Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Portugal
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 Wat zijn de voorwaarden voor een echtscheiding?

In Portugal kan de echtscheiding worden verkregen met wederzijdse instemming of zonder instemming van een van de echtgenoten (artikel 1773, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

Bij de eerste methode zijn beide echtgenoten het eens met de ontbinding van het huwelijk en, in beginsel, met de betaling van onderhoudsbijdragen aan de behoeftige echtgeno(o)t(e), de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid over minderjarige kinderen, en met wat er met de gezinswoning en eventuele huisdieren moet worden gedaan (artikel 1775, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

De echtscheiding zonder instemming van een van de echtgenoten, wordt bij het gerecht ingeleid door een verzoekschrift van een van beide echtgenoten, op basis van rechtsgeldig vastgestelde feiten die, ongeacht de schuldvraag, bewijzen dat het huwelijk duurzaam ontwricht is (artikel 1773, lid 3, en artikel 1781 van het burgerlijk wetboek).

2 Welke echtscheidingsgronden bestaan er?

In het geval van echtscheiding met wederzijdse instemming hoeven de echtgenoten geen reden op te geven voor hun echtscheidingsverzoek.

Gronden voor echtscheiding zonder instemming van een van de echtgenoten zijn (artikel 1781 van het burgerlijk wetboek):

  1. feitelijke scheiding, hetgeen het geval is als de echtgenoten al één ononderbroken jaar van tafel en bed gescheiden leven; er wordt aangenomen dat er sprake is van feitelijke scheiding in die gevallen waar er geen gezamenlijk leven meer is tussen de echtgenoten en één of beide van hen dit ook niet wil herstellen (artikel 1782 van het burgerlijk wetboek);
  2. een verandering in de geestelijke vermogens van de andere echtgeno(o)t(e) die al meer dan een jaar duurt en die, vanwege de ernst ervan, de mogelijkheid van een gezamenlijk leven in het gedrang brengt;
  3. afwezigheid, zonder teken van leven van de afwezige, gedurende een periode van ten minste één jaar;
  4. andere feiten die, ongeacht de schuldvraag, bewijzen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

3 Wat zijn de juridische gevolgen van een echtscheiding als het gaat om:

3.1 de persoonlijke relatie tussen de echtgenoten (bijvoorbeeld de achternaam)?

Echtscheiding leidt tot ontbinding van het huwelijk en heeft dezelfde rechtsgevolgen als ontbinding door overlijden, afgezien van de bij wet vastgestelde uitzonderingen (artikel 1788 van het burgerlijk wetboek).

De gevolgen van de echtscheiding gaan in op het moment dat de desbetreffende beslissing kracht van gewijsde krijgt. Wat het vermogensregime tussen de echtgenoten betreft, gelden die gevolgen echter met terugwerkende kracht tot de datum waarop de procedure werd ingeleid (artikel 1789, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

Indien er in de loop van de procedure wordt vastgesteld dat de echtgenoten feitelijk gescheiden zijn, kan er worden gevraagd dat de gevolgen van de echtscheiding zouden gelden met terugwerkende kracht tot de datum waarop de feitelijke scheiding aanving, zoals vastgesteld in de uitspraak (artikel 1789, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

Ondanks de echtscheiding mag een echtgeno(o)t(e) die de achternaam van de andere echtgeno(o)t(e) heeft aangenomen deze blijven voeren, op voorwaarde dat de andere echtgeno(o)t(e) daarmee instemt of het gerecht daarvoor toestemming geeft, rekening houdend met de opgegeven redenen. De instemming van de voormalige echtgeno(o)t(e) kan worden gegeven via een notariële akte, een document dat bij een gerecht wordt opgesteld (een tijdens de procedure opgesteld proces-verbaal van de intentieverklaring van de partij) of een verklaring ten overstaan van een ambtenaar van de burgerlijke stand. Het verzoek tot gerechtelijke toestemming voor het gebruik van de achternaam van de voormalige echtgeno(o)t(e) kan worden ingediend in het kader van de echtscheidingsprocedure of via een aparte procedure, zelfs nadat de echtscheiding is uitgesproken (artikel 1677 ter van het burgerlijk wetboek).

3.2 de verdeling van het vermogen van de echtgenoten?

In het geval van echtscheiding mag geen van beide echtgenoten meer ontvangen dan hij of zij ontvangen zou hebben als het huwelijk was aangegaan onder het regime van de gemeenschap van goederen (artikel 1790 van het burgerlijk wetboek).

Elke echtgeno(o)t(e) verliest het recht op alle van de andere echtgeno(o)t(e) of een derde (te) ontvangen voordelen of uitkeringen uit hoofde van het huwelijk of vanwege de huwelijkse staat, ongeacht of die overeenkomst dateert van vóór of na de huwelijkssluiting. De schenker mag bepalen dat het voordeel of de uitkering ten goede moet komen aan de kinderen uit het huwelijk (artikel 1791 van het burgerlijk wetboek).

De gevolgen van de echtscheiding gaan in op het moment dat de desbetreffende beslissing kracht van gewijsde krijgt. Wat het vermogensregime tussen de echtgenoten betreft, gelden die gevolgen echter met terugwerkende kracht tot de datum waarop de procedure werd ingeleid (artikel 1789, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

Indien er in de loop van de procedure wordt vastgesteld dat de echtgenoten feitelijk gescheiden zijn, kan er worden gevraagd dat de gevolgen van de echtscheiding zouden gelden met terugwerkende kracht tot de datum waarop de feitelijke scheiding aanving, zoals vastgesteld in de uitspraak (artikel 1789, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

Het gerecht kan de gezinswoning op verzoek van (een van) de echtgenoten aan een van hen verhuren, ongeacht of deze woning gemeenschappelijk bezit is, of eigendom is van de andere echtgeno(o)t(e), waarbij met name rekening moet worden gehouden met de behoeften van beide echtgenoten en de belangen van de kinderen uit het huwelijk. Voor deze verhuur gelden de regels voor het verhuren van woonruimte, maar het gerecht mag de voorwaarden van de overeenkomst bepalen, na beide echtgenoten te hebben gehoord, en mag op verzoek van verhuurder de verhuur beëindigen wanneer omstandigheden die zich later voordoen zulks rechtvaardigen. De desbetreffende regelingen, ongeacht of deze op basis van bekrachtiging van de overeenkomst tussen de echtgenoten of bij gerechtelijke beslissing zijn vastgesteld, kunnen worden aangepast conform de algemene voorwaarden van vrijwillige rechtspraak (artikel 1793 van het burgerlijk wetboek).

3.3 de minderjarige kinderen uit het huwelijk?

