Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Portugees) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.
Swipe to change

Bewijsverkrijging

Portugal
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

Opmerking vooraf: de algemene regels met betrekking tot toelaatbare bewijzen, de bewijskracht ervan, de bewijslast en de bewijsmiddelen worden vastgelegd middels bepalingen in het Portugese burgerlijk wetboek (Código Civil) en het Portugese wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Código Processo Civil). Onderaan dit informatieblad zijn links opgenomen naar de betreffende twee rechtshandelingen in hun geconsolideerde versie in het Portugees.

Overeenkomstig artikel 342 van het burgerlijk wetboek:

  • is het in de regel aan de persoon die zich op een recht beroept, de feiten aan te tonen die bewijzen dat het geclaimde recht bestaat;
  • moet degene tegen wie het verzoek is gericht, de feiten aantonen die in de weg staan aan dat recht of waardoor het wordt gewijzigd of beëindigd;
  • en moeten bij twijfel de feiten als constitutief worden beschouwd.

In het geval van een negatieve beoordelingsprocedure (artikel 10, lid 3, punt a), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering en artikel 343 van het burgerlijk wetboek), waarbij de ene partij niet naar een beslissing tegen de andere partij streeft, maar slechts wenst dat het gerecht vaststelt dat een recht of feit niet bestaat, is het aan de verweerder de elementen aan te voeren die het geclaimde recht onderbouwen.

In het kader van een procedure die moet worden ingesteld binnen een bepaalde termijn na de datum waarop de eiser zich bewust is geworden van een bepaald feit, is het aan de verweerder te bewijzen dat de termijn is verstreken, tenzij de wet anders bepaalt (artikel 343, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

Indien er voor het recht waarop de eiser zich beroept, een opschortende voorwaarde (een onzekere gebeurtenis die zich in de toekomst moet voordoen om de gevolgen van de rechtshandeling tussen partijen in te laten treden — artikel 270 van het burgerlijk wetboek) of een ingangstermijn (tijdsmoment waarna het recht ontstaat — artikel 278 van het burgerlijk wetboek) geldt, is het aan de eiser te bewijzen dat aan de voorwaarde is voldaan of dat de termijn is verstreken (artikel 343, lid 3, van het burgerlijk wetboek).

Indien er voor het recht een ontbindende voorwaarde (een onzekere gebeurtenis die zich in de toekomst moet voordoen om de gevolgen van de rechtshandeling tussen partijen te laten eindigen — artikel 270 van het burgerlijk wetboek) of een eindtermijn (tijdsmoment waarna het recht eindigt — artikel 278 van het burgerlijk wetboek) geldt, is het aan de verweerder te bewijzen dat aan de voorwaarde is voldaan of dat de termijn is verstreken (artikel 343, lid 3, van het burgerlijk wetboek.

De hierboven genoemde regels worden omgekeerd als er sprake is van een rechtsvermoeden (gevolgen die de wet ontleent aan een bekend feit om een onbekend feit vast te stellen) of in het geval van vrijstelling van of ontslag uit de bewijslast of een geldige overeenkomst daarover, en, in het algemeen, alle gevallen waarin de wet hierin voorziet (artikel 344, lid 1, van het burgerlijk wetboek). De bewijslast wordt ook omgekeerd wanneer de tegenpartij het opzettelijk onmogelijk maakt dat het bewijs overgelegd kan worden door de partij die het moet verstrekken (artikel 344, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

De overeenkomst over het omkeren van de bewijslast is ongeldig wanneer:

  • het een onvervreemdbaar recht betreft (een recht waarvan een partij niet zomaar mag afzien door te verklaren dat men ervan wil afzien) of wanneer het door zo’n overeenkomst voor een van de partijen buitensporig moeilijk wordt het recht uit te oefenen (artikel 345, lid 1, van het burgerlijk wetboek);
  • de overeenkomst een bepaald wettelijk bewijsmiddel uitsluit of een ander bewijsmiddel dan de wettelijke bewijsmiddelen toestaat; als de uit het recht of de wet voortkomende beslissingen in verband met het bewijs echter gebaseerd zijn op redenen van openbare orde, zijn de desbetreffende overeenkomsten onder alle omstandigheden ongeldig (artikel 345, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

Wanneer bewijsmiddelen worden overgelegd door de partij waarop de bewijslast rust, kan de tegenpartij zich daarop beroepen om dezelfde feiten tegen te spreken teneinde ze in twijfel te trekken; in dergelijke gevallen wordt in het nadeel beslist van de partij die de verplichting had het bewijs te leveren (artikel 346 van het burgerlijk wetboek).

