Securing assets during a claim in EU countries

It may be that you want measures to be taken quickly in a Member State other than where your main case is pending without waiting for a final judgment to be given.

It could be that you have started an action in the courts, but proceedings are slow and you are feeling rather put off.  You fear that your debtor will take advantage of the long-drawn-out procedures and the various redress facilities to escape his/her creditors before judgment is actually given. For example, s/he might be tempted to organise her/his own insolvency or to transfer assets. If so, it is in your interests to apply to the court for interim measures.

With the European Account Preservation Order (EAPO), a court in one EU country can freeze funds in the bank account of a debtor in another EU country. The procedure may be used in cross-border cases only, whereby the court carrying out the procedure or the domicile of the creditor must be in a different Member State than the one in which the debtor's account is maintained.

The court may order interim or precautionary measures against the debtor's assets. The purpose of all these measures is to anticipate the final judgment on the merits for a certain period so as to ensure that it will be possible to enforce it.

However there are quite substantial differences in the conditions for ordering these measures in the Member States.

Please select the relevant country's flag to obtain detailed national information.

Last update: 27/07/2022

This page is maintained by the European Commission. The information on this page does not necessarily reflect the official position of the European Commission. The Commission accepts no responsibility or liability whatsoever with regard to any information or data contained or referred to in this document. Please refer to the legal notice with regard to copyright rules for European pages.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - België

1 De verschillende soorten maatregelen

Bewarende maatregelen hebben tot doel het behoud van rechten te waarborgen. In de praktijk kan de schuldeiser zich met deze maatregelen wapenen tegen het risico dat hij niet wordt betaald door zijn schuldenaar.

Indien zuiver bewarende maatregelen niet volstaan, kan de rechter voorlopige maatregelen gelasten die vergelijkbare gevolgen hebben als de beslissing die in de rechtspleging ten gronde wordt verwacht. De definitieve uitspraak kan deze voorlopige maatregelen bekrachtigen of ongedaan maken.

Voorlopige en bewarende maatregelen kunnen door de rechter worden opgelegd met betrekking tot de goederen van de schuldenaar. Voor het verhalen van schulden geldt het principe dat een schuldenaar hiervoor instaat met al zijn roerende (geld, meubelen, juwelen, aandelen) en onroerende (grond, gebouwen, woonhuis) goederen. De schuldeiser kan ook aanspraak maken op de rechten die zijn schuldenaar heeft (tegoeden, loon).

1.1. Bewarende maatregelen

A. Bewarend beslag

Iedere schuldeiser kan in spoedeisende gevallen aan de rechter toestemming vragen om op de voor beslag vatbare goederen van zijn schuldenaar bewarend beslag te leggen (artikel 1413 Ger.W.). De schuldenaar kan niet meer vrij beschikken over de goederen die onder bewarend beslag zijn geplaatst. Hij kan deze goederen dus niet meer verkopen, wegschenken of bezwaren met een hypotheek. Deze beschikkingsonbevoegdheid heeft slechts een relatieve werking: zij geldt uitsluitend ten behoeve van de beslagleggende schuldeiser. De schuldenaar blijft wel eigenaar van de goederen en behoudt de genotsrechten op de goederen.

B. Sekwester

Sekwester is de bewaargeving van zaken waarover een geschil aanhangig is en die behouden moeten blijven tot de definitieve uitspraak (artikel 1955 e.v. BW). Sekwester wordt hetzij bij overeenkomst tussen de partijen bedongen (conventioneel), hetzij door de rechter bevolen (gerechtelijk). In tegenstelling tot de gewone bewaargeving kan het sekwester ook onroerende goederen tot voorwerp hebben (artikel 1959 BW).

C. Inventaris

Het opmaken van een inventaris heeft tot doel de omvang van een nalatenschap, een huwelijksgemeenschap of een onverdeeldheid te bepalen (artikel 1175 Ger.W.). Een inventaris wordt opgemaakt op verzoek van een schuldeiser, een echtgeno(o)t(e) of een erfgenaam. De personen die verzoeken om het opmaken van een inventaris, hebben het recht om de notaris te kiezen die de lijst van goederen opneemt in een authentieke akte. Indien zij niet tot overeenstemming komen, wijst de vrederechter de notaris aan (artikel 1178 Ger.W.). Indien er geschillen rijzen, is de vrederechter bevoegd om deze te beslechten.

D. Verzegeling

Verzegeling heeft tot gevolg dat goederen feitelijk onbeschikbaar worden. Indien een ernstig belang dit vereist, kan een schuldeiser, een echtgeno(o)t(e) of een erfgenaam de verzegeling vorderen van voorwerpen die tot het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, tot een nalatenschap of tot een onverdeeldheid behoren (artikel 1148 Ger.W.). De verzegeling geschiedt door de vrederechter. De vrederechter kan overgaan tot de ontzegeling op verzoek van de verzegelaar zelf of van een schuldeiser, een echtgeno(o)t(e) of een erfgenaam. In het geval van verzet tegen de ontzegeling is het ook aan de vrederechter om uitspraak te doen.

1.2. Voorlopige maatregelen

Voorlopige maatregelen of maatregelen bij voorraad zijn maatregelen die herroepbaar en niet‑onomkeerbaar zijn. Zij worden opgelegd in kort geding of in een rechtspleging ten gronde.

1.3. Voorlopige tenuitvoerlegging

Voorlopige tenuitvoerlegging of tenuitvoerlegging bij voorraad is onder strikte voorwaarden mogelijk na een vonnis dat nog niet in kracht van gewijsde is getreden.

Behoudens de uitzonderingen die in de wet zijn vastgesteld of tenzij de rechter bij een met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt en onverminderd artikel 1414, schorst verzet tegen eindvonnissen daarvan de tenuitvoerlegging.

Behoudens de uitzonderingen die in de wet zijn vastgesteld of tenzij de rechter bij een met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt en onverminderd artikel 1414, zijn de eindvonnissen uitvoerbaar bij voorraad, zulks niettegenstaande hoger beroep en zonder zekerheidsstelling indien de rechter deze niet heeft bevolen (artikel 1397 Ger.W.).

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

A. Bewarend beslag

Een persoon die over een vonnis beschikt, zelfs indien dat van buitenlandse oorsprong is, mag een gerechtsdeurwaarder opdragen bewarend beslag te leggen op de goederen van de persoon op wie de rechterlijke uitspraak betrekking heeft. Bij gebrek aan een vonnis, is de interventie van de rechterlijke macht noodzakelijk om bewarend beslag te kunnen leggen.

Vorderingen worden voor de beslagrechter ingeleid en behandeld zoals in kort geding (artikel 1395 Ger.W.). De termijn van dagvaarding bedraagt ten minste twee dagen, maar kan worden verkort in spoedeisende gevallen.

Een eenzijdig verzoekschrift tot bewarend beslag wordt door de advocaat neergelegd bij de beslagrechter die machtiging kan verlenen tot het leggen van bewarend beslag. De beslagrechter moet binnen acht dagen uitspraak doen bij beschikking. Deze beschikking dient vervolgens samen met het beslagexploot te worden betekend door de gerechtsdeurwaarder aan de beslagene zodat deze op de hoogte wordt gesteld van het beslag.

De beschikking is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad en heeft slechts een relatief gezag van gewijsde. De beslagrechter kan de beschikking steeds wijzigen of intrekken op grond van veranderde omstandigheden. Het tarief van de gerechtsdeurwaarders is vastgesteld in het Koninklijk Besluit van 30 november 1976 (B.S. van 8 februari 1977).

B. Sekwester

Bij conventioneel sekwester volstaat een geldige overeenkomst tussen partijen en is er geen interventie van de rechter vereist. Gerechtelijk sekwester daarentegen wordt bevolen door de rechter.

In beide gevallen wordt er een gerechtelijke bewaarder aangesteld, hetzij bij overeenkomst, hetzij door de rechter. Deze moet als een goede huisvader zorgen voor het behoud van de zaak die hem is toevertrouwd. Tevens heeft hij de plicht om de zaak terug te geven indien het sekwester wordt beëindigd. Hij heeft recht op een bij wet bepaald loon (artikel 1962, derde alinea, BW).

C. Voorlopige maatregelen

Voorlopige maatregelen moeten steeds bij de rechter worden aangevraagd, hetzij in kort geding, hetzij in een rechtspleging ten gronde. Ook een arbiter kan voorlopige maatregelen bevelen (artikel 1696 Ger.W.).

De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet in spoedeisende gevallen bij voorraad uitspraak in alle zaken die niet door de wet aan de rechterlijke macht zijn onttrokken (artikel 584, eerste alinea, Ger.W.). "Bij voorraad" betekent dat de uitspraak slechts voorlopig is en geen definitieve en onomkeerbare gevolgen mag sorteren. Ook de voorzitter van de rechtbank van koophandel en de voorzitter van de arbeidsrechtbank kunnen bij voorraad uitspraak doen over spoedeisende aangelegenheden indien die onder hun respectieve bevoegdheden vallen.

De uitspraak in kort geding mag geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf (het bodemgeschil), hetgeen betekent dat het gezag van gewijsde van de uitspraak relatief is. De rechter van het bodemschil mag er geenszins door worden gebonden, vandaar dat de rechter in kort geding enkel voorlopige maatregelen mag treffen.

Zo is de voorzitter van de familierechtbank tijdens een echtscheidingsprocedure bevoegd om voorlopige maatregelen te treffen inzake de persoon, de goederen en het levensonderhoud van zowel de echtgenoten als de kinderen (artikel 1280, eerste alinea, Ger.W.).

De tegenpartij wordt via de gerechtsdeurwaarder formeel op de hoogte gebracht van de gelaste maatregelen en wordt uitgenodigd om deze, desnoods onder dwang van de politiediensten en/of verbeurte van een dwangsom, na te leven. Het tarief van de gerechtsdeurwaarders is vastgesteld in het Koninklijk Besluit van 30 november 1976 (B.S. van 8 februari 1977).

Rechtsprekend in eerste aanleg kan de vrederechter dringende voorlopige maatregelen opleggen voor de duur van het samenwonen van gehuwden of wettelijk samenwonenden wanneer de verstandhouding tussen de partners is verstoord, bijvoorbeeld omtrent de gezinswoning of de persoon en de goederen van de kinderen. Deze maatregelen zijn slechts voorlopig en eindigen wanneer de partijen niet meer samenwonen. Ze kunnen in het geval van gehuwden geen permanente basis vormen voor een echtscheiding. De rechtbank van eerste aanleg moet uitspraak doen over een eventuele definitieve regeling van de echtscheiding.

D. Voorlopige tenuitvoerlegging

Een vonnis vormt een uitvoerbare titel. Zolang het vonnis niet in kracht van gewijsde is getreden, is het nog niet vatbaar voor tenuitvoerlegging. Behoudens de uitzonderingen die in de wet zijn vastgesteld of tenzij de rechter bij een met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt, wordt de tenuitvoerlegging immers geschorst zolang de mogelijkheid bestaat tot het aantekenen van verzet; de mogelijkheid om hoger beroep of een voorziening in cassatie in te stellen heeft echter geen schorsende werking (artikel 1397 Ger.W.).

De rechter die het eindvonnis heeft gewezen, kan de voorlopige tenuitvoerlegging van dat vonnis toestaan behalve in door de wet verboden gevallen (artikel 1399 Ger.W.), zoals in het geval van eindvonnissen inzake de staat van personen.

Indien de voorlopige tenuitvoerlegging kan geschieden, gebeurt de uitvoering op risico van de eiser. De rechter kan facultatief aan deze uitvoerbaarheid bij voorraad een voorwaarde verbinden, meer bepaald door middel van een zekerheidstelling door de eiser (artikel 1400 Ger.W.). De eiser kan de uitvoering aanvatten, maar hij is verplicht bij de Deposito- en Consignatiekas een bedrag te storten of een bankwaarborg te verstrekken. Het is immers mogelijk dat het vonnis in hoger beroep wordt herzien en dat de verweerder recht heeft op een schadevergoeding.

2.2 De basisvereisten

A. Bewarend beslag

Bewarend beslag kan enkel worden gelegd in spoedeisende gevallen én indien de schuldvordering zeker, vaststaand en eisbaar is.

Spoedeisendheid of urgentie impliceert dat de solvabiliteit van de schuldenaar in het gedrang komt zodat de aanspraken van de schuldeiser op het vermogen van de schuldenaar gevaar lopen. Het bewarend beslag kan niet louter worden aangewend als pressiemiddel, maar is gewettigd telkens als naar objectieve maatstaven de financiële situatie van de schuldenaar in gevaar komt. De spoedeisendheid moet bestaan zowel op het tijdstip waarop het beslag wordt gelegd als op het ogenblik waarop de rechter over de handhaving van het beslag dient te oordelen.

De schuldvordering van de eiser moet zeker zijn, hetgeen betekent dat de vordering een voldoende schijn van gegrondheid heeft en niet voor redelijke betwisting vatbaar is. Tevens moet de schuldvordering vaststaand zijn. Het bedrag van de schuldvordering moet immers bepaald zijn of minstens vatbaar zijn voor voorlopige raming. Indien de schuld nog niet precies vaststaat, zal zij door de beslagrechter worden geraamd. Tot slot is er het vereiste van eisbaarheid; de schuldeiser moet gerechtigd zijn om de nakoming van zijn schuldvordering te vorderen. In artikel 1415 Ger.W. wordt deze voorwaarde genuanceerd, zodat ook schuldvorderingen inzake te vervallen periodieke inkomsten (alimentatie, huurgelden, rente) en zelfs voorwaardelijke en eventuele vorderingen in aanmerking komen voor bewarend beslag.

B. Sekwester

Het gerechtelijk sekwester kan door de rechter worden bevolen voor roerende goederen die bij een schuldenaar in beslag zijn genomen, voor onroerende of roerende goederen waarvan de eigendom of het bezit tussen twee of meer personen in geschil is, en voor zaken die een schuldenaar tot kwijting van zijn schuld aanbiedt (artikel 1961 BW). In het algemeen geldt deze regel telkens wanneer de omstandigheden van de zaak sekwester als een vorm van bewarende maatregel rechtvaardigen teneinde de zaken in hun bestaande toestand te behouden zonder een eindoplossing in het gedrang te brengen. Er wordt geen rekening gehouden met de spoedeisendheid. De rechter zal het sekwester nochtans voorzichtig hanteren als een ernstige en uitzonderlijke maatregel die alleen kan worden toegestaan indien er daartoe voldoende gewichtige redenen zijn.

C. Voorlopige maatregelen

Een zaak kan enkel in kort geding worden behandeld wanneer deze zo dringend is dat indien er niet onmiddellijk een regeling zou worden getroffen, de eiser schade van een zekere omvang zou lijden of ernstige ongemakken zou ondervinden. Spoedeisendheid is dus een cruciaal vereiste om een kort geding te mogen aanspannen.

Ook voorlopige maatregelen in een rechtspleging ten gronde moeten een spoedeisend karakter hebben. Daarom wordt er ook gesproken van "dringende voorlopige maatregelen", die gevorderd kunnen worden bij de vrederechter.

D. Voorlopige tenuitvoerlegging

Het criterium voor de rechter om al dan niet een voorlopige tenuitvoerlegging toe te staan, is het risico dat de tegenpartij de uitvoering van het vonnis nodeloos vertraagt of onmogelijk maakt voor de eiser. Indien de tegenpartij hoger beroep of verzet aantekent louter om de uitvoering van het vonnis te ontlopen, vormt dat een aanleiding om de voorlopige tenuitvoerlegging te vorderen bij de rechter die het vonnis heeft uitgesproken. In bepaalde gevallen is voorlopige tenuitvoerlegging echter verboden (zie hierboven).

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

A. Bewarend beslag

Alle soorten goederen (roerende, onroerende, onlichamelijke) komen in aanmerking om in beslag te worden genomen. Bepaalde goederen mogen echter niet (of slechts gedeeltelijk) in beslag worden genomen. Het niet voor beslag vatbaar zijn, vloeit voort hetzij uit de wet, hetzij uit de aard van het goed, hetzij uit de verbondenheid van het goed met de persoon van de schuldenaar.

In artikel 1408 Ger.W. is vastgesteld welke goederen er niet in beslag mogen worden genomen. Samengevat betreft het de strikt noodzakelijke goederen van de schuldenaar, voorwerpen nodig voor de voortzetting van de studies of voor de beroepsopleiding van de beslagene of van zijn kinderen, beroepsgoederen van de beslagene, voorwerpen bestemd tot de eredienst, levensmiddelen en brandstoffen. In artikel 1410, § 2, Ger.W. zijn de uitkeringen vermeld die in geen geval in beslag mogen worden genomen. Het betreft onder andere de gezinsbijslagen en het leefloon.

Het loon en de hiermee gelijkgestelde inkomsten van de beslagene zijn slechts gedeeltelijk vatbaar voor beslag. De betrokken bedragen zijn vastgesteld in artikel 1409, § 1, Ger.W. en worden jaarlijks bij Koninklijk Besluit aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen. Artikel 1410, § 1, Ger.W. breidt het toepassingsgebied van de gedeeltelijk beslagbare bedragen uit tot onder andere alimentatiegelden, pensioenen en werkloosheids-, arbeidsongevallen- en invaliditeitsuitkeringen.

Goederen die voor inbeslagneming in aanmerking komen, worden door de gerechtsdeurwaarder aangeduid door vermelding in een proces-verbaal met het oog op een eventuele latere verkoop, tenzij er via de gerechtsdeurwaarder een overeenkomst met de schuldeiser kan worden gesloten. Het is op straffe van strafrechtelijke vervolging ten strengste verboden om de goederen te laten verdwijnen die door een gerechtsdeurwaarder zijn aangeduid.

B. Sekwester

Het gerechtelijk sekwester kan door de rechter worden bevolen voor roerende goederen die bij een schuldenaar in beslag zijn genomen, voor onroerende of roerende goederen waarvan de eigendom of het bezit tussen twee of meer personen in geschil is, en voor zaken die een schuldenaar tot kwijting van zijn schuld aanbiedt (artikel 1961 BW).

C. Voorlopige maatregelen

In kort geding komen alle types van zaken in aanmerking om voorlopig te worden beslecht. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg is bevoegd voor alle gemeenrechtelijke burgerlijke geschillen. Arbeidszaken en handelszaken moeten bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel aanhangig worden gemaakt.

De familierechtbank kan dringende voorlopige maatregelen opleggen voor de duur van het samenwonen, bijvoorbeeld omtrent de gezinswoning of de persoon en de goederen van de kinderen. Dit geldt enkel voor gehuwden (artikel 223, eerste alinea, BW) en voor wettelijk samenwonenden (artikel 1479, eerste alinea, BW), niet voor feitelijk samenwonenden.

D. Voorlopige tenuitvoerlegging

In beginsel kunnen alle vonnissen voorlopig ten uitvoer worden gelegd indien de rechter dat toestaat, behalve in door de wet verboden gevallen (artikel 1399 Ger.W.).

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

A. Bewarend beslag

De beslagene verliest niet de eigendom en de genotsrechten (gebruik, verhuur, opbrengst, vruchten) van de onder bewarend beslag geplaatste goederen. Hij mag deze goederen enkel niet vervreemden of bezwaren met een hypotheek. Deze beschikkingsonbevoegdheid heeft als gevolg dat alle handelingen die de beslagene stelt in strijd met deze onbevoegdheid wel geldig zijn, maar geen werking hebben ten aanzien van de beslaglegger. De beslaglegger moet er dus geen rekening mee houden en mag doen alsof deze handelingen niet bestaan.

B. Sekwester

Sekwester betekent, net zoals een gewone bewaargeving, het materiële bezit van een goed overdragen aan de bewaarnemer. De bewaarnemer mag enkel bewarende handelingen verrichten.

C. Voorlopige maatregelen

Niet van toepassing.

D. Voorlopige tenuitvoerlegging

Voorlopige tenuitvoerlegging heeft als gevolg dat het vonnis wordt uitgevoerd ondanks de mogelijkheid van herziening van het vonnis in hoger beroep of na verzet. De eiser draagt het risico van de tenuitvoerlegging (zie hierboven).

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

A. Bewarend beslag

Het bewarend beslag is beperkt geldig in de tijd, d.w.z. in beginsel voor drie jaar. De beslagrechter mag een kortere termijn vaststellen. Het beslag kan worden hernieuwd zolang de eerste termijn loopt. De hernieuwing – die in feite een verlenging van de bestaande termijn is – wordt toegestaan indien er gegronde redenen zijn en er nog steeds sprake is van spoedeisendheid.

B. Sekwester

In de wet is er geen limiet vastgesteld voor de termijn waarvoor het sekwester geldt. Indien er geen risico meer bestaat dat de zaken niet in hun bestaande toestand behouden kunnen blijven en een eindoplossing niet langer in het gedrang komt, wordt het sekwester opgeheven.

C. Voorlopige maatregelen

In de wet is er geen geldigheidsduur voor voorlopige maatregelen vastgesteld. In een definitieve uitspraak over het geschil kunnen de voorlopige maatregelen worden bekrachtigd of ongedaan worden gemaakt.

D. Voorlopige tenuitvoerlegging

Niet van toepassing.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

A. Bewarend beslag

Tegen een beschikking van de beslagrechter die de beslaglegging weigert toe te staan, kan de beslaglegger hoger beroep instellen binnen een maand na de kennisgeving van de beschikking (artikel 1419, eerste alinea, Ger.W. en artikel 1031 Ger.W.). De zaak wordt op dezelfde manier behandeld als voor de eerste rechter; het arrest wordt in raadkamer gewezen. Wordt het beslag toegestaan in hoger beroep, dan moet de beslagene die tegen het beslag wil opkomen de zaak bij wijze van derdenverzet bij het hof van beroep aanhangig maken.