In het geval van echtscheiding, scheiding van tafel en bed, ongeldig- of nietigverklaring van het huwelijk, geldt voor de regelingen betreffende de kinderen, de te betalen onderhoudsbijdragen en de betaalmethoden voor de onderhoudsbijdragen een overeenkomst tussen de ouders, indien deze is bekrachtigd door het gerecht (of de ambtenaar van de burgerlijke stand in procedures tot scheiding van tafel en bed en tot echtscheiding met wederzijdse instemming) (artikel 1905, lid 1, en artikel 1776 bis van het burgerlijk wetboek).

De procedure voor de regeling van de ouderlijke verantwoordelijkheid bij de burgerlijke stand is vastgesteld in de artikelen 274 bis, 274 ter en 274 quater van het wetboek betreffende de burgerlijke stand.

Bij gebreke van een dergelijke overeenkomst neemt het gerecht een beslissing die aansluit bij de belangen van de minderjarige, waaronder het onderhouden van een nauwe band met beide ouders, het stimuleren en goedkeuren van schikkingen of het nemen van beslissingen die voldoende mogelijkheden tot contact voor beide ouders en het delen van de verantwoordelijkheid tussen beide ouders aanmoedigen. Het gezag over het kind kan worden toegewezen aan een van beide ouders, een derde of een heropvoedings- of zorginstelling (artikel 1906, lid 8, van het burgerlijk wetboek).

Zie voor verdere informatie het informatieblad over“ Ouderlijke verantwoordelijkheid.

3.4 de verplichting om alimentatie te betalen aan de andere echtgenoot?

Elke echtgeno(o)t(e) moet na een echtscheiding voorzien in het eigen levensonderhoud. Elke echtgeno(o)t(e) heeft recht op een onderhoudsbijdrage, ongeacht het type echtscheiding. Om kennelijke redenen van billijkheid, kan het recht op een onderhoudsbijdrage worden geweigerd (artikel 2016, leden 1, 2 en 3, van het burgerlijk wetboek).

Bij het vaststellen van het bedrag aan levensonderhoud moet het gerecht rekening houden met de duur van het huwelijk, de bijdrage die is geleverd aan de financiën van het gezin, de leeftijd en gezondheid van de echtgenoten, hun beroepskwalificaties en arbeidsmogelijkheden, de tijd die ze wellicht zullen besteden aan de opvoeding van de gezamenlijke kinderen, hun inkomsten en middelen en, in het algemeen, alle omstandigheden die van invloed zijn op de behoeften van de echtgeno(o)t(e) die de bijdrage in het levensonderhoud ontvangt en de mogelijkheden van de echtgeno(o)t(e) die deze betaalt (artikel 2016 bis, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

Het gerecht moet de onderhoudsverplichtingen met betrekking tot een kind van de onderhoudsplichtige echtgeno(o)t(e) laten voorgaan op de verplichting aan de voormalige echtgeno(o)t(e) als gevolg van de echtscheiding (artikel 2016 bis, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

De eisende echtgeno(o)t(e) heeft niet het recht te verlangen dat de levensstandaard van tijdens het huwelijk in stand wordt gehouden (artikel 2016 bis, lid 3, van het burgerlijk wetboek).

Zie voor verdere informatie het informatieblad over “Alimentatie.

4 Wat betekent "scheiding van tafel en bed” in de praktijk?

Door scheiding van tafel en bed wordt het huwelijk niet ontbonden, maar vervallen de plichten tot samenwonen en ondersteuning, onder voorbehoud echter van het recht op onderhoudsbijdragen. Wat het vermogensregime betreft, heeft de scheiding van tafel en bed dezelfde gevolgen als de ontbinding van het huwelijk (artikel 1795 bis van het burgerlijk wetboek).

Scheiding van tafel en bed eindigt met de verzoening tussen de echtgenoten of met de ontbinding van het huwelijk (artikel 1795 ter van het burgerlijk wetboek).

5 Wat zijn de gronden voor een “scheiding van tafel en bed”?

De gronden voor de scheiding van tafel en bed, zonder instemming van de andere echtgeno(o)t(e) of met wederzijdse instemming, zijn mutatis mutandis dezelfde als die bij een echtscheiding (artikel 1794 van het burgerlijk wetboek).

6 Wat zijn de juridische gevolgen van een “scheiding van tafel en bed”?

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 vervalt door de scheiding van tafel en bed de plicht tot samenwonen en ondersteuning, onverminderd echter het recht op onderhoudsbijdragen. Wat het vermogensregime betreft, heeft de scheiding van tafel en bed dezelfde gevolgen als de ontbinding van het huwelijk (artikel 1795 bis van het burgerlijk wetboek).

De bepalingen over echtscheiding zijn mutatis mutandis van toepassing op de scheiding van tafel en bed (artikel 1794 van het burgerlijk wetboek).

Scheiding van tafel en bed kan in een echtscheiding worden omgezet, maar dit is geen voorwaarde voor echtscheiding en het is ook geen verplichte fase in een echtscheidingsprocedure. Als de echtgenoten zich niet verzoenen binnen één jaar na het in kracht van gewijsde gaan van de beslissing waarin de scheiding van tafel en bed is uitgesproken (zonder instemming van de andere echtgeno(o)t(e) of met wederzijdse instemming), kan elk van de echtgenoten verzoeken dat de scheiding van tafel en bed wordt omgezet in een echtscheiding. Indien beide echtgenoten dit verzoekschrift samen indienen, hoeft de voornoemde termijn niet te zijn verstreken en wordt er onmiddellijk uitspraak gedaan (artikel 1795 quinquies, leden 1 en 2, van het burgerlijk wetboek).

Indien een van beide echtgenoten het verzoek tot omzetting heeft gedaan, wordt de andere hiervan persoonlijk of via de betrokken wettelijke vertegenwoordiger op de hoogte gesteld en gewezen op de mogelijkheid om binnen een termijn van 15 dagen verzet aan te tekenen - waarbij verzoening tussen de echtgenoten de enige toegestane verzetsgrond is (artikel 993, leden 3 en 4, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Na overlegging van het bewijsmateriaal doet de rechter binnen 15 dagen uitspraak over het verzet (artikel 986, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De omzetting van de scheiding van tafel en bed in een echtscheiding kan ook worden aangevraagd bij een bureau van de burgerlijke stand (Conservatória do Registo Civil) (artikel 5, lid 1, punt e), en artikel 6 van wetsbesluit nr. 272/2001 van 13 oktober 2001 - Procedures die onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de burgerlijke stand vallen). Het verzoek moet, vergezeld van de feitelijke en wettelijke motivering, worden ingediend bij het bureau van de burgerlijke stand en daarbij moet worden aangegeven welke bewijzen er zijn en moet er schriftelijk bewijs worden bijgevoegd (artikel 7, lid 1, van wetsbesluit nr. 272/2001 van 13 oktober 2001 - Procedures die onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de burgerlijke stand vallen).

