de nationaliteit van de echtgenoten het aanknopingspunt is. Dit aanknopingspunt kan alleen strikt worden toegepast wanneer de echtgenoten onderdaan zijn van dezelfde staat. In de overige gevallen is het Slowaakse recht van toepassing. In de wet inzake het internationaal privaatrecht zijn er geen bepalingen opgenomen betreffende de mogelijke wijziging van een aanknopingspunt (verandering van de gemeenschappelijke nationaliteit van echtgenoten). In de jurisprudentie is echter vast komen te staan dat het toepasselijke recht wordt vastgesteld aan de hand van het tijdstip waarop het juridisch relevante feit zich heeft voorgedaan. In artikel 21, lid 2, van de wet inzake het internationaal privaatrecht zijn bijzondere regels opgenomen die conflicten als gevolg van een wijziging van het aanknopingspunt moeten voorkomen. In dat artikel is met name bepaald dat het overeengekomen huwelijksvermogensregime (zoals bijvoorbeeld overeenkomsten tot beperking van de gemeenschap van goederen, huwelijkse voorwaarden enzovoort) wordt beoordeeld overeenkomstig het recht dat van toepassing was op het tijdstip dat het huwelijksvermogensregime werd vastgesteld. Deze conflictregel kan echter uitsluitend worden toegepast in samenhang met een andere conflictregel en kan dus niet zelfstandig worden toegepast.

In het Slowaakse recht is een speciaal type huwelijksvermogensregime vastgesteld: de gemeenschap van goederen tussen echtgenoten, die ontstaat bij de voltrekking van het huwelijk en eindigt bij de ontbinding van het huwelijk. De omvang van de gemeenschap van goederen kan later in onderlinge overeenstemming tussen de echtgenoten worden verkleind of uitgebreid of op een andere manier krachtens een rechterlijke beslissing worden gewijzigd (beëindigd of vervangen). Het Slowaakse recht kent geen voorhuwelijkse voorwaarden.

3.7 Erfrecht

Erfopvolging is krachtens de conflictregel op slechts één aanknopingspunt gebaseerd. Op grond van de algemene conflictregel van de wet inzake het internationaal privaatrecht worden rechtsbetrekkingen met betrekking tot nalatenschappen beheerst door het recht van de staat waarvan de erflater onderdaan was op het tijdstip van het overlijden (artikel 17). Het recht van de nationaliteit van de erflater (lex patriae) op het tijdstip van het overlijden is dus het enige aanknopingspunt voor de gehele nalatenschap, ongeacht of het gaat om roerende of onroerende zaken. Indien de erflater op het tijdstip van het overlijden onderdaan was van twee of meer staten, of indien hij van geen enkele staat onderdaan was, wordt zijn nationaliteit vastgesteld op grond van artikel 33 van de wet inzake het internationaal privaatrecht.

De bepalende factor met betrekking tot de bekwaamheid om een testament op te maken of te herroepen, de gevolgen van het ontbreken van een uiterste wilsbeschikking en fouten in de uiterste wilsbeschikking, is de nationaliteit van de erflater op het tijdstip waarop hij de wilsbeschikking maakt of herroept. Een eventuele verandering van nationaliteit die zich voordoet na het vastleggen van de uiterste wilsbeschikking heeft geen invloed op de geldigheid van het testament of de herroeping daarvan. Artikel 18 van de wet inzake het internationaal privaatrecht bevat dus een speciale regel in samenhang met artikel 3, lid 2, van die wet, waarin is bepaald dat wanneer een buitenlander een rechtshandeling verricht op het grondgebied van de Republiek Slowakije het volstaat dat hij daartoe bekwaam is krachtens het Slowaakse recht. Het toepasselijke recht dat is vastgesteld conform het land waarvan de betrokken persoon de nationaliteit heeft op het tijdstip waarop hij een testament opmaakt, is ook van toepassing bij het vaststellen van de wijzen waarop het vermogen in een testament kan worden nagelaten. De vorm van het testament en de vorm van de herroeping van het testament worden beheerst door het recht van de staat waarvan de erflater onderdaan was op het tijdstip dat het testament werd opgemaakt. Het volstaat echter dat het testament voldoet aan de voorschriften van het recht van de staat waar het werd opgemaakt (artikel 18). Deze alternatieve conflictregel is van toepassing in het geval waarin de erflater niet heeft voldaan aan de vereiste vormvoorschriften van het testament volgens het recht van de staat waarvan hij onderdaan was op het ogenblik van het opmaken van het testament. Dit betekent dat wanneer de erflater niet heeft voldaan aan de vormvoorschriften van het recht van de staat waarvan hij onderdaan was op het tijdstip waarop het testament werd opgemaakt, maar de vorm wel voldoet aan de voorschriften van het recht van de plaats waar het testament is opgemaakt, het testament geacht wordt geldig te zijn.