Volledig wettelijk bewijs kan alleen worden weerlegd door middel van bewijs waaruit blijkt dat het feit waarop dat wettelijk bewijs betrekking heeft, niet waar is, onder voorbehoud van verdere specifieke restricties waarin de wet voorziet (artikel 347 van het burgerlijk wetboek).

Eenieder die zich op lokaal dan wel buitenlands gewoonterecht beroept, is ervoor verantwoordelijk te bewijzen dat dit recht bestaat en wat de inhoud ervan is, maar de rechter moet er ambtshalve naar streven kennis van dit recht te verkrijgen (artikel 348, lid 1, van het burgerlijk wetboek). De rechter is ook verantwoordelijk voor ambtshalve onderzoek als hij of zij moet beslissen op basis van gewoonte-, lokaal of buitenlands recht en geen van de partijen zich erop heeft beroepen, of de tegenpartij het bestaan en de inhoud ervan heeft erkend of hiertegen geen verweer heeft ingesteld (artikel 348, lid 2, van het burgerlijk wetboek). Als het niet mogelijk is de inhoud van het toepasselijk recht te bepalen, baseert de rechter zich op de regels van het reguliere Portugese recht (artikel 348, lid 3, van het burgerlijk wetboek).

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Ja, er bestaan regels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen.

Overeenkomstig artikel 412, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering is er geen bewijs vereist:

  • voor notoire feiten, met andere woorden feiten die algemeen bekend zijn;
  • voor feiten waarmee het gerecht bekend is vanwege de uitoefening van zijn functies; het gerecht is gehouden een bewijsstuk van de feiten aan de zaak te hechten wanneer het er kennis van neemt.

Het Portugese recht staat het gebruik toe van rechtsvermoedens, dat wil zeggen conclusies die de wet of de rechter aan een bekend feit ontleent om een onbekend feit vast te stellen (artikel 349 van het burgerlijk wetboek).

Degene ten gunste van wie een rechtsvermoeden bestaat, hoeft geen bewijs te leveren van het afgeleide feit (artikel 350, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

Over het algemeen zijn rechtsvermoedens weerlegbaar door het leveren van tegenbewijs, maar in uitzonderlijke gevallen waarin de wet dit niet toestaat, zijn rechtsvermoedens onweerlegbaar en is tegenbewijs niet mogelijk (artikel 350, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

De waarde van bewijsmiddelen varieert naargelang van hun aard.

Authentieke documenten hebben volledige bewijskracht ten aanzien van bepaalde feiten. Deze kunnen alleen worden weerlegd door betichting van valsheid (artikelen 369-372 van het burgerlijk wetboek).

Onderhandse documenten hebben volledige bewijskracht als het handschrift en de handtekening, of alleen de handtekening, worden erkend of niet worden betwist, tenzij ze van valsheid worden beticht (artikelen 373-379 van het burgerlijk wetboek).

Er bestaan bijzondere bepalingen over de bewijskracht van documenten, geschriften, notities, schriftelijke verklaringen, certificaten, gewaarmerkte afschriften en fotokopieën (artikelen 380-387 van het burgerlijk wetboek).

De rechter beoordeelt deskundigenbewijs, bewijs door plaatsopneming of getuigenbewijs geheel naar eigen oordeel (artikelen 389, 391 en 396 van het burgerlijk wetboek).

Rechtsvermoedens worden alleen toegelaten in die gevallen en omstandigheden waarin het getuigenbewijs ontvankelijk is (artikel 351 van het burgerlijk wetboek).

