Verordening Brussel I (herschikking)

Letland

Inhoud aangereikt door
Letland

BEVOEGDE GERECHTEN ZOEKEN

Met onderstaande zoekfunctie kunt u rechtbanken/autoriteiten vinden die voor een bepaald Europees rechtsinstrument bevoegd zijn. Hoewel we er alles aan hebben gedaan om de resultaten betrouwbaar te maken, kunnen we onvolkomenheden niet uitsluiten.

Letland

Brussels I recast


*verplichte invoer

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

De deelname van derden aan civiele procedures (interventie) wordt geregeld door de artikelen 78 tot en met 81 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Civilprocesa likums, hierna “CPL” genoemd). Artikel 78, lid 1, CPL bepaalt dat de derde partij (de interveniënt) een natuurlijke of rechtspersoon kan zijn wiens rechten of verplichtingen ten opzichte van een van de partijen kunnen worden beïnvloed door de uitspraak in de zaak. De interventie van een derde in de procedure heeft tot doel de omstandigheden van de zaak volledig te verduidelijken en de efficiëntie van de procedure te waarborgen door de derde de mogelijkheid te bieden toelichtingen te verstrekken en een advies te formuleren over de rechtsvordering. De niet-interventie van een persoon die in een lopende zaak zou kunnen interveniëren, ontneemt hem echter niet het recht om zijn belangen op een andere manier of in een andere zaak te verdedigen. Er zij echter op gewezen dat een interventie de gelegenheid biedt invloed uit te oefenen op de uitkomst van de primaire vordering. Dit is bijvoorbeeld van belang bij het onderzoeken van een verhaalsvordering, omdat volgens de Letse bepalingen van burgerlijke rechtsvordering de latere vordering pas wordt onderzocht na de primaire vordering (of de initiële vordering) en de feiten waarop de beslissing over de initiële (primaire) vordering is gebaseerd, niet opnieuw door de rechter worden onderzocht in het kader van de latere vordering.

Een interventie kan plaatsvinden tot het einde van het onderzoek ten gronde van de zaak in eerste aanleg. Derden kunnen ook in het geding worden opgeroepen op verzoek van de partijen of de procureur. Afhankelijk van de aard en de mate van hun belang bij een optreden in rechte, wordt een onderscheid gemaakt tussen (1) interveniënten die een autonome vordering instellen en (2) interveniënten die geen autonome vordering instellen.

Derden die een autonome vordering instellen met betrekking tot het voorwerp van het geding, interveniëren door een verzoekschrift in te dienen en hun autonome vordering is in beginsel gericht tegen zowel de verweerder als de eiser. Zij hebben dezelfde rechten en plichten als de eiser (artikel 79 CPL). Interveniënten die een autonome vordering instellen, onderscheiden zich van andere partijen aan de zijde van de eiser of van mede-eisers door het feit dat de vorderingen van die partijen nooit tegen elkaar gericht zijn, terwijl de toewijzing van de vordering van de interveniënt inherent de toewijzing van de vordering van de eiser uitsluit.

Derden die geen autonome vordering instellen met betrekking tot het voorwerp van het geding, kunnen aan de zijde van de eiser of de verweerder interveniëren, indien de beslissing in de zaak afbreuk dreigt te doen aan de rechten of verplichtingen van deze derden ten opzichte van een van de partijen. Interveniënten die geen autonome vordering instellen, hebben dezelfde procedurele rechten en verplichtingen als de partijen bij het geding, met uitzondering van het recht om de grondslag of het voorwerp van de vordering te wijzigen, het bedrag van de vordering te verhogen of te verlagen, afstand te doen van een schuldvordering, een schuldvordering te erkennen of een schikking te treffen, en de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing te vorderen. De oproeping in het geding van een derde (gedwongen interventie) en het verzoek van een derde om te interveniëren aan de zijde van de eiser of de verweerder (vrijwillige interventie) moeten met redenen worden omkleed (artikel 80 CPL). Interveniënten die geen autonome vordering instellen, interveniëren over het algemeen in zaken die kunnen leiden tot een verhaalsvordering tegen hen of daarmee samenhangende rechtsmiddelen, of in zaken waarin zij zelf een vordering kunnen instellen, afhankelijk van de uitkomst van de primaire vordering.

Uit de artikelen 78 tot en met 81 CPL volgt dus dat een beslissing die is gegeven in een procedure waarin een derde heeft geïntervenieerd, alleen aan hem kan worden tegengeworpen en tegen hem ten uitvoer kan worden gelegd (of de derde kan alleen om de tenuitvoerlegging ervan verzoeken) in gevallen waarin deze derde een interveniënt was die een autonome vordering heeft ingesteld. De beslissing heeft in elk geval rechtsgevolgen ten aanzien van hem, in die zin dat de daarin vastgestelde feiten hem kunnen worden tegengeworpen in elke latere vordering in verband met het initiële hoofdgeding.