De verweerder wordt opgeroepen om binnen 15 dagen eventueel verzet aan te tekenen, bewijs te leveren en schriftelijk bewijs bij te voegen (artikel 7, lid 2, van wetsbesluit nr. 272/2001 van 13 oktober 2001 - Procedures die onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de burgerlijke stand vallen).

Als er geen verzet wordt aangetekend en de door de verzoeker aangegeven feiten als vaststaand worden beschouwd, willigt de ambtenaar van de burgerlijke stand, na te hebben gecontroleerd of aan de wettelijke eisen is voldaan, het verzoek in (artikel 7, lid 3, van wetsbesluit nr. 272/2001 van 13 oktober 2001 - Procedures die onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de burgerlijke stand vallen).

Indien de verweerder verzet aantekent, organiseert de ambtenaar van de burgerlijke stand een poging tot verzoening, die binnen 15 dagen moet plaatsvinden, en kan hij of zij rechtshandelingen gelasten alsmede de overlegging van bewijs dat nodig is om te controleren of voldaan is aan de wettelijke eisen (artikel 7, leden 4 en 5, van wetsbesluit nr. 272/2001 van 13 oktober 2001 - Procedures die onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de burgerlijke stand vallen).

Indien de verweerder verzet heeft aangetekend en het onmogelijk blijkt om tot een overeenkomst te komen, worden de partijen erop gewezen dat ze mogen pleiten en wordt hun gevraagd om binnen acht dagen nieuw bewijs aan te voeren. De zaak wordt vervolgens naar het gerecht van eerste aanleg verwezen dat bevoegd is voor de zaak binnen het gebied waar het bureau van de burgerlijke stand is gevestigd (artikel 8 van wetsbesluit nr. 272/2001 van 13 oktober 2001 - Procedures die onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de burgerlijke stand vallen).

Zodra de zaak naar het gerecht is verwezen, gelast de rechter het leveren van bewijs en stelt hij of zij een datum voor de terechtzitting vast (artikel 9 van wetsbesluit nr. 272/2001 van 13 oktober 2001 - Procedures die onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de burgerlijke stand vallen).

7 Wat betekent “nietigverklaring van het huwelijk" in het huwelijk in de praktijk?

“Nietigverklaring van het huwelijk” betekent het beëindigen van de rechtsgevolgen van het huwelijk vanwege het feit dat het huwelijk een ernstig gebrek vertoont.

8 Wat zijn de gronden voor nietigverklaring van het huwelijk?

Een huwelijk dat onder de een van volgende omstandigheden is aangegaan, kan worden nietig verklaard (artikel 1631 van het burgerlijk wetboek):

  1. als er een (absoluut of relatief) beletsel is dat de geldigheid van het huwelijk aantast;
  2. bij het ontbreken van instemming of bij instemming die ongeldig is vanwege een dwaling of dwang bij een van beide echtgenoten;
  3. als er geen getuigen aanwezig waren terwijl deze aanwezigheid bij wet wel vereist was.

De volgende beletsels maken een huwelijk absoluut ongeldig en maken een huwelijk tussen de betrokken persoon en een andere persoon onmogelijk (artikel 1601 van het burgerlijk wetboek):

  1. jonger zijn dan zestien;
  2. aangetoonde dementie, zelfs tijdens heldere perioden, en een handelingsonbevoegdheid of -onbekwaamheid vanwege een geestelijke stoornis;
  3. een eerder, niet-ontbonden katholiek of burgerlijk huwelijk, zelfs als dit niet is ingeschreven in het register van de burgerlijke stand.

De volgende beletsels maken een huwelijk relatief ongeldig en maken een huwelijk tussen de betrokken personen onmogelijk (artikel 1602 van het burgerlijk wetboek):

  1. bloedverwantschap in de rechte lijn;
  2. voorheen ouderlijke verantwoordelijkheid hebben uitgeoefend;
  3. bloedverwantschap in de tweede graad van de zijlijn;
  4. aanverwantschap in de rechte lijn;
  5. als een van beide echtgenoten ooit is veroordeeld als dader of medeplichtige van of bij een al dan niet geslaagde poging de echtgeno(o)t(e) van de andere echtgeno(o)t(e) te vermoorden.

Het huwelijk kan nietig worden verklaard vanwege het ontbreken van instemming (artikel 1635 van het burgerlijk wetboek):

  1. indien, op het moment van de huwelijkssluiting, een van de partijen zich vanwege een onbekwaamheid als gevolg van een ongeluk of vanwege andere oorzaken niet bewust was van zijn of haar daden;
  2. indien een van de partijen misleid was wat betreft de fysieke identiteit van de andere partij;
  3. indien de verklaring van instemming onder fysieke dwang is verkregen;
  4. indien het huwelijk gesimuleerd is.

Het gebrek dat de instemming ongeldig maakt, is alleen relevant in het kader van nietigverklaring wanneer het is gebaseerd op essentiële persoonlijke kenmerken van de andere echtgeno(o)t(e) en verschoonbaar is, en wanneer er wordt bewezen dat het huwelijk anders redelijkerwijs niet zou zijn gesloten (artikel 1636 van het burgerlijk wetboek).

Huwelijken die onder morele dwang zijn gesloten, kunnen nietig worden verklaard indien een van de partijen in ernstige mate en op onwettige wijze werd bedreigd en de vrees dat het dreigement ten uitvoer zal worden gebracht, gerechtvaardigd is (artikel 1638, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

Indien iemand willens en wetens en op onwettige wijze een verklaring van instemming afdwingt van de andere partij met de belofte deze andere partij te vrijwaren of te bevrijden van onvoorzienbaar letsel of van letsel dat door anderen wordt toegediend, wordt dit als gelijkwaardig aan onwettige bedreiging beschouwd (artikel 1638, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

De verklaring van instemming, tijdens de huwelijkssluiting, schept niet alleen het vermoeden dat de echtgenoten in het huwelijk willen treden, maar ook dat hun instemming niet ongeldig is vanwege een dwaling of dwang (artikel 1634 van het burgerlijk wetboek).