Tegen een beschikking van de beslagrechter waarbij toestemming tot bewarend beslag wordt verleend, kan de beslagene of iedere belanghebbende partij derdenverzet aantekenen (artikel 1419 Ger.W.). Het derdenverzet moet worden ingesteld binnen een maand vanaf de betekening van de beschikking tot toestemming en wordt gebracht voor de rechter die de bestreden beslissing heeft gewezen (artikel 1125 Ger.W.). Tenzij de beslagrechter de schorsing van de tenuitvoerlegging toestaat, heeft het derdenverzet geen schorsende werking.

B. Sekwester

Niet van toepassing in het geval van sekwester bedongen tussen partijen.

Gerechtelijk sekwester is een beslissing van een rechter waartegen rechtsmiddelen mogelijk zijn conform de regeling van het Gerechtelijk Wetboek.

C. Voorlopige maatregelen

Iedere partij die door een beschikking in kort geding is benadeeld, heeft de mogelijkheid om hoger beroep of verzet aan te tekenen. Hoger beroep tegen een beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of van de rechtbank van koophandel, wordt behandeld door het hof van beroep. Hoger beroep tegen een beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank moet worden ingesteld bij het arbeidshof.

De termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen bedragen een maand vanaf de betekening van de beschikking in het geval dat de rechtspleging werd ingeleid per dagvaarding of vrijwillige verschijning, en een maand na de kennisgeving van de beschikking bij gerechtsbrief in het geval dat de beschikking werd gewezen op eenzijdig verzoekschrift.

D. Voorlopige tenuitvoerlegging

Er kan geen hoger beroep worden aangetekend tegen voorlopige tenuitvoerlegging. De rechter in hoger beroep kan immers in geen geval de tenuitvoerlegging van een vonnis verbieden of schorsen (artikel 1402 Ger.W.).

Laatste update: 24/10/2019

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Bulgarije

1 De verschillende soorten maatregelen

De gerechtelijke procedure wordt doorgaans gekenmerkt door de min of meer lange duur ervan. Door die lange duur, die het gevolg is van de noodzaak om verschillende stappen en processen te doorlopen, is de verlangde rechtsbescherming soms niet doeltreffend vanwege de tijd die de rechter nodig heeft om het geschil te beslechten en het feit dat de betrokken uitspraak als gevolg daarvan pas laat rechtsgevolgen heeft. Daarom heeft de wetgever een reeks maatregelen vastgesteld om de doeltreffendheid van de verlangde rechtsbescherming te garanderen door de uitoefening van bepaalde eigendomsrechten door de gedaagde te beperken.

De voorlopige maatregelen die kunnen worden getroffen om een vordering zeker te stellen zijn neergelegd in de artikelen 389 tot en met 404 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Grazhdanski protsesualen kodeks).

Volgens artikel 391 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering zijn voorlopige maatregelen toegestaan wanneer het zonder die maatregelen voor de eiser onmogelijk of heel moeilijk zou worden om zijn uit de rechterlijke beslissing voortvloeiende rechten uit te oefenen en wanneer: a) de rechtsvordering wordt ondersteund door overtuigend schriftelijk bewijs, of b) er een zekerheid wordt gesteld waarvan het bedrag door de rechter wordt bepaald op grond van de artikelen 180 en 181 van de Wet inzake verbintenissen en overeenkomsten (Zakon za zadalzheniata i dogovorite). Het bestaan van overtuigend schriftelijk bewijs verhindert niet dat de rechter naar eigen inzicht kan verlangen dat er een zekerheid moet worden gesteld.

Het risico dat de eiser niet in staat is de rechten uit te oefenen die voortvloeien uit een rechterlijke beslissing – naar aanleiding van een gegrond lijkende vordering – is een fundamentele en noodzakelijke voorwaarde voor het toestaan van voorlopige maatregelen door de rechter.

Alvorens voorlopige maatregelen toe te staan, moet de rechter zich ervan vergewissen dat is voldaan aan de volgende voorwaarden: de noodzaak van de voorlopige maatregelen, de gegrondheid van de rechtsvordering, de geschiktheid van de door de eiser voorgestelde voorlopige maatregel, en de evenredigheid daarvan met het specifieke geval en met de verlangde rechtsbescherming.

Volgens artikel 397, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering zijn de volgende voorlopige maatregelen toegestaan:

  1. de inbeslagneming van onroerende goederen,
  2. voorlopig beslag op roerende goederen en vorderingen, met inbegrip van aandelen in een onderneming,
  3. en overige maatregelen die de rechter passend vindt, met inbegrip van de inbewaringstelling (sekwestratie) van een voertuig en opschorting van een executieprocedure.

Ook kan de rechter verschillende voorlopige maatregelen opleggen ter hoogte van de waarde van het geschil (en niet meer, aangezien dat niet noodzakelijk is).

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Op grond van de bepalingen van artikel 34 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering zijn voorlopige maatregelen toegestaan:

  1. krachtens artikel 389 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering – voor alle soorten rechtsvorderingen in elke fase van de gerechtelijke procedure vóór de afronding van het vooronderzoek in een beroepsprocedure;
  2. krachtens artikel 390 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering – voor alle soorten rechtsvorderingen ook voordat deze aanhangig worden gemaakt bij de rechter (d.w.z. voor toekomstige vorderingen).

Verzoek om voorlopige maatregelen in kort geding in een lopende zaak:

Het verzoek moet door de eiser worden ingediend bij de rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. De rechter mag alleen toestemming geven voor de voorlopige maatregelen als er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 391 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering: de principiële gegrondheid van de rechtsvordering, de noodzaak om voorlopige maatregelen te treffen (dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een risico voor de eiser dat er niet wordt voldaan aan zijn aanspraken indien deze bevestigd zouden worden omdat de verweerder zijn voor beslag vatbare goederen heeft vervreemd), en de evenredigheid van de gespecificeerde maatregel. Indien er onvoldoende bewijs is, kan de rechter naar eigen inzicht bepalen dat er een geldelijke zekerheid moet worden gesteld en stelt hij het bedrag hiervan vast op basis van artikel 391, leden 2 en 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

De opschorting van de gerechtelijke procedure hoeft de rechter er niet van te weerhouden om toestemming te geven voor de voorlopige maatregelen.

Verzoek om voorlopige maatregelen in kort geding met het oog op een toekomstige rechtsvordering:

Het verzoek moet worden ingediend bij de rechtbank van het rechtsgebied waar de eiser zijn woonplaats heeft of van de plaats waar de goederen die het voorwerp van de voorlopige maatregelen zijn zich bevinden. Wanneer de voorlopige maatregelen gericht zijn op de opschorting van een executieprocedure, wordt het verzoek in kort geding ingediend bij de rechtbank van de plaats van executie.

In verband met de verlening van voorlopige maatregelen met het oog op een toekomstige rechtsvordering bepaalt de rechter een termijn voor de indiening van de rechtsvordering, die niet langer mag zijn dan een maand. In dit geval zijn de materiële voorwaarden voor ontvankelijkheid gelijk aan die voor de verlening van voorlopige maatregelen in een lopende zaak.

In het verzoek moeten de verlangde voorlopige maatregel(en) en de waarde van het geschil worden vermeld. Het verzoek moet worden ingediend bij de districtsrechtbank (rayonen sad) of bij de (hogere) provinciale rechtbank (okrazhen sad), afhankelijk van de territoriale en materiële bevoegdheidsverdeling overeenkomstig artikel 104 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

Het verzoek kan worden ingediend door de betrokken persoon of door zijn vertegenwoordiger in rechte (een advocaat). Van het verzoek hoeft geen afschrift te worden verstrekt, omdat het verzoek in een kort geding (dat een niet-contradictoire procedure is, d.w.z. een procedure die wordt uitgevoerd zonder dat de andere partij – voor wier vermogen de maatregelen gevolgen zullen hebben – eraan deelneemt) niet aan de tegenpartij wordt betekend.

De door de rechter verleende voorlopige maatregelen worden uitgevoerd door middel van:

  • inbeslagneming van onroerende goederen – via het beslagregister;
  • conservatoir beslag op roerende goederen en vorderingen van de schuldenaar – dit wordt uitgevoerd door een openbare of particuliere gerechtsdeurwaarder, met inbegrip van de kennisgeving door hem aan derden, bijvoorbeeld een bank of een andere financiële instelling;
  • sekwestratie van een voertuig – door de bevoegde diensten van de verkeerspolitie;
  • opschorting van een executieprocedure – in dit geval moet een afschrift van de bevestigende uitspraak van de rechter worden verstrekt aan de gerechtsdeurwaarder die de executieprocedure heeft ingesteld;
  • overige wettelijke maatregelen – door een openbare of particuliere deurwaarder, die is gekozen door de betrokken persoon.

De wet inzake insolventie van banken (Zakon za bankovata nesastoyatelnost), als speciale wet, voorziet echter uitdrukkelijk in voorlopige maatregelen in verband met vorderingen in verband met de aanvulling van de failliete boedel van een bank. Ingevolge artikel 53, lid 2 van de wet inzake insolventie van banken kunnen voorlopige maatregelen worden verleend wanneer het verzoek wordt ondersteund door voldoende bewijs om te kunnen aannemen dat de vordering gerechtvaardigd is. Wanneer de vordering waarschijnlijk is gerechtvaardigd, staat het algemene recht toe dat er voorlopige maatregelen worden genomen indien er een garantie wordt verstrekt, terwijl de speciale wet de waarschijnlijke rechtvaardiging ziet als een sine qua non voor de verlening van voorlopige maatregelen. Daarom moet een conservatoire maatregel worden verleend wanneer de argumenten en het overgelegde bewijsmateriaal de conclusie rechtvaardigen dat de vordering waarschijnlijk niet ongerechtvaardigd is. Dit is begrijpelijk, aangezien de partij die om de conservatoire maatregelen vraagt krachtens artikel 403 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering aansprakelijk is voor de door de maatregelen veroorzaakte schade voor de tegenpartij. De wetgever erkent dat de verplichting om dergelijke schade te vergoeden niet mag ontstaan in het vermogen van een insolvente bank (omdat dit de failliete boedel zou uithollen en schade zou toebrengen aan schuldeisers) en heeft daarom de eis gesteld dat conservatoire maatregelen alleen mogen worden verleend als er voldoende bewijsmateriaal wordt verstrekt om de waarschijnlijke rechtvaardiging ervan aan te tonen.

Overeenkomstig artikel 629 bis, lid 1, punt 2, van de handelswet (Targovski zakon) kunnen de in artikel 630, lid 1, punt 4, van de handelswet bedoelde maatregelen worden verleend als conservatoire maatregel in insolventieprocedures indien dit nodig is om het vermogen van de schuldenaar te behouden. Deze maatregelen omvatten beslaglegging, de benoeming van een voorlopige curator, schorsing van hangende executieprocedures, verzegeling van gebouwen, uitrusting, enz. De regel in kwestie veronderstelt dat het verzoekschrift uit hoofde van artikel 625 van de handelswet ontvankelijk moet zijn en moet worden ondersteund door schriftelijk bewijs waaruit de waarschijnlijke manifestatie van de aan de vordering ten grondslag liggende feiten blijkt. Indien dat bewijsmateriaal ontbreekt, moet de verzoeker zekerheid stellen ten belope van een door de rechter vastgesteld bedrag om de schuldenaar te vergoeden voor de schade die wordt veroorzaakt in geval niet wordt vastgesteld dat de schuldenaar insolvent is of een te zware schuldenlast heeft (artikel 629 bis, lid 2, van de handelswet) en moet er een belang zijn bij de conservatoire maatregelen: wanneer de schuldenaar zijn of haar vermogen verkwist, vernietigt en/of verbergt en daardoor de belangen van schuldeisers in gevaar brengt, en tenzij de gevraagde maatregelen worden opgelegd, kunnen schuldeisers schade lijden omdat zij hun vordering niet gestand kunnen doen wanneer het vermogen van de schuldenaar in geld wordt uitgedrukt. De wet schrijft ook voor dat een conservatoire maatregel adequaat en relevant moet zijn.

Uit artikel 629 bis, lid 1, van de handelswet kan worden afgeleid dat ex-antemaatregelen in een procedure voor de inleiding van een insolventieprocedure slechts kunnen worden verleend indien er een reëel risico bestaat dat de schuldenaar zijn of haar vermogen afstoot om schuldeisers schade toe te brengen. Alleen indien deze voorwaarde bestaat, moet de rechter nagaan of de andere voorwaarden van artikel 629 bis, lid 2, van de handelswet ook zijn vervuld.

2.2 De basisvereisten

De materiële voorwaarden voor de verlening van voorlopige maatregelen (zoals hierboven beschreven) zijn vastgesteld in artikel 391 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

De voorlopige maatregelen met betrekking tot een verzoek inzake een onderhoudsplicht worden onafhankelijk van de eisen van artikel 391 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering goedgekeurd. In dat geval kan de rechter ambtshalve voorlopige maatregelen vaststellen.

Ook kan de rechter toestemming verlenen voor gedeeltelijke voorlopige maatregelen – zij het alleen met betrekking tot onderdelen van de vordering die worden gestaafd door voldoende bewijs.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

In het algemeen kunnen voorlopige maatregelen worden toegepast op alle activa van de schuldenaar. Voorlopige maatregelen die erop gericht zijn om de betaling van een geldvordering te garanderen door inbeslagneming van niet-opeisbare vorderingen, zijn niet toegestaan.

Op basis van artikel 393, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering verleent de rechter geen voorlopige maatregelen die erop gericht zijn om de betaling van een geldvordering op de staat, overheidsinstanties of instellingen voor de gezondheidszorg te garanderen, in overeenstemming met artikel 5, lid 1, van de wet betreffende openbare gezondheidszorginstellingen.

Op de volgende activa kunnen voorlopige maatregelen worden toegepast:

  • vorderingen op de gedaagde van kredietinstellingen op bij hen geopende bankrekeningen,
  • roerende goederen,
  • onroerende goederen,
  • auto’s, die kunnen worden gesekwestreerd,
  • executieprocedures,
  • specifieke activa van de potentiële schuldenaar in verband met andere gevallen waarin de wet uitdrukkelijk voorziet.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Beschikkingshandelingen van het subject van de conservatoire maatregel die zijn geëffectueerd door de schuldenaar hebben geen rechtsgevolgen voor de persoon op wiens verzoek de conservatoire maatregelen zijn ingesteld. Bij onroerende goederen is de ongeldigheid alleen van toepassing op beschikkingshandelingen die dateren van na de registratie van de inbeslagneming – artikel 452 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Afgezien van deze relatieve niet-effectiviteit zijn de geëffectueerde beschikkingshandelingen volledig effectief en produceren ze al hun rechtsgevolgen.

De bepalingen van artikel 453 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering zijn, voor de betrokken schuldeiser en andere betrokken schuldeisers, van toepassing op de vermeende ongeldigheid van de verworven rechten nadat de inbeslagneming is ingeschreven in het beslagregister en is betekend.

Volgens de bepalingen van artikel 401 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan de schuldeiser die een zekerheid heeft een rechtsvordering instellen tegen een aansprakelijke derde voor de bedragen of de goederen die laatstgenoemde weigert te verstrekken.

De kosten in verband met de eis in kort geding komen voor rekening van de persoon op wiens verzoek de voorlopige maatregelen zijn toegekend, overeenkomstig de bepalingen van artikel 514 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, in samenhang met artikel 401 van dat wetboek, dat van toepassing is op voorlopige maatregelen.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

De toekenning van voorlopige maatregelen wordt goedgekeurd op basis van het beginsel dat de desbetreffende voorlopige maatregel, in een hangende zaak, wordt opgelegd vóór afronding van de zaak middels de overeenkomstige van kracht geworden rechterlijke beslissing.

Wat betreft de toestemming voor voorlopige maatregelen met het oog op een toekomstige rechtsvordering, bepaalt de rechter een termijn voor de indiening van de rechtsvordering, die ten hoogste een maand mag bedragen. Indien de eiser de benodigde bewijzen ter staving van het verzoek niet binnen de beoogde termijn verstrekt, verklaart de rechter de voorlopige maatregelen ambtshalve nietig – artikel 390, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

Indien er, zoals gebruikelijk is, een rechtsvordering wordt ingesteld ten aanzien van de goedgekeurde voorlopige maatregelen, blijven de maatregelen van kracht en zijn deze rechtsgeldig totdat de procedure is afgerond.

De nietigverklaring van goedgekeurde voorlopige maatregelen geschiedt overeenkomstig artikel 402 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Dit artikel voorziet erin dat de belanghebbende partij een verzoek moet indienen en een afschrift daarvan moet verstrekken aan de persoon die om voorlopige maatregelen heeft verzocht. Laatstgenoemde heeft drie dagen de tijd om bezwaar aan te tekenen. De rechter, achter gesloten deuren, trekt de voorlopige maatregelen in wanneer hij heeft geconstateerd dat er niet langer sprake is van de omstandigheden die de goedkeuring ervan rechtvaardigden of dat de verweerder binnen de vastgestelde termijn een zekerheid heeft gesteld ter dekking van het hele door de eiser gevorderde bedrag (artikel 398, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Tegen de intrekking van de voorlopige maatregelen kan bij de rechter binnen één maand incidenteel beroep worden ingesteld.

De vervanging van toegekende voorlopige maatregelen, zoals bedoeld in artikel 398 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, kan in de twee volgende situaties worden goedgekeurd:

  • in overeenstemming met lid 1 kan de rechter, op verzoek van een van de partijen, na de andere partij hiervan in kennis te hebben gesteld en na overweging van de bezwaren die deze binnen drie dagen na betekening heeft geformuleerd, toestemming geven voor de vervanging van een voorlopige maatregel door een andere;
  • in overeenstemming met lid 2 kan de verweerder, voor voorlopige maatregelen met betrekking tot een vordering die in geld kan worden uitgedrukt, in alle gevallen de goedgekeurde zekerheid vervangen, zonder toestemming van de andere partij te vragen, door een zekerheid te stellen in contant geld of een andere titel, overeenkomstig de bepalingen van artikel 180 en 181 van de wet betreffende verbintenissen en overeenkomsten.

In de in artikel 398, leden 1 en 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering genoemde gevallen worden de voorlopige beslagen of zekerheden ingetrokken.

De wet biedt de verweerder de mogelijkheid om een rechtsvordering tegen de eiser in te stellen voor de schade die hij door de voorlopige maatregelen heeft geleden indien het verzoek dat het verkrijgen ervan rechtvaardigde wordt verworpen, of indien dit niet is ingediend binnen de beoogde termijn, of indien de zaak wordt gesloten (artikel 403 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Volgens artikel 396 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan tegen de beschikking van de rechter inzake voorlopige maatregelen binnen een week incidenteel beroep worden ingesteld. Voor de eiser begint de termijn van een week bij de betekening van de beschikking, en voor de verweerder (degene tegen wie de voorlopige maatregelen zijn gericht) vanaf de datum van betekening van de beschikking betreffende de goedkeuring van de voorlopige maatregelen door de gerechtsdeurwaarder, het beslagregister of de rechtbank. Een afschrift van het incidenteel beroep moet aan de andere partij worden betekend, die een week de tijd heeft om hierop te reageren.

Ook derden kunnen een erkend juridisch belang hebben bij het instellen van beroep, namelijk wanneer de conservatoire maatregel van invloed is op hun vermogen. In het (niet-contradictoire) kort geding onderzoekt de rechter niet of de verweerder de rechten heeft ten aanzien waarvan om een beperking van zijn of haar beschikkingsrecht wordt verzocht. Om deze reden kan beslag worden gelegd op onroerende goederen die geen eigendom van de schuldenaar zijn. In dit geval kan de feitelijke eigenaar beroep instellen tegen de beslissing tot verlening van het beslag, ook al is de eigenaar een derde.

Wanneer tegen een rechterlijke beslissing tot weigering van een voorlopige maatregel hoger beroep wordt ingesteld, hoeft er geen afschrift van het beroepsschrift van de verzoekende partij te worden betekend aan de verweerder, omdat de procedure in deze fase niet-contradictoir is.

Wanneer de hogere rechter de beschikking tot goedkeuring of afwijzing van de voorlopige maatregelen heeft bevestigd, kan er tegen de beschikking geen cassatieberoep worden ingesteld. Indien de rechter in hoger beroep de voorlopige maatregelen die door de rechtbank van eerste aanleg waren verworpen goedkeurt, kan die beschikking worden aangevochten via een incidenteel beroep bij het hof van cassatie, mits er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 280 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

Volgens het geldende wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan er beroep worden ingesteld tegen zowel de beschikking die de voorlopige maatregelen goedkeurt als het bedrag van de zekerheid dat door de rechter is vastgesteld als voorwaarde voor goedkeuring. De rechtsvordering bij de rechtbank die uitspraak doet in hoger beroep schort de gevolgen ervan echter niet op zolang de hogere rechter geen uitspraak heeft gedaan en de beschikking niet nietig heeft verklaard, al naargelang het geval.

Laatste update: 22/09/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Tsjechië

1 De verschillende soorten maatregelen

Voorlopige maatregelen:

Voorlopige maatregelen worden gebruikt om de situatie van de partijen vooraf te regelen, namelijk voorlopig, of indien de vrees bestaat dat de uitvoering van een gerechtelijke beslissing gevaar loopt.

In het algemeen zijn op de voorlopige maatregelen die worden bevolen vóór aanvang van de bodemprocedure artikel 74 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (wet nr. 99/1963 Rec.) van toepassing en geldt voor de voorlopige maatregelen die worden bevolen na aanvang van de bodemprocedure artikel 102 van wet nr. 99/1963 Rec. Op bijzondere voorlopige maatregelen voor bepaalde specifieke situaties is de wet voor bijzondere gerechtelijke procedures (wet nr. 292/2013 Rec.) van toepassing. Dit betreft de voorlopige maatregel ten aanzien van de situatie van een minderjarig kind dat niet beschikt over geschikte zorg (artikel 452 en volgende) en de voorlopige maatregel op het gebied van bescherming tegen huiselijk geweld (artikel 400 en volgende). Ook in artikel 12 van wet nr. 292/2013 Rec. staan bepaalde bijzondere regels die de algemene bepalingen van de voorlopige maatregelen aanvullen voor de soorten procedures die onder het toepassingsgebied van die wet vallen.