De vrije beoordeling van bewijs door de rechter betreft geen feiten waarvoor de wet speciale formaliteiten vereist om ze te bewijzen of die slechts kunnen worden bewezen aan de hand van documenten of die volledig zijn bewezen, hetzij door documenten, hetzij door instemming of een bekentenis van de partijen (artikel 607, lid 5, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De rechter moet alle bewijsmateriaal in overweging nemen, ongeacht of dit afkomstig is van de partij die het zou moeten leveren, en onder voorbehoud van bepalingen die stellen dat bewijs van een feit irrelevant is als het niet door een bepaalde partij wordt overgelegd (artikel 413 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Elke twijfel over de waarheid van een feit en de verdeling van de bewijslast is in het nadeel van de partij die voordeel zou halen uit het feit (artikel 414 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

In het Portugees recht geldt het inquisitiebeginsel. d.w.z. dat de rechter verplicht is eigener beweging alle executiemaatregelen uit te voeren of te gelasten die nodig zijn om de waarheid en een billijke oplossing van het geschil vast te stellen in het licht van de feiten ten aanzien waarvan de rechter het recht heeft er kennis van te nemen (artikel 411 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De rechter kan in elke fase van het proces de partijen oproepen persoonlijk te verschijnen om een verklaring af te leggen, informatie te verstrekken of opheldering te verschaffen over de feiten die van belang zijn voor de oplossing in kwestie (artikel 452, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Het is de verantwoordelijkheid van de rechter om, ambtshalve of op verzoek van de partijen, om informatie, technische adviezen, plannen, foto’s, tekeningen, voorwerpen of andere documenten te verzoeken die nodig zijn om de waarheid aan het licht te brengen. Dergelijke verzoeken kunnen worden gericht tot officiële instanties, de procespartijen of derde partijen (artikel 436, leden 1 en 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Als de rechter dit gepast acht, kan hij of zij ambtshalve of op verzoek van de partijen, persoonlijk onderzoek verrichten naar zaken of personen. Dit moet zodanig gebeuren dat de integriteit van het privé- en gezinsleven en de menselijke waardigheid wordt veiliggesteld en het moet gericht zijn op het ophelderen van alle feiten die van belang zijn voor de oplossing van de kwestie. De rechter kan ook een schouwing ter plaatse uitvoeren of een reconstructie van de gebeurtenissen laten uitvoeren als hij of zij dit nodig acht (artikel 490, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Als er in de loop van het proces redenen zijn om aan te nemen dat een persoon die niet als getuige is opgeroepen, kennis heeft van feiten die belangrijk zijn voor de oplossing van de kwestie, moet de rechter gelasten dat die persoon gedagvaard wordt om een verklaring af te leggen (artikel 526, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De rechter mag ook ambtshalve deskundigen oproepen om bewijs aan te dragen (artikel 477 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De algemene verplichting voor elke persoon tot medewerking aan het vaststellen van de waarheid is neergelegd in artikel 417 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

In beginsel wordt bewijs door de partijen geleverd in geschriften en met name in het inleidend verzoekschrift en in het verweerschrift (bijvoorbeeld artikelen 552 en 572 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Het verzoek om bewijs kan nog worden aangepast tijdens het vooronderzoek en de lijst van getuigen kan tot twintig dagen voor de zitting worden gewijzigd (artikel 598 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De rechter bepaalt tijdens de preliminaire zitting of bij beschikking, naargelang van het geval, welke bewijsmiddelen zijn toegestaan en kunnen worden aangedragen (artikelen 591 en 593 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

In de regel worden bewijzen vergaard tijdens de definitieve behandeling, maar bij wijze van uitzondering kan de rechtbank toestaan dat bewijzen al in een eerder stadium worden geleverd (artikel 419 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Tijdens de definitieve behandeling wordt voor de bewijsgaring de volgende volgorde aangehouden, overeenkomstig artikel 604, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, tenzij de rechter deze volgorde wijzigt:

  • verklaringen van de partijen;
  • presentatie van cinematografische reproducties of geluidsopnamen;
  • mondelinge toelichtingen door de deskundigen;
  • verhoor van getuigen.