9 Wat zijn de juridische gevolgen van de nietigverklaring van het huwelijk?

De nietigverklaring van een burgerlijk huwelijk dat door beide echtgenoten te goeder trouw is aangegaan, is geldig jegens deze partijen en derden zodra de desbetreffende beslissing kracht van gewijsde krijgt (artikel 1647, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

Indien slechts een van beide echtgenoten te goeder trouw in het huwelijk is getreden, kan alleen die echtgeno(o)t(e) zich beroepen op de voordelen van de huwelijkse status en deze aanvoeren als verweer tegen andere partijen, mits deze voordelen eenvoudigweg een afspiegeling zijn van de relatie tussen de echtgenoten (artikel 1647, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

De echtgeno(o)t(e) die in het huwelijk is getreden en niet op de hoogte was noch had kunnen zijn van het gebrek dat tot ongeldigheid of nietigverklaring leidt, of die onder fysieke of morele dwang heeft verklaard met het huwelijk in te stemmen, wordt geacht het huwelijk te goeder trouw te hebben gesloten (artikel 1648, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

Alleen staatsgerechten zijn bevoegd om zich juridisch uit te spreken over de goede trouw. Er wordt vermoed dat de echtgenoten te goeder trouw zijn (artikel 1648, leden 2 en 3, van het burgerlijk wetboek).

Zodra het huwelijk ongeldig of nietig is verklaard, behoudt de echtgeno(o)t(e) die te goeder trouw was het recht op een onderhoudsbijdrage nadat de betrokken beslissing kracht van gewijsde krijgt of de beslissing is geregistreerd (artikel 2017 van het burgerlijk wetboek).

10 Bestaan er alternatieve mogelijkheden om problemen die samenhangen met een echtscheiding op te lossen, zonder dat de rechter wordt ingeschakeld?

Alvorens de echtscheidingsprocedure te starten, moet het bureau van de burgerlijke stand of het gerecht de echtgenoten op de hoogte stellen van het bestaan en de doelstellingen van gezinsbemiddeling (artikel 1774 van het burgerlijk wetboek en artikel 14, lid 3, van wetsbesluit nr. 272/2001 van 13 oktober 2001 - Procedures die onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de burgerlijke stand vallen).

Gezinsbemiddeling is een buitengerechtelijke methode om conflicten op te lossen die zich binnen gezinsrelaties voordoen. Hierbij trachten de partijen, door persoonlijke en directe betrokkenheid en geholpen door de bemiddelaar, tot een akkoord te komen.

Met behulp van dit alternatieve middel voor geschillenbeslechting kunnen conflicten worden opgelost met betrekking tot de vaststelling, de herziening en de niet-naleving van de regelingen inzake de uitoefening van ouderlijke verantwoordelijkheid, echtscheiding en scheiding van tafel en bed, omzetting van scheiding van tafel en bed in echtscheiding, verzoening van gescheiden echtgenoten, toewijzing en aanpassing van een voorlopige of definitieve onderhoudsbijdrage, toewijzing van de gezinswoning, ontzegging van het recht om de achternaam van de andere echtgeno(o)t(e) te gebruiken en toestemming voor het gebruik van de achternaam van de voormalige echtgeno(o)t(e) (artikel 4 van wetgevingsbesluit nr. 13/2018 van 9 november 2018 houdende regeling van de werkzaamheden in het kader van het bij besluit nr. 18 778/2007 van 22 augustus 2007 ingevoerde stelsel voor gezinsbemiddeling en houdende goedkeuring van het reglement inzake de procedures voor de selectie van bemiddelaars voor het verlenen van bemiddelingsdiensten binnen het stelsel voor gezinsbemiddeling).

De gezinsbemiddelaar is een door het ministerie van Justitie erkende beroepsbeoefenaar. De gezinsmediator is verantwoordelijk voor het op onafhankelijke en onpartijdige wijze houden van bijeenkomsten om de partijen te helpen gezamenlijk tot een akkoord te komen (artikel 7 van wetgevingsbesluit nr. 13/2018 van 9 november 2018 houdende regeling van de werkzaamheden in het kader van het bij besluit nr. 18 778/2007 van 22 augustus 2007 ingevoerde stelsel voor gezinsbemiddeling en houdende goedkeuring van het reglement inzake de procedures voor de selectie van bemiddelaars voor het verlenen van bemiddelingsdiensten binnen het stelsel voor gezinsbemiddeling).

Een verzoek tot echtscheiding met wederzijdse instemming kan worden ingediend bij het bureau van de burgerlijke stand, met uitzondering van situaties die voortvloeien uit een overeenkomst in het kader van een echtscheidingsprocedure zonder wederzijdse instemming (artikel 1779 van het burgerlijk wetboek) en op voorwaarde dat het verzoekschrift tot echtscheiding met wederzijdse instemming vergezeld gaat van een gedetailleerde opgave van de gemeenschappelijke bezittingen van het echtpaar, een overeenkomst over wat te doen met de gezinswoning, een overeenkomst over het betalen van een onderhoudsbijdrage aan de behoeftige echtgeno(o)t(e) en een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de gerechtelijke beslissing over de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid of een overeenkomst over de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid met betrekking tot minderjarige kinderen, indien hierover niet eerder een gerechtelijke beslissing is genomen (artikel 272, lid 1, van het wetboek betreffende de burgerlijke stand).

11 Waar moet het verzoek tot echtscheiding/scheiding van tafel en bed/nietigverklaring van het huwelijk worden ingediend? Aan welke formaliteiten moet worden voldaan en welke documenten moeten bij het verzoek worden gevoegd?

Scheiding van tafel en bed en echtscheiding met wederzijdse instemming

Voor scheiding van tafel en bed en echtscheiding met wederzijdse instemming dienen beide echtgenoten met wederzijds goedvinden een verzoekschrift in bij het bureau van de burgerlijke stand. Het verzoekschrift moet vergezeld gaan van de volgende documenten (artikel 272, lid 1, van het wetboek betreffende de burgerlijke stand):

  1. een gedetailleerde opgave van het gemeenschappelijk vermogen onder vermelding van de waarde van de specifieke vermogensbestanddelen, of, indien de echtgenoten ervoor kiezen dit vermogen te verdelen, een overeenkomst over de verdeling of een verzoekschrift tot het opstellen van zo’n overeenkomst;
  2. een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de gerechtelijke beslissing over de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid of een overeenkomst over de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid met betrekking tot eventuele minderjarige kinderen, indien hierover niet eerder een gerechtelijke beslissing is genomen;
  3. een overeenkomst over de betaling van een onderhoudsbijdrage aan de behoeftige echtgeno(o)t(e);
  4. een overeenkomst over wat te doen met de gezinswoning;
  5. in voorkomend geval, een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de huwelijkse voorwaarden.

Tenzij anders is aangegeven in de overgelegde documenten, wordt ervan uitgegaan dat de overeenkomsten zowel geldig zijn voor de periode van de procedure als voor de daaropvolgende periode (artikel 272, lid 4, van het wetboek betreffende de burgerlijke stand).