De deelname van derden aan civiele procedures (interventie) wordt geregeld door de artikelen 78 tot en met 81 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Civilprocesa likums, hierna “CPL” genoemd). Artikel 78, lid 1, CPL bepaalt dat de derde partij (de interveniënt) een natuurlijke of rechtspersoon kan zijn wiens rechten of verplichtingen ten opzichte van een van de partijen kunnen worden beïnvloed door de uitspraak in de zaak. De interventie van een derde in de procedure heeft tot doel de omstandigheden van de zaak volledig te verduidelijken en de efficiëntie van de procedure te waarborgen door de derde de mogelijkheid te bieden toelichtingen te verstrekken en een advies te formuleren over de rechtsvordering. De niet-interventie van een persoon die in een lopende zaak zou kunnen interveniëren, ontneemt hem echter niet het recht om zijn belangen op een andere manier of in een andere zaak te verdedigen. Er zij echter op gewezen dat een interventie de gelegenheid biedt invloed uit te oefenen op de uitkomst van de primaire vordering. Dit is bijvoorbeeld van belang bij het onderzoeken van een verhaalsvordering, omdat volgens de Letse bepalingen van burgerlijke rechtsvordering de latere vordering pas wordt onderzocht na de primaire vordering (of de initiële vordering) en de feiten waarop de beslissing over de initiële (primaire) vordering is gebaseerd, niet opnieuw door de rechter worden onderzocht in het kader van de latere vordering.

Een interventie kan plaatsvinden tot het einde van het onderzoek ten gronde van de zaak in eerste aanleg. Derden kunnen ook in het geding worden opgeroepen op verzoek van de partijen of de procureur. Afhankelijk van de aard en de mate van hun belang bij een optreden in rechte, wordt een onderscheid gemaakt tussen (1) interveniënten die een autonome vordering instellen en (2) interveniënten die geen autonome vordering instellen.

Derden die een autonome vordering instellen met betrekking tot het voorwerp van het geding, interveniëren door een verzoekschrift in te dienen en hun autonome vordering is in beginsel gericht tegen zowel de verweerder als de eiser. Zij hebben dezelfde rechten en plichten als de eiser (artikel 79 CPL). Interveniënten die een autonome vordering instellen, onderscheiden zich van andere partijen aan de zijde van de eiser of van mede-eisers door het feit dat de vorderingen van die partijen nooit tegen elkaar gericht zijn, terwijl de toewijzing van de vordering van de interveniënt inherent de toewijzing van de vordering van de eiser uitsluit.

Derden die geen autonome vordering instellen met betrekking tot het voorwerp van het geding, kunnen aan de zijde van de eiser of de verweerder interveniëren, indien de beslissing in de zaak afbreuk dreigt te doen aan de rechten of verplichtingen van deze derden ten opzichte van een van de partijen. Interveniënten die geen autonome vordering instellen, hebben dezelfde procedurele rechten en verplichtingen als de partijen bij het geding, met uitzondering van het recht om de grondslag of het voorwerp van de vordering te wijzigen, het bedrag van de vordering te verhogen of te verlagen, afstand te doen van een schuldvordering, een schuldvordering te erkennen of een schikking te treffen, en de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing te vorderen. De oproeping in het geding van een derde (gedwongen interventie) en het verzoek van een derde om te interveniëren aan de zijde van de eiser of de verweerder (vrijwillige interventie) moeten met redenen worden omkleed (artikel 80 CPL). Interveniënten die geen autonome vordering instellen, interveniëren over het algemeen in zaken die kunnen leiden tot een verhaalsvordering tegen hen of daarmee samenhangende rechtsmiddelen, of in zaken waarin zij zelf een vordering kunnen instellen, afhankelijk van de uitkomst van de primaire vordering.

Uit de artikelen 78 tot en met 81 CPL volgt dus dat een beslissing die is gegeven in een procedure waarin een derde heeft geïntervenieerd, alleen aan hem kan worden tegengeworpen en tegen hem ten uitvoer kan worden gelegd (of de derde kan alleen om de tenuitvoerlegging ervan verzoeken) in gevallen waarin deze derde een interveniënt was die een autonome vordering heeft ingesteld. De beslissing heeft in elk geval rechtsgevolgen ten aanzien van hem, in die zin dat de daarin vastgestelde feiten hem kunnen worden tegengeworpen in elke latere vordering in verband met het initiële hoofdgeding.