Als de rechter na de sluiting van de zitting van mening is niet voldoende geïnformeerd te zijn, kan de rechter de zitting heropenen en de personen horen die hij of zij wil horen of de levering van andere bewijsmiddelen gelasten die nodig zijn (artikel 607, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Het verzoekschrift om bewijs te verkrijgen kan worden afgewezen als het wordt ingediend buiten de termijn die wettelijk voor dit doel is vastgesteld, of als het bewijs niet-ontvankelijk is.

In de volgende gevallen zal het verzoekschrift tot het verkrijgen van bewijs bijvoorbeeld geheel of gedeeltelijk worden afgewezen:

  • als de lijst van getuigen een groter aantal getuigen bevat dan wettelijk toegestaan, worden degenen waardoor de limiet wordt overschreden, als niet toegestaan beschouwd, tenzij de rechter, in uitzonderlijke gevallen, toestaat dat er meer getuigen worden gehoord dan het wettelijk toegestane maximum (artikel 511 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • als de partijen als getuigen worden opgevoerd (artikel 496 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • als de rechter, in de loop van het vooronderzoek, vaststelt dat de getuige niet in staat is om te getuigen (artikel 513 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • als een partij wordt gevraagd te getuigen over feiten waarvoor geen bewijs is toegestaan (artikel 454 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • in het algemeen, als de rechter bij de uitoefening van zijn of haar discretionaire bevoegdheid beslist om bewijs niet in aanmerking te nemen of om de bewijslevering uit te stellen (artikel 6 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Wanneer een bewijsmiddel een aantasting van de lichamelijke of morele integriteit van personen, een inbreuk op het privé- of gezinsleven, huisvredebreuk, een schending van het brief- of telecommunicatiegeheim of een schending van het beroeps-, ambts- of staatsgeheim inhoudt, dan kan de opgeroepen persoon, overeenkomstig artikel 417, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, medewerking met de rechtbank weigeren. Als de weigering berust op een schending van de geheimhoudingsplicht, kan de rechter de nagaan of de weigering rechtmatig is en de persoon in kwestie van de ingeroepen geheimhoudingsplicht ontslaan.

Als een Portugees gerecht wordt gevraagd bewijsmateriaal aan te dragen dat een schending van de geheimhouding zou kunnen inhouden, zou het gerecht van de lidstaat van herkomst in het aanvraagformulier moeten aangeven dat het in een dergelijk geval zou wensen dat het Portugese gerecht het initiatief neemt de ontheffing van de geheimhoudingsplicht in overweging te nemen.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

De verschillende bewijsmiddelen:

  1. bewijs uit rechtsvermoedens (artikel 349 van het burgerlijk wetboek);
  2. bewijs door een bekentenis verkregen door de getuigenis van een partij (artikel 352 van het burgerlijk wetboek);
  3. bewijs door verklaringen van partijen dat afwijkt van het bewijs door bekentenis (artikel 466 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  4. schriftelijk bewijs (artikel 362 van het burgerlijk wetboek en artikel 423, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering); onder schriftelijk bewijs vallen adviezen van advocaten, rechtsgeleerden of technici die niet voortkomen uit een door de rechtbank gelast deskundigenonderzoek (artikel 426 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  5. deskundigenbewijs (artikel 388 van het burgerlijk wetboek en artikel 467, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  6. bewijs door plaatsopneming (artikel 390 van het burgerlijk wetboek en artikel 490, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering); rechterlijke verificatie zonder voorbehoud valt onder bewijs door plaatsopneming (artikel 494 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  7. getuigenbewijs (artikel 392 van het burgerlijk wetboek en artikel 495, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  8. bewijs door gedwongen overlegging van stukken (artikel 416, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Het Portugese burgerlijk procesrecht berust op mondelinge behandeling en onmiddellijkheid, zodat de volgende onderdelen doorgaans tijdens de zitting en de rechtszaak plaatsvinden:

  • de getuigen en partijen worden in persoon gehoord door de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt (artikelen 452, 456, 457, 466, 500, 501, 503, 506, 518 en 520 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering); als zij buiten het rechtsgebied van de rechtbank wonen, worden ze via videoconferentie gehoord; in bijzondere gevallen (bv. ziekte of ernstige moeilijkheden die het verschijnen belemmeren) kunnen zij via de telefoon of een ander door de rechter aangewezen middel voor directe communicatie dan wel schriftelijk worden gehoord of kan de rechter naar hen toe gaan om hen te horen; bij wijze van uitzondering hebben bepaalde getuigen het voorrecht schriftelijk te worden gehoord;
  • de rechter kan deskundigen oproepen om tijdens de zitting mondelinge toelichting te geven; deskundigen van officiële instellingen kunnen ook via videoconferentie vanaf hun werkplek worden gehoord (artikel 486 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • de rechter kan plaatsopnemingen houden of reconstructies gelasten, met medewerking van een technicus, als de rechter dit opportuun acht (artikelen 490 en 492 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • de advocaten houden hun slotpleidooien mondeling voor de rechter.

Deskundigenverslagen, stukken, adviezen en schriftelijke bewijzen in het algemeen, fotografische en cinematografische reproducties, geluidsopnamen en gepresenteerde roerende zaken worden vooraf bij de procedure gevoegd, zodat zij tijdens de zitting aan een contradictoire procedure kunnen worden onderworpen en kunnen worden bestudeerd (artikel 416 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Onroerende en roerende zaken die niet bij de procedure kunnen worden gevoegd, kunnen worden onderworpen aan een persoonlijke verificatie door de rechter tijdens de definitieve behandeling en kunnen zonder voorbehoud aan een vooronderzoek of een verificatie door de rechter worden onderworpen (artikel 416 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

In dringende gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is, kan van elk bewijsmiddel worden gelast dat het vooraf wordt overgelegd (artikel 419 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Wanneer te horen personen in het buitenland wonen, kunnen zij voorafgaand aan de zitting worden ondervraagd, via een rogatoire commissie of, in geval van Portugese onderdanen, via een rogatoir schrijven aan het Portugees consulaat (artikel 500, punt b), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Als er via videoconferentie om bewijs wordt gevraagd uit het buitenland, wordt dit doorgaans tijdens de zitting gepresenteerd.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Ja, de bewijskracht wisselt naargelang van de aard van de bewijsmiddelen (zie het antwoord op vraag 1.3).

Hieronder worden enkele voorbeelden gegeven van bewijsmiddelen die voorrang krijgen boven andere.

Getuigenbewijs is niet ontvankelijk als bij wet wordt bepaald of door de partijen is overeengekomen dat de zakelijke verklaring op schrift moet zijn gesteld of schriftelijk moet worden bewezen (artikel 393, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

Getuigenbewijs is evenmin ontvankelijk wanneer de gebeurtenissen volledig worden bewezen door documenten of door andere middelen met volledige bewijskracht (artikel 393, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

Getuigenbewijs is niet ontvankelijk als het berust op overeenkomsten die indruisen tegen of aanvullend zijn op de inhoud van authentieke of onderhandse documenten met volledige bewijskracht, ongeacht of de overeenkomsten eerder dan, tegelijkertijd met of na het opstellen van het document tot stand zijn gekomen (artikel 394, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

Een schriftelijke gerechtelijke bekentenis heeft volledige bewijskracht tegen de persoon die de bekentenis heeft afgelegd (artikel 358, lid 1, van het burgerlijk wetboek).

Een niet-gerechtelijke bekentenis, in de vorm van een authentiek of onderhands document, wordt als bewezen beschouwd krachtens de voorwaarden die van toepassing zijn op deze documenten, en heeft, als de bekentenis is afgelegd aan de andere partij of haar vertegenwoordiger, volledige bewijskracht (artikel 358, lid 2, van het burgerlijk wetboek).

Een niet-gerechtelijke bekentenis die niet in een document is vervat, mag niet worden bewezen door getuigen in gevallen waarin getuigenbewijs niet ontvankelijk is; wanneer het getuigenbewijs wel wordt toegelaten, beoordeelt de rechter de bewijskracht ervan geheel naar eigen oordeel (artikel 358, lid 3, van het burgerlijk wetboek).