Een procedure tot scheiding van tafel en bed of tot echtscheiding met wederzijdse instemming wordt ingeleid door indiening van een door de echtgenoten of hun wettelijke vertegenwoordigers ondertekend verzoekschrift bij het bureau van de burgerlijke stand. Het verzoekschrift gaat vergezeld van de bovengenoemde documenten en van een uittreksel uit de huwelijksakte (artikel 14, leden 1 en 2, van wetsbesluit nr. 272/2001 van 13 oktober 2001 - Procedures die onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de burgerlijke stand vallen).

Na het verzoekschrift te hebben ontvangen, nodigt de ambtenaar van de burgerlijke stand de echtgenoten uit voor een bijeenkomst waarop wordt nagegaan of aan de wettelijke eisen is voldaan (artikel 1776, lid 1, van het burgerlijk wetboek). Tijdens deze bijeenkomst worden de echtgenoten gewezen op het bestaan van diensten voor gezinsbemiddeling; indien de echtgenoten bij hun voornemen tot echtscheiding blijven, worden de overeenkomsten onderzocht en worden de echtgenoten uitgenodigd deze aan te passen als ze de belangen van één van hen of van de kinderen niet naar behoren beschermen. Het is mogelijk dat er in dit kader rechtshandelingen worden verricht en bewijs wordt vergaard. Indien aan de wettelijke eisen is voldaan en de hierboven genoemde procedures zijn gevolgd, wijst de ambtenaar van de burgerlijke stand het verzoek toe (artikel 14, lid 3, van wetsbesluit nr. 272/2001 van 13 oktober 2001 - Procedures die onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de burgerlijke stand vallen).

Indien een overeenkomst wordt overgelegd over de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid over minderjarige kinderen, wordt de procedure doorverwezen naar het openbaar ministerie bij het gerecht van eerste aanleg met bevoegdheid in de zaak binnen het arrondissement waar het betrokken bureau van de burgerlijke stand is gevestigd. Het openbaar ministerie mag zich dan binnen 30 dagen uitspreken over de overeenkomst (artikel 14, lid 4, van wetsbesluit nr. 272/2001 van 13 oktober 2001 - Procedures die onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de burgerlijke stand vallen).

Indien het openbaar ministerie van mening is dat de overeenkomst de belangen van de minderjarigen niet naar behoren beschermt, kunnen de verzoekers de overeenkomst in de gewenste zin wijzigen of een nieuwe overeenkomst overleggen. In het laatste geval wordt de overeenkomst opnieuw voorgelegd aan het openbaar ministerie. Indien dit van mening is dat de overeenkomst de belangen van de minderjarigen naar behoren beschermt of indien de echtgenoten de overeenkomst conform de aanwijzingen van het openbaar ministerie hebben aangepast, wordt de echtscheiding uitgesproken (artikel 14, leden 5 en 6, van wetsbesluit nr. 272/2001 van 13 oktober 2001 - Procedures die onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de burgerlijke stand vallen).

Wanneer de verzoekers niet instemmen met de door het openbaar ministerie voorgestelde wijzigingen en nog steeds voornemens zijn te gaan scheiden en/of de overgelegde overeenkomsten de belangen van een van de echtgenoten onvoldoende beschermen, wordt er geen goedkeuring verleend en wordt de echtscheidingsprocedure doorverwezen naar het gerecht in het district waar het bureau van de burgerlijke stand gevestigd is (artikel 14, lid 7, van wetsbesluit nr. 272/2001 van 13 oktober 2001 - Procedures die onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de burgerlijke stand vallen).

Na ontvangst van het dossier onderzoekt de rechter de overeenkomsten die de echtgenoten hebben overgelegd en nodigt hij of zij ze uit om deze aan te passen indien ze hun belangen of die van hun kinderen niet beschermen (artikel 1778 bis, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

De rechter bepaalt vervolgens de gevolgen van de echtscheiding wat betreft de punten die de echtgenoten niet hebben aangepast of indien een overeenkomst de belangen van een van de echtgenoten onvoldoende beschermt; in dit verband kan de rechter, vanuit dit oogpunt en met het oog op het onderzoek van de voorgestelde overeenkomsten, de tenuitvoerlegging van handelingen en het overleggen van het vereiste bewijs gelasten (artikel 1778 bis, leden 3 en 4, van het burgerlijk wetboek).

Bij het vaststellen van de gevolgen van echtscheiding moet de rechter niet alleen een overeenkomst tussen de echtgenoten trachten te bewerkstelligen, maar moet hij of zij, in voorkomend geval, ook rekening houden met een dergelijke overeenkomst (artikel 1778 bis, lid 6, van het burgerlijk wetboek).

De echtscheiding met wederzijdse instemming wordt vervolgens uitgesproken en in het desbetreffende register geregistreerd (artikel 1778 bis, lid 5, van het burgerlijk wetboek).

De echtscheiding met wederzijdse instemming wordt vervolgens uitgesproken en in het desbetreffende register geregistreerd. Verzoeken tot scheiding van tafel en bed of tot echtscheiding met wederzijdse instemming worden aan het gerecht voorgelegd indien de partijen er niet een van de bovenbedoelde overeenkomsten aan hebben gehecht (artikel 1778 bis, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

In dit geval wordt het verzoekschrift tot echtscheiding bij het gerecht ingediend. Na ontvangst van het verzoekschrift onderzoekt de rechter de overeenkomsten die de echtgenoten hebben overgelegd en nodigt hij of zij ze uit om deze aan te passen indien een overeenkomst hun belangen of die van hun kinderen niet beschermt. De rechter bepaalt de gevolgen van de echtscheiding met betrekking tot de punten waarover de echtgenoten geen overeenstemming hebben bereikt en de rechter kan, vanuit dit oogpunt en met het oog op het onderzoek van de voorgestelde overeenkomsten, de tenuitvoerlegging van handelingen en het overleggen van het vereiste bewijs gelasten. Bij het vaststellen van de gevolgen van echtscheiding moet de rechter niet alleen een overeenkomst tussen de echtgenoten trachten te bewerkstelligen, maar moet hij of zij, in voorkomend geval, ook rekening houden met een dergelijke overeenkomst. De echtscheiding met wederzijdse instemming wordt vervolgens uitgesproken en in het desbetreffende register geregistreerd (artikel 1778 bis, leden 2, 3, 4, 5 en 6, van het burgerlijk wetboek).

Scheiding van tafel en bed of echtscheiding zonder instemming van de andere echtgeno(o)t(e)

Verzoekschriften voor een scheiding van tafel en bed of een echtscheiding zonder instemming van de andere echtgeno(o)t(e) worden voorgelegd aan de rechtbank voor familie- en jeugdzaken (Juízo de Família e Menores) of, bij gebrek daaraan, aan de lokale burgerlijke rechtbank (Juízo Local Cível) of de lokale rechtbank met algemene bevoegdheid (Juízo de Competência Genérica) die relatief bevoegd is (artikel 122, lid 1, punt c), van de wet op de rechterlijke organisatie). De relatieve bevoegdheid wordt bepaald aan de hand van de woon- of verblijfplaats van de verzoeker (de persoon die de procedure inleidt) (artikel 72 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De bepalingen over echtscheiding zijn mutatis mutandis van toepassing op de scheiding van tafel en bed (artikel 1794 van het burgerlijk wetboek).

Scheiding van tafel en bed eindigt met de verzoening tussen de echtgenoten of met de ontbinding van het huwelijk (artikel 1795 ter van het burgerlijk wetboek).

Elk van de echtgenoten mag, zonder instemming van de andere echtgeno(o)t(e), een echtscheidingsverzoek indienen op grond van feitelijke scheiding van tafel en bed gedurende één ononderbroken jaar, een verandering in de geestelijke vermogens van de andere echtgeno(o)t(e) die al meer dan één jaar duurt en die, vanwege de ernst ervan, de mogelijkheid van een gezamenlijk leven aantast, het afwezig zijn, zonder teken van leven, van de andere echtgeno(o)t(e) gedurende minstens één jaar, en andere feiten die, ongeacht de schuldvraag, aantonen dat het huwelijk duurzaam ontwricht is (artikel 1781 van het burgerlijk wetboek).

De benadeelde echtgeno(o)t(e) heeft het recht om, krachtens de algemene voorwaarden inzake civiele aansprakelijkheid, bij de gewone rechters schadeloosstelling te vorderen voor de door de andere echtgeno(o)t(e) veroorzaakte schade (artikel 1792, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

De echtgeno(o)t(e) die een echtscheidingsverzoek heeft ingediend vanwege een verandering in de geestelijke vermogens van de andere echtgeno(o)t(e) moet die echtgeno(o)t(e) schadeloos stellen voor de immateriële schade die door de ontbinding van het huwelijk is veroorzaakt; het verzoekschrift daartoe moet tijdens de echtscheidingsprocedure zelf worden ingediend (artikel 1792, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

Echtscheiding vanwege een verandering in de geestelijke vermogens van de andere echtgeno(o)t(e) die al meer dan één jaar duurt en die, vanwege de ernst ervan, de mogelijkheid van een gezamenlijk leven aantast, of echtscheiding vanwege het afwezig zijn, zonder teken van leven, van de andere echtgeno(o)t(e) gedurende minstens één jaar kan alleen worden aangevraagd door de echtgeno(o)t(e) die zich beroept op de verandering in de geestelijke vermogens of de afwezigheid van de andere echtgeno(o)t(e) (artikel 1785, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

Indien de echtgeno(o)t(e) die een verzoekschrift tot echtscheiding kan indienen een begeleide meerderjarige is, kan de procedure worden ingeleid door die echtgeno(o)t(e) of, indien vertegenwoordigingsbevoegdheid is verleend, door zijn of haar begeleid(st)er, na verkrijging van een rechterlijke machtiging; indien de begeleid(st)er de andere echtgeno(o)t(e) is, kan de procedure namens de houd(st)er van het recht om een procedure in te leiden worden ingeleid door een familielid in de rechte lijn of tot de derde graad van de zijlijn of door het openbaar ministerie (artikel 1785, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

Het recht op echtscheiding wordt niet overgedragen door overlijden, maar de erfgenamen van de partner die het verzoek heeft ingediend, kunnen de procedure in het kader van de nalatenschap voortzetten indien de verzoeker tijdens de procedure overlijdt; de procedure kan ook met dezelfde gevolgen worden voortgezet tegen de erfgenamen van de verweerder (artikel 1785, lid 3, van het burgerlijk wetboek).

Zodra het verzoekschrift is overgelegd, stelt de rechter, indien de procedure kan worden voortgezet, een tijdstip vast voor een poging tot verzoening en wordt zowel de verzoeker als de verweerder opgeroepen om in persoon te verschijnen (artikel 931, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Indien deze poging tot verzoening mislukt, tracht het gerecht de echtgenoten tot overeenstemming te laten komen over echtscheiding met wederzijdse instemming; indien een dergelijke overeenkomst tot stand komt of indien de echtgenoten op enig moment tijdens de procedure hebben gekozen voor echtscheiding met wederzijdse instemming, volgt de procedure dienovereenkomstig het verloop van die vorm van echtscheiding (artikel 1779, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

Indien de rechter er niet in slaagt tussen de echtgenoten een akkoord tot stand te brengen over echtscheiding of scheiding van tafel en bed met wederzijdse instemming, tracht hij of zij tussen de echtgenoten een overeenkomst te bewerkstelligen over de onderhoudsbijdrage en de regeling van de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid. In voorkomend geval probeert de rechter ook een overeenkomst tussen de echtgenoten tot stand te brengen over het gebruik van de gezinswoning gedurende de periode dat de procedure aanhangig is (artikel 931, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

In een poging tot verzoening, of op enig ander moment tijdens de procedure, kunnen de partijen beslissen tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed met wederzijdse instemming, mits aan de vereiste voorwaarden is voldaan (artikel 931, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Indien de instemming van één partij ontbreekt of verzoening onmogelijk blijkt, beveelt de rechter de verweerder om binnen 30 dagen een verweerschrift in te dienen; op het moment van kennisgeving hiervan wordt er een duplicaat van het inleidende verzoekschrift aan de verweerder betekend (artikel 931, lid 5, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Indien de verblijfplaats van de verweerder onbekend is en, conform het procesrecht, alles in het werk is gesteld om de verweerder te vinden en dit alles geen resultaat heeft opgeleverd, is de dag die is aangewezen voor de verzoening ongeldig en wordt de verweerder door middel van een openbare kennisgeving opgeroepen om verweer in te stellen (artikel 931, lid 6, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Nadat de termijn voor het instellen van verweer is verstreken, verloopt de procedure conform de voorwaarden voor reguliere procedures. Tijdens die procedure wordt het voorwerp van het geschil bepaald en worden de bewijselementen uiteengezet. De definitieve behandeling vindt tijdens deze procedure plaats, samen met het aanvoeren van bewijs. Na afsluiting van de definitieve behandeling wordt de zaak beëindigd en geeft de rechter binnen 30 dagen een beslissing (artikel 932 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Een verzoek tot scheiding van tafel en bed is via een tegeneis mogelijk, zelfs als de verzoeker een echtscheidingsverzoek heeft ingediend; indien de verzoeker een verzoek heeft gedaan tot scheiding van tafel en bed, mag de verweerder als tegeneis ook een echtscheidingsverzoek indienen. In deze gevallen wordt de echtscheiding uitgesproken indien het verzoekschrift en de tegeneis worden toegewezen (artikel 1795 van het burgerlijk wetboek).

Nietigverklaring van een huwelijk

Personen kunnen zich, zowel gerechtelijk als buitengerechtelijk, pas op de nietigverklaring van een huwelijk beroepen zodra deze is bekrachtigd door een beslissing in een specifiek voor dit doel ingeleide procedure (artikel 1632 van het burgerlijk wetboek).

Deze procedure wordt ingeleid bij de rechtbank voor familie- en jeugdzaken door een inleidend verzoekschrift in te dienen dat, in de vorm van pleitnota’s, de identiteit van de partijen aangeeft, de relevante feiten beschrijft en eindigt met een vordering (artikel 122, lid 1, punt d), van de wet op de rechterlijke organisatie).

Het wettelijke recht om een dergelijke procedure in te leiden, varieert afhankelijk van de gronden van de vordering (zie het antwoord op vraag 8).

De echtgenoten of familieleden in de rechte lijn of tot en met de vierde graad in de zijlijn, de erfgenamen en adoptieouders van de echtgenoten en het openbaar ministerie hebben het wettelijke recht een procedure tot nietigverklaring op basis van een beletsel dat de geldigheid van het huwelijk aantast, in te leiden of voort te zetten. Bovendien mag de voogd of curator in het geval van minderjarigheid, onmogelijkheid of onbekwaamheid vanwege een geestelijke stoornis, en de eerste echtgeno(o)t(e) van de dader in het geval van bigamie, ook een procedure inleiden of voortzetten (artikel 1639 van het burgerlijk wetboek).

Een verzoek tot nietigverklaring wegens simulatie kan worden ingediend door de echtgenoten zelf of door personen die nadeel ondervinden van het huwelijk. In andere gevallen waarin instemming ontbreekt, kan een procedure tot nietigverklaring alleen worden ingeleid door de echtgeno(o)t(e) van wie de instemming ontbreekt. De bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, de erfgenamen of adoptieouders mogen de procedure echter voortzetten indien de verzoeker tijdens de procedure komt te overlijden (artikel 1640 van het burgerlijk wetboek).

Een procedure tot nietigverklaring op basis van gebrekkige instemming kan alleen worden ingeleid door de echtgeno(o)t(e) die het slachtoffer van de dwaling of de dwang was, maar bloed- en aanverwanten in de rechte lijn en erfgenamen of adoptieouders mogen de procedure voortzetten indien de verzoeker tijdens de procedure komt te overlijden (artikel 1641 van het burgerlijk wetboek).

Een procedure tot nietigverklaring wegens gebrek aan getuigen mag alleen door het openbaar ministerie worden ingeleid (artikel 1642 van het burgerlijk wetboek)

Een procedure tot nietigverklaring op basis van een beletsel dat de geldigheid van het huwelijk aantast, moet worden ingeleid:

  1. in het geval van minderjarigheid, aangetoonde dementie of begeleiding van een meerderjarige handelingsonbekwame, voor zover deze procedure wordt ingeleid door de handelingsonbekwame echtgeno(o)t(e) zelf: binnen een termijn van maximaal zes maanden nadat deze de meerderjarigheid heeft bereikt, nadat de persoonsgebonden onbekwaamheid is geëindigd of nadat de begeleiding is beëindigd of op dit punt is herzien; of, indien de procedure door iemand anders wordt ingeleid, binnen drie jaar na de huwelijkssluiting, maar nooit na het bereiken van de meerderjarigheid of het einde van de persoonsgebonden onbekwaamheid (artikel 1643, lid 1, punt a), van het burgerlijk wetboek);
  2. in het geval van veroordeling voor moord op de echtgeno(o)t(e) van een van de echtgenoten: binnen drie jaar na de huwelijkssluiting (artikel 1643, lid 1, punt b), van het burgerlijk wetboek);
  3. in alle andere gevallen: binnen zes maanden na de ontbinding van het huwelijk (artikel 1643, lid 1, punt c), van het burgerlijk wetboek).

Het openbaar ministerie kan de procedure alleen inleiden vóór de ontbinding van het huwelijk (artikel 1643, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

Een procedure tot nietigverklaring op basis van het bestaan van een eerder, niet-ontbonden huwelijk mag niet worden ingeleid of voortgezet als er een procedure aanhangig is om het eerste huwelijk van een bigamist ongeldig of nietig te laten verklaren (artikel 1643, lid 3, van het burgerlijk wetboek).

Een procedure tot nietigverklaring wegens het ontbreken van de instemming van een partij of van beide partijen kan slechts worden ingeleid binnen drie jaar na de huwelijkssluiting of, indien de verzoeker hiervan niet op de hoogte was, binnen zes maanden nadat hij of zij ervan op de hoogte raakte (artikel 1644 van het burgerlijk wetboek).

Een procedure tot nietigverklaring op basis van gebreken met betrekking tot de instemming verjaart indien deze niet binnen zes maanden na het wegvallen van het gebrek wordt ingeleid (artikel 1645 van het burgerlijk wetboek).

Een procedure tot nietigverklaring wegens het ontbreken van getuigen kan slechts worden ingeleid binnen één jaar na de huwelijkssluiting (artikel 1646 van het burgerlijk wetboek).

Het inleidende verzoekschrift moet vergezeld gaan van de huwelijksakte en eventueel (indien het verzoekschrift op een leeftijdskwestie is gebaseerd) de geboorteakte van de betrokken partij.

Nadat de termijn voor het instellen van verweer is verstreken, verloopt de procedure conform de voorwaarden voor reguliere procedures, zoals hierboven is beschreven.

Indien een van de volgende gebeurtenissen zich voordoet voordat de beslissing tot nietigverklaring kracht van gewijsde krijgt, wordt de nietigverklaring geacht te zijn opgeheven en wordt het huwelijk als geldig beschouwd vanaf het moment dat het gesloten is:

  1. een kind dat nog niet de huwelijkse leeftijd had bereikt bevestigt, na meerderjarig te zijn geworden, zijn of haar huwelijk ten overstaan van een ambtenaar van de burgerlijke stand en twee getuigen (artikel 1633, lid 1, punt a), van het burgerlijk wetboek);
  2. het huwelijk wordt bevestigd door de persoon die zich in een toestand van aangetoonde dementie bevond of die een begeleide meerderjarige was, nadat deze gerechtelijk heeft laten vaststellen dat de oorzaken van het beletsel hebben opgehouden te bestaan (artikel 1633, lid 1, punt b), van het burgerlijk wetboek);
  3. het eerste huwelijk van een bigamist is ongeldig of nietig verklaard (artikel 1633, lid 1, punt c), van het burgerlijk wetboek);
  4. het ontbreken van getuigen is te wijten aan gerechtvaardigde omstandigheden, zoals erkend door de ambtenaar van de burgerlijke stand, en mits er geen twijfels zijn over de sluiting van het huwelijk (artikel 1633, lid 1, punt d), van het burgerlijk wetboek).

12 Kan ik in aanmerking komen voor rechtsbijstand om de kosten van de procedure te dekken?

Ja, het programma voor rechtsbijstand is bij alle gerechten van toepassing, ongeacht de vorm van de procedure (wet nr. 34/2004 van 29 juli 2004 — Toegang tot het recht en de rechtbanken).

Zie voor verdere informatie het informatieblad over ‘Rechtsbijstand’.

13 Kan beroep worden ingesteld tegen een beslissing over de echtscheiding/scheiding van tafel en bed/nietigverklaring van het huwelijk?

Ja. In dergelijke procedures kan er altijd beroep worden ingesteld (artikel 629 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

14 Wat moet ik doen om een door een rechtbank in een andere lidstaat gewezen beslissing over echtscheiding/scheiding van tafel en bed/nietigverklaring van het huwelijk in Nederland te laten erkennen?

Indien de betrokken beslissing is gegeven in een lidstaat van de Europese Unie (niet zijnde Denemarken - zie overweging 31 van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003), wordt deze in de andere lidstaten erkend overeenkomstig die verordening.

Indien de beslissing in Denemarken is gegeven, wordt de bijzondere procedure voor het toetsen van buitenlandse beslissingen toegepast (artikel 978 e.v. van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Het gerecht dat bevoegd is voor de toetsing en de bevestiging van buitenlandse beslissingen is het hof van beroep van de woonplaats van de persoon tegen wie de beslissing ten uitvoer moet worden gelegd (artikel 979 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

In het kader van deze procedure wordt het document met de te toetsen beslissing, vergezeld van het inleidende verzoekschrift, ingediend en wordt de tegenpartij ervan op de hoogte gesteld dat zij binnen 15 dagen een verweerschrift kan indienen. De verzoeker kan hierop weer reageren binnen 10 dagen na de kennisgeving van indiening van het verweerschrift (artikel 981 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Nadat de partijen al hun stukken hebben uitgewisseld en alle noodzakelijk geachte handelingen hebben verricht, worden alle documenten, telkens voor 15 dagen, voorgelegd aan de partijen en het openbaar ministerie (artikel 982, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Om de beslissing te kunnen bevestigen:

  1. mag er geen enkele twijfel zijn over de authenticiteit van het document waarin de betrokken beslissing is opgenomen noch over het gedegen karakter van de beslissing;
  2. moet de beslissing kracht van gewijsde hebben gekregen krachtens het recht van het land waar de beslissing is gegeven;
  3. moet de beslissing zijn gegeven door een buitenlands gerecht dat rechtens bevoegd was en mag de beslissing geen zaak betreffen die onder de uitsluitende bevoegdheid van de Portugese gerechten valt;
  4. mag het niet mogelijk zijn een exceptie van aanhangigheid (lis pendens) of een exceptie van gewijsde (res judicata) op te werpen op basis van een zaak bij een Portugees gerecht, tenzij de zaak door het buitenlandse gerecht zelf bij de Portugese gerechten is aangebracht;
  5. moeten de desbetreffende documenten voor de procedure naar behoren aan de verweerder zijn betekend, krachtens het recht van het land van het gerecht van herkomst, en moeten de beginselen van het recht van verweer en gelijkwaardige bescherming van de partijen tijdens de procedure in acht zijn genomen;
  6. mag het geen beslissing betreffen waarvan de erkenning tot een resultaat leidt dat zich duidelijk niet laat verenigen met de beginselen van de openbare internationale orde van Portugal

(artikel 980 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

15 Tot welk gerecht moet ik mij wenden om bezwaar te maken tegen de erkenning van een door een rechtbank in een andere lidstaat gewezen beslissing over echtscheiding/scheiding van tafel en bed/nietigverklaring van het huwelijk? Welke procedure is in dit geval van toepassing?

In de lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken, moet, indien de betreffende partij beslist een verzoek in te dienen tot erkenning van een beslissing over echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van een huwelijk, het verzoekschrift worden ingediend bij de rechtbank voor familie- en jeugdzaken (artikel 122 van de wet op de rechterlijke organisatie). Welk gerecht relatief bevoegd is, wordt bepaald aan de hand van het interne recht van de lidstaat waar het verzoekschrift tot erkenning is ingediend.

16 Wat is het toepasselijk recht in een echtscheidingsproces tussen echtgenoten die niet in Nederland wonen of een verschillende nationaliteit hebben?

Volgens de nationale conflictregels is voor echtscheiding en scheiding van tafel en bed het algemeen geldende nationale recht van de echtgenoten van toepassing. Als de echtgenoten niet dezelfde nationaliteit hebben, is het recht van hun gebruikelijke gezamenlijke verblijfplaats van toepassing; bij afwezigheid hiervan is het recht van toepassing van het land waarmee hun gezinsleven het nauwst verbonden is (artikel 52, leden 1 en 2, van het burgerlijk wetboek).

Als het toepasselijke recht tijdens het huwelijk echter verandert, kan alleen een feit dat relevant was op het moment dat dit zich voordeed een grond opleveren voor scheiding van tafel en bed of echtscheiding (artikel 55, lid 2, van het burgerlijk wetboek)

Waar kan de toepasselijke wetgeving worden geraadpleegd?

Burgerlijk wetboek

Wetboek betreffende de burgerlijke stand

Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

Procedures die onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de burgerlijke stand vallen

Wetgevingsbesluit nr. 13/2018

Wet op de rechterlijke organisatie

Toegang tot het recht en de rechtbanken

Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003 - Beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid

Algemene opmerking

De informatie op deze pagina is algemeen van aard, niet alomvattend en niet bindend voor het contactpunt, het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, de rechtbanken of enige andere ontvanger. Raadpleging van deze informatie kan niet in de plaats komen van het raadplegen van de toepasselijke wetgeving.

 

Deze webpagina maakt deel uit van de website Uw Europa.

Al uw feedback over de verstrekte informatie is welkom.

Your-Europe

Laatste update: 16/08/2022

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.