

Informatie zoeken per regio
Iedere partij moet het bewijs leveren van de feiten waarop haar vordering of verweer is gebaseerd. De eiser moet zijn vorderingen onderbouwen en de verweerder zijn verweer.
Bewijs wordt geleverd door de partijen in het geding en door andere belanghebbende partijen. Wanneer een partij in het geding of een andere belanghebbende partij niet in staat is bepaalde bewijselementen over te leggen en dienaangaande een gemotiveerd verzoek indient, kan de rechter verlangen dat de betrokken bewijselementen worden overgelegd.
Een feit dat volgens de rechtbank algemeen bekend is, hoeft niet te worden bewezen.
Feiten die bij een civielrechtelijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, bewezen zijn verklaard, hoeven in een ander burgerlijk geschil tussen dezelfde partijen niet opnieuw te worden bewezen.
Een in kracht van gewijsde gegane uitspraak in een strafzaak is slechts bindend voor een rechter in een civiele-aansprakelijkheidszaak betreffende de persoon waarop die strafzaak betrekking had voor zover het de vraag betreft of de handeling in kwestie strafbaar was of dat er sprake was van niet-handelen, en of ze door de persoon in kwestie is gepleegd of toegestaan.
Een feit dat voor de wet vaststaat, behoeft geen bewijs. Een dergelijk vermoeden kan via de gewone procedure worden weerlegd.
Ingevolge de wet op de burgerlijke rechtsvordering (WBRv) hoeft een partij geen feiten te bewijzen die niet door de wederpartij worden betwist.
De rechter is vrij in de beoordeling van het bewijs. Hij doet dit op basis van een grondig, volledig en objectief onderzoek ter zitting, waarbij hij de regels der logica volgt en gebruik maakt van wetenschappelijke bevindingen en eigen alledaagse waarnemingen. De rechter motiveert in zijn uitspraak waarom een bepaald bewijs zwaarder weegt dan een ander en waarom bepaalde feiten wel en andere niet bewezen worden geacht. Geen enkel bewijs heeft vooraf vastgestelde bindende rechtsgevolgen voor de rechter.
Volgens de wet op de burgerlijke rechtsvordering is de hoofdregel dat de partijen verantwoordelijk zijn voor de bewijslevering. In bepaalde in diezelfde wet omschreven gevallen kan de rechter echter ambtshalve bewijs verlangen (bijvoorbeeld als de belangen van een kind in het geding zijn). Wanneer de rechter van oordeel is dat er met betrekking tot door een partij gestelde feiten die ten grondslag liggen aan een vordering of verweer geen bewijs is geleverd, stelt hij de partijen daarvan in kennis, zo nodig met vermelding van de termijn waarbinnen het bewijs moet worden geleverd.
De partijen overleggen aan de rechter schriftelijk en materieel bewijs. Wanneer partijen verwijzen naar mondeling bewijs, worden de door partijen opgegeven getuigen door de rechter opgeroepen om ter zitting een verklaring af te leggen. Het bewijs wordt aan het procesdossier toegevoegd.
De rechter staat alleen bewijsmiddelen toe waarin de wet voorziet en die voor de zaak van belang zijn. Tenzij de rechter een andere termijn heeft vastgesteld, kan bewijs dat later dan veertien dagen vóór de zitting wordt ingediend, worden afgewezen. Tijdens de behandeling van een zaak kan bewijs worden ingediend op een met redenen omkleed verzoek van een procespartij of andere belanghebbende partij, voor zover de behandeling van de zaak daardoor geen vertraging oploopt en de rechtbank van oordeel is dat er geldige redenen zijn voor het niet tijdig indienen van het bewijs, of voor zover het bewijs betrekking heeft op feiten die pas tijdens het proces bekend zijn geworden.
Getuigenverklaringen die zijn gebaseerd op informatie afkomstig van een onbekende bron of van andere personen, worden niet toegelaten als bewijs, tenzij die personen als getuige zijn gehoord.