Op grond van het Slowaakse materiële erfrecht kan worden geërfd op basis van wettelijke erfopvolging, een testament of beide. In de wet worden vier groepen erfgenamen genoemd die achtereenvolgens erven. De groepen erven daarbij afzonderlijk van elkaar, dat wil zeggen dat er geen overlap bestaat tussen de groepen erfgenamen. Onder de eerste groep erfgenamen vallen de kinderen en de echtgeno(o)t(e) van de erflater. Onder de andere groepen vallen andere verwanten en andere personen die ten minste gedurende een jaar vóór het overlijden een gemeenschappelijk huishouding met de erflater hebben gevoerd en voor het gemeenschappelijke huishouden zorgden of ten laste waren van de overledene. In het geval van erfopvolging krachtens een testament schrijft de wet voor dat het testament schriftelijk moet worden opgemaakt conform de wettelijke voorschriften of in een notariële akte moet worden vastgelegd. De minimumleeftijd voor het opmaken van een testament is 15 jaar. De testamentaire vrijheid van de erflater is ten aanzien van zijn afstammelingen echter beperkt, aangezien minderjarigen minimaal hun wettelijke erfdeel moeten ontvangen en meerderjarigen ten minste de helft van hun wettelijk erfdeel. Het Slowaakse recht kent de begrippen verwerping van nalatenschappen (uitsluitend in zijn geheel, activa en passiva), onbekwaamheid om te erven (bij wet bepaald), onterving van afstammelingen (op basis van een door de overledene opgemaakte akte van onterving) en onbeheerde nalatenschap (er is geen erfgenaam, de erfenis vervalt aan de staat). Het Slowaakse recht kent daarentegen niet de begrippen gemeenschappelijk testament, erfovereenkomst of schenkingsovereenkomst bij overlijden.

3.8 Goederenrecht

Het Slowaakse recht definieert een onroerende zaak als grond of gebouwen die onlosmakelijk met de grond zijn verbonden (artikel 119 van het burgerlijk wetboek).

Ingevolge de wet inzake het internationaal privaatrecht is het algemeen aanknopingspunt voor zakelijke rechten op onroerende zaken het recht van de plaats waar de zaak is gelegen, dat wil zeggen de lex rei sitae (artikel 5 van de wet inzake het internationaal privaatrecht, dat eveneens van toepassing is op roerende zaken die niet onder de artikelen 6 en 8 vallen – zie punt 2.3.). Artikel 7 van de wet inzake het internationaal privaatrecht heeft echter voorrang op deze bepaling. In dat artikel is bepaald dat rekening wordt gehouden met de inschrijving in de openbare registers van de vestiging, de wijziging en het tenietgaan van zakelijke rechten op onroerende zaken die zijn gelegen op het grondgebied van een andere staat dan de staat waarvan het recht de wettelijke grond voor de vestiging, de wijziging en het tenietgaan van zakelijke rechten op deze onroerende zaken beheerst. In dergelijke gevallen worden de bepalingen betreffende de inschrijving in de openbare registers die van kracht zijn in de plaats waar de onroerende zaak is gelegen, toegepast.

In de huidige Slowaakse wetgeving verwijst het begrip openbaar register naar het kadaster van onroerende zaken (wet nr. 162/1995 Coll. betreffende het kadaster van onroerende zaken). Maar daarnaast kan de geschiedenis van de registratie van onroerende zaken ook worden gevonden in het percelenkadaster, het spoorwegregister, het mijnbouwregister en het waterwegenregister.

3.9 Insolventie

Insolventieprocedures met een internationaal element waarbij een EU-lidstaat of een EER‑staat is betrokken, vallen onder wet nr. 7/2005 Coll. betreffende faillissement en herstructurering (hierna "de faillissementswet" genoemd), tenzij in Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad anders is bepaald. Op grond van de faillissementswet geldt dat wanneer de Republiek Slowakije niet gebonden is aan een internationaal verdrag dat de voldoening van de schuldeisers van de failliete schuldenaar beheerst, het beginsel van wederkerigheid wordt toegepast voor de erkenning van buitenlandse beslissingen in procedures uit hoofde van de faillissementswet. Een faillissement dat is uitgesproken door een Slowaakse rechtbank heeft ook betrekking op de zaken die zich op het grondgebied van een vreemde staat bevinden indien dat volgens de wetgeving van die staat is toegestaan.

De wet inzake het internationaal privaatrecht bevat conflictregels die mutatis mutandis kunnen worden toegepast op faillissementen (insolventie), met name artikel 5 (het aanknopingspunt is de plaats waar de roerende of onroerende zaak zich bevindt), artikel 7 (het aanknopingspunt in het geval van inschrijving in een openbaar register is de plaats waar de onroerende zaak is gelegen), en bepalingen betreffende verbintenissen (artikel 9 en volgende).

Laatste update: 12/11/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.