Niet-schriftelijke gerechtelijke bekentenissen en niet-gerechtelijke bekentenissen die worden afgelegd aan een derde of in een testament zijn vervat, kunnen door de rechter geheel naar eigen oordeel in overweging worden genomen (artikel 358, lid 4, van het burgerlijk wetboek).

Een bekentenis vormt geen bewijs tegen de persoon die de bekentenis heeft afgelegd (artikel 354 van het burgerlijk wetboek): als bij wet wordt gesteld dat de bekentenis onvoldoende is of als de bekentenis betrekking heeft op feiten die bij wet niet mogen worden erkend of onderzocht; als de bekentenis gebaseerd is op feiten met betrekking tot onvervreemdbare rechten; als het feit dat bekend wordt onmogelijk is of duidelijk niet bestaat.

Getuigenbewijs op basis van een voorgewende overeenkomst of transactie is niet ontvankelijk wanneer degenen die de overeenkomst of transactie voorwenden, zich erop beroepen (artikel 394 van het burgerlijk wetboek).

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Ja, en wel in de volgende gevallen:

  • als de wet een document met een bepaald formeel karakter vereist in de vorm van een zakelijke verklaring, kan dit document niet worden vervangen door andere bewijsmiddelen of door een ander document, behalve door een document met een grotere bewijskracht (artikel 364, lid 1, van het burgerlijk wetboek);
  • als de wet een speciale formaliteit vereist voor het bestaan of het bewijs van een rechtsfeit, mag dit niet worden genegeerd (artikel 220 van het burgerlijk wetboek).

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Alle personen, ongeacht of ze al dan niet partij zijn bij de zaak, zijn verplicht mee te werken aan het achterhalen van de waarheid door te antwoorden op vragen, zich aan de nodige verificaties te onderwerpen, toelichtingen te geven waar dat van hen verlangd wordt, en de handelingen te verrichten waartoe wordt besloten (artikel 417, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

De volgende getuigen hebben het recht te weigeren te getuigen, behalve in procedures in verband met de geboorte of het overlijden van kinderen (artikel 497, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering):

  • bloedverwanten in de opgaande lijn in geschillen met afstammelingen en adoptief ouders in geschillen met geadopteerde kinderen, en vice versa;
  • een schoonvader of -moeder in geschillen met een schoonzoon of -dochter en vice versa;
  • een van beide echtgenoten of ex-echtgenoten in geschillen waarbij de andere (ex-)echtgeno(o)t(e) partij is;
  • personen die met een van de partijen in een huwelijk volgens gewoonterecht leven of hebben geleefd in omstandigheden vergelijkbaar met die van echtgenoten.

Het is de verantwoordelijkheid van de rechter de bovengenoemde personen te wijzen op hun recht te weigeren te getuigen (artikel 497, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Personen die gebonden zijn door beroeps-, ambts- of staatsgeheim, zijn vrijgesteld van de verplichting om te getuigen voor feiten waarop de geheimhouding van toepassing is (artikel 497, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) .

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Weigering van eedaflegging geldt als weigering om te getuigen. In beide gevallen kan de rechter de getuige beboeten (artikel 417, lid 2, en de artikelen 459 en 513 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Bij ongerechtvaardigde afwezigheid van de getuige kan de rechter de getuige beboeten of diens verschijning gelasten in voorlopige hechtenis (artikel 508, lid 4, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Het afleggen van een valse getuigenis is een misdrijf (artikel 360 van het Portugese wetboek van strafrecht (Código Penal)).

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Personen die geestelijk niet bekwaam zijn om te getuigen inzake de te bewijzen feiten, kunnen geen verklaring afleggen als getuige, maar het is de verantwoordelijkheid van de rechter om te bepalen of zij bekwaam zijn (artikel 495 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Personen die een verklaring kunnen afleggen als partij bij het geschil, mogen niet optreden als getuige (artikel 496 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Personen die handelingsbekwaam zijn, personen die kinderen vergezellen, begeleiders van minderjarigen, rechtspersonen en ondernemingen kunnen een verklaring afleggen als partij, overeenkomstig artikel 453 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Getuigen wonen de definitieve behandeling persoonlijk of via videoconferentie bij (artikel 500 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering), behalve in de volgende omstandigheden:

  • als er een vroegtijdige ondervraging plaatsvindt (dit kan gedaan worden als er sprake is van gefundeerde vrees dat het onmogelijk of zeer lastig kan worden een getuigenis van een bepaalde persoon te verkrijgen);
  • als de ondervraging wordt uitgevoerd via een rogatoire commissie of door middel van een rogatoir schrijven dat aan een Portugees consulaat wordt gestuurd;
  • als de ondervraging plaatsvindt in de woonplaats of op het hoofdkantoor van de dienst waar een persoon werkt (een voorrecht dat op basis van wederkerigheid wordt verleend aan de president van de republiek en aan buitenlandse diplomaten);
  • als het onmogelijk is om voor de rechtbank te verschijnen;
  • als er gebruik wordt gemaakt van het voorrecht om schriftelijk getuigenis af te leggen.

De getuige moet nauwkeurig getuigenis afleggen en daarbij de wetenschappelijke redenen en alle omstandigheden aangeven die zijn of haar kennis van de feiten onderbouwen. De wetenschappelijke reden waarop men zich beroept wordt, voor zover mogelijk, nauwkeurig beschreven en goed gemotiveerd (artikel 516, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De advocaat van de partij die de getuige heeft opgeroepen, ondervraagt de getuige. De advocaat van de andere partij kan, ten aanzien van de feiten waarvoor de getuige is opgeroepen om te getuigen, de noodzakelijke maatregelen nemen om de getuigenis aan te vullen of te verhelderen (artikel 516, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De rechter moet voorkomen dat de advocaten de getuigen met minachting behandelen en hun vragen stellen of opmerkingen maken die irrelevant, suggestief, pijnlijk of beledigend zijn (artikel 516, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De ondervraging en de behandelingen voor de rechtbank worden uitgevoerd door vertegenwoordigers van de partijen, zonder afbreuk te doen aan de toelichtingen waarom de rechter verzoekt, of de mogelijkheid van de rechter om vragen te stellen die de rechter passend acht voor het achterhalen van de waarheid (artikel 516, lid 4, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De rechter neemt de ondervraging zelf op zich wanneer dit nodig is om te zorgen dat de getuige zijn of haar rust bewaart en om een einde te maken aan vervelende omstandigheden (artikel 516, lid 5, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Alvorens antwoord te geven op de gestelde vragen kan de getuige de zaak inzien, vragen om bepaalde stukken te mogen inzien die deel uitmaken van de zaak, of documenten overleggen om zijn of haar bewijzen te staven; alleen documenten die de desbetreffende partij niet had kunnen verstrekken worden in ontvangst genomen en bij de zaak gevoegd (artikel 516, lid 6, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Ja, vooral in gevallen zoals voorzien in de volgende artikelen van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering:

  • 421 – grenzen van de waarde van bewijsmateriaal buiten de procedure om;
  • 444, 446 et 451 – betwisting van documenten, weerlegging van de authenticiteit ervan en valsheid van gerechtelijke documenten;
  • 464 – verzoek tot nietigverklaring van bekentenissen;
  • 490 – inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, het gezinsleven en de menselijke waardigheid;
  • 514 – betwist getuigenbewijs om dezelfde redenen als die waarom de rechter bezwaar moet maken tegen de getuigenis.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Ja, bewijs door bekentenis houdt de erkenning in dat de partij een feit heeft aangevoerd dat in haar nadeel is en in het voordeel van de tegenpartij, en dit wordt verkregen door de getuigenis van een partij (artikel 352 van het burgerlijk wetboek en artikel 452 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Hetzelfde geldt voor de verklaringen van een partij waar de partijen om kunnen verzoeken tot aan het begin van de bewijsvoering in eerste aanleg, en die betrekking hebben op feiten waarbij de partijen persoonlijk betrokken zijn geweest of waarover ze directe kennis hebben (artikel 466, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De rechter beoordeelt de verklaringen van de partijen geheel naar eigen oordeel, tenzij het een bekentenis betreft (artikel 466, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 2.6.

Nuttige links

Burgerlijk wetboek

Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

Laatste update: 22/11/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.