Het veiligstellen van bewijsstukken:

Bewijsstukken worden veiliggesteld als er wordt gevreesd dat het bewijs later niet kan worden verkregen of alleen met veel moeite kan worden verkregen (bijvoorbeeld een ondeugdelijke uitvoering van een verkoopovereenkomst wanneer de overeenkomst bederfelijke goederen als voorwerp heeft of het horen van een getuige die ernstig ziek is en wiens leven in gevaar is).

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Voorlopige maatregelen:

  • Overeenkomstig artikel 74, lid 3, van het wetboek burgerlijke rechtsvordering (wet nr. 99/1963, zoals gewijzigd) wordt de procedure voor de toekenning van een voorlopige maatregel ingesteld middels een verzoekschrift.
  • Op grond van artikel 12 van wet nr. 292/2013  kan een voorlopige maatregel echter zonder verzoekschrift worden bevolen als de bodemprocedure ook kan worden ingesteld zonder verzoekschrift (bijvoorbeeld een procedure op het gebied van gezagsrechten over kinderen, een procedure op het gebied van wettelijke bevoegdheid, een procedure op het gebied van voogdij of een procedure op het gebied van verdwijning of overlijden). In die gevallen beveelt de rechter zelf ambtshalve de voorlopige maatregel.
  • De rechter die bevoegd is om een voorlopige maatregel te bevelen, is de rechter die bevoegd is in de bodemprocedure. De artikelen 400 en 453 van wet nr. 292/2013  bevatten uitzonderingen op deze regel.

Het veiligstellen van bewijsstukken kan worden gedaan:

  • vóór aanvang van de bodemprocedure op voorwaarde dat er een verzoek wordt ingediend bij de rechter. De bevoegde rechter is de rechter die bevoegd is in de bodemprocedure of in wiens rechtsgebied zich een bewijsmiddel bevindt dat gevaar loopt.
  • Bewijsstukken kunnen tevens tijdens de procedure veilig worden gesteld, ook zonder verzoek.

Indien het mogelijk is om te wachten zonder dat dit een risico inhoudt, hebben de partijen bij de bodemprocedure het recht om aanwezig te zijn bij het veiligstellen van bewijsstukken.

Het bewijs kan ook worden veiliggesteld door middel van een notariële akte of een akte van een deurwaarder indien het desbetreffende feit zich heeft voorgedaan in aanwezigheid van een notaris of een gerechtsdeurwaarder of indien de notaris of deurwaarder de situatie heeft bevestigd.

2.2 De basisvereisten

Er kan een voorlopige maatregel worden bevolen

  • als de situatie van de partijen voorlopig moet worden geregeld
  • als er wordt gevreesd dat de uitvoering van een gerechtelijke beslissing in gevaar kan komen
  • om een situatie voorlopig te regelen

Om te kunnen beoordelen of het nodig is om de situatie van de partijen voorlopig te regelen, moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Een voorlopige maatregel wordt alleen bevolen als de noodzaak om de juridische situatie van de partijen te regelen, voldoende is bewezen. Wat betreft de andere omstandigheden die een rol spelen bij de beslissing om al dan niet een voorlopige maatregel te bevelen, volstaat het dat de bepalende feiten voor het opleggen van een verplichting door middel van een voorlopige maatregel worden bevestigd.

  • Gevaar voor de uitvoering van een beslissing

Voor toekenning van een voorlopige maatregel uit vrees dat de uitvoering van een gerechtelijke beslissing in gevaar komt, moet de schuldeiser zich kunnen beroepen op een beslissing, of een akte, die een titel is voor de uitvoering van die beslissing. Er kan alleen een voorlopige maatregel worden bevolen als de beslissing nog niet executoir is geworden of als er ernstige redenen zijn waarom de schuldeiser, op de desbetreffende datum, (voorlopig) niet heeft kunnen eisen dat de opgelegde verplichting wordt uitgevoerd door middel van gerechtelijke executie. Tegelijkertijd moeten de feiten worden bewezen die de vrees rechtvaardigen dat de uitvoering van de beslissing in gevaar komt (vooral door het gedrag van de schuldenaar).

Het verzoek om voorlopige maatregelen moet de onderdelen bevatten die vereist worden door artikel 42, lid 4 en artikel 75 van het wetboek burgerlijke rechtsvordering (wet nr. 99/1963), onder meer:

  • de vermelding van de rechtbank waar het verzoek aan wordt gericht
  • wie het verzoek indient en op welke zaak dit betrekking heeft, namelijk de beschrijving van de feiten die de te verzoeken voorlopige maatregel rechtvaardigen
  • wat het doel is van het verzoek, namelijk welke voorlopige maatregel de verzoeker eist
  • het ingediende verzoek moet de datum van opstellen en de handtekening van de verzoeker of zijn vertegenwoordiger bevatten
  • de beschrijving van de feiten waarbij wordt vermeld of de situatie van de partijen voorlopig moet worden geregeld of dat de vrees bestaat dat de uitvoering van een gerechtelijke beslissing gevaar loopt.

Bij het verzoek moeten de stukken worden gevoegd waar de verzoeker zich op beroept.

De verzoeker moet, zonder herinneringsbrief van de rechtbank, op eigen initiatief, uiterlijk op de datum van indiening van zijn verzoek, een financiële zekerheid verstrekken voor een bedrag van 10.000 CZK, of voor een bedrag van 50.000 CZK bij zaken met betrekking tot de relatie tussen ondernemers die voortvloeit uit ondernemersactiviteiten. Voor verzoeken om maatschappelijke redenen (bijvoorbeeld op het gebied van alimentatie, op het gebied van arbeid, schadevergoeding in verband met gezondheid) geldt geen plicht van verstrekking van een zekerheid. Het niet voldoen aan de verplichting van verstrekking van een zekerheid, is een reden om het verzoek te verwerpen.

De vastgestelde zekerheid is bedoeld om het recht op de vergoeding van schade of andere nadelen te behouden die kunnen optreden na een voorlopige maatregel die wordt opgelegd aan de andere partij van de procedure of een derde partij (die geen deel uitmaakt van de procedure met betrekking tot de voorlopige maatregel).

Artikel 12, lid 3 van wet nr. 292/2013 noemt een uitzondering op de verstrekking van een zekerheid krachtens deze wet.

Het veiligstellen van bewijsstukken:

Vóór aanvang van de bodemprocedure kan een bewijsstuk veilig worden gesteld als er vrees bestaat dat het bewijs later niet kan worden verkregen of alleen met veel moeite. Het bewijsstuk wordt niet veiliggesteld als zeker is dat dit geen belang heeft in de bodemprocedure. De rechter weigert om de verzochte veiligstelling uit te voeren als hij vermoedt dat de verzoeker, met zijn verzoek, doelen nastreeft die anders zijn dan die van het veiligstellen van bewijs (bijvoorbeeld informatie krijgen over de activiteiten van een andere persoon waar hij anders geen toegang toe heeft enz.).

Het verzoek ten aanzien van het veiligstellen van bewijs moet, naast de algemeen vereiste onderdelen, een beschrijving bevatten van de feiten die het doel zijn van het verkrijgen van bewijs. Daarnaast moet exact worden aangeduid welk bewijsmiddel veilig moet worden gesteld.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Voorlopige maatregelen:

In overeenstemming met artikel 76 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mag de rechter, door een voorlopige maatregel, een partij opdracht geven om zijn alimentatie te betalen, om gerechtelijk beslag te leggen op een geldbedrag of een voorwerp, om niet te beschikken over bepaalde voorwerpen of bepaalde rechten, om iets te doen, om iets te laten of om iets te aanvaarden. De maatregel kan betrekking hebben op ongeacht welke zaak die aan de desbetreffende eigenaar toebehoort.

Met een voorlopige maatregel kan de rechter aan een andere persoon dan de partijen een plicht opleggen als dit terecht kan worden geëist (bijvoorbeeld als iemand een onroerend goed koopt en heel goed weet dat hij van een eigenaar koopt die niet naar behoren zijn betalingsplichten tegenover zijn schuldeisers voldoet).

Bijzondere voorlopige maatregelen in overeenstemming met wet nr. 292/2013:

De bijzondere voorlopige maatregel ten aanzien van de situatie van een kind krachtens artikel 452 en volgende wordt toegepast als een minderjarig kind niet de juiste zorg krijgt, ongeacht het feit of er al dan niet iemand is die het recht heeft om voor het kind te zorgen, of als het leven van het kind, zijn normale ontwikkeling of een ander essentieel belang ernstig in gevaar worden gebracht of worden verstoord. Met de voorlopige maatregel regelt de rechter de situatie van het kind gedurende de tijd die strikt noodzakelijk is door te bevelen dat het kind in een geschikte omgeving wordt geplaatst die in zijn beslissing wordt vermeld.

Op grond van artikel 400 en volgende kan de verweerder opdracht krijgen om de gemeenschappelijke woning en zijn onmiddellijke omgeving te verlaten, niet meer in het gemeenschappelijke huishouden te blijven en zelfs om daar niet meer binnen te gaan; om zich ervan te onthouden om de verzoeker te zien of zich ervan te onthouden om de verzoeker op enigerlei wijze te volgen en lastig te vallen. Het verzoek moet de beschrijving van de feiten omvatten die aantonen dat het samenwonen van de verzoeker en de verweerder in een huis of appartement waar ze een huishouden voeren, onverdraaglijk wordt voor de verzoeker vanwege fysiek of psychisch geweld ten opzichte van de verzoeker of een andere persoon die daar leeft of de beschrijving van de feiten die getuigen van ongewenst volgen of lastig vallen van de verzoeker.

Het veiligstellen van bewijsstukken:

Het verzoek moet tevens de rechtvaardiging bevatten waarmee de verzoeker uitlegt waarom hij verzoekt om het veiligstellen van een bewijsstuk. Alle middelen waarmee een situatie kan worden geconstateerd, kunnen als bewijs worden ingediend, vooral het horen van getuigen, een expertiserapport, rapporten en verklaringen van autoriteiten en rechtspersonen enz.

Een bijzondere manier om bewijsstukken veilig te stellen, is het veiligstellen van een bewijsmiddel in een zaak ten aanzien van intellectuele-eigendomsrechten (artikel 78b van wet nr. 99/1963). Degene die inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten heeft bewezen, mag optreden in de procedure. De bevoegde rechtsmacht is de regionale rechtbank in het rechtsgebied waar zich een veilig te stellen voorwerp bevindt. Het is mogelijk om de betrokken goederen, materialen en gereedschappen veilig te stellen, evenals stukken met betrekking tot de desbetreffende goederen.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Voorlopige maatregelen:

De voorlopige maatregel is een beslissing van tijdelijke aard dat tot doel heeft om zijn verzoeker te beschermen. Het gaat om de bescherming van een recht waar inbreuk op is gemaakt of dat gevaar loopt. Door de voorlopige maatregel verkrijgt de verzoeker niet de rechten waar de rechtbanken in de toekomst uitspraak over doen. Het gaat ook niet om de regeling van een prejudiciële vraag. Ook mag het bestaan van een bevolen voorlopige maatregel geen invloed hebben op de gerechtelijke uitspraak in de bodemprocedure. De schuldenaar kan ook na toekenning van een voorlopige maatregel over zijn goederen blijven beschikken, maar moet zich wel gedragen in overeenstemming met de opgelegde maatregel.

De rechtbank kan een disciplinaire boete tot 50.000 CZK opleggen aan wie de gerechtelijke procedure overmatig belemmert door zonder geldige reden niet te verschijnen voor de rechtbank of door niet te gehoorzamen aan een bevel van de rechtbank. Indien de schuldenaar niet vrijwillig voldoet aan de plicht krachtens de beslissing tot een voorlopige maatregel, kan de rechtbank die beslissing laten uitvoeren. De opgelegde sancties in het geval van belemmering van de uitvoering van een officiële beslissing en uitzetting zijn ook opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (het betreft artikel 337, lid 2, van wet nr. 40/2009), net als het strafbare feit van belemmering van de uitvoering van een officiële beslissing en uitzetting.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Voorlopige maatregelen:

  • Voorlopige maatregelen met een bepaalde duur

De rechter kan in de beslissing met betrekking tot de voorlopige maatregel vastleggen dat deze alleen van toepassing is voor een bepaalde duur, ook als de verzoeker (de eisende partij) dit niet eist.

  • Opgelegde plicht om een verzoekschrift of een ander verzoek tot instelling van een procedure in te dienen

Indien de rechter een voorlopige maatregel oplegt, legt hij de verzoeker (de eisende partij) ook op dat hij een verzoek voor het instellen van een bodemprocedure (een verzoekschrift) indient bij de rechtbank binnen een termijn die eveneens door de rechter wordt bepaald.

De voorlopige maatregel blijft van kracht totdat deze vervalt of totdat de rechter deze nietig verklaart.

De voorlopige maatregel houdt op te bestaan als de verzoeker geen verzoek indient voor de instelling van een bodemprocedure binnen de door de rechter bepaalde termijn, als de rechtbank het verzoek in de bodemprocedure niet heeft ingewilligd, als de rechtbank het verzoek in de bodemprocedure inwilligt en als er vijftien dagen zijn verstreken na de datum van de uitvoerbaarheid van het besluit ten principale, of als de termijn die is vastgesteld voor de duur van de voorlopige maatregel is verstreken.

De rechter verklaart een voorlopige maatregel nietig als de redenen waarom deze was opgelegd, zijn verdwenen.

Een voorlopige maatregel krachtens artikel 400 en volgende van wet nr. 292/2013 duurt een maand vanaf het moment waarop deze uitvoerbaar wordt (artikel 408) en zijn duur kan worden verlengd afhankelijk van wanneer de bodemprocedure wordt ingesteld.

Een voorlopige maatregel krachtens artikel 452 en volgende van wet nr. 292/2013 duurt een maand vanaf het moment waarop deze uitvoerbaar wordt (artikel 459) en zijn duur kan worden verlengd.

Het veiligstellen van bewijsstukken:

Bewijsstukken worden veiliggesteld gedurende de termijn die de rechter vaststelt of gedurende de kortst mogelijk termijn. De partijen in de procedure mogen aanwezig zijn bij het veiligstellen van bewijs, maar ze mogen er niet bij zijn indien wachten een gevaar inhoudt. Na aanvang van de bodemprocedure hebben de partijen het recht om hun mening te geven over alle voorstellen van bewijsstukken en over alle verkregen bewijsstukken. De partijen kunnen tevens worden gehoord.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Voorlopige maatregelen:

Voorlopige maatregelen worden opgelegd middels een beslissing. De beslissing die de voorlopige maatregel oplegt, wordt uitvoerbaar bij de uitspraak ervan. Indien deze niet wordt uitgesproken, wordt zij van kracht zodra zij is betekend aan degene aan wie zij een plicht oplegt. Een schriftelijk exemplaar van de voorlopige maatregel wordt betekend aan de partijen en aan de derden (indien hun een plicht is opgelegd) en als het gaat om een plicht om niet te beschikken over een onroerend goed, wordt er een exemplaar betekend aan het bevoegde kadaster. De beslissing ten aanzien van een voorlopige maatregel wordt uitvoerbaar door het uitspreken ervan, in voorkomende gevallen door de betekening ervan (artikel 76d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) en vormt de executoire titel voor de uitvoering van de beslissing.

Bezwaren tegen een beslissing inzake de voorlopige maatregel zijn ontvankelijk. Het bezwaar wordt aangetekend voor de rechtbank die de betwiste beslissing heeft gegeven, maar de rechtbanken van tweede aanleg (de regionale rechtbanken of de hogere rechtbanken) doen uitspraak over de beslissing. Het bezwaar moet worden aangetekend binnen vijftien dagen na betekening van een schriftelijk exemplaar van de beslissing.

Een bezwaar dat binnen de termijn wordt ingediend door een bevoegde persoon en dat ontvankelijk is, heeft tot gevolg dat de beslissing geen bindende kracht heeft zolang de definitieve beslissing van de rechtbank van beroep niet is gegeven. De beslissing ten aanzien van de voorlopige maatregel wordt echter uitvoerbaar (er wordt dienovereenkomstig gehandeld) na een uiterste termijn voor uitvoering daarvan, waarbij deze termijn ingaat op het moment van de betekening ervan en in voorkomende gevallen wordt de beslissing uitvoerbaar door betekening ervan als deze geen uitvoeringsplicht bevat. De rechtbank kan beslissen dat de beslissing ten aanzien van de voorlopige maatregel alleen uitvoerbaar wordt nadat de beslissing bindende kracht heeft gekregen, op voorwaarde dat de aard van de voorlopige maatregel zo'n beslissing niet in de weg staat of dat het doel ervan op die manier niet nietig wordt verklaard.

Artikel 409, en in voorkomende gevallen artikel 463, van wet nr. 292/20013 bevat de bepalingen over bezwaren in het geval van bijzondere voorlopige maatregelen die worden bevolen in overeenstemming met die wet.

Laatste update: 09/11/2020

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Duits) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.
De volgende vertalingen zijn al beschikbaar: Engels

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Duitsland

1 De verschillende soorten maatregelen

Het betreft maatregelen om de gedwongen uitvoering van een vordering zeker te stellen door middel van conservatoir beslag op de goederen van de schuldenaar of door middel van een tussenvonnis over de situatie. Gewoonlijk houden de maatregelen zelf geen voldoening van de schuld in.

De volgende maatregelen zijn beschikbaar:

1.1 Conservatoir beslag en gijzeling (dinglicher und persönlicher Arrest) (§§ 916 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Zivilprozessordnung – ZPO))

Beslag heeft tot doel de gedwongen uitvoering van een geldelijke vordering zeker te stellen, en heeft gewoonlijk betrekking op roerende of onroerende goederen van de schuldenaar. Het beslag wordt op verzoek door de bevoegde rechter bevolen. Afgezien van een paar uitzonderingen gelden de bepalingen over de gedwongen uitvoering voor de daaropvolgende uitvoering van het beslag. Er kan bijvoorbeeld beslag worden gelegd op roerende goederen (Pfändung) of op onroerende goederen via registratie van een hypotheek (Arresthypothek). Ook kan de schuldenaar worden gegijzeld (Haft).

1. 2 Voorlopige voorziening (einstweilige Verfügung) (§§ 935 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

De voorlopige voorziening heeft tot doel een niet-geldelijke vordering tijdelijk zeker te stellen. Een voorlopige voorziening in de vorm van zekerstelling van de toekomstige uitvoering van niet-geldelijke vorderingen (Sicherungsverfügung) (§ 935 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) of van een tijdelijke rechterlijke beslissing over een rechtsbetrekking (Regelungsverfügung) (§ 940 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) wordt op verzoek door de bevoegde rechter bevolen. Daarnaast kan onder verzwarende omstandigheden ook een beschermende verplichte voorziening (Leistungsverfügung) worden uitgesproken. De bepalingen over de gedwongen uitvoering gelden op hun beurt in beginsel voor de daaropvolgende uitvoering (§ 936 in samenhang met § 928 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

1.3 Bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen op grond van EU-recht

In §§ 946 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt uitvoering gegeven aan Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 59). Het bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen is een bijzondere vorm van een voorlopige voorziening.


1.4 Kennisgeving van dreigend executoriaal beslag (Vorpfändung) (§ 845 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

Verder bestaat nog de kennisgeving van dreigend executoriaal beslag, een speciaal type zekerheid voor de schuldeiser. Dit is een particulier middel waarover de schuldeiser beschikt om uitvoering af te dwingen in de relatie tussen de hoofdschuldenaar en een derde partij als bijkomende schuldenaar, en dat hetzelfde effect als beslag heeft (§ 845, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Conservatoir beslag, gijzeling en voorlopige voorzieningen (punten 1.1 en 1.2) worden op verzoek van de rechtzoekende partij bevolen. Het verzoek moet informatie over de zeker te stellen vordering bevatten en over het urgente karakter van het bevel of het risico dat de uitvoering wordt gefrustreerd. Beide zaken moeten aannemelijk worden gemaakt, bijvoorbeeld via een verklaring onder ede.

Het verzoek kan schriftelijk worden ingediend of mondeling in een proces-verbaal van de griffier worden opgenomen. De bevoegde rechtbank is de rechtbank die de zaak inhoudelijk mag behandelen, of de kantonrechtbank (Amtsgericht) van de plaats waar zich het zeker te stellen voorwerp, het voorwerp van het geschil of de te gijzelen persoon zich bevindt. Bij een mondelinge behandeling wijst de rechter een vonnis, en in andere gevallen geeft hij een bevel af.

In geval van een voorlopige voorziening is alleen bij een mondelinge behandeling voor de regionale rechtbank (Landgericht) vertegenwoordiging door een advocaat nodig.

Het bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen (punt 1.3) wordt geregeld door Verordening (EU) nr. 655/2014. In §§ 946 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn de noodzakelijke bepalingen opgenomen over het indienen van het verzoek en de procedure, de uitvoering van het bevel en eventuele rechtsmiddelen.

De kennisgeving van dreigend executoriaal beslag (punt 1.4) wordt (in eerste instantie, zie boven) niet door de rechter verstrekt. In plaats daarvan neemt de schuldeiser zelf het initiatief. (Gewoonlijk wordt dan een gerechtsdeurwaarder aangewezen die namens de schuldeiser moet handelen.) De schuldeiser probeert zijn vordering geldend te maken door middel van beslag op vorderingen of andere rechten, op grond van een executoriale titel of van een aan een derde partij, als bijkomende schuldenaar, of aan de hoofdschuldenaar te betekenen schriftelijke verklaring, waarin wordt meegedeeld dat beslag op het recht of op de vordering uit deze rechtsbetrekking imminent is (§ 845, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De kennisgeving aan de derde partij als bijkomende schuldenaar functioneert alleen als beslag krachtens § 930 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering indien dit beslag daadwerkelijk binnen een maand plaatsvindt (§ 845, lid 2, van het wetboek).