Artikel 74 - beschrijving van de nationale voorschriften en procedures betreffende tenuitvoerlegging

Gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen zijn uitvoerbaar nadat ze van kracht zijn geworden, behoudens waar bij wet of gerechtelijke uitspraak in onmiddellijke tenuitvoerlegging is voorzien. Als een vrijwillige tenuitvoerleggingsperiode is vastgesteld met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een gerechtelijke uitspraak en de uitspraak niet ten uitvoer wordt gelegd, stelt de rechter een executoriale titel op wanneer de vrijwillige tenuitvoerleggingsperiode is verstreken. Een gerechtsdeurwaarder (zvērināts tiesu izpildītājs) kan tenuitvoerleggingsprocedures in gang zetten op grond van een tenuitvoerleggingsdocument.

Een executoriale titel wordt op verzoek aan de handhavingsambtenaar afgegeven door het gerecht dat de zaak op dat moment behandelt. Voor elke uitspraak moet een executoriale titel worden afgegeven. Als de uitspraak op verschillende plaatsen ten uitvoer moet worden gelegd, moeten alle gedeelten van de uitspraak onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd. Wordt de uitspraak gedaan ten gunste van meerdere eisers of tegen meerdere verweerders, dan moet de rechter op verzoek van de handhavingsambtenaar meerdere executoriale titels afgeven. Wanneer meerdere executoriale titels worden afgegeven, moet de exacte plaats van tenuitvoerlegging of het gedeelte van de uitspraak dat volgens de executoriale titel ten uitvoer moet worden gelegd in elk van deze executoriale titels worden vermeld. In geval van hoofdelijke verbintenissen moet de verweerder worden genoemd tegen wie de tenuitvoerlegging volgens de betrokken executoriale titel is gericht.

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

– In Letland: bij de districts-/stadsrechtbank [rajona (pilsētas) tiesa] in het rechtsgebied waarvan de beslissingen ten uitvoer moeten worden gelegd.

Een verzoek tot erkenning of een verzoek tot weigering van erkenning (artikel 36, lid 2, en artikel 45) moet worden ingediend bij de districts-/stadsrechtbank in het rechtsgebied waarvan de beslissing ten uitvoer moet worden gelegd of bij de districts-/stadsrechtbank in het rechtsgebied waarvan de verweerder heeft verklaard zijn woonplaats te hebben of, bij gebreke van een dergelijke verklaring, bij de districts-/stadsrechtbank in het rechtsgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats of wettelijk adres heeft.

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

– In Letland: de regionale rechtbank (apgabaltiesa), via de districts-/stadsrechtbank die de beslissing heeft gegeven.

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Niet van toepassing.

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Niet van toepassing.

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

In Letland:

Artikel 27, lid 2, CPL – Tegen een verweerder wiens vaste woonplaats onbekend is of die geen vaste woonplaats in Letland heeft, kan een vordering worden ingesteld bij een rechtbank in het rechtsgebied waarvan de verweerder eigenaar is van een onroerende zaak of bij de rechtbank van zijn laatst bekende woonplaats.

Artikel 28, lid 3, CPL – Vorderingen met betrekking tot lichamelijk letsel kunnen eveneens worden ingesteld bij de rechtbank van de opgegeven woonplaats van de eiser of de plaats waar het letsel zich heeft voorgedaan.

Artikel 28, lid 5, CPL – Vorderingen tot revindicatie van een goed of tot vergoeding van de waarde van een goed kunnen eveneens worden ingesteld bij de rechtbank van de opgegeven woonplaats van de eiser.

Artikel 28, lid 6, CPL – Vorderingen met betrekking tot maritieme geschillen kunnen eveneens worden ingesteld bij de rechtbank van de plaats waar het vaartuig van de verweerder in beslag is genomen.

Artikel 28, lid 10, CPL – Vorderingen met betrekking tot een arbeidsverhouding kunnen eveneens worden ingesteld bij de rechtbank van de opgegeven woonplaats of de plaats van tewerkstelling van de eiser.

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Artikel 640 CPL bepaalt, met betrekking tot de behandeling van een vordering, dat de beslissing over de erkenning en de tenuitvoerlegging van een beslissing van een buitenlandse rechter of over de weigering daarvan moet worden genomen door een alleensprekende rechter na onderzoek van de vordering en de daarbij gevoegde documenten, binnen tien dagen na de datum van de instelling van de vordering, en zonder dat de partijen worden gedagvaard.

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • Overeenkomst van 11 november 1992 tussen de Republiek Letland, de Republiek Estland en de Republiek Litouwen inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen.
  • Overeenkomst van 23 februari 1994 tussen de Republiek Letland en de Republiek Polen inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen in burgerlijke, straf-, familie- en arbeidszaken.
Laatste update: 05/10/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.