Verklaringen van partijen in het geding en belanghebbende derden die informatie bevatten over feiten waarop hun vordering of verweer is gebaseerd, voor zover die verklaringen worden bevestigd door ander bewijs dat ter zitting is onderzocht en beoordeeld;
verklaringen van getuigen en getuige-deskundigen;
schriftelijk bewijs, bestaande uit documenten of andere teksten waarin informatie over voor de zaak relevante feiten is vastgelegd door middel van letters, cijfers of andere symbolen of met gebruikmaking van andere technische hulpmiddelen, en alle daarmee verband houdende opslagmedia (beeld- en geluidsbanden, diskettes enz.);
Er is geen wezenlijk verschil: de mondelinge verklaring van deskundigen en andere getuigen wordt als bewijs beschouwd, net als de schriftelijke verklaring van een deskundige. Een getuige of getuige-deskundige die daartoe door de rechtbank is opgeroepen, moet ter zitting verschijnen voor het afleggen van een waarheidsgetrouwe verklaring. In het geval van getuigen heeft die verklaring betrekking op aan hen bekende feiten en omstandigheden, in het geval van deskundigen wordt een objectief oordeel verwacht over door hen onderzochte wetenschappelijke, technische, artistieke of andere feiten.
Geen enkel bewijs heeft vooraf vastgestelde bindende rechtsgevolgen voor de rechter. Wel moet de rechter in de uitspraak uitleggen waarom een bepaald bewijs voor hem zwaarder weegt dan een ander bewijs en waarom hij bepaalde feiten wel en andere niet bewezen acht.
Ja. Feiten die krachtens de wet slechts met bepaalde bewijsmiddelen kunnen worden bewezen, kunnen niet met andere bewijsmiddelen worden bewezen.
De rechter staat alleen de in de wet vastgestelde bewijsmiddelen toe.
Personen die zijn opgeroepen om ter zitting te getuigen, mogen dit niet weigeren, uitgezonderd in bepaalde in de wet omschreven gevallen.
De volgende personen kunnen weigeren om te getuigen:
Een getuige van veertien jaar of ouder die weigert te getuigen om volgens de rechter ongeldige redenen, of die opzettelijk een valse verklaring aflegt, maakt zich schuldig aan een strafbaar feit.
Wanneer een getuige na een oproep van de rechter zonder geldige reden niet verschijnt, kan de rechter hem een boete van maximaal 60 EUR opleggen dan wel hem dwingen ter zitting te verschijnen.
Tevens hoeven niet te getuigen:
Personen die als getuige zijn opgeroepen, moeten ter zitting verschijnen en een waarheidsgetrouwe verklaring afleggen over feiten en omstandigheden waarvan ze kennis hebben. Getuigen moeten antwoorden op vragen die hun door de rechter en partijen worden gesteld. De rechter kan een opgeroepen getuige in diens woonplaats horen als hij wegens ziekte, ouderdom, invaliditeit of een andere geldige reden niet in staat is om op de zitting te verschijnen. Afhankelijk van de verblijfplaats van de getuige, kan hij ook via videoconferencing worden gehoord, dan wel op een speciaal daarvoor uitgeruste plaats.
De partijen in een geding kunnen de waarheid van schriftelijk bewijs betwisten.
Schriftelijk bewijs kan in principe niet worden betwist door de ondertekenaar van het stuk. Als de ondertekenaar dat wel wil doen, omdat de ondertekening onder dwang of bedreiging of op frauduleuze wijze is verkregen, moet hij een afzonderlijke vordering instellen. Als er sprake is van vermeende vervalsing kan een partij ook een met redenen omkleed verzoek om uitsluiting van het bewijs indienen. Indien de rechter vaststelt dat het bewijs is vervalst, wordt het bewijs uitgesloten en wordt er aangifte gedaan van de vervalsing. Voor de beoordeling van bovenbedoeld verzoek kan de rechter een deskundigenrapport gelasten of aanvullend bewijs verlangen. Wanneer de rechter van oordeel is dat het uitsluitingsverzoek ongegrond is, kan hij een boete opleggen.
Ingevolge de wet op de burgerlijke rechtsvordering moet een persoon die als getuige is opgeroepen, ter zitting verschijnen en een waarheidsgetrouwe verklaring afleggen over de feiten waarvan hij kennis heeft. Wanneer een partij bepaalde feiten of omstandigheden wil bewijzen door middel van een getuigenverklaring, moet in het verzoek aan de rechter tot ondervraging van de getuige worden aangegeven welke belangrijke elementen van de zaak de getuige kan bevestigen.
Verklaringen van procespartijen en derden die informatie bevatten over de feiten waarop hun vordering of verweer is gebaseerd, worden als bewijs toegelaten als ze worden bevestigd door ander bewijs dat door de rechter ter zitting is onderzocht en beoordeeld. Wanneer een partij een feit erkent waarop de wederpartij haar vordering of verweer baseert, kan de rechter dat feit bewezen achten als er geen enkele reden is om aan te nemen dat de erkentenis het resultaat is van fraude, geweld, bedreiging of vergissing of dat zij er is gekomen om de waarheid te verbergen.
De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.