Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen

Portugal

Inhoud aangereikt door
Portugal

Artikel 50, lid 1, onder a) — gerechten die bevoegd zijn om het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen uit te vaardigen

Overeenkomstig de rechterlijke bevoegdheidsverdeling op basis van het voorwerp en de waarde van het geschil, zoals bepaald in de wet betreffende de rechterlijke organisatie (Wet nr. 62/2013 van 26 augustus 2013), zijn de volgende rechtbanken bevoegd voor Europese procedures om een bevel tot conservatoir beslag uit te vaardigen in zaken die onder hun respectieve bevoegdheid vallen:

  • centrale burgerlijke rechtbanken (Juízos Centrais Cíveis);
  • lokale burgerlijke rechtbanken (Juízos Locais Cíveis) en rechtbanken met algemene bevoegdheid (Juízos de competência genérica);
  • familie- en jeugdrechtbanken (Juízos de família e menores);
  • arbeidsrechtbanken (Juízos do Trabalho);
  • handelsrechtbanken (Juízos de Comércio);
  • rechtbanken voor tenuitvoerlegging (Juízos de Execução);
  • rechtbank voor intellectuele eigendom (Tribunal da Propriedade Intelectual);
  • rechtbank voor mededinging, regulering en toezicht (Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão);
  • maritieme rechtbank (Tribunal Marítimo).

Artikel 50, lid 1, onder b) — instantie waarbij rekeninginformatie kan worden opgevraagd

De orde van advocaten en tenuitvoerleggingsfunctionarissen (A Ordem dos Solicitadores e Agentes de Execução – (OSAE)).

Rua Artilharia 1, no 63

1250-038 Lissabon

Tel.: (+351) 213894200

Fax: (+351) 213534870

E-mail: geral@osae.pt

http://osae.pt/pt/pag/osae/osae/1/1/1/1

Artikel 50, lid 1, onder c) — wijze waarop rekeninginformatie kan worden opgevraagd

In het nationale recht zijn de volgende methoden vastgelegd:

  • alle banken in Portugal zijn verplicht bekend te maken of de schuldenaar een rekening bij hen aanhoudt (artikel 14, lid 5, onder a));
  • de informatie-instantie heeft toegang tot alle relevante informatie die de overheid in registers of op andere wijze bijhoudt (artikel 14, lid 5, onder b)).

Deze methoden zijn verankerd in artikel 749 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering en geregeld in artikel 17 van ministerieel uitvoeringsbesluit nr. 282/2013 van 29 augustus 2013, zoals laatstelijk gewijzigd.

De bevoegde instantie (de orde van advocaten en tenuitvoerleggingsfunctionarissen, OSAE) kan toegang tot informatie over het bestaan van rekeningen verkrijgen door daartoe een verzoek te richten tot de Portugese centrale bank. In Portugal kunnen dergelijke verzoeken om informatie alleen worden ingediend met gebruikmaking van het fiscaal identificatienummer (NIF) of identificatienummer voor rechtspersonen (NIPC) van de schuldenaar. Met het oog op een snelle behandeling van het verzoek is het dus aanbevolen daarin de volgende gegevens op te nemen:

  • het fiscaal identificatienummer (NIF) van de schuldenaar of,
  • het identificatienummer voor rechtspersonen (NIPC) ingeval de schuldenaar een onderneming is,
  • het adres van de schuldenaar.

Artikel 50, lid 1, onder d) — gerechten waarbij hoger beroep kan worden ingesteld tegen een weigering om het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen uit te vaardigen

Voor de behandeling van zaken in hoger beroep zijn de hoven van beroep bevoegd.

Overeenkomstig het nationale recht moet het hoger beroep echter worden ingesteld bij de rechtbank die de bestreden beslissing heeft gegeven.

Artikel 50, lid 1, onder e) — instanties die bevoegd zijn om het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen en andere stukken te ontvangen, te verzenden en te betekenen of ter kennis te brengen

  • de rechtbanken, meer bepaald de gerechtsdeurwaarders;
  • de orde van advocaten en tenuitvoerleggingsfunctionarissen (OSAE), meer bepaald de tenuitvoerleggingsfunctionarissen.

In het algemeen zijn de tenuitvoerleggingsfunctionarissen bevoegd om de noodzakelijke kennisgevingen te doen.

Overeenkomstig het Portugese procesrecht treden gerechtsdeurwaarders alleen op in de volgende gevallen:

  • tenuitvoerlegging waarbij de staat de schuldeiser is.
  • tenuitvoerlegging waarbij het openbaar ministerie (Ministério Público) de schuldeiser vertegenwoordigt.
  • indien geen "tenuitvoerleggingsfunctionaris" beschikbaar is in het district waarin de tenuitvoerleggingsprocedure wordt behandeld en de aanwijzing van een andere tenuitvoerleggingsfunctionaris uit een ander district onevenredige kosten met zich zou brengen. Hierover beslist een rechter, op verzoek van de schuldeiser.
  • indien de noodzakelijke procedurestappen tot onevenredige reiskosten zouden leiden en er geen tenuitvoerleggingsfunctionaris beschikbaar is in het district waarin deze procedurestappen geacht worden te zullen plaatsvinden. Hierover beslist een rechter, op verzoek van de "tenuitvoerleggingsfunctionaris".
  • tenuitvoerleggingszaken met een waarde van 10 000 EUR of minder, indien de schuldeisers particulieren zijn en het verzoek geen betrekking heeft op een commerciële of industriële activiteit, op voorwaarde dat de tussenkomst wordt aangevraagd in het verzoekschrift om tenuitvoerlegging en dat de desbetreffende procedurekosten worden betaald.
  • tenuitvoerleggingszaken met een waarde van 30 000 EUR of minder, indien het verzoek arbeidsgerelateerd is en de partij die de tenuitvoerlegging wil afdwingen de tussenkomst aanvraagt in het verzoekschrift en de desbetreffende procedurekosten betaalt.

Artikel 50, lid 1, onder f) — instanties die bevoegd zijn om het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen ten uitvoer te leggen

De orde van advocaten en tenuitvoerleggingsfunctionarissen (OSAE).

Artikel 50, lid 1, onder g) — de mate waarin conservatoir beslag kan worden gelegd op gezamenlijke rekeningen en rekeningen van derden

Naar Portugees recht wordt ervan uitgegaan dat de houders van een gezamenlijke rekening een gelijk aandeel hebben in het tegoed, zodat dus, tenzij er bewijs is van het tegendeel, kan worden aangenomen dat elke deposant over de helft van de tegoeden op de rekening beschikt (artikelen 513 en 516 van het burgerlijk wetboek). Het bevel tot conservatoir beslag heeft dus betrekking op het deel van de schuldenaar in de gemeenschappelijke rekening, ervan uitgaande dat de delen gelijk zijn (artikel 780, lid 5, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering - CPC).

Deze veronderstelling kan worden weerlegd door een bewijs van het tegendeel te leveren; er moet worden aangetoond dat het tegoed op de bankrekening slechts aan één rekeninghouder of aan een van de rekeninghouders toebehoort, of dat ze een verschillend aandeel hebben in de rekening, of dat het tegoed zelfs toebehoort aan een derde partij.

Indien het bevel tot conservatoir beslag tegen slechts één van de echtgenoten wordt uitgevaardigd, maar beslag wordt gelegd op een gezamenlijke rekening van de echtgenoten, aangezien de eigen middelen van de schuldenaar niet voldoende geacht worden, moet de echtgeno(o)t(e) van de persoon tegen wie het bevel tot conservatoir beslag wordt uitgevaardigd, de scheiding van goederen aanvragen of zich akkoord verklaren om de schuld te delen; dit gebeurt op verzoek van de echtgeno(o)t(e) tegen wie het bevel wordt uitgevaardigd. Indien het bevel tot conservatoir beslag tegen slechts één van de echtgenoten wordt uitgevaardigd en op een rekening op naam van deze alleen, kan die echtgeno(o)t(e) vragen dat de schuld gedeeld wordt; het conservatoir beslag wordt dan gelegd op de gezamenlijke rekening van de echtgenoten, indien ze deze hebben (artikel 740, lid 1, artikel 741, lid 1, en artikel 742, lid 1, van het CPC).

Indien de rekeninghouder ook de schuldenaar is, maar het tegoed op de rekening vermoedelijk aan een derde toebehoort, kan de derde bezwaar aantekenen (artikel 342, lid 1, van het CPC). Indien blijkt dat de schuldenaar de eigenaar is van tegoeden op een rekening die door een derde wordt aangehouden, kan de derde in beroep gaan of bezwaar opwerpen tegen het bevel tot conservatoir beslag, door feitelijke gegevens of bewijzen aan te leveren die het gerecht niet in aanmerking heeft genomen en die de gronden voor het bevel tot conservatoir beslag kunnen ondermijnen (artikel 372, lid 1, van het CPC). In de eerste situatie zal de derde partij proberen te voorkomen dat de middelen in beslag worden genomen, terwijl dit in de tweede situatie de schuldenaar zal zijn.

Artikel 50, lid 1, onder h) — regels die van toepassing zijn op bedragen die niet voor beslag vatbaar zijn

Overeenkomstig artikel 391, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (CPC) CPC gelden voor conservatoir beslag de bepalingen die van toepassing zijn op beslaglegging, waar nodig met aanpassingen.

Het beslag moet beperkt blijven tot de middelen die nodig zijn om de afdwingbare schuld en de voorzienbare kosten van de tenuitvoerlegging te betalen (artikel 735, lid 3, van het CPC).

Zijn overeenkomstig artikel 738 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering niet vatbaar voor beslag: twee derde van het netto-inkomen, salaris, periodieke bedragen in de vorm van pensioen of andere sociale uitkering, verzekeringen, schadevergoedingen bij ongeval, lijfrente of andere soortgelijke betalingen die in het levensonderhoud van de schuldenaar voorzien. Voor de berekening van het liquide deel van bovenvermelde betalingen, worden alleen wettelijk verplichte bijdragen in aanmerking genomen. Het maximumbedrag dat is vrijgesteld van beslag, is gelijk aan driemaal het nationale minimumloon op het moment van elk beslag; indien de schuldenaar geen ander inkomen heeft, is het vrijgestelde minimumbedrag het equivalent van één nationaal minimumloon.

In het specifieke geval van beslag op bankrekeningen stemt het totale bedrag dat niet vatbaar is voor beslag, overeen met het nationale minimumloon.

Rekening houdend met het bedrag, het type uitstaande schuld, de noden en familiale omstandigheden van de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, kan de rechter op verzoek van deze laatste het bedrag van de inkomsten dat vatbaar is voor beslag, beperken zolang hij dit passend acht (maar niet langer dan één jaar) en zelfs vrijstellen van beslag.

Tot slot zijn overeenkomstig artikel 739 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bankdeposito's vrijgesteld van beslag indien ze voortvloeien uit de betaling van een lening die zelf is vrijgesteld van beslag.

Artikel 50, lid 1, onder i) — de vergoeding die banken in rekening mogen brengen voor de uitvoering van een gelijkwaardig nationaal bevel of voor het verstrekken van rekeninginformatie en welke partij gehouden is deze vergoeding te voldoen

Banken mogen alleen worden vergoed voor de diensten die ze leveren in die gevallen waarin de schuldeiser een handelsonderneming is die het jaar voordien 200 of meer verzoekschriften om bewarende maatregelen heeft ingediend bij een rechtbank, griffie of contactpunt (artikel 780, lid 12, van het CPC).

In uitvoeringsbesluit nr. 202/2011 van 20 mei 2011, zoals laatstelijk gewijzigd, wordt het bedrag, de wijze van betaling en invordering, en de manier waarop deze vergoeding is samengesteld, geregeld.

Deze vergoeding betreft de procedurekosten waarvoor de schuldeiser als enige verantwoordelijk is; ze omvat niet de honoraria en kosten van de tenuitvoerleggingsfunctionaris, noch de kosten van de tenuitvoerlegging, en kan niet gevorderd worden als kosten van de partijen (artikel 1, lid 2, van uitvoeringsbesluit nr. 202/2011 van 20 mei 2011).

Bij beslag op een bankrekening op naam van een persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, is één vijfde (1/5) van een rekeneenheid of 20,40 EUR verschuldigd.

Indien geen beslag kan worden gelegd (wanneer er geen bankrekeningen of banktegoeden zijn op naam van de persoon tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd), is één tiende (1/10) van een rekeneenheid of 10,20 EUR verschuldigd.

Artikel 50, lid 1, onder j) – het tarief van of de regeling betreffende de vergoedingen die worden berekend door de instanties of andere entiteiten welke bij de verwerking of de tenuitvoerlegging van het bevel tot conservatoir beslag zijn betrokken

Informatie over bankrekeningen wordt in Portugal verstrekt door de banken overeenkomstig de in artikel 50, lid 1, onder i) vermelde voorwaarden en bedragen.

Voor de verwerking of de tenuitvoerlegging van het bevel tot conservatoir beslag worden volgende tarieven aangerekend:

  • 25 EUR indien de schuldenaar zijn woonplaats heeft in de lidstaat van oorsprong;
  • 51 EUR indien de schuldenaar zijn woonplaats heeft in een lidstaat die niet de lidstaat van oorsprong is.

Artikel 50, lid 1, onder k) — in voorkomend geval de rangorde van gelijkwaardige nationale bevelen

Niet van toepassing.

Artikel 50, lid 1, onder l) — gerechten of tenuitvoerleggingsinstanties die bevoegd zijn met betrekking tot een rechtsmiddel

Voor een rechtsmiddel tegen een bevel tot conservatoir beslag krachtens artikel 33, lid 1:

  • de rechtbank die het rechtsmiddel mag behandelen en daarover uitspraak mag doen, is de rechtbank die in eerste aanleg het bevel tot conservatoir beslag heeft gegeven.

Voor een rechtsmiddel tegen de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag krachtens artikel 34:

  • de centrale burgerlijke rechtbanken als de waarde van de tenuitvoerlegging hoger is dan 50 000 EUR*
  • de lokale burgerlijke rechtbanken of, als die niet bestaan, de rechtbanken met algemene bevoegdheid als de waarde van de tenuitvoerlegging maximaal 50 000* EUR bedraagt.

* Dit bedrag omvat kapitaal en rente/boetes berekend tot op de datum waarop het bevel tot conservatoir beslag werd uitgevaardigd.

Artikel 50, lid 1, onder m) — gerechten waarbij een hoger beroep moet worden ingesteld en, in voorkomend geval, de termijn voor het instellen van een hoger beroep

Hoger beroep moet worden ingesteld bij de rechtbank die de bestreden beslissing heeft gegeven (artikel 637, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Nadat hoger beroep is ingesteld, wordt dit voor behandeling verwezen naar het hof van beroep (Tribunal da Relação)

Tegen een beslissing kan binnen 15 dagen na de betekening ervan hoger beroep worden ingesteld (artikel 638, lid 1, en artikel 363, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Artikel 50, lid 1, onder n) — gerechtskosten

  • in het kader van een voorlopige maatregel moet de verzoekende partij 306 EUR procedurekosten betalen.
  • in het geval van hoger beroep tegen een beslissing moet de verzoekende partij tussen 306 EUR en 612 EUR procedurekosten betalen.

Overeenkomstig artikel 145, lid 1, van het CPC moeten de procedurekosten aan het begin van de procedure worden betaald.

Tabellen II en III, vermeld in artikel 7, leden 1, 4, 5 en 7, van de verordening inzake procedurekosten (besluitwet nr. 34/2008 van 26 februari 2008) zijn hier beschikbaar: http://data.dre.pt/eli/dec-lei/34/2008/p/cons/20161228/pt/html

Artikel 50, lid 1, onder o) — de talen aanvaard voor de vertaling van stukken

Niet van toepassing.

Laatste update: 13/04/2022

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.