Volgens de Wet op de gerechtskosten (Gerichtskostengesetz, GKG) moet 150 % van de kosten worden betaald voor procedures waarin beslag of gijzeling, of een voorlopige voorziening wordt gevorderd. Het bedrag van de kosten wordt bepaald door de waarde van de vordering. De rechtbank raamt de waarde van de vordering per geval, uitgaande van het belang dat de eiser heeft bij de realisatie van de activa van de schuldenaar. Hieronder staat een tabel met de kosten voor vorderingen tot 500 000 euro:

Wet op de gerechtskosten (GKG), bijlage 2 (bij § 34, lid 1, derde volzin)

Vorderingen tot €...

Kosten
€…


Vorderingen tot €...

Kosten
€…

500

35,00


50 000

546,00

1 000

53,00


65 000

666,00

1 500

71,00


80 000

786,00

2 000

89,00


95 000

906,00

3 000

108,00


110 000

1 026,00

4 000

127,00


125 000

1 146,00

5 000

146,00


140 000

1 266,00

6 000

165,00


155 000

1 386,00

7 000

184,00


170 000

1 506,00

8 000

203,00


185 000

1 626,00

9 000

222,00


200 000

1 746,00

10 000

241,00


230 000

1 925,00

13 000

267,00


260 000

2 104,00

16 000

293,00


290 000

2 283,00

19 000

319,00


320 000

2 462,00

22 000

345,00


350 000

2 641,00

25 000

371,00


380 000

2 820,00

30 000

406,00


410 000

2 999,00

35 000

441,00


440 000

3 178,00

40 000

476,00


470 000

3 357,00

45 000

511,00


500 000

3 536,00

Indien de vordering wordt behandeld in een mondelinge procedure en indien de zaak niet wordt beëindigd met de intrekking van de vordering tot bescherming vóór afsluiting van de mondelinge procedure, of met een schulderkenning, kwijtschelding of een schikkingsregeling (in deze gevallen worden de kosten met 50 % verminderd), moeten hogere kosten (plus 300 %) worden betaald. De kosten worden in de eerste plaats gedragen door de partij die door de rechtbank in de kosten werd verwezen. Daarnaast kan ook de eiser, als instigator van de zaak, als schuldenaar hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor betaling van kosten.

De gerechtsdeurwaarder brengt voor elke betekening van een dreigend executoriaal beslag aan de schuldenaar of aan een in de kennisgeving genoemde derde partij kosten in rekening voor een bedrag van 3 euro. Daarnaast ontstaan er portokosten en uitgaven voor eventueel benodigde certificeringen. De vergoeding voor de persoonlijke betekening door de gerechtsdeurwaarder bedraagt 10 euro. In dat geval moeten ook de reiskosten van de gerechtsdeurwaarder worden vergoed. Naargelang van de afstand die moet worden afgelegd tot het adres van de betrokkene, variëren deze van 3,25 euro tot 16,25 euro. De vergoeding die aan de gerechtsdeurwaarder verschuldigd is voor het verrichten van een officiële handeling, te weten het opstellen namens de schuldeiser van een kennisgeving van gedwongen uitvoering (§ 845, lid 1, tweede volzin van het wetboek), bedraagt 16 euro.

De uitvoering van het rechterlijk bevel is primair de taak van de gerechtsdeurwaarder en vindt plaats via staatsdwang, in overeenstemming met de voorschriften die op dit moment gelden voor de uitvoering van rechterlijke beslissingen.

Uitweiding: De uitvoering van een bij voorraad uitvoerbare rechterlijke beslissing, waarmee een bewarende maatregel wordt aangevochten, verschilt niet wezenlijk van de uitvoering van een in kracht van gewijsde gegaan oordeel. In de wet wordt echter voorzien in meerdere methoden van gedwongen uitvoering, afhankelijk van de aard van de vordering.

Indien een vast bedrag moet worden betaald, gebruikt de schuldeiser vaak een gerechtsdeurwaarder om uitvoering van de rechterlijke beslissing af te dwingen. Voor gedwongen uitvoering ten laste van roerende goederen wordt door de gerechtsdeurwaarder een vergoeding van 26,00 euro in rekening gebracht. Indien de gerechtsdeurwaarder langer dan drie uur moet werken, wordt een extra vergoeding van 20,00 euro in rekening gebracht voor elk aanvullend uur of deel van een uur. Daarnaast moeten ook de noodzakelijke uitgaven van de gerechtsdeurwaarder worden betaald. Een betalingsbevel geeft de schuldeiser ook het recht om gerechtelijk beslag op vorderingen van de schuldenaar te vorderen (bv. het recht op betaling van lonen, § 829 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Er wordt een vergoeding van 20,00 euro geïnd voor procedures betreffende de vordering zelf. Bijkomende kosten (met name de kosten voor betekening van een rechterlijke beslissing) worden apart in rekening gebracht.

Bij beslag op onroerend goed van de schuldenaar kan een hypotheek worden geregistreerd bij wijze van zekerheid voor de schuld, of het onroerend goed kan gedwongen worden verkocht bij opbod, of onder curatele worden gesteld. De Wet inzake kosten voor niet-contentieuze procedures voor rechtbanken en notarissen (Wet kosten rechtbanken en notarissen, GNotKG) (Gesetz über Kosten der freiwilligen Gerichtsbarkeit für Gerichte und Notare (Gerichts- und Notarkostengesetz, GNotKG)) bepaalt dat een volledige vergoeding moet worden betaald voor kadastrale registratie van een hypotheek ter zekerstelling van een schuld en dat deze vergoeding in verhouding moet staan tot de waarde van de schuld. Hieronder staat een tabel met de kosten voor vorderingen tot 3 miljoen euro:

Wet inzake kosten voor niet-contentieuze procedures voor rechtbanken en notarissen (Wet kosten rechtbanken en notarissen, GNotKG)

Bijlage 2 (bij § 34, lid 3)


Transactiewaarde tot €...

Kosten
Tabel A
€…

Kosten
Tabel B
€…


Transactiewaarde tot €...

Kosten
Tabel A
€…

Kosten
Tabel B
€…


Transactiewaarde tot €...

Kosten
Tabel A
€…

Kosten
Tabel B
€…

500

35,00

15,00


200 000

1 746,00

435,00


1 550 000

7 316,00

2 615,00

1 000

53,00

19,00


230 000

1 925,00

485,00


1 600 000

7 496,00

2 695,00

1 500

71,00

23,00


260 000

2 104,00

535,00


1 650 000

7 676,00

2 775,00

2 000

89,00

27,00


290 000

2 283,00

585,00


1 700 000

7 856,00

2 855,00

3 000

108,00

33,00


320 000

2 462,00

635,00


1 750 000

8 036,00

2 935,00

4 000

127,00

39,00


350 000

2 641,00

685,00


1 800 000

8 216,00

3 015,00

5 000

146,00

45,00


380 000

2 820,00

735,00


1 850 000

8 396,00

3 095,00

6 000

165,00

51,00


410 000

2 999,00

785,00


1 900 000

8 576,00

3 175,00

7 000

184,00

57,00


440 000

3 178,00

835,00


1 950 000

8 756,00

3 255,00

8 000

203,00

63,00


470 000

3 357,00

885,00


2 000 000

8 936,00

3 335,00

9 000

222,00

69,00


500 000

3 536,00

935,00


2 050 000

9 116,00

3 415,00

10 000

241,00

75,00


550 000

3 716,00

1 015,00


2 100 000

9 296,00

3 495,00

13 000

267,00

83,00


600 000

3 896,00

1 095,00


2 150 000

9 476,00

3 575,00

16 000

293,00

91,00


650 000

4 076,00

1 175,00


2 200 000

9 656,00

3 655,00

19 000

319,00

99,00


700 000

4 256,00

1 255,00


2 250 000

9 836,00

3 735,00

22 000

345,00

107,00


750 000

4 436,00

1 335,00


2 300 000

10 016,00

3 815,00

25 000

371,00

115,00


800 000

4 616,00

1 415,00


2 350 000

10 196,00

3 895,00

30 000

406,00

125,00


850 000

4 796,00

1 495,00


2 400 000

10 376,00

3 975,00

35 000

441,00

135,00


900 000

4 976,00

1 575,00


2 450 000

10 556,00

4 055,00

40 000

476,00

145,00


950 000

5 156,00

1 655,00


2 500 000

10 736,00

4 135,00

45 000

511,00

155,00


1 000 000

5 336,00

1 735,00


2 550 000

10 916,00

4 215,00

50 000

546,00

165,00


1 050 000

5 516,00

1 815,00


2 600 000

11 096,00

4 295,00

65 000

666,00

192,00


1 100 000

5 696,00

1 895,00


2 650 000

11 276,00

4 375,00

80 000

786,00

219,00


1 150 000

5 876,00

1 975,00


2 700 000

11 456,00

4 455,00

95 000

906,00

246,00


1 200 000

6 056,00

2 055,00


2 750 000

11 636,00

4 535,00

110 000

1 026,00

273,00


1 250 000

6 236,00

2 135,00


2 800 000

11 816,00

4 615,00

125 000

1 146,00

300,00


1 300 000

6 416,00

2 215,00


2 850 000

11 996,00

4 695,00

140 000

1 266,00

327,00


1 350 000

6 596,00

2 295,00


2 900 000

12 176,00

4 775,00

155 000

1 386,00

354,00


1 400 000

6 776,00

2 375,00


2 950 000

12 356,00

4 855,00

170 000

1 506,00

381,00


1 450 000

6 956,00

2 455,00


3 000 000

12 536,00

4 935,00

185 000

1 626,00

408,00


1 500 000

7 136,00

2 535,00





Voor een vordering tot gedwongen verkoop bij opbod of ondercuratelestelling van onroerend goed is een vergoeding verschuldigd van 100 euro.

Wanneer de rechter in zijn vonnis oordeelt dat de schuldenaar roerende goederen moet overleveren, zal de gerechtsdeurwaarder op verzoek van de schuldeiser de beslissing van de rechter uitvoeren. Voor de betrokken officiële handeling zijn kosten ter hoogte van 26,00 euro verschuldigd. Wanneer de rechter in zijn vonnis oordeelt dat de schuldenaar onroerend goed of een woning moet overleveren, moeten voor de werkzaamheden in verband met de ontruiming van het onroerend goed kosten ter hoogte van 98,00 euro worden betaald. Daarnaast worden de bijkomende kosten van de gerechtsdeurwaarder in rekening gebracht, met name de kosten in verband met werkzaamheden van derden (bv. kosten voor verhuizing, slotenmaker enz.). Ook hier geldt dat als de gerechtsdeurwaarder langer dan drie uur moet werken, een extra vergoeding van 20,00 euro in rekening wordt gebracht voor elk aanvullend uur of deel van een uur.

2.2 De basisvereisten

De afgifte van een bevel tot beslag op een onroerend goed of tot gijzeling van een persoon veronderstelt dat er een schuld is en er gronden zijn voor beslag of gijzeling. In het geval dat beslag wordt gelegd op alle activa van de schuldenaar waarop beslag gelegd kan worden, zijn er gronden voor beslag indien wordt gevreesd dat de schuldenaar met oneerlijke activiteiten de toekomstige uitvoering van de beslissing ofwel zal frustreren ofwel wezenlijk zal belemmeren door bijvoorbeeld activa te verwijderen of te verbergen. Gijzeling van de schuldenaar is eveneens bedoeld om de schuldenaar op bijzonder krachtige wijze te beletten een actief te verwijderen dat op basis van de gedwongen uitvoering in beslag kan worden genomen. Gijzeling kan echter alleen worden bevolen indien het vereiste niveau van zekerheidstelling niet met beslag op goederen kan worden bereikt.

Een voorlopige voorziening (in wat voor vorm dan ook) heeft tot doel te voorkomen dat de bestaande situatie wordt veranderd en op die manier de realisatie van de rechten van de partij of een rechtsbetrekking wordt gefrustreerd of wezenlijk wordt belemmerd. Een bevel kan betrekking hebben op een vordering tot de (voorlopige) overlevering van voorwerpen of het (voorlopig) gedogen of verrichten van een bepaalde handeling (§ 935, § 938 en § 940 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De regels die van toepassing zijn op voorlopige voorzieningen, zijn in grote lijnen dezelfde als de regels die van toepassing zijn op beslag en gijzeling (§ 936). In zeer uitzonderlijke omstandigheden kan de rechter ook een voorlopige betaling bevelen. De vordering tot beslaglegging en de gronden daarvoor kunnen bijvoorbeeld aannemelijk worden gemaakt via een verklaring onder ede of het indienen van stukken (§ 920, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Het gaat er daarbij om dat de rechtbank de vordering en het urgente karakter daarvan als “zeer waarschijnlijk” kan beoordelen. Hetzelfde geldt voor de afgifte van een voorlopige voorziening (§ 936 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

In procedures met het oog op beslag of gijzeling is het mogelijk, maar niet nodig de partijen vooraf te horen (§ 922 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Vervolgens moet er een mondelinge behandeling plaatsvinden indien de schuldenaar zich tegen het bevel tot beslaglegging of tot gijzeling verzet (§ 924); hierbij moet het beslag of de gijzeling uiterlijk een week na de uitvoering aan de schuldenaar worden betekend. In beginsel is een mondelinge behandeling nodig in procedures voor een voorlopige voorziening. Daar kan alleen van worden afgezien indien er sprake is van urgentie of indien de vordering is afgewezen (§ 937, lid 2). Er zijn geen termijnen voor de mondelinge procedure met de partijen.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

De bewarende maatregelen kunnen alle activa beslaan waarvoor gedwongen uitvoering geldt.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Beslag heeft tot gevolg dat de activa worden vastgehouden. Zowel de hoofdschuldenaar als de derden die bijkomende schuldenaren zijn, verliezen het recht om over de in beslag genomen activa te beschikken.

Beslag wordt beschermd door § 136 van het Strafwetboek (Strafgesetzbuch, StGB), waarin sprake is van de vernietiging van in beslag genomen voorwerpen. Bovendien kunnen overtredingen ertoe leiden dat vorderingen tot schadevergoeding worden ingesteld op grond van het burgerlijk recht.

Het volgende is van toepassing op voorlopige voorzieningen. De gerechtsdeurwaarder voert het bevel tot verwijdering van goederen uit krachtens § 883 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De rechter kan gelasten dat bepaalde handelingen worden verricht of achterwege worden gelaten krachtens § 887 (toestemming van de rechtbank aan de schuldeiser om redelijke stappen te ondernemen) of krachtens § 888 en § 890 (betaling van boetes/vrijheidsstraffen of boetes/hechtenis ter voorkoming van onredelijke handelingen of nalatigheden en het gedogen daarvan).

Er zijn speciale bepalingen van toepassing op executoriaal beslag op banktegoeden krachtens § 835, lid 3, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Er kan van de rekening van een schuldenaar die een natuurlijke persoon is, geen geld worden uitbetaald aan de schuldeiser, zolang niet vier weken zijn verstreken sinds de opdracht tot overboeking aan een derde, bijkomende schuldenaar. Deze procedure geeft de schuldenaar de gelegenheid om een vordering tot bescherming tegen executoriaal beslag in te dienen, voordat het tegoed wordt uitbetaald aan de uitvoerende schuldeiser.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Een bevel tot beslag of tot gijzeling of een voorlopige voorziening moet binnen een maand na de datum van de uitspraak of de betekening van de uitspraak worden uitgevoerd.

De maatregelen blijven geldig zolang de gronden voor de zekerheidstelling of bewarende maatregelen blijven bestaan, of totdat vonnis is gewezen in de hoofdzaak.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Zoals reeds beschreven, kan een rechter beslag of gijzeling gelasten of een voorlopige voorziening afgeven door middel van een definitieve uitspraak (Urteil, na mondelinge behandeling) of een bevel (Beschluss, § 922 en § 936 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

De partijen kunnen in beroep gaan tegen een uitspraak indien het betrokken bedrag hoger dan 600 euro is.

Het volgende is van toepassing indien een bevel wordt afgegeven:

De schuldenaar kan in beroep gaan tegen beslag of gijzeling of tegen een voorlopige voorziening (§ 924 van het wetboek). Er wordt dan een mondelinge behandeling vastgesteld om tot een definitieve uitspraak over de wettigheid van de maatregel te komen. Onder de beschreven omstandigheden kan dan weer beroep tegen de uitspraak worden ingesteld.

Indien het verzoek bij bevel wordt afgewezen, kan de schuldeiser binnen twee weken na betekening van de afwijzing onmiddellijk beroep (sofortige Beschwerde) instellen. Hetzelfde geldt indien een bevel tot beslag of gijzeling of een voorlopige voorziening wordt afgegeven. In dat geval moet de schuldeiser echter een zekerheid stellen.

Daarnaast kan de schuldenaar verzoeken om vernietiging van het bevel tot beslag of tot gijzeling of van de voorlopige voorziening indien de schuldeiser niet binnen de vastgestelde termijn zijn vordering heeft doen gelden (§ 926 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) of omdat de omstandigheden zijn veranderd (§ 927).

Wat betreft Verordening (EU) nr. 655/2014 bevat § 953 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmiddelen tegen uitspraken in samenhang met een bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen.

Tot slot moet de partij die om een voorlopige maatregel heeft verzocht, krachtens § 945 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een schadevergoeding betalen indien het bevel tot beslaglegging of gijzeling of een voorlopige voorziening vanaf het begin ongegrond blijkt, of indien de bevolen maatregel krachtens § 926, lid 2, of § 942, lid 3, van het wetboek wordt ingetrokken.

De schuldeiser kan binnen een maand gedwongen uitvoering van het bevel tot beslag of tot gijzeling of van de voorlopige voorziening vorderen. In grote lijnen gelden hier de algemene regels betreffende gedwongen uitvoering (§ 928 en § 936 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Een bevel tot beslag wordt uitgevoerd door middel van executoriaal beslag (§ 930). Voor gijzeling moet in beginsel een bevel tot gijzeling worden afgegeven (§ 933).

Laatste update: 22/10/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Estland

1 De verschillende soorten maatregelen

Een vordering kan middels de volgende maatregelen zeker worden gesteld:

  1. de vaststelling van een gerechtelijke hypotheek op onroerend goed, een schip of een luchtvaartuig dat eigendom is van de verweerder;
  2. de beslaglegging op eigendommen van de verweerder, die in het bezit zijn van de verweerder of van iemand anders, en, op basis daarvan, de invoering van een verbodsaantekening in het kadaster waarmee het verkoopverbod zichtbaar wordt gemaakt, of de verrichting van een inschrijving in een ander kadaster waarmee het verkoopverbod zichtbaar wordt gemaakt;
  3. voorkomen dat de verweerder bepaalde transacties of handelingen kan verrichten, onder meer door een beperking op te leggen;
  4. voorkomen dat anderen eigendommen overdragen aan of andere verplichtingen nakomen ten aanzien van de verweerder, met inbegrip van de verplichting om eigendommen over te dragen aan een deurwaarder of om geld over te maken naar een daarvoor vastgestelde bankrekening;
  5. de verweerder verplichten om een voorwerp te deponeren bij de deurwaarder;
  6. het opschorten van de uitvoeringsprocedure, die alleen tegen een onderpand kan worden voortgezet, of het herroepen van de handhavingsmaatregel indien het handhavingsinstrument wordt aangevochten bij een vordering, of indien een derde een vordering heeft ingesteld om de vrijgave van eigendommen waar beslag op is gelegd of de verplichte handhaving om een andere reden niet ontvankelijk te verklaren;
  7. verbieden dat de verweerder zijn woonplaats verlaat, de verweerder arresteren en in hechtenis nemen;
  8. de verweerder en bovenal een verzekeraar verplichten om betalingen te verrichten ter grootte van het minimumbedrag dat waarschijnlijk in de loop van de procedure moet worden betaald in verband met vernielingen of een verzekeringscontract;
  9. de verweerder verplichten om te stoppen met de toepassing van een oneerlijk standaardbeding of de persoon die de toepassing van het beding aanbeveelt verplichten om de aanbeveling van het beding te beëindigen of in te trekken via een vordering tot beëindiging van de toepassing van een oneerlijk standaardbeding of een vordering tot beëindiging en terugtrekking van de aanbeveling van het beding;
  10. enige andere maatregel die de rechter nodig acht.

Om een vordering in verband met inbreuken op het auteursrecht of naburige rechten of op industriële eigendomsrechten zeker te stellen, kan de rechter onder meer goederen in beslag nemen bij vermoedelijke inbreuken op auteursrechten of de verplichting opleggen om de goederen in kwestie over te dragen om te voorkomen dat ze in de handel worden gebracht of worden verspreid. Wanneer op de bankrekening of op andere activa van de verweerder beslag wordt gelegd om een vordering in verband met inbreuken op het auteursrecht of naburige rechten of op industriële eigendomsrechten zeker te stellen, kan de rechter bepalen dat bancaire, financiële of handelsdocumenten moeten worden overgedragen en geïnspecteerd.

Om een vordering in verband met onrechtmatige verkrijging, gebruik of openbaarmaking van bedrijfsgeheimen zeker te stellen, kan de rechter onder meer goederen in beslag nemen wanneer er vermoedens bestaan dat het ontwerp, de eigenschappen, de werking, de productie of de marketing van de goederen in aanzienlijke mate zijn gebaseerd op bedrijfsgeheimen die onrechtmatig zijn verkregen, gebruikt of openbaar gemaakt, of de verplichting opleggen om de goederen in kwestie over te dragen om te voorkomen dat ze in de handel worden gebracht of worden verspreid.

In huwelijks-, alimentatie- en andere familiezaken kan de rechter voor de duur van de procedure ook de volgende zaken reguleren:

  1. de rechten van de ouders ten aanzien van een gemeenschappelijk kind;
  2. de communicatie tussen een ouder en een kind;
  3. de toewijzing van een kind aan de andere ouder;
  4. de naleving van de wettelijke alimentatieverplichtingen en, onder andere, de verplichting dat de verweerder tijdens de procedure financiële steun verleent of zekerheid stelt;
  5. het gebruik van voorwerpen uit de gemeenschappelijke huishouding en van de gemeenschappelijke woning van de echtgenoten;
  6. de overdracht of het gebruik van voorwerpen die bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door een echtgenoot of kind;
  7. andere huwelijks- en familieaangelegenheden die gezien de omstandigheden snel moeten worden opgelost.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

De rechter neemt niet later dan één werkdag na indiening een besluit over verzoekschriften inzake de zekerheidstelling van een vordering. De rechter kan later beslissen over het verzoekschrift inzake de zekerheidstelling van een vordering wanneer hij eerst de verweerder wil horen.

De verweerder en de andere deelnemers aan de procedure worden niet in kennis gesteld van de hoorzitting inzake een verzoekschrift voor de zekerheidstelling van een vordering. De rechter kan eerst de verweerder horen wanneer dat kennelijk redelijk is en met name wanneer het verzoekschrift vraagt om de voorlopige regulering van de betwiste rechtsbetrekkingen.

Voorts kan de rechter een vordering op basis van een verzoekschrift zeker stellen voordat de vordering is ingesteld. In het verzoekschrift moet worden aangegeven waarom de vordering niet onmiddellijk wordt ingesteld. Het verzoekschrift moet overeenkomstig de bevoegdheidsbepalingen worden ingediend bij de juiste rechter . Indien de rechter een vordering zeker stelt voordat deze is ingesteld, bepaalt de rechter een termijn waarbinnen de indiener de vordering moet instellen. Deze termijn bedraagt maximaal een maand. Wanneer de vordering niet op tijd wordt ingesteld, herroept de rechter de zekerstelling ervan.

In voorkomend geval kan de rechter een maatregel opleggen om een vordering zeker te stellen, indien het eigendom in kwestie binnen zijn rechtsgebied ligt, ook wanneer de vordering is of zou moeten zijn ingesteld bij een andere Estse rechter, een buitenlandse rechter of een geschillencommissie. De rechter die bevoegd is voor de locatie van het kadaster kan een maatregel nemen om een vordering met betrekking tot in een kadaster ingeschreven eigendommen zeker te stellen. In het geval van een schip kan dit worden gedaan door de rechter die bevoegd is voor de locatie van de thuishaven van het schip.

De rechter kan het zeker stellen van een vordering of de voortzetting van de zekerstelling afhankelijk maken van een zekerheidstelling ter vergoeding van de mogelijke schade die de tegenpartij of een derde wordt toegebracht.

De rechter stelt een geldvordering alleen zeker wanneer voor ten minste 5% van het gevorderde bedrag zekerheid wordt gesteld, voor een bedrag van minstens 32 EUR en ten hoogste 32 000 EUR. Wanneer de verweerder in hechtenis wordt genomen of een verbod krijgt opgelegd om zijn woonplaats te verlaten teneinde een vordering zeker te stellen, bedraagt de zekerheidstelling ten minste 3 200 EUR en ten hoogste 32 000 EUR.

Wanneer is voldaan aan de voorwaarden voor zekerheidstelling kan de rechter nog steeds besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van de zekerheidstelling of bepalen dat deze in termijnen wordt voldaan indien om economische of andere redenen niet redelijkerwijs van de eiser kan worden verwacht dat hij zekerheid stelt en indien niet-zekerstelling van de vordering ernstige gevolgen kan hebben voor de eiser of het om enige andere reden onbillijk is om van de eiser een zekerheidstelling te verlangen.

2.2 De basisvereisten

De rechter kan op verzoek van de eiser een vordering zeker stellen wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat het zonder zekerstelling moeilijk of onmogelijk wordt om een rechterlijke uitspraak uit te voeren. Wanneer duidelijk is dat een rechterlijke uitspraak buiten de Europese Unie zal worden uitgevoerd en dat de uitvoering niet gegarandeerd wordt door een internationale overeenkomst, wordt verondersteld dat het niet zeker stellen van de vordering de uitvoering van de rechterlijke uitspraak moeilijk of onmogelijk kan maken.

Om een vordering zeker te stellen die geen geldvordering tegen de verweerder betreft, kan de rechter een voorlopige regeling treffen voor betwiste rechtsbetrekkingen en met name voor de toepassingswijze van een voorwerp, indien dit nodig is om ernstige schade of willekeur te voorkomen of om een andere reden. Dit is mogelijk ongeacht of er redenen zijn om aan te nemen dat niet-zekerstelling van de vordering de uitvoering van de rechterlijke uitspraak moeilijk of onmogelijk kan maken. In huwelijks-, alimentatie- en andere familiezaken kan de rechter ook op eigen initiatief maatregelen nemen.

Toekomstige of voorwaardelijke vorderingen of vorderingen tot instelling kunnen ook zeker worden gesteld. Een voorwaardelijke vordering wordt niet zeker gesteld wanneer wordt verondersteld dat de voorwaarde zich tijdens de procedure niet zal voordoen.

Een rechter kan ook een maatregel tot zekerstelling van een vordering toepassen in verband met in het buitenland gevoerde gerechtelijke of arbitrageprocedures.

Een maatregel tot zekerstelling van een vordering kan ook worden genomen wanneer een eiser meerdere tegen dezelfde verweerder ingestelde vorderingen zeker wil stellen.

Een maatregel voor het zeker stellen van een vordering moet zo worden gekozen dat de verweerder bij toepassing ervan alleen wordt belast voor zover dat redelijk wordt geacht, rekening houdend met de legitieme belangen van de eiser en de omstandigheden. Bij de zekerstelling van een geldvordering moet rekening worden gehouden met de waarde ervan. De rechter kan meerdere maatregelen tegelijk nemen om een vordering zeker te stellen.

Om een vordering zeker te stellen mag een persoon mag alleen in hechtenis worden genomen en mag het hem alleen worden verboden zijn woonplaats te verlaten wanneer dat nodig is om te voldoen aan de rechterlijke uitspraak en wanneer andere maatregelen tot zekerstelling van een vordering duidelijk ontoereikend zijn, met name wanneer er reden is om aan te namen dat de persoon naar het buitenland zal vertrekken of zijn activa in het buitenland zal onderbrengen. De politie neemt een persoon in hechtenis op basis van een rechterlijke uitspraak.

Om een vordering zeker te stellen mag een persoon alleen in hechtenis worden genomen en mag het hem alleen worden verboden zijn woonplaats te verlaten wanneer de vordering meer dan 32 000 EUR bedraagt.

Indien de rechter bij een uitspraak inzake de zekerstelling van een geldvordering of vordering hechtenis oplegt of een persoon verbiedt om zijn woonplaats te verlaten, stelt hij de geldsom vast die moet worden gestort op de daarvoor bestemde bankrekening of waarvoor een bankgarantie moet worden afgegeven. Zodra het geld is gestort of de garantie is afgegeven, wordt de uitvoering van de uitspraak inzake de zekerstelling van de vordering beëindigd. In dergelijke gevallen schrapt de rechter, op verzoek van de verweerder, de maatregel voor het zeker stellen van de vordering en vervangt deze door een geldsom of bankgarantie.

Op basis van een verzoekschrift kan voorlopige rechtsbescherming worden geboden, maar alleen wanneer de wet hierin voorziet. Wanneer de wet het mogelijk maakt om voorlopige rechtsbescherming te bieden naar aanleiding van een verzoekschrift, kan dat alleen wanneer dat nodig is om de bestaande situatie of status in stand te houden of tijdelijk te reguleren, tenzij de wet anderszins bepaalt. Tenzij de wet anderszins bepaalt, zijn de bepalingen met betrekking tot het zeker stellen van een vordering van toepassing op voorlopige rechtsbescherming. Indien de procedure alleen op basis van een verzoekschrift kan worden ingeleid, kan de rechter alleen voorlopige rechtsbescherming bieden en de uitspraak inzake voorlopige rechtsbescherming alleen wijzigen of nietig verklaren op basis van een verzoekschrift, tenzij de wet anderszins bepaalt.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Afhankelijk van de aard en het doel van de maatregelen kunnen deze zowel op roerend als op onroerend goed worden toegepast, met inbegrip van geld, schepen en luchtvaartuigen.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

  • Beslaglegging op eigendommen

Wanneer eigendommen in beslag worden genomen, mag de verweerder daar niet over beschikken. Naast de beslaglegging op andere roerende goederen, met uitzondering van in het scheepsregister ingeschreven schepen en in het luchtvaartuigenregister ingeschreven luchtvaartuigen, wordt het recht op zekerstelling bij beslaglegging gecreëerd.

Bij beslaglegging op onroerend goed of op geregistreerde roerende goederen moet in het kadaster of in een ander register worden aangetekend dat de eigendommen niet mogen worden verkocht, dit ten behoeve van de eiser en op basis van diens verzoekschrift en de uitspraak inzake de zekerstelling van de vordering. Op verzoek van de verweerder stuurt de rechter de uitspraak door om de verbodsaantekening onafhankelijk in te voeren in het register.

De rechter kan op verzoek van de eiser of de verweerder bepalen dat een in beslag genomen voorwerp wordt verkocht en dat de opbrengsten van de verkoop worden gestort op de daarvoor vastgestelde bankrekening wanneer de waarde van het voorwerp sterk kan afnemen of de opslag van het voorwerp onredelijke kosten met zich meebrengt.

Een deurwaarder zorgt voor de inbeslagname van eigendommen. Op verzoek van de persoon die om zekerstelling van de vordering heeft verzocht, houdt de deurwaarder toezicht op het in beslag genomen voorwerp. In dergelijke gevallen verbiedt de deurwaarder het gedeeltelijke of volledige gebruik van het voorwerp en kan hij orders geven met betrekking tot het voorwerp, die onder meer betrekking kunnen hebben op de opslag ervan.

  • Gerechtelijke hypotheek

Tenzij de wet anderszins bepaalt, geniet de persoon die om zekerstelling van de vordering heeft verzocht bij een gerechtelijke hypotheek op een onroerend goed, een in het scheepsregister ingeschreven schip of een in het luchtvaartuigenregister ingeschreven luchtvaartuig, dezelfde rechten ten aanzien van de andere rechten die het voorwerp bezwaren als de rechten die een hypotheekhouder geniet uit hoofde van een hypotheek of maritieme hypotheek, of als de rechten die een pandhouder geniet uit hoofde van een effect op naam.

De som van de hypotheek is het bedrag van de zeker gestelde vordering die in het kadaster, het scheepsregister of het luchtvaartuigenregister is ingeschreven. Indien de hoofdvordering minder bedraagt dan 640 EUR, wordt er geen gerechtelijke hypotheek ingesteld, mits de vordering zeker kan worden gesteld via andere maatregelen, die minder nadelig zijn voor de verweerder.

Een gerechtelijke hypotheek wordt ingeschreven in het kadaster, het scheepsregister of het luchtvaartuigenregister, en wel ten behoeve van de eiser en op basis van diens verzoekschrift en de uitspraak inzake de zekerstelling van de vordering. Op verzoek van de eiser stuurt de rechter de uitspraak door om de gerechtelijke hypotheek onafhankelijk in te schrijven in het register. De hypotheek wordt gecreëerd wanneer deze in het register wordt ingeschreven.

Zodra een gerechtelijke hypotheek is vastgesteld op een schip of luchtvaartuig houdt de deurwaarder er toezicht op, en wel op aanvraag van de persoon die om de zekerstelling van de vordering heeft verzocht. In dergelijke gevallen verbiedt de deurwaarder het gedeeltelijke of volledige gebruik van het schip en kan hij andere orders geven met betrekking tot het schip.

  • Verbod op het verlaten van de woonplaats

Een persoon aan wie een verbod op het verlaten van de woonplaats is opgelegd mag zijn of haar woonplaats zonder toestemming van de rechter niet langer dan 24 uur verlaten. Om een verbod op het verlaten van de woonplaats op te leggen, dagvaardt hij de verweerder (wanneer die een natuurlijke persoon is) of een lid van de beheersinstantie van de verweerder (wanneer die een rechtspersoon is), en verkrijgt hij daartoe zijn of haar handtekening.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Indien de rechter bij een uitspraak inzake het zeker stellen van een geldvordering of andere vordering hechtenis oplegt of een persoon verbiedt zijn woonplaats te verlaten, stelt hij de geldsom vast die moet worden gestort op de daarvoor vastgestelde bankrekening of waarvoor een bankgarantie moet worden afgegeven. Zodra het geld is gestort of de garantie is afgegeven, wordt de uitvoering van de uitspraak inzake de zekerstelling van de vordering beëindigd.

Op verzoek van een partij kan de rechter bij een uitspraak een maatregel tot zekerstelling van een vordering verwisselen voor een andere.

Wanneer er een gerechtelijke hypotheek is gecreëerd op meerdere onroerende goederen, schepen of luchtvaartuigen, stelt de rechter in de uitspraak inzake de zekerstelling van de vordering voor elk bezwaard voorwerp een geldsom vast die moet worden overgemaakt naar de daarvoor vastgestelde bankrekening of waarvoor een bankgarantie moet worden afgegeven. Zodra het geld is overgemaakt of de garantie is afgegeven, wordt de zekerstelling van de vordering herroepen. Indien de zekerstelling van een vordering wordt herroepen of een maatregel tot zekerstelling van de vordering wordt vervangen, wordt de eigenaar van het onroerend goed, het schip of het luchtvaartuig de eigenaar van de hypotheek. Op verzoek van de eigenaar wordt de gerechtelijke hypotheek uit het kadaster, het scheeps- of het luchtvaartuigenregister geschrapt, en wel op basis van een uitspraak waarmee de zekerstelling van de vordering wordt herroepen.

De rechter kan op verzoek van een van de partijen de zekerstelling van een vordering herroepen, en wel bij veranderende omstandigheden – met name wanneer er niet langer reden is om een vordering zeker te stellen of wanneer zekerheid wordt gesteld – of op basis een andere rechtsgrond. De niet-geldelijke zekerstelling van een vordering kan alleen worden herroepen of vervangen door een betaling in contanten wanneer de eiser toestemming heeft verleend of wanneer daar een goede reden voor is.

De rechter herroept de zekerstelling van een vordering bij een rechterlijke uitspraak indien geen gevolg is gegeven aan de vordering, of bij een uitspraak indien de vordering niet is toegelaten of de betreffende procedure is afgerond. De rechter herroept de zekerstelling van een vordering ook wanneer het besluit om de vordering zeker te stellen door een ander gerecht werd genomen, tenzij de wet anderszins bepaalt.

In huwelijks-, alimentatie- en andere familiezaken kan de rechter op eigen initiatief een uitspraak inzake de zekerstelling van een vordering wijzigen of nietig verklaren.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Een partij kan beroep instellen tegen een uitspraak waarmee een kanton- of kringrechter een vordering zeker stelt, een maatregel tot zekerstelling van een vordering vervangt door een andere of de zekerstelling van een vordering herroept. Tegen een uitspraak van een kringrechter in een beroep tegen een uitspraak van een kantonrechter kan alleen beroep worden aangetekend bij het Hooggerechtshof (Riigikohus) wanneer de zeker gestelde vordering een waarde vertegenwoordigt van meer dan 100 000 EUR of wanneer, bij wijze van zekerstelling, een persoon in hechtenis is genomen of het hem verboden is zijn woonplaats te verlaten.

Tegen uitspraken over voorlopige rechtsbescherming kan beroep worden ingesteld. Tegen uitspraken van kringrechters over dergelijke beroepen is geen beroep bij het Hooggerechtshof mogelijk, tenzij in de wet anders is bepaald.

Laatste update: 29/03/2022

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Ierland

1 De verschillende soorten maatregelen

De verschillende soorten voorlopige maatregelen die door de Ierse gerechten kunnen worden toegepast, zijn voorzieningen (injunctions). Een voorziening is een gerechtelijke beschikking waarbij een partij wordt opgedragen iets te doen dan wel niet te doen. In strijd met een voorziening handelen is obstructie van de rechtsgang en een persoon die in strijd met een dergelijke beschikking handelt, kan tot een gevangenisstraf worden veroordeeld. Een voorziening is:

i) blijvend,

ii) voor bepaalde tijd, of

iii) wordt op tijdelijke basis verleend, hangende de behandeling van de zaak.

Indien de eiser van mening is dat de verweerder essentiële zaken of documenten zou kunnen verwijderen of vernietigen, dan kan hij ex parte (eenzijdig) bij het gerecht om een ‘Anton Piller-beschikking' verzoeken; dit is een soort voorziening die een verweerder verplicht een eiser toe te staan zijn erf en pand te betreden om documenten of andere zaken in te zien of te inspecteren en alles mee te nemen dat aan de eiser toebehoort. Indien een eiser vreest dat een verweerder zich geheel of gedeeltelijk van zijn activa zal ontdoen en wellicht niet in staat zal zijn aan de vordering van de eiser te voldoen als deze uiteindelijk door het gerecht wordt toegewezen, dan kan de eiser bij het gerecht om een conservatoir beslag (of een ‘Mareva‑voorziening’) vragen waardoor het voor de verweerder is verboden om gedurende de looptijd van de beschikking over zijn activa te beschikken. In het algemeen voorkomt een Mareva‑voorziening dat een verweerder die zich niet binnen het rechtsgebied bevindt maar wel activa heeft binnen het rechtsgebied, deze activa hangende het proces weghaalt.

Indien de vordering van de eiser een geldbedrag betreft, kan hij het gerecht verzoeken om een beschikking waarmee de verweerder wordt opgedragen een tussentijdse betaling van het gedeeltelijke of gehele bedrag aan het gerecht te doen. Daarentegen kan een verweerder die vreest dat de eiser, indien deze de vordering niet krijgt toegewezen, niet in staat zal zijn de gerechtskosten van de verweerder te betalen, het gerecht vragen de eiser op te dragen een zekerheid te stellen voor de gerechtskosten door een geldbedrag aan het gerecht te betalen. Indien een beschikking voor ‘zekerheid voor de kosten’ wordt uitgevaardigd ten gunste van een verweerder, kan de eiser de vordering alleen voortzetten indien hij het geldbedrag zoals opgedragen in de beschikking aan het gerecht betaalt.

Het High Court kan in voorkomend geval een voorlopige voorziening treffen ter ondersteuning van een proces in een ander rechtsgebied. Ook kan het een "wereldwijd conservatoir beslag" opleggen dat ook van kracht is voor activa in andere rechtsgebieden indien er wordt gevreesd dat de verweerder wellicht zal trachten zijn activa snel van de hand te doen om aan de gevolgen van een vonnis in zijn nadeel te ontsnappen.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

De meeste verzoekschriften voor een voorziening kunnen worden ingediend bij het Circuit Court of het High Court. Bepaalde voorlopige voorzieningen kunnen echter alleen worden verkregen via het High Court, zoals conservatoir beslag, Anton Piller-beschikkingen en beschikkingen betreffende procedures in het buitenland.

De partij die een voorlopige voorziening verlangt, moet een verzoekschrift bij het gerecht indienen en haar verzoek met een beëdigde verklaring staven. De eiser moet alle relevante feiten uitputtend vermelden, met name wanneer de verweerder niet van het verzoek in kennis wordt gesteld. Ook moet de beëdigde verklaring een ontwerpvonnis omvatten, waarin precies wordt aangegeven wat er van het gerecht wordt gevraagd. Meer informatie over de noodzakelijke gerechtelijke formulieren is te vinden op de website van de De link wordt in een nieuw venster geopend.Courts Service.

Indien de gevraagde beschikking wordt toegewezen aan de partij die om een voorziening verzoekt, zal deze partij meestal een zekerheid moeten stellen voor vergoeding van de schade van de verweerder indien de vordering van de eiser uiteindelijk wordt afgewezen, zodat de tegenpartij tegen wie de voorziening gericht is de kosten kan verhalen die voor haar voortvloeien uit de beschikking.

Het is mogelijk een verzoekschrift ex parte of zonder de tegenpartij hiervan in kennis te stellen in te dienen, mits er hiervoor goede gronden zijn. Een dergelijk verzoekschrift kan voorafgaand aan het instellen van de procedure worden ingediend als er sprake is van een bepaalde urgentie wat betreft de situatie van de eiser (zie voor tussenvonnissen en voorlopige voorzieningen bij het Commercial Court, Order 63A, rule 6, onder 3, van de De link wordt in een nieuw venster geopend.Rules of the Superior Courts 1986).

2.2 De basisvereisten

Het gerecht kan naar eigen goeddunken een voorlopige voorziening toekennen wanneer dit hem billijk en passend lijkt (Order 50, rule 6, onder 1, van de De link wordt in een nieuw venster geopend.Rules of the Superior Courts 1986). Om te bepalen of het gepast is een voorlopige voorziening toe te wijzen, dient het gerecht vast te stellen:

i) of er over een redelijke, bonafide kwestie moet worden beslist;

ii) of toekenning van een schadevergoeding een afdoende rechtsmiddel zou zijn indien de door de eiser gevraagde voorziening zou worden geweigerd en de eiser vervolgens het proces wint;

iii) waar de juiste balans ligt bij alle afwegingen betreffende de beslissing.

Het eerste vereiste is dat de eiser moet aantonen dat het bij de rechtsvordering om een redelijke zaak gaat. Dit is een relatief lage horde die de eiser moet nemen, maar de afgelopen jaren bleek het steeds moeilijker om aan dit vereiste te voldoen indien de voorlopige voorziening waarom de eiser verzocht een voorziening was die de tegenpartij dwong iets te doen. In een dergelijk geval is het nu duidelijk dat de autoriteiten verwachten dat de eiser aantoont dat hij sterk staat en een grote kans maakt het proces te winnen.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Voorzieningen kunnen om allerlei redenen worden gevraagd, waaronder voorkomen dat een partij grond bewerkt of gebruikt in strijd met een overeenkomst of met planologische beperkingen, verkrijgen van een huiszoekingsbevel waarbij goederen mogen worden meegenomen, een werkgever dwingen een werknemer door te betalen of voorkomen dat een werkgever hangende een geschil nieuwe werknemers in dienst neemt. Als het gaat om een beschikking voor conservatoir beslag kan de partij tegen wie de beschikking is gericht niet over haar activa beschikken op een wijze die onverenigbaar is met de beschikking. Het kan haar bijvoorbeeld alleen maar zijn toegestaan een vast bedrag aan contant geld van een bankrekening te halen, terwijl het haar verboden is de waarde van haar activa tot onder een bepaald bedrag te verlagen, en zulks totdat de procedure volledig is afgerond.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Wie een voorlopige voorziening naast zich neerlegt, maakt zich schuldig aan obstructie van de rechtsgang (contempt of court). Hiervoor kan de betrokkene een gevangenisstraf of een boete krijgen en ook kunnen zijn activa in beslag worden genomen. Op de voorzijde van de beschikking moet de verweerder worden gewaarschuwd voor de straf die hij riskeert door de voorwaarden van de voorziening te schenden. Als een derde een verweerder bewust helpt zich te ontdoen van zijn activa die het voorwerp zijn van een conservatoir beslag, kan ook die derde zich schuldig maken aan obstructie van de rechtsgang. Derhalve worden er gewoonlijk kopieën van een beschikking voor conservatoir beslag betekend aan desbetreffende derden, zoals bankdirecteuren, accountants en advocaten van de partij tegen wie de beschikking is gericht.

Een overeenkomst die in strijd met een voorziening is gesloten, is onwettig en een partij die op de hoogte is van het bestaan van de beschikking kan geen nakoming van de overeenkomst afdwingen. Toch kan de eigendom nog steeds worden overgedragen krachtens een onwettige overeenkomst, en wanneer deze eenmaal ten uitvoer is gelegd, is het doorgaans onmogelijk de overgedragen activa terug te krijgen en is toekenning van schadevergoeding het enige rechtsmiddel voor de eiser in deze situatie.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Normaal gesproken is een voorziening geldig tot de afsluiting van het proces (een voorlopige voorziening). Wanneer een voorlopige voorziening is getroffen zonder dat dit aan de tegenpartij is bekendgemaakt, zal deze gewoonlijk slechts korte tijd van kracht zijn, waarna er opnieuw een rechterlijke beschikking nodig is.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Ja. De verweerder of iedere derde die direct betrokken is bij een voorlopige voorziening, kan het gerecht te allen tijde verzoeken de beschikking te wijzigen of in te trekken. De partij die de voorziening wil betwisten, moet daartoe kennisgeving van het verzoekschrift doen aan de raadsman van de tegenpartij. Het gerecht kan een voorziening intrekken indien de verweerder kan aantonen dat de voorziening hoe dan ook niet had mogen worden toegewezen, indien er bepaalde significante veranderingen zijn opgetreden in de omstandigheden sinds de beschikking werd uitgevaardigd of indien intrekking billijk en rechtvaardig is. Zoals hierboven vermeld, mag een gerecht van een partij die om een voorziening verzoekt, eisen dat deze aan het gerecht een zekerheid voor schadevergoeding betaalt, zodat, indien de vordering uiteindelijk door het gerecht wordt afgewezen, de partij tegen wie de voorziening gericht is enige bescherming geniet wat betreft de kosten die voor haar voortvloeien uit het bevel.

Laatste update: 08/04/2022

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Griekenland

1 De verschillende soorten maatregelen

De voorlopige en conservatoire maatregelen en de maatregelen in kort geding in het algemeen bestaan uit de voorlopige toekenning van een bijkomstige rechtsbescherming bij de gerechtelijke bodemprocedure die al loopt of op het punt staat te beginnen met betrekking tot het te erkennen recht. Deze voorlopige toekenning van rechtsbescherming heeft tot doel om de toekomstige voldoening van de vordering die moet worden vastgesteld, te beschermen. Deze maatregelen zijn: de zekerheidstelling, de voorlopige hypotheekregistratie, conservatoir beslag, gerechtelijk beslag, de voorziening in kort-geding, de voorlopige regeling van een situatie, verzegeling, ontzegeling, inventaris en consignatie, conservatoire maatregelen van bezit.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Deze maatregelen worden altijd opgelegd door een rechtbank.

De rechtbank van eerste aanleg die met één rechter uitspraak doet, is algemeen bevoegd om deze maatregelen op te leggen. Deze bevoegdheid komt toe aan het kantongerecht in het geval van een voorlopige regeling van bezit of verzekerde bewaring en wanneer hij, krachtens algemene bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, bevoegd is om kennis te nemen van het bodemgeschil. Daarnaast heeft hij exclusieve bevoegdheid voor de voorlopige inschrijving en opheffing van een hypotheek door wederzijdse instemming. Daarnaast heeft de hogere rechtbank waar de zaak ten principale loopt, concurrerende bevoegdheid met de rechtbank van eerste aanleg met één rechter om deze maatregelen te nemen. De rechtbank die in het district bevoegd is, is in principe degene die in het district bevoegd is om kennis te nemen van het bodemgeschil, maar deze maatregelen mogen ook worden opgelegd door de rechtbank die het dichtst gelegen is van de plaats waar deze moeten worden uitgevoerd. Deze beschikking wordt betekend aan degene aan wie de plicht wordt opgelegd en wordt uitgevoerd door de deurwaarder. Indien deze laatstgenoemde niet kan uitvoeren, vraagt hij hulp aan politiefunctionarissen. De kosten zijn moeilijk in te schatten, omdat de vergoedingen van advocaten en deurwaarders variëren.  De indicatieve kosten zijn ongeveer 250 euro.

2.2 De basisvereisten

De rechtbank legt conservatoire maatregelen op:

a) in dringende gevallen of om een dreigend gevaar te voorkomen, om een recht te waarborgen of te beschermen of om een situatie te regelen, en

b) als het recht dat de conservatoire maatregel beoogt te beschermen, waarschijnlijk bestaat.

De vordering moet in beginsel gegrond en waarschijnlijk zijn; met andere woorden, er is geen volledig bewijs nodig, maar onvolledig bewijs met enige overtuiging ten aanzien van de te bewijzen feiten: voor toekenning van de verzochte rechtsbescherming volstaat het dat de rechter deze eenvoudigweg waarschijnlijk acht. Voor de toekenning van deze bescherming geldt de voorwaarde van urgentie of een dreigend risico dat de schuldenaar zijn goederen die vatbaar zijn voor beslag, vervreemdt zodat de toekomstige gedwongen uitvoering ten opzichte van hem onmogelijk wordt wanneer de schuldeiser, na afloop van het geding ten principale, een executoriale titel heeft verkregen.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Deze maatregelen kunnen worden toegepast op alle goederen van de schuldenaar in het algemeen, ongeacht of hij dan wel een derde deze in bezit heeft: het volstaat dat ze overdraagbaar zijn volgens de regels van het privaatrecht en dat ze door de wet niet worden aangemerkt als niet vatbaar voor beslag. In het bijzonder kunnen de volgende zaken het voorwerp zijn van deze maatregelen: de onroerende goederen van de schuldenaar, de roerende goederen die niet worden beschouwd als niet vatbaar voor beslag, zoals boten, vliegtuigen, vervoermiddelen over land, bankdeposito's en ongecertificeerde aandelen.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Wanneer de beschikking is verstrekt, heeft de schuldenaar geen vrije beschikking over zijn goederen meer als deze een conservatoire maatregel oplegt die deze blokkeert, zoals conservatoir beslag van zijn goederen of een voorlopige hypotheekregistratie op zijn onroerende goederen. Als de schuldenaar de beschikking van de rechtbank niet naleeft, wordt hij gestraft met een gevangenisstraf van ten minste zes maanden in overeenstemming met artikel 232A van het Wetboek van Strafrecht.

Wetsbesluit 1059/1971 voorziet in het depositogeheim en in een gevangenisstraf van ten minste zes maanden voor leden van de raad van bestuur, kaderleden of medewerkers van banken die dit geheim schenden. Deze regel staat het conservatoir beslag ervan echter niet in de weg, omdat de beschikking die deze conservatoire maatregel oplegt, niet noodzakelijkerwijs het bankdeposito of de ongecertificeerde aandelen hoeft te specificeren die voorlopig moeten worden geblokkeerd krachtens de beschikking in kort geding. Bovendien doet het verbod om erover te beschikken, dat door de beschikking wordt opgelegd, niets af aan het geheim, omdat de banken niet wordt gevraagd om informatie over hun bestaan te verstrekken. Wanneer het conservatoir beslag betrekking heeft op goederen die zich in het bezit van andere derden bevinden, moeten deze laatsten verklaren of een vordering of het in beslag genomen recht bestaat en of er een ander beslag in hun bezit is en voor welk bedrag.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Volgens de wet blijven deze maatregelen van kracht

a) zolang er geen definitieve uitspraak is gedaan in de procedure ten aanzien van de zaak ten principale tegen degene die heeft verzocht om de conservatoire maatregel en deze uitspraak geen kracht van gewijsde heeft gekregen,

b) zolang er geen definitieve uitspraak is gedaan ten gunste van hem en deze niet is uitgevoerd,

c) indien er geen schikking is verkregen met betrekking tot de zaak ten principale,

d) gedurende 30 dagen na afloop van het proces of de voltooiing ervan op een andere wijze,

e) zolang de beschikking niet is ingetrokken of gewijzigd, vanwege nieuwe omstandigheden, door de rechtbank die deze heeft verstrekt of, zonder dat hiervoor nieuwe feiten nodig zijn, door de rechter die uitspraak doet ten principale, en,

f) wanneer de beschikking een termijn heeft bepaald voor de indiening van de vordering ten principale, indien deze vordering binnen de termijnen wordt uitgevoerd.

Als een van de partijen niet ter zitting verschijnt, terwijl ze volgens de regels van de wet en binnen de termijnen is gedagvaard, leidt dit tot haar veroordeling bij verstek. De rechtbank onderzoekt de zaak echter alsof alle partijen aanwezig waren, omdat het niet ter zitting verschijnen bij een kort geding niet veronderstelt dat de feiten die in de vordering uiteen zijn gezet, worden bekend. De rechtbank mag de zaak alleen opnieuw onderzoeken als de bij verstek veroordeelde partij verzoekt om intrekking of wijziging van de beschikking door zich te beroepen op nieuwe omstandigheden waardoor de rechtbank, als hij dat had geweten, een andere beschikking had verstrekt.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Tegen de beschikking in kort geding kan geen beroep worden ingesteld, behalve als deze de voorlopige regeling van bezit of bewaring oplegt: in dat geval biedt de wet uitdrukkelijk de mogelijkheid van beroep bij de bevoegde hogere rechtbank binnen een termijn van tien dagen na publicatie van de beschikking. Daarnaast mag de procureur-generaal bij het hof van cassatie mag een beroep instellen tegen alle beschikkingen indien er een vraag van algemeen belang wordt opgeworpen. Na onderzoek van de zaak bevestigt of verwerpt deze rechter de aangevochten beschikking en zijn arrest heeft een voorlopige geldigheid. Zoals hierboven is gesteld, kunnen de partijen een verzoek om intrekking of wijziging van de beschikking indienen, net als derden (derdenverzet) die niet zijn gedagvaard bij de procedure en hier niet aan hebben deelgenomen, terwijl ze wel een belang hierbij hebben.

Laatste update: 04/01/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Spaans) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.
De volgende vertalingen zijn al beschikbaar: Engels

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Spanje

1 De verschillende soorten maatregelen

De wetgeving op het gebied van burgerlijke rechtsvordering (vooral het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat is opgenomen in de Ley de Enjuiciamiento Civil - LEC) is de belangrijkste bron voor conservatoire maatregelen. Er zijn echter maatregelen overeenkomstig het specifieke materiële recht.

De maatregelen krachtens de LEC (artikel 727) omvatten onder meer:

  1. conservatoir beslag op goederen om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen die veroordelen tot de betaling van geldbedragen of producten, inkomsten, consumptiegoederen die kunnen worden gewaardeerd in geld door toepassing van bepaalde tarieven;
  2. gerechtelijk toezicht of bewind over productiegoederen, wanneer de verlangde veroordeling erop is gericht om deze over te dragen op basis van een eigendomstitel, een vruchtgebruik of enige andere titel met een rechtmatig belang voor behoud of verbetering van de productiviteit, of wanneer het feit dat de productiviteit wordt gewaarborgd een essentieel belang is om de veroordeling die kan worden uitgesproken doeltreffend te maken;
  3. beslag op roerend goed, wanneer het verzoekschrift gericht is op de veroordeling tot teruggave en dat goed in het bezit van de verweerder is;
  4. het opstellen van inventarissen van goederen, volgens de voorwaarden die zijn bepaald door de rechtbank;
  5. de preventieve registratie van het verzoekschrift, wanneer dit verwijst naar goederen of rechten die kunnen worden ingeschreven in openbare registers;
  6. overige registraties, indien de openbaarheid via het register nuttig is voor de goede afloop van de tenuitvoerlegging;
  7. het bevel om een activiteit voorlopig stop te zetten, om zich tijdelijk te onthouden van een bepaalde gedraging; of het tijdelijke verbod om een prestatie die wordt uitgevoerd te onderbreken of stop te zetten.
  8. toezicht en beslag op inkomsten die zijn verkregen door een activiteit die als onrechtmatig wordt aangemerkt en waarvan het verbod of de stopzetting wordt beoogd in het verzoekschrift, evenals de bewaring van of het beslag op bedragen die worden gevorderd als beloning van de intellectuele eigendom;
  9. tijdelijk beslag op exemplaren van werken of voorwerpen die zouden zijn gemaakt door inbreuk te maken op regels ten aanzien van de intellectuele en industriële eigendom, evenals het beslag op het materiaal dat is gebruikt voor de productie daarvan;
  10. de opschorting van maatschappelijke besluiten die worden betwist, wanneer de verzoeker(s) ten minste één of vijf procent van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt (vertegenwoordigen), afhankelijk van het feit of de verwerende onderneming al dan niet effecten heeft uitgegeven die, op het moment van de betwisting, waren toegelaten voor handel op een officiële secundaire markt.

In aanvulling hierop staat de laatste alinea van artikel 727 van de LEC de rechter toe om andere maatregelen toe te kennen die hierboven niet zijn genoemd, zodat deze lijst niet volledig is (bijvoorbeeld het bepaalde in artikel 762 van de LEC):

  1. Het gaat om andere maatregelen die, voor de bescherming van bepaalde rechten, uitdrukkelijk zijn opgenomen in de wetten of die als noodzakelijk worden beschouwd om te zorgen voor de doeltreffendheid van het gerechtelijk mandaat dat kan worden toegekend bij de rechterlijke beslissing over de toelating die tijdens het geding wordt gegeven.

Naast dit algemene stelsel zijn er andere wettelijke maatregelen op het gebied van conservatoire bescherming. Daarvan kunnen onder meer de volgende worden genoemd:

  1. procedures ten aanzien van de bekwaamheid van personen: artikel 762 van de LEC staat de rechtbank toe om van rechtswege maatregelen te treffen die nodig worden geacht voor een geschikte bescherming van de persoon die als onbekwaam wordt beschouwd of van zijn vermogen;
  2. procedures ten aanzien van afstamming, vaderschap en moederschap: artikel 768 van de LEC voorziet in maatregelen voor de bescherming van de persoon en de goederen van de persoon die onder het gezag valt van degene die kennelijk een ouder is en de toekenning van voorlopige alimentatie aan de verzoeker, in urgente gevallen ook zonder voorafgaande hoorzitting;
  3. bescherming van het vermogen van de overledene: naast andere maatregelen, kan zowel bevriezing van de goederen uit de nalatenschap en de documenten van de overledene, als toezicht op de goederen van de nalatenschap worden bevolen, evenals het zoeken naar naasten van de overledene (artikel 790 tot artikel 796 van de LEC);

De bijzondere wetgeving bevat eveneens specifieke conservatoire maatregelen. Het gaat onder meer om de volgende wetgeving:

  1. Wet inzake intellectuele eigendom (Ley Propriedad Intelectual) - Koninklijk Wetgevend Besluit 1/1996 van 12 april 1996 – artikelen 138 en 141 (toezicht en beslag op inkomsten die zijn verkregen door middel van de betrokken onrechtmatige activiteit, de opschorting van de activiteiten inzake reproductie en publieke verspreiding en communicatie, beslag op vervaardigde exemplaren, beslag op uitrusting, apparaten en materiële dragers enz.).
  2. Wet 17/2001 betreffende merken (Ley de Marcas) van 7 december 2001 – artikel 61 (de preventieve registratie van het verzoekschrift in het merkenregister).
  3. Wet 24/2015 betreffende octrooien (Ley de Patentes) van 24 juli 2015 – artikel 11 (de opschorting van de procedure voor de afgifte van het octrooi), artikelen 117 en 127 en volgende (het verbod om nog verder handelingen te stellen die het recht van de aanvrager schenden, het beslag op en de bewaring van de goederen die geacht worden het recht van de octrooihouder te schenden, de borg voor de eventuele schadevergoedingen en de desbetreffende registratie-aantekeningen).
  4. Wet 22/2003 betreffende insolvabiliteit (Ley Concursal) van 9 juli 2003 – artikel 48 ter (bevriezing van de activa van de beheerders van de vennootschap) en artikel 17 (onder meer verzekering van de integriteit van het vermogen).
  5. Wet 14/2014 betreffende de zeevaart (Ley de Navegación Marítima) van 24 juli 2014 – artikelen 43, 470 en volgende (conservatoir beslag op schepen).
  6. Wet 49/1960 betreffende mede-eigendom (Ley de Propiedad Horizontal) van 21 juli 1960 – artikelen 7 (stopzetting van verboden activiteiten) en 18 (opschorting van door de algemene vergadering van mede-eigenaars gesloten overeenkomsten).

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

De maatregelen worden bevolen door de rechter of de rechtbank die materieel en territoriaal bevoegd is. Dit is de rechter of rechtbank die de zaak behandelt of die, indien de procedure nog niet is ingeleid, de zaak zal behandelen.

Er kan verzocht worden om conservatoire maatregelen voordat het verzoekschrift wordt ingediend, op voorwaarde dat deze, in hun aard, niet onmogelijk op te leggen zijn (bijvoorbeeld in het geval van preventieve inschrijving van het verzoekschrift) of dat de wet niet vereist dat het verzoek daarom tegelijk met het verzoekschrift plaatsvindt (zoals de stopzetting van verboden activiteiten of de opschorting van gemeenschappelijke besluiten in de gevallen van geschillen met betrekking tot de mede-eigendom). Vanwege hun uitzonderlijke aard (omdat deze normaal gesproken worden geëist in het verzoekschrift zelf) moeten ze zowel urgent als noodzakelijk zijn. Ze kunnen worden aangenomen zonder dat de persoon die de tegenpartij is bij het verdere geding wordt gehoord (zonder afbreuk te doen aan het recht om hier bezwaar tegen te maken nadat ze zijn opgelegd), maar worden niet van kracht als het overeenkomstige verzoekschrift niet binnen twintig dagen na de beslissing wordt ingediend.

Zoals aangegeven gebeurt het echter relatief vaak dat er om de maatregelen wordt verzocht bij de indiening van het verzoekschrift en in dat geval geeft de rechter of de rechtbank opdracht tot het openen van een afzonderlijk dossier dat tegelijk met de zaak ten principale wordt onderzocht en waarin bewijzen kunnen worden voorgesteld en overgelegd om te getuigen van het bestaan van de benodigde voorwaarden voor het verkrijgen van de conservatoire bescherming. Als algemene regel worden de partijen, vóór de instelling van conservatoire maatregelen, opgeroepen voor een hoorzitting bij de rechtbank waar ze hun beweringen kunnen presenteren en het bijbehorende bewijs kunnen overleggen ten aanzien van het al dan niet gegrond zijn van deze maatregelen of, in voorkomende gevallen, de zekerheid die moet worden geëist van de betrokken persoon door middel van de conservatoire maatregel indien het verzoekschrift wordt afgewezen. De verzoeker van de maatregel mag echter eisen dat deze wordt ingesteld zonder dat de andere partij wordt gehoord wanneer hij aantoont dat er sprake is van redenen van urgentie of dat de hoorzitting de goede afloop van de maatregel in het geding kan brengen als er bijvoorbeeld een risico bestaat van verdoezeling of onderwaardering van het vermogen van de schuldenaar. In dat geval kan de benadeelde partij, na instelling van de maatregel, bezwaar maken.

Er kan ook om maatregelen worden verzocht na indiening van het verzoekschrift of tijdens het beroep, ook als vereist is dat dit verzoek op feiten en omstandigheden berust die het moment van indiening ervan rechtvaardigen.

Om te verzoeken om de instelling van conservatoire maatregelen is de aanwezigheid van een advocaat en een procureur vereist bij procedures waar de tussenkomst van deze professionals nodig is. In het geval van dringende maatregelen vóór het verzoekschrift, is de vertegenwoordiging tijdens de procedure niet onontbeerlijk (artikelen 23 en 31 van de LEC).

2.2 De basisvereisten

Er moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden opdat een rechtbank een van de bovengenoemde maatregelen aanvaardt.

  1. Risico in verband met de verstreken tijd of periculum in mora: dat is het risico van schade die de verzoeker zou kunnen lijden vanwege de duur van de procedure die de uitvoering kan verhinderen van wat er is besloten in de rechterlijke beslissing of de uitspraak waarmee het geding is beëindigd. De verzoeker van de maatregel moet aantonen dat er, in het desbetreffende geval, indien de verzochte maatregelen niet worden ingesteld, tijdens de procedure situaties kunnen optreden die de doeltreffende toepassing van de maatregel, die kan worden toegekend bij een uitspraak die het verzoek inwilligt, hindert of bemoeilijkt. In alle gevallen moet de maatregel niet worden goedgekeurd indien de situatie die tot het risico leidt al lange tijd wordt verdragen door de verzoeker, behalve als hij zich beroept op goede redenen die het feit rechtvaardigen dat hij de maatregel niet eerder kon aanvragen.
  2. Schijn van rechtvaardigheid van het verzoek of prima facie zaak: de verzoeker moet aan de rechtbank de redenen verstrekken die de laatstgenoemde ertoe zetten om te verzoeken om een preliminaire zitting ten aanzien van de overeenstemming van het verzoekschrift met het recht. Deze voorwaarde houdt in dat de verzoeker de gegevens, argumenten en bewijsstukken verstrekt waarmee de rechtbank een voorlopige en incidentele uitspraak kan doen ten gunste van de grondslag van de aanspraak zelf (artikel 728.2 van de LEC), zonder afbreuk te doen aan het geding ten gronde (want in Spanje is de rechtbank die de conservatoire maatregelen instelt dezelfde als de rechtbank die verder over de zaak oordeelt). Het bewijs moet niet alleen gedocumenteerd zijn, maar ook van een andere aard zijn (getuigen, deskundigen, verklaring van partijen enz.).
  3. Zekerheid: behalve bij uitdrukkelijke, tegengestelde bepalingen, moet de verzoeker om de maatregel een zekerheid verstrekken die volstaat ter dekking van de schade aan het vermogen van de verweerder waar de preventieve maatregel toe kan leiden. Het bedrag wordt vastgesteld door de rechtbank waarbij rekening wordt gehouden: a) met de aard en inhoud van de aanspraak; b) met de beoordeling waarop het verzoek om de maatregel is gebaseerd; en c) met relevante of benodigde redenen of gronden in verband met de kwantificering van de schade die de maatregelen met zich mee kunnen brengen.
  4. Proportionaliteit: dit betreft een vereiste die niet uitdrukkelijk wordt vermeld in de LEC, maar die de wetgevers in het algemeen zien als een aanvulling op de hierboven genoemde vereisten, aangezien de rechtbank alleen de strikt noodzakelijke maatregel toekent ter garantie van het doel van bescherming van de procedure waarop de conservatoire maatregel betrekking heeft. Deze vloeit voort uit de beginselen van de rechtsstaat en minimaal ingrijpen in de sfeer van vrijheid van individuen waarop het hele rechtsstelsel berust, te beginnen met de grondwet.
  5. Bijkomstigheid. De conservatoire maatregelen volgen de aard van de procedure ten principale, waar ze van afhangen.
  6. Variabiliteit. Conservatoire maatregelen kunnen worden gewijzigd door feiten en omstandigheden aan te voeren en aan te tonen die niet in overweging konden worden genomen op het moment van instelling van die maatregelen of binnen de vastgestelde termijn om er bezwaar tegen te maken.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

Het aannemen van een conservatoire maatregel is bedoeld als tegemoetkoming aan of dekking van de mogelijkheid dat de verweerder, bij het onderzoek van een huidig of toekomstig geding, verplicht wordt om bepaalde handelingen niet of andere juist wel te verrichten met betrekking tot zijn vermogen. Het gaat er dus om om de verweerder ervan te weerhouden handelingen te verrichten die bedoeld zijn om de binnenkomst van goederen of rechten in zijn vermogen te omzeilen, om schade aan goederen uit te lokken of toe te staan, om bepaalde goederen buiten bereik van justitie te brengen door situaties van insolventie te creëren teneinde de doeltreffende toepassing van de eventuele uitspraak te verhinderen. Conservatoire maatregelen worden, in de Spaanse wetgeving, gekenmerkt door hun gerechtelijke aard, omdat alleen rechtbanken deze mogen instellen.

Ze kunnen niet worden ingesteld door arbiters of bemiddelaars. Ze worden niet ingesteld in een bepaald en beperkt aantal. Ze hebben een regelgevende (ze kunnen alleen worden ingesteld op verzoek van een partij) en financiële aard, omdat ze betrekking hebben op de goederen en rechten van de verweerder. Het doel ervan is het garanderen van de daadwerkelijke toepassing van een eventuele rechterlijke beslissing die het verzoek inwilligt.

Tot slot zijn ze belangrijk ten aanzien van de uitspraak die wordt gedaan bij een geding ten principale. Ze kunnen worden ingesteld voor zowel roerende als onroerende goederen. Ze hebben niet alleen een financiële aard, omdat het mogelijk is om op conservatoire wijze beperkende maatregelen van persoonlijke rechten in te stellen.

Het is toegestaan om bevelen en verboden in te stellen, waarbij de inhoud van de maatregelen bestaat uit handelen of niet handelen.

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

  1. Conservatoire maatregelen kunnen betrekking hebben op precieze en bepaalde goederen, evenals alles wat kan worden gewaardeerd in geld, zoals producten en inkomsten uit dingen.
    Er kan worden verzocht om beslag op die goederen door een kredietrecht te verkrijgen dat voortvloeit uit een algemene plicht die stelt dat de verschuldigde zaken niet worden gekenmerkt, maar worden vervangen door een precies bedrag dat overeenkomt met een geldwaarde door eenvoudige berekeningen.
    Beslag op roerende goederen in het bijzonder wordt uitgevoerd bij een depositaris die door de rechter wordt aangewezen en die een persoon is die hij adequaat acht.
    Het is ook mogelijk om toezicht te houden op bedragen, om over te gaan tot de consignatie en het beslag daarvan door onderscheid te maken tussen het toezicht en het beslag van inkomsten uit een illegale activiteit of toegestane activiteiten, evenals degene ten aanzien van de intellectuele eigendom.
  2. Er is een andere groep maatregelen die kunnen worden ingesteld en die verband houden met handelingen die door de rechter kunnen worden opgelegd ten aanzien van het doel van het verzoekschrift en die geen betrekking hebben op een specifiek bepaald goed.

Het is namelijk mogelijk om toezicht te houden op of opdracht te geven tot gerechtelijk bewind van productiegoederen in het geval van een verzoekschrift dat gericht is op het verkrijgen van een veroordeling ten aanzien van de plicht van verstrekking, als eigenaar, vruchtgebruiker of iedere andere persoon met een legitiem belang.

Het is ook mogelijk om te verzoeken om de inventarisatie van goederen volgens voorwaarden die worden bepaald door de rechtbank.

Het is toegestaan om het verzoekschrift preventief te registreren wanneer dit betrekking heeft op goederen of rechten die kunnen worden ingeschreven in openbare registers of andere registers indien de openbaarheid van nut is voor de goede afloop daarvan.

Tot slot kan er worden gevraagd om een gerechtelijke uitspraak voor voorlopige stopzetting van een activiteit, voor het tijdelijk niet uitvoeren van een activiteit of een tijdelijk verbod om een lopende dienstverlening te onderbreken of stop te zetten.

  1. De laatste groep dingen waarop de maatregelen van toepassing zijn, zijn materialen en exemplaren in verband met het stelsel van exclusiviteit (het gaat hier om een derdenbeslag of toezicht op goederen die worden gebruikt voor de productie van rechten van industriële en intellectuele eigendom).

Ook maatschappelijke besluiten van alle typen handelsondernemingen kunnen worden opgeschort.

  1. Tot slot biedt de Spaanse wetgeving de mogelijkheid om een reeks onbepaalde maatregelen te treffen die gericht zijn op de bescherming van rechten en die door de wet worden bepaald of die nodig worden geacht om te zorgen voor de doeltreffende toepassing van het gerechtelijke mandaat. De desbetreffende dingen zijn niet gespecificeerd en kunnen van ongeacht welke aard zijn, zo lang de maatregel nodig is.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

  1. In het geval van conservatoir beslag op kwantificeerbare voorwerpen, geldbedragen, inkomsten, producten, gaat het erom dat er door de maatregel wordt gezorgd voor een restbedrag om de verweerder te betalen in het geval van een eventuele veroordeling en in het bijzonder als de rechterlijke beslissing niet vrijwillig wordt uitgevoerd.
  2. Beslag op roerend goed kan alleen worden aanvaard indien het verzoek om veroordeling gericht is op de verstrekking van een precies goed dat in het bezit van de verweerder is.
  3. In het geval van toegestaan toezicht of bewind gaat het om het zeker stellen van de goederen, vooral productiegoederen, door te voorkomen dat een bestuurlijke wanprestatie het rendement ervan vermindert of wegneemt.
  4. Het toezicht op productiegoederen veronderstelt het opzetten van gerechtelijk toezicht zonder dat de verweerder zijn recht van bestuur kwijtraakt. Dit is anders dan het bewind waarbij een extra stap wordt gedaan door het bestuur van de verweerder te vervangen door een gerechtelijk bewind.
  5. Het verzoek om het opstellen van inventarissen kan in elk type procedure worden toegekend en bij ongeacht welke aanspraak, met als enige vereiste de noodzaak om de inventaris op te stellen om te zorgen voor het verkrijgen van een uitspraak die het verzoek inwilligt. De rechter moet duidelijk definiëren welke onderdelen deze moeten bevatten en op welke manier deze moeten worden uitgevoerd.
  6. De gevolgen van de preventieve registratie van het verzoekschrift strekken zich uit tot het procedurele kader in verband met de procedure in het kader waarvan deze is toegekend. Het gaat om opschorting van de bescherming die de openbaarheid van de registers en de registerverklaring bieden op voorwaarde dat de eigenaar van het goed of de houder van het recht die in het register staat, dit kan overdragen, maar dat de derde persoon niet kan doen alsof hij het doel van de inschrijving die op hem betrekking heeft niet kent. Deze preventieve registratie kan worden toegekend bij elk type procedure, zodat er een bescherming wordt verkregen bij een openbaar register zoals het kadaster en het handelsregister.
  7. Tijdelijke beperkingen van ingrijpen van de verweerder. Deze worden geregeld in verschillende bijzondere wetten en als gevolg daarvan moet het instellen daarvan voldoen aan de voorwaarden die deze stellen. Hun werking strekt zich uit tot de afspraak van voorlopige stopzetting van de activiteit die de verweerder uitvoert: het bevel om tijdelijk geen bepaalde activiteit uit te voeren of het verbod om de uitvoering van een lopende dienstverlening stop te zetten of te onderbreken.
  8. Toezicht, consignatie en beslag van geldbedragen. Dit is een duidelijk beschermende maatregel die een conservatoir beslag is om te zorgen voor de naleving van een verzoekschrift met een specifieke economische inhoud. Met deze maatregel kan worden besloten over het toezicht en het beslag op opbrengsten uit een illegale activiteit. Deze mag niet afzonderlijk worden ingesteld en als gevolg moeten beide situaties van toezicht en beslag worden aanvaard. Indien de ene of de andere wordt ingesteld, moet er gebruik worden gemaakt van de hierboven beschreven algemene maatregelen. Bij instelling van deze maatregel is het ook mogelijk om te verzoeken om de consignatie of het beslag van geldbedragen die worden gevorderd als beloning voor intellectuele eigendom. Dit betreft rechten van auteurs om geldbedragen te ontvangen voor hun werk en bestaat uit een evenredig aandeel in de inkomsten die worden gegenereerd door de verschillende openbare uitingen die zijn erkend door de wet inzake intellectuele eigendom.
  9. Beslag op materialen en exemplaren waarop het stelsel van exclusiviteit van toepassing is. Dit betreft een conservatoire maatregel die hoort bij de bescherming van de rechten van exclusiviteit van exploitatie die de houders hebben krachtens bijzondere wetten inzake industriële en intellectuele eigendom. Het gaat om een specifiek geval van derdenbeslag van het overeenkomstige voorwerp; exemplaren of materiaal dat nodig is voor de productie.
  10. Opschorting van maatschappelijke besluiten. De specificatie hiervan berust op de benodigde procesbevoegdheid om de maatregel te vorderen: 1% van het maatschappelijk kapitaal als de onderneming effecten heeft uitgegeven die, op het moment van de betwisting, zijn toegelaten voor handel op een officiële secundaire markt, of 5% van het maatschappelijk kapitaal in de niet-vermelde gevallen. Dit is van toepassing op elk type handelsonderneming.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

De conservatoire maatregelen worden in het algemeen aangenomen wanneer de verweerder is gehoord. Als de eiser aanvoert en verklaart dat er dringende redenen zijn, kunnen de maatregelen zonder andere stappen binnen vijf dagen worden ingesteld door de rechter met vermelding van de redenen waarom hij de verweerder niet heeft gehoord. Na instelling ervan kunnen deze worden gewijzigd door feiten en omstandigheden aan te voeren en te bewijzen waar geen rekening mee is gehouden op het moment van instelling ervan of binnen de vastgestelde termijn om bezwaar te maken tegen aanvaarding van de maatregel.

Indien de aanspraken van de eiser worden verworpen bij de uitspraak ten principale, geeft de rechter onmiddellijk opdracht tot opheffing van de maatregel, behalve wanneer het tegenovergestelde wordt geëist waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden van het geval en na verhoging van de borg.

In het geval van gedeeltelijke aanvaarding is het aan de rechter om de tegenpartij te horen teneinde een beslissing te geven over het opheffen of behouden van de maatregel.

Indien de verwerping van de aanspraak wordt bevestigd, worden de maatregelen opgeheven zodra de uitspraak definitief is en de door de maatregelen beoogde persoon mag een vordering indienen voor geleden schade (hetzelfde geldt in het geval dat er wordt afgezien van de rechtsvordering of bij intrekking door de eiser).

Een ander geval waarin conservatoire maatregelen kunnen worden gewijzigd, is wanneer er om de maatregel wordt verzocht vóór het verzoekschrift en deze wordt ingesteld zonder dat de verweerder is gehoord. In dat geval wordt de maatregel onmiddellijk opgeheven als de eiser de wettelijk vastgestelde termijn van 20 dagen voor indiening van het verzoekschrift niet in acht neemt en deze is verstreken en dan krijgt de verweerder de geleden schade vergoed waarbij de eiser de kosten voor de uitgevoerde procedures moet betalen.

De maatregel kan ook niet worden behouden indien het geding wordt opgeschort voor een periode van langer dan zes maanden om een reden die kan worden toegeschreven aan de eiser.

Wanneer opdracht wordt gegeven tot de voorlopige uitvoering van de rechterlijke beslissing, worden de maatregelen die zijn ingesteld en die verband houden met de uitvoering, opgeheven. Deze worden vervangen door executoire maatregelen, zodat de maatregelen die als conservatoir zijn ingesteld, van aard veranderen.

Tot slot kan de verweerder bij de rechtbank verzoeken om vervanging van de ingestelde conservatoire maatregel door een borg die voldoende is om de daadwerkelijke naleving van de rechterlijke beslissing te garanderen. Daarom stelt de rechter die de maatregel heeft ingesteld de borg vast, die zowel met contant geld als door middel van een zekerheid kan worden betaald.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

De procedurele regels voorzien in de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de Tribunal superior.

Zo kan er beroep worden ingesteld tegen de beschikking waarbij maatregelen worden bevolen, hoewel dit beroep geen opschortende werking heeft. Dit beroep kan ook worden ingesteld tegen een beschikking waarbij de maatregelen worden geweigerd.

Naast deze beroepsmogelijkheid kan de eiser in alle gevallen zijn verzoek herhalen als de omstandigheden anders zijn dan degene waarvan sprake was bij het aanvankelijke verzoek.

Er is geen rechtsmiddel tegen de beschikking waarbij conservatoire maatregelen worden bevolen zonder dat de verweerder eerst is gehoord, omdat in dat geval bezwaar moet worden aangetekend bij de rechter die de maatregelen heeft bevolen. De verweerder kan beroep instellen tegen de beschikking ten aanzien van dit bezwaar en indien dit wordt verworpen. Dit heeft geen opschortende werking. De persoon die heeft verzocht om conservatoire maatregelen mag gebruikmaken van hetzelfde recht op beroep als het bezwaar (geheel of gedeeltelijk) is aanvaard.

Er is echter geen enkele rechtsvordering mogelijk wanneer de borg is aanvaard of geweigerd.

Voor de voorbereiding en het onderzoek van het beroep gelden geen bijzonderheden anders dan de algemene normen (artikel 458). Als het om meer verzoekers gaat, wordt de termijn afzonderlijk berekend.

Zoals hierboven is vermeld, heeft het beroep geen opschortende werking tijdens de procedure voor instelling van conservatoire maatregelen. Dit houdt in dat de rechter de beslissingen blijft geven die nodig zijn om de conservatoire maatregel in te stellen.

Bij het hof van beroep worden de maatregelen doorgaans geweigerd, omdat dit zo snel mogelijk de datum van overweging, stemming en uitspraak moet aangeven.

PROCEDUREKOSTEN VAN DE CONSERVATOIRE MAATREGELEN

In het algemeen worden de procedurekosten beheerst door het beginsel dat de kosten van de in het gelijk gestelde partij kunnen worden vergoed en ten laste komen van de tegenpartij waarvan de vordering (aanvaarding of verwerping van de maatregelen) in de beslissing wordt vermeld. Met name artikel 736 van de LEC verplicht de verzoeker de kosten te betalen in het geval van een weigering (beginsel “de verliezer betaalt”) maar er is geen soortgelijke bepaling (dat de verweerder de kosten moet betalen) ingeval de maatregelen worden toegestaan. In dat geval zijn er in de rechtsleer en de rechtspraak verschillende standpunten wat de kosten betreft.

Laatste update: 02/12/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Frankrijk

1 De verschillende soorten maatregelen

  • De kortgedingrechter (juge des référés) kan altijd met spoed voorlopige maatregelen gelasten (spoedprocedure, betaling van een voorschot, uitzetting, verbod om iets te doen op straffe van een dwangsom, vrijwaren van bewijsmateriaal).

Er kan geen overzicht worden gegeven van voorlopige maatregelen: in kort geding kunnen alle spoedeisende maatregelen worden getroffen waartegen geen ernstig bezwaar bestaat of die worden gerechtvaardigd door het bestaan van een geschil (betaling van een voorschot, uitzetting van een kraker, taxatie of vaststelling van schade enz.). Bovendien kan de kortgedingrechter met spoed alle maatregelen gelasten die noodzakelijk zijn om dreigende schade te voorkomen (met name versterkingswerkzaamheden) of om een duidelijk ongeoorloofde verstoring te doen stoppen.

  • Er bestaat een speciaal stelsel voor bewarende maatregelen (conservatoir beslag en gerechtelijke bewaring). Dit zijn de maatregelen waarmee de schuldeiser, meestal met goedkeuring van de rechter, alle of een deel van de goederen van zijn schuldenaar onbeschikbaar kan maken of waarmee een speciaal recht op deze goederen kan worden gevestigd om de betaling te garanderen van een vordering die nog niet is erkend in een vonnis, maar waarvan de inning in gevaar lijkt te zijn.

Er zijn twee soorten bewarende maatregelen:

  • conservatoire beslagen, waarmee bij wijze van bewarende maatregel beslag kan worden gelegd op materiële rechten (meubilair, voertuig enz.), immateriële rechten (een geldbedrag, rechten van aandeelhouders of effecten enz.) of vorderingen (bankrekeningen, huur enz.);
  • gerechtelijke bewaring van onroerende goederen, een handelsonderneming, aandelen van aandeelhouders of effecten (vestiging van een voorlopige hypotheek, pandgeving van aandelen of effecten).

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

  • Voorlopige maatregelen: de zaak moet middels een dagvaarding aanhangig worden gemaakt bij de kortgedingrechter (oproeping in rechte middels een deurwaardersexploot). Het gaat om een spoedprocedure op tegenspraak. Onder bepaalde voorwaarden kunnen voorlopige maatregelen worden gelast op verzoek, zonder voorafgaande procedure op tegenspraak.
  • Bewarende maatregelen: in principe is de voorafgaande goedkeuring van de rechter vereist. De schuldeiser is echter vrijgesteld van deze goedkeuring als hij zich beroept op een executoriale titel of een rechterlijke beslissing die nog niet uitvoerbaar is. Hetzelfde geldt bij het niet-betalen van een geaccepteerde wissel, een orderbriefje, een cheque of de huur van een pand (in geval van een schriftelijke overeenkomst).

Welke rechter bevoegd is voor voorlopige maatregelen hangt af van de aard van de eis. De bevoegde rechter op grond van het gemene recht is de president van de gecombineerde (regionale en districts)rechtbank (tribunal judiciaire). De nabijheidsrechtbank (tribunal de proximité), de president van de handelsrechtbank (tribunal de commerce), van de arbeidsrechtbank (conseil des prud’hommes) en van de rechtbank voor pachtzaken (tribunal paritaire des baux ruraux) kunnen binnen de grenzen van hun bevoegdheden echter eveneens uitspraken doen in kort geding.

De bevoegde rechter voor bewarende maatregelen is de uitvoeringsrechter (juge de l’exécution), een rechter van de gecombineerde (regionale en districts)rechtbank, of de president van de handelsrechtbank, als de vóór welk proces dan ook ingediende eis strekt tot het veiligstellen van een vordering die onder de bevoegdheid van de handelsrechtbank valt.

De bevoegde rechter is de rechter van de plaats waar de schuldenaar verblijft, als die plaats in Frankrijk ligt. In andere gevallen is de rechter van de plaats van uitvoering van de maatregel bevoegd.

Bepaalde eisen uitgezonderd, vooral die welke betrekking hebben op bedragen onder 10 000 EUR, is in de betreffende zaken vertegenwoordiging door een advocaat in principe verplicht bij de kortgedingrechter en de uitvoeringsrechter. Conservatoire beslagen moeten worden uitgevoerd door een gerechtsdeurwaarder. Deze verplichting geldt niet voor het vestigen van gerechtelijke bewaring. Gezien de juridische complexiteit van het vestigen van een bewaring, laten schuldeisers zich altijd bijstaan door een jurist.

De kosten van bewarende maatregelen komen uiteindelijk voor rekening van de schuldenaar, ook al kan het zo zijn dat de schuldeiser deze moet voorschieten. De executiekosten zijn onderworpen aan een tarief ter vaststelling van de vergoeding die aan gerechtsdeurwaarders verschuldigd is voor iedere uitvoeringshandeling en voor iedere bewarende maatregel.

Krachtens Besluit nr. 96-1080 van 12 december 1996 bestaat de vastgestelde vergoeding van gerechtsdeurwaarders uit een vast bedrag dat cumulatief of afwisselend wordt uitgedrukt in vaste of proportionele rechten, in voorkomend geval in combinatie met een recht voor het instellen van vervolging.

Omdat het om bewarende maatregelen gaat, zijn proportionele inningsrechten, die worden berekend over de geïnde bedragen, uitsluitend opeisbaar als de gerechtsdeurwaarders een volmacht krijgen om de verschuldigde bedragen te innen. Bovendien sluit het overzicht in de bijlage bij het voornoemde besluit de mogelijkheid van een vrij onderhandelbaar aanvullend honorarium uit, met uitzondering van conservatoire beslagen van de rechten van aandeelhouders en effecten.

2.2 De basisvereisten

De rechtbank treft geen maatregelen, maar keurt deze goed. De maatregel wordt op verzoek van de begunstigde van de goedkeuring getroffen door de gerechtsdeurwaarder.

Als de voorafgaande goedkeuring van de rechter vereist is, moet de vordering “in principe gegrond” lijken.

Voor bewarende maatregelen is er geen uitdrukkelijke voorwaarde van spoedeisendheid.

De schuldeiser moet aantonen dat er “omstandigheden bestaan die de inning van de vordering in gevaar brengen” (bijvoorbeeld onoprechtheid van de schuldenaar die zijn vermogen verbergt, toename van schuldeisers enz.).

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Alle goederen van de schuldenaar die door de wet niet zijn uitgesloten van beslag (bijvoorbeeld: goederen die noodzakelijk zijn voor zijn dagelijks leven of de uitoefening van zijn beroep) kunnen worden onderworpen aan een conservatoir beslag. Hetzelfde geldt voor vorderingen: salarissen kunnen echter nooit worden onderworpen aan bewarende maatregelen (zelfs als deze in beslag worden genomen op basis van een rechterlijke beslissing of een andere executoriale titel, volgens de procedure voor de inbeslagneming van vergoedingen).

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Bij wijze van bewarende maatregel in beslag genomen goederen zijn niet beschikbaar. De schuldenaar behoudt het genot hiervan onder zijn verantwoordelijkheid, maar hij kan ze niet vervreemden. Als de schuldenaar de in beslag genomen goederen verduistert, begaat hij een strafbaar feit dat wordt bestraft met een boete en een gevangenisstraf.

De in beslag genomen geldbedragen worden geconsigneerd op een rekening.

De schuldenaar kan de goederen waar de gerechtelijke bewaring betrekking op heeft verkopen, maar de schuldeiser heeft een volgrecht en recht op een bevoorrechte betaling over de verkoopprijs van deze goederen.

De bij wijze van bewarende maatregel in beslag genomen goederen worden onder de verantwoordelijkheid van de schuldenaar gesteld die in feite “bewaarder” is, het gevolg van het beslag kan niet worden tegengeworpen aan derden. Gerechtelijke bewaring, die is onderworpen aan maatregelen op het gebied van openbaarmaking (op commercieel of vastgoedgebied), kan daarentegen worden tegengeworpen aan iedereen.

De bankier (en over het algemeen iedere derde-beslagene) die een verzoek tot conservatoir beslag ontvangt betreffende een van zijn cliënten, is verplicht om de gerechtsdeurwaarder onmiddellijk op de hoogte te brengen van alle verplichtingen jegens de schuldenaar (dat wil zeggen alle rekeningen die zijn geopend op naam van de schuldenaar, evenals de bedragen die op de rekening staan). Als de bankier deze informatie zonder gegronde reden niet meedeelt, kan hij worden veroordeeld tot de betaling van de schuld in de plaats van de schuldenaar.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

De bewarende maatregel moet worden genomen binnen drie maanden na de beschikking van de rechter waarbij deze wordt goedgekeurd. Anders vervalt de goedkeuring.

Als de schuldeiser nog geen procedure heeft gestart om zijn vordering te laten erkennen, moet hij dit binnen een maand na het treffen van de maatregel doen. Anders vervalt de maatregel.

De bewarende maatregel moet uiterlijk binnen acht dagen aan de schuldenaar worden bekendgemaakt. De schuldenaar kan bij de uitvoeringsrechter bezwaar aantekenen tegen de maatregel of de goedkeuring. De rechter kan eveneens van tevoren een zittingsdatum plannen waarvoor de partijen worden opgeroepen om de maatregel te bespreken. In principe is het bezwaar van de schuldenaar ontvankelijk als het conservatoir beslag niet is omgezet in een executoriaal beslag nadat de schuldeiser een rechterlijke beslissing heeft verkregen over zijn vordering.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

De schuldenaar kan op hetzelfde moment bezwaar aantekenen tegen de beschikking als tegen de maatregel zelf.

De uitvoeringsrechter, die bevoegd is voor het goedkeuren van bewarende maatregelen, behandelt ook eventuele rechtsmiddelen tegen de beschikking. Het is mogelijk om bij het hof van beroep (cour d’appel) beroep in te stellen tegen zijn beslissingen.

Als de schuldenaar op hetzelfde moment kennisneemt van de goedkeuring van de maatregel én van de maatregel zelf, gelden voor het bezwaar tegen de beschikking dezelfde regels als voor het bezwaar tegen de maatregel: dit is ontvankelijk als de bewarende maatregel niet is omgezet in een executoriale maatregel.

Het rechtsmiddel heeft geen invloed voor de gevolgen van de bewarende maatregel, die van kracht blijft zolang de rechter niet gelast dat deze moet worden opgeheven of de nietigheid ervan niet vaststelt.

Tegen beschikkingen die voorzien in voorlopige maatregelen, kan bezwaar worden aangetekend in een beroepsprocedure (beroep wanneer deze beschikkingen voortvloeien uit een procedure op tegenspraak, kortgeding gericht op herroeping wanneer zij voortvloeien uit een niet-contradictoire procedure).

Links

De link wordt in een nieuw venster geopend.De website van Legifrance

De link wordt in een nieuw venster geopend.Website van het ministerie van Justitie

De link wordt in een nieuw venster geopend.De website van de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders (Chambre Nationale des Huissiers de Justice)

Laatste update: 05/04/2022

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Kroatisch) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.
De volgende vertalingen zijn al beschikbaar: Engels

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Kroatië

1 De verschillende soorten maatregelen

Het derde deel van de wet op de gedwongen tenuitvoerlegging (Ovršni zakon) (gepubliceerd in het staatsblad Narodne Novine van de Republiek Kroatië, nr. 112/12, 25/13, 93/14, 55/16 en 73/17; hierna: OZ), met de titel Zekerheidstelling door middel van bewarende maatregelen (Osiguranje), voorziet in de volgende maatregelen:

• zekerheidstelling door middel van de gedwongen vestiging van een pandrecht op onroerende goederen - titel 28;

• rechterlijke en notariële zekerheidstelling door middel van het pandrecht op basis van een overeenkomst tussen de partijen - titel 29;

• rechterlijke en notariële zekerheidstelling door middel van de eigendomsoverdracht van goederen en de overdracht van rechten - titel 30;

• zekerheidstelling door middel van de voorlopige tenuitvoerlegging - titel 31;

• zekerheidstelling door middel van bewarende maatregelen - titel 32,

• voorlopige maatregelen - titel 33.

Enkel maatregelen die als dusdanig worden gedefinieerd door deze of een andere wet, worden krachtens de OZ beschouwd als conservatoire maatregelen. Conservatoire maatregelen worden niet toegestaan voor goederen en rechten die ingevolge de OZ niet in aanmerking kunnen komen voor tenuitvoerlegging, tenzij die wet anders bepaalt.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Als maatregel (op lange termijn) in het kader van de gedwongen zekerheidstelling van vorderingen, geeft de OZ de mogelijkheid tot zekerheidstelling door middel van de gedwongen vestiging van een pandrecht op onroerende en roerende goederen (bv. geldvorderingen, inkomen - salaris, pensioen enz., bankrekeningen, effecten en aandelen) en door middel van de eigendomsoverdracht van goederen en de overdracht van rechten. De vestiging van een pandrecht als zekerheid kan vrijwillig of gedwongen gebeuren. De eigendomsoverdracht van goederen en de overdracht van rechten als zekerheid kunnen daarentegen uitsluitend vrijwillig gebeuren, zowel bij procedures voor een rechtbank als voor een notaris.

De OZ bevat eveneens regels voor andere maatregelen, zoals de zekerheidstelling door middel van de voorlopige tenuitvoerlegging, de zekerheidstelling door middel van bewarende maatregelen en voorlopige maatregelen. Die maatregelen kunnen uitsluitend door de rechtbank worden afgedwongen, hetzij op verzoek van een partij of ex officio.

Gemeentelijke rechtbanken zijn bevoegd om de zekerheidstelling te gelasten en uit te voeren, tenzij die bevoegdheid wettelijk werd toevertrouwd aan een andere rechtbank. Handelsrechtbanken zijn dan weer bevoegd om de zekerheidstelling te gelasten en uit te voeren in die gevallen waar ze bevoegd zijn om de tenuitvoerlegging te gelasten.

De rechtbank die zich moet uitspreken over het verzoek van de zekerheidsnemer, is eveneens bevoegd om de zekerheidstelling ex officio te gelasten en uit te voeren, tenzij de wet anders bepaalt.

De rechtbank die het kadaster bijhoudt waarin de inschrijving moet gebeuren op basis van de executoriale titel met betrekking tot de geldvordering, is eveneens bevoegd om zich uit te spreken over het verzoek om geldvorderingen zeker te stellen door middel van de gedwongen vestiging van een pandrecht op onroerende goederen. Met deze maatregel wordt de vestiging van een pandrecht op onroerende goederen ingeschreven in het kadaster, waardoor een geldvordering wordt zekergesteld. Door de inschrijving van het pandrecht kan het uitvoerend beslag op deze onroerende goederen eveneens plaatsvinden ten aanzien van derden die deze onroerende goederen later verwerven.

De rechtbank kan op verzoek van zowel de zekerheidsnemer als de zekerheidsgever een bevel uitvaardigen tot de justitiële zekerheidstelling van een geldvordering door middel van de vestiging van een pandrecht op bepaalde goederen op basis van een overeenkomst tussen de partijen. De territoriale bevoegdheid om een oordeel te vellen over het verzoek tot zekerheidstelling van de geldvorderingen van de zekerheidsnemer op goederen en rechten van de zekerheidsgever en om de zekerheidstelling uit te voeren, wordt vastgelegd in de desbetreffende bepalingen van de OZ omtrent de territoriale bevoegdheid van de rechtbank in tenuitvoerleggingsprocedures voor de inning van geldvorderingen op diverse soorten in beslag te nemen goederen. In de notulen van de hoorzitting wordt de overeenkomst tussen de partijen over het bestaan van een vordering en de looptijd ervan vastgelegd. Er wordt eveneens vastgelegd dat de partijen ermee instemmen dat deze vordering wordt zekergesteld door de vestiging van een pandrecht. De ondertekende overeenkomst heeft dezelfde uitwerking als een gerechtelijke schikking.

De notariële zekerheidstelling van een geldvordering door middel van de vestiging van een pandrecht op basis van een overeenkomst tussen de partijen is mogelijk als de schuldeiser en schuldenaar een overeenkomst bereiken in de vorm van een notariële akte of een onderhandse akte waarvan de inhoud is gelegaliseerd. Hierin moet eveneens worden aangegeven dat de schuldenaar ermee instemt dat een pandrecht wordt gevestigd op een van zijn goederen.

De rechterlijke zekerheidstelling door middel van de eigendomsoverdracht van goederen en de overdracht van rechten is mogelijk als de partijen ermee instemmen dat de overeenkomst die ze bereiken over de eigendomsoverdracht (met betrekking tot enkele goederen van de zekerheidsgever aan de zekerheidsnemer om een specifieke geldvordering van de zekerheidsnemer zeker te stellen) of de overdracht van enkele rechten van de zekerheidsgever (aan de zekerheidsnemer voor datzelfde doel) wordt opgenomen in de notulen van de hoorzitting. Toekomstige vorderingen kunnen eveneens worden zekergesteld. De overeenkomst heeft dezelfde uitwerking als een gerechtelijke schikking. Welke rechtbank territoriaal bevoegd is om een oordeel te vellen over het verzoek tot zekerheidstelling van geldvorderingen door middel van de eigendomsoverdracht van goederen en de overdracht van rechten, wordt bepaald door de desbetreffende bepalingen van de OZ omtrent de territoriale bevoegdheid van een rechtbank in tenuitvoerleggingsprocedures voor de inning van geldvorderingen op diverse soorten in beslag te nemen goederen.

De notariële zekerheidstelling door middel van de eigendomsoverdracht van goederen en de overdracht van rechten, m.a.w. de overdracht van aandelen, belangen of deelnemingen, is mogelijk als de schuldeiser en schuldenaar een overeenkomst bereiken in de vorm van een notariële akte of een onderhandse akte waarvan de inhoud is gelegaliseerd. Een notaris kan worden gemachtigd om individuele stappen te zetten met het oog op de zekerheidstelling in overeenstemming met de regels betreffende de vestigingsplaats en het rechtsgebied van notarissen.

De territoriale bevoegdheid om een oordeel te vellen over een verzoek tot de voorlopige tenuitvoerlegging en om die tenuitvoerlegging uit te voeren, behoort tot de rechtbank die bevoegd zou zijn geweest voor de tenuitvoerlegging op basis van een executoriale titel. De zekerheidstelling door middel van de voorlopige tenuitvoerlegging wordt door de rechtbank gelast en uitgevoerd. De rechtbank geeft op basis van een vonnis dat werd uitgesproken in een civiele procedure het bevel tot de voorlopige tenuitvoerlegging om een niet-geldelijke vordering zeker te stellen die niet kan worden zekergesteld door de voorlopige inschrijving in het openbaar register, indien de zekerheidsnemer kan aantonen dat er een vermoedelijk gevaar bestaat dat de tenuitvoerlegging onmogelijk of wezenlijk moeilijker zou worden gemaakt, doordat die tenuitvoerlegging wordt uitgesteld tot het moment waarop het vonnis van kracht wordt, en indien de schuldeiser een zekerheid stelt voor de schade die de schuldenaar kan oplopen door die tenuitvoerlegging.

De territoriale bevoegdheid om een oordeel te vellen over het verzoek tot zekerheidstelling door middel van bewarende maatregelen en om die maatregelen te treffen, behoort tot de rechtbank die bevoegd zou zijn geweest voor de tenuitvoerlegging op basis van een executoriale titel op grond waarvan de zekerheidstelling werd gelast. Bewarende maatregelen kunnen worden opgelegd op voorwaarde dat de zekerheidsnemer aantoont dat er een vermoedelijk gevaar bestaat dat de inning van de vordering zonder deze maatregelen onmogelijk zou zijn of wezenlijk moeilijker zou worden gemaakt. In bepaalde gevallen kan de rechtbank de bewarende maatregelen koppelen aan de voorwaarde dat er een zekerheid moet worden gesteld voor de schade die de zekerheidsgever kan oplopen door het bevel. In de gemotiveerde uitspraak waarmee de bewarende maatregel wordt opgelegd, moet een indicatie worden gegeven van de waarde van de zekergestelde vordering, met inbegrip van rente en kosten, en moet worden aangeven welke maatregel wordt opgelegd en op welk moment die maatregel wordt opgelegd om de vordering zeker te stellen (niet later dan 15 dagen nadat werd voldaan aan de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging).

Voordat een rechtsgeding of een andere gerechtelijke procedure met betrekking tot een zekergestelde vordering kan worden ingeleid, wordt de territoriale bevoegdheid om een oordeel te vellen over het verzoek tot zekerheidstelling door middel van voorlopige maatregelen toegekend aan de rechtbank die anderszins bevoegd zou zijn geweest om een oordeel te vellen over het verzoek tot tenuitvoerlegging. De rechtbank die anderszins bevoegd zou zijn geweest om de tenuitvoerlegging te laten plaatsvinden, is territoriaal bevoegd om de voorlopige maatregelen te treffen. Nadat de procedure is opgestart, is de rechtbank waar de procedure werd ingeleid bevoegd om een oordeel te vellen over het verzoek tot zekerheidstelling door middel van voorlopige maatregelen. Indien de omstandigheden van een individuele zaak dat rechtvaardigen, kan een verzoek eveneens worden ingediend bij de rechtbank die territoriaal bevoegd is om de tenuitvoerlegging te laten plaatsvinden. De rechtbank die bevoegd zou zijn geweest om te oordelen over het verzoek tot tenuitvoerlegging op basis van een executoriale titel die werd voortgebracht in een administratieve procedure, is eveneens bevoegd om te oordelen over het verzoek om voorlopige maatregelen te treffen na de beëindiging van de procedure. Voorlopige maatregelen worden opgelegd door de rechtbank op basis van een verzoek dat wordt ingediend vóór of tijdens het verloop van de gerechtelijke of administratieve procedure of nadat deze procedure wordt beëindigd totdat de tenuitvoerlegging heeft plaatsgevonden. Uitspraken over voorlopige maatregelen hebben dezelfde uitwerking als een executoriale titel. Welke voorlopige maatregel wordt opgelegd hangt af van het feit of de voorlopige maatregel een geldvordering of een niet-geldelijke vordering zekerstelt. Naargelang de omstandigheden van de zaak, kan de rechtbank indien nodig meerdere voorlopige maatregelen opleggen.

Bezwaringen, rechten of verboden met betrekking tot roerende goederen, aandelen, belangen of deelnemingen worden op basis van een rechterlijke uitspraak, een notariële akte of onderhandse akte waarvan de inhoud is gelegaliseerd, ingeschreven in het register van rechterlijke en notariële zekerheden (Pandregister) (Upisnik založnih prava) dat wordt bijgehouden door het financiële agentschap. Dit register is een unieke databank van ingeschreven bezwaringen, rechten of verboden. Pandrechten of wijzigingen aan eigendomsrechten van onroerende goederen worden daarentegen ingeschreven in het kadaster.

2.2 De basisvereisten

Wanneer een zekerheidstelling door middel van de gedwongen vestiging van een pandrecht op onroerende goederen wordt gelast, doet de rechtbank een uitspraak over een verzoek tot het zekerstellen van geldvorderingen op basis van een executoriale titel op grond waarvan de geldvordering werd gelast. Er zijn geen bijzondere vereisten voor het opleggen van de zekerheidstelling. De rechtbank doet een uitspraak over de zekerheidstelling en oordeelt dat de zekerheidsnemer een pandrecht verkrijgt op het onroerende goed dat is ingeschreven in het kadaster. Daarnaast wordt eveneens de afdwingbaarheid van de vordering aangegeven. Indien de zekerheidsgever niet in het kadaster geregistreerd staat als zijnde de eigenaar van het onroerende goed, zal de zekerheidsnemer, samen met het verzoek, een document indienen met betrekking tot het eigendomsrecht van de zekerheidsgever.

De zekerheidsnemer en de zekerheidsgever kunnen, met het oog op het vestigen van een zekerheid voor de geldvordering van de zekerheidsnemer door een pandrecht te verkrijgen op bepaalde goederen, in onderlinge overeenstemming de rechtbank verzoeken om de inschrijving van een pandrecht op de onroerende en roerende goederen, de geldvordering en andere goederen en rechten van de zekerheidsgever op naam van de zekerheidsnemer op te leggen en uit te voeren. Ze kunnen die overeenkomst eveneens bereiken in de vorm van een notariële akte of onderhandse akte, waarin de schuldenaar instemt met de vestiging van een pandrecht op een van zijn goederen.

Het ondertekende gerechtelijke stuk, met name de notariële akte of de onderhandse akte waarvan de inhoud is gelegaliseerd, heeft eveneens dezelfde uitwerking als een gerechtelijke schikking tegen de persoon die zijn toestemming heeft gegeven voor de vestiging van een pandrecht op zijn goederen of rechten. Aan de hand van deze documenten kan meteen worden verzocht om de tenuitvoerlegging te laten plaatsvinden ten aanzien van de persoon op wiens goederen een pandrecht werd verkregen, om zo een vordering te zeker te stellen en ten gelde te maken.

Partijen kunnen de rechtbank in onderlinge overeenstemming verzoeken om een hoorzitting te houden en om in de notulen van die hoorzitting te vermelden dat de partijen ermee instemmen dat de zekerheidsgever de eigendom van enkele goederen overdraagt aan de zekerheidsnemer of dat de zekerheidsgever enkele van zijn rechten overdraagt aan de zekerheidsnemer om een bepaalde geldvordering van de zekerheidsnemer zeker te stellen. Toekomstige vorderingen kunnen eveneens worden zekergesteld. Dergelijke overeenkomst kan worden ondertekend als notariële akte of onderhandse akte waarvan de inhoud is gelegaliseerd. De overeenkomst moet een bepaling bevatten omtrent de looptijd van de zekergestelde vordering en de manier waarop die wordt vastgelegd. De zekerheidsgever kan eveneens een persoon zijn op wie de zekerheidsnemer geen vordering heeft die wordt zekergesteld, m.a.w. een derde die ermee instemt dat dit soort vordering wordt zekergesteld. De overeenkomst kan ook van toepassing zijn op de zekerheidstelling van niet-geldelijke vorderingen, hoewel in dat geval de overeenkomst de waarde van de vordering moet vermelden. De vordering moet aangetoond of aantoonbaar zijn. De verklaring van de zekerheidsgever waarin die ermee instemt dat de zekerheidsnemer op grond van de notulen meteen kan overgaan tot de overdracht van het goed dat als zekerheid dient zodra de looptijd van de zekergestelde vordering is verstreken, kan worden toegevoegd aan de overeenkomst. De notulen waarin dergelijke verklaring is opgenomen vormen een executoriale titel. Wanneer de eigendom van onroerende goederen die zijn ingeschreven in het kadaster wordt overgedragen op grond van de overeenkomst, moet deze overeenkomst de verklaring van de zekerheidsgever bevatten waarin deze ermee instemt dat de overdracht rechtstreeks kan worden uitgevoerd in het kadaster op basis van de overeenkomst en dat met de inschrijving in het kadaster de eigendom van de onroerende goederen wordt overgedragen aan de zekerheidsnemer. Daarbij wordt de aantekening gemaakt dat de overdracht werd uitgevoerd om een specifieke vordering van de zekerheidsnemer zeker te stellen. Behoudens andersluidