Geringe vorderingen

Kroatië
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 Het bestaan van een specifieke procedure voor geringe vorderingen

In de Republiek Kroatië vallen geringe vorderingen onder de artikelen 457 tot en met 467a van de wet op de burgerlijke rechtsvordering (Zakon o parničnom postupku) (Narodne Novine (NN; Staatsblad van de Republiek Kroatië), nrs. 53/91, 91/92, 112/99, 129/00, 88/01, 117/03, 88/05, 2/07, 84/08, 96/08, 123/08, 57/11, 25/13, 89/14 en 70/19; hierna “ZPP” genoemd), terwijl de Europese procedure voor geringe vorderingen van Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen valt onder de artikelen 507o - 507ž van de ZPP.

1.1 Toepassingsgebied van de procedure, grensbedrag

Bij gemeentelijke rechtbanken (općinski sudovi) ingestelde geringe vorderingen zijn vorderingen tot 10 000 HRK.

Bij handelsrechtbanken (trgovački sudovi) ingestelde geringe vorderingen zijn vorderingen tot 50 000 HRK.

Geringe vorderingen zijn ook vorderingen waarbij de verzoeker niet een bepaald geldbedrag eist maar in het vorderingsformulier heeft aangegeven akkoord te gaan met ontvangst van ten hoogste 10 000 HRK (bij gemeentelijke rechtbanken) of 50 000 HRK (bij handelsrechtbanken) in plaats van toewijzing van de vordering.

Verder vallen onder geringe vorderingen die vorderingen die niet gaan om een geldbedrag maar om de overdracht van roerende goederen waarvan de waarde volgens opgave van de verzoeker in het vorderingsformulier niet hoger is dan 10 000 HRK (bij gemeentelijke rechtbanken) of 50 000 HRK (bij handelsrechtbanken).

Krachtens de huidige regelingen vallen Europese geringe vorderingen onder Verordening (EG) nr. 861/2007 indien de waarde van de vordering op het moment dat het bevoegde gerecht het vorderingsformulier ontvangt, niet meer dan 2 000 EUR bedraagt, exclusief alle rente, kosten en vergoedingen.

1.2 Toepassing van de procedure

Procedures voor geringe vorderingen worden gevoerd voor een lokale of handelsrechtbank overeenkomstig de regels inzake materiële bevoegdheid in de artikelen 34 en 34b ZPP. Procedures voor geringe vorderingen worden ingeleid door een vordering in te stellen bij de bevoegde rechtbank, d.w.z. door een verzoek tot tenuitvoerlegging in te dienen op basis van een authentieke akte bij een notaris als tijdig een ontvankelijk bezwaarschrift tegen een executoriale titel is ingediend.

1.3 Formulieren

Formulieren, andere vorderingen of verklaringen worden schriftelijk, per fax of per e-mail ingediend en alleen gebruikt voor Europese procedures voor geringe vorderingen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 861/2007.

Er zijn geen andere methoden vastgesteld om een rechtsvordering in een procedure voor geringe vorderingen in te stellen.

1.4 Rechtsbijstand

De ZPP bevat geen specifieke bepalingen over rechtsbijstand in procedures voor geringe vorderingen. Een eiser mag zich tijdens een procedure voor geringe vorderingen door een advocaat laten vertegenwoordigen.

Als is voldaan aan de vereisten van de wet op de gratis rechtsbijstand (Zakon o besplatnoj pravnoj pomoći) (NN nrs. 143/13 en 98/19), hebben de partijen recht op gratis rechtsbijstand.

Informatie over de regeling voor gratis rechtsbijstand is te vinden op de volgende website.

1.5 Regels betreffende het bewijs

In procedures voor geringe vorderingen moeten de partijen alle feiten waarop zij hun vordering of verweer baseren, uiterlijk presenteren bij indiening van het vorderingsformulier of verweerschrift, samen met alle ondersteunende bewijzen.

In procedures voor geringe vorderingen in verband met een bezwaarschrift tegen een betalingsbevel moet de verzoeker alle door hem aangevoerde feiten en ondersteunende bewijzen uiterlijk presenteren bij indiening van zijn verzoek aan de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de beslissing tot intrekking van het betalingsbevel.

In procedures voor geringe vorderingen in verband met een bezwaarschrift tegen een betalingsbevel moet de verweerder alle door hem aangevoerde feiten en ondersteunende bewijzen uiterlijk presenteren binnen twee weken na ontvangst van de informatie van de verzoeker waarin deze alle door hem aangevoerde feiten en bewijzen ter staving van zijn vordering presenteert.

De partijen mogen op een voorbereidende zitting alleen nieuwe feiten of nieuwe bewijzen presenteren respectievelijk overleggen als zij dat buiten hun schuld niet konden doen in het vorderingsformulier respectievelijk verweerschrift of bij de indiening overeenkomstig voornoemde bepalingen waarin zij een beschrijving hebben gegeven van alle aangevoerde feiten en ondersteunende bewijzen.

De rechter houdt geen rekening met nieuwe feiten en bewijzen die de partijen tijdens de voorbereidende zitting hebben gepresenteerd respectievelijk overgelegd in strijd met de hiervoor beschreven bepalingen.

De algemene bepalingen van de ZPP zijn van toepassing op de bewijsverkrijging. Bewijzen in procedures voor geringe vorderingen kunnen derhalve bestaan uit inspecties, documenten, getuigenverklaringen, door een rechtbank gelaste deskundigenverslagen en door de partijen afgelegde verklaringen, en de rechter beslist aan de hand van welk van de overgelegde bewijzen de feiten van de zaak worden vastgesteld.

Nadere informatie over bewijs en bewijsverkrijging is te vinden in het informatiepakket “Bewijsverkrijging - Republiek Kroatië” (Izvođenje dokaza – Republika Hrvatska).

1.6 Schriftelijke procedure

Procedures voor geringe vorderingen worden schriftelijk gevoerd.

In procedures voor geringe vorderingen wordt de vordering altijd aan de verweerder betekend om hem in staat te stellen opmerkingen in te dienen. In de dagvaarding stelt het gerecht de partijen ervan in kennis dat een verzoeker wordt geacht de vordering te hebben ingetrokken als hij niet aanwezig is op de voorbereidende zitting; dat tijdens de voorbereidende zitting geen nieuwe feiten of bewijsstukken mogen worden gepresenteerd respectievelijk overgelegd, behalve in de gevallen genoemd in artikel 461a, lid 6, ZPP (indien de partijen buiten hun schuld werden verhinderd om feiten te presenteren of bewijsstukken over te leggen in het vorderingsformulier of verweerschrift of bij de indiening overeenkomstig artikel 461a, leden 3 en 4, ZPP); dat het de prejudiciële procedure zal afronden en dat de hoofdzitting plaatsvindt tijdens de voorbereidende zitting, behalve als dat vanwege de omstandigheden van het geval niet mogelijk is, zoals is bedoeld in artikel 461a, lid 6, ZPP; en dat tegen deze beslissing slechts beroep kan worden ingesteld op grond van onjuiste toepassing van het materiële recht en ernstige schendingen van de bepalingen over burgerlijke rechtsvordering als bedoeld in artikel 354, lid 2, behalve punt 3, ZPP, waarvan in de volgende gevallen sprake is:

• punt 1 – bij het wijzen van een vonnis is een rechter betrokken die had moeten worden uitgesloten op grond van de wet (artikel 71, lid 1, punten 1 tot en met 6, ZPP) of die is uitgesloten op grond van een rechterlijke beslissing, of is iemand betrokken die geen rechter is;

• punt 2 – er is een beslissing genomen over een vordering in een geschil dat niet onder de bevoegdheid van de rechter valt (artikel 16 ZPP);

• punt 4 – de rechter heeft in strijd met de ZPP zijn beslissing gebaseerd op niet‑ontvankelijke maatregelen die de partijen hebben genomen in verband met vorderingen (artikel 3, lid 3, ZPP);

• punt 5 – de rechter heeft in strijd met de ZPP een vonnis op basis van de erkenning van een vordering, een vonnis op basis van de afstand van een vordering, een verstekvonnis of een vonnis zonder voorafgaand proces gewezen;

• punt 6 – een partij heeft wegens onrechtmatig optreden, met name het nalaten van de betekening, niet de mogelijkheid gehad door de rechter te worden gehoord;

• punt 7 – de rechter heeft in strijd met de ZPP geen gehoor gegeven aan het verzoek van een partij om haar taal of schrift in de procedure te gebruiken en het verloop van de procedure in haar eigen taal te volgen, en de partij heeft daartegen beroep aangetekend;

• punt 8 – een persoon die geen partij bij de procedure mag zijn, heeft er als verzoeker of verweerder aan deelgenomen, of een rechtspersoon is niet door een gemachtigde persoon vertegenwoordigd, of een onbekwame partij is niet door een wettelijke vertegenwoordiger vertegenwoordigd, of de wettelijke vertegenwoordiger of advocaat beschikte niet over de vereiste machtiging om te procederen of bepaalde procedurele handelingen te verrichten, of er is later geen toestemming verleend voor bepaalde procedurele handelingen;

• punt 9 – er is een beslissing genomen over een vordering waarover al een rechtszaak aanhangig was of waarover al een rechtsgeldig vonnis was gewezen, of er is al een gerechtelijke schikking getroffen of een schikking die krachtens speciale regelgeving de kenmerken van een gerechtelijke schikking heeft;

• punt 10 – het publiek is onrechtmatig uitgesloten van de hoofdzitting;

• punt 11 – het vonnis vertoont zodanige gebreken dat het niet kan worden onderzocht, met name als het dictum van het vonnis onbegrijpelijk is, als het dictum innerlijk tegenstrijdig of in tegenspraak met de motivering van het vonnis is, of als het vonnis geen motivering voor de belangrijkste feiten bevat, of als de motivering van de beslissing over de inhoud van de stukken of de notulen van de verklaringen die in de loop van de procedure zijn afgelegd, in strijd met de feitelijke inhoud van die stukken of notulen;

• punt 12 – het vonnis is hoger dan de vordering;

• punt 13 – er is uitspraak gedaan over een vordering die niet tijdig is ingediend, hetgeen betekent dat de vordering als niet-ontvankelijk had moeten worden afgewezen (artikel 282, lid 1, ZPP);

• punt 14 – de wettelijke procedure voor bemiddeling of andere alternatieve schikking is niet uitgevoerd voordat de vordering is ingesteld, hetgeen betekent dat de vordering had moeten worden afgewezen.

Indien de partij tijdelijk of permanent buiten Kroatië verblijft en haar adres bekend is, worden gerechtelijke stukken betekend overeenkomstig de voor Kroatië bindende internationale regels en overeenkomstig de EU-wetgeving, met name de in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 861/2007 genoemde procedure.

1.7 Inhoud van het vonnis

Aangezien er geen bijzondere bepalingen zijn over de inhoud van het vonnis in procedures voor geringe vorderingen, zijn de algemene bepalingen van de ZPP van toepassing, namelijk artikel 338 ZPP, waarin is bepaald dat een schriftelijke versie van het vonnis een formele inleiding, een dictum en een uiteenzetting van de gronden (motivering) moet bevatten.

De inleiding van het vonnis bevat het volgende: een vermelding dat het vonnis wordt gewezen namens Kroatië; de naam van de rechtbank; de naam en voornaam van de alleensprekende of voorzittende rechter, de rechter-rapporteur en de leden van de rechterlijke kamer, de voornaam en naam of titel, het persoonlijke identificatienummer, en de woonplaats of maatschappelijke zetel van de partijen, hun wettelijke vertegenwoordigers en agenten; een korte vermelding van het onderwerp van het geschil; de datum waarop de hoofdzitting is afgesloten; een vermelding van de partijen, hun wettelijke vertegenwoordigers en agenten die de hoofdzitting hebben bijgewoond; en de datum waarop het vonnis is gewezen.

Het dictum van het vonnis bevat de beslissing van de rechter over de toewijzing of afwijzing van de specifieke vorderingen ten gronde en secundaire vorderingen, alsook een beslissing over het al dan niet bestaan van de ter voldoening voorgelegde vordering (artikel 333 ZPP).

In de motivering schetst de rechter de verklaringen van de partijen, de door hen gepresenteerde feiten en het bewijs waarop die verklaringen zijn gebaseerd. Verder geeft de rechter aan welke van die feiten hij beoogde vast te stellen, waarom en hoe hij die feiten heeft vastgesteld, en, indien hij die feiten in het kader van een bewijsvoering heeft vastgesteld, welke bewijsstukken er zijn overgelegd en waarom en hoe deze zijn beoordeeld. De rechter vermeldt specifiek welke bepalingen van materieel recht er zijn toegepast in de uitspraak over de verklaringen van de partijen en geeft zo nodig zijn oordeel over de standpunten van de partijen betreffende de rechtsgronden van het geschil en over eventuele moties of bezwaren waarvoor hij geen motivering heeft gegeven in de beslissingen die hij in de loop van het geding heeft genomen.

In de motivering van een verstekvonnis, een vonnis op grond van de erkenning van een vordering of een vonnis op grond van de afstand van een vordering worden slechts de gronden voor het wijzen van dergelijke vonnissen vermeld.

1.8 Vergoeding van de kosten

Een beslissing over de vergoeding van de kosten voor procedures voor geringe vorderingen wordt genomen op grond van de algemene bepalingen van de ZPP; de partij die een zaak volledig verliest, is verplicht de kosten van de tegenpartij en haar interveniënt te vergoeden.

Indien de partijen gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld in de zaak, bepaalt de rechter eerst het succespercentage van elk van hen en trekt vervolgens het percentage van de minder succesvolle partij af van dat van de andere partij, waarna hij het bedrag aan specifieke en totale kosten van de partij met het hoogste succespercentage vaststelt indien dat nodig is voor een juiste uitvoering van de procedure. Daarna vergoedt hij aan die partij het deel van de totale kosten die overeenkomen met het resterende percentage na overweging van de respectieve succespercentages van de partijen in de zaak. De mate van succes in de zaak wordt beoordeeld op grond van de toegewezen vorderingen, met inachtneming van de mate waarin de vorderingen met succes worden gestaafd met bewijzen.

Ongeacht het voorgaande kan de rechter elke partij veroordelen tot vergoeding van specifieke kosten aan de andere partij op grond van artikel 156, lid 1, ZPP, waarin is bepaald dat een partij, ongeacht de uitkomst van de zaak, alle kosten van de tegenpartij moet vergoeden die het gevolg zijn van haar eigen schuld of van gebeurtenissen die haar zijn overkomen

Als de partijen ongeveer dezelfde mate van succes in de zaak boeken, kan de rechter beslissen dat elke partij haar eigen kosten draagt of dat de ene partij aan de andere partij alleen specifieke kosten vergoedt uit hoofde van artikel 156, lid 1, ZPP.

De rechter kan beslissen dat één partij alle door de tegenpartij en haar interveniënt gemaakte kosten moet betalen indien de tegenpartij voor slechts een relatief klein deel van haar vordering in het ongelijk is gesteld en er voor dat deel geen afzonderlijke kosten zijn gemaakt.

Ongeacht de uitkomst van de zaak is een partij evenwel verplicht om alle kosten van de tegenpartij te vergoeden die het gevolg zijn van haar eigen schuld of van gebeurtenissen die haar zijn overkomen.

1.9 Mogelijkheid van hoger beroep

Beroepen zijn onderworpen aan de algemene bepalingen van de ZPP. Op grond van die bepalingen kunnen de partijen in procedures voor geringe vorderingen binnen twee weken na de datum van betekening beroep aantekenen tegen het vonnis of de beslissing in eerste aanleg.

Aanvechting van het vonnis of de beslissing waarmee de procedure voor geringe vorderingen wordt beëindigd, is alleen mogelijk op grond van onjuiste toepassing van het materiële recht of ernstige schendingen van de bepalingen over burgerlijke rechtsvordering als bedoeld in artikel 354, lid 2, ZPP, behalve de schending genoemd in artikel 354, lid 2, punt 3, ZPP.

Laatste update: 21/06/2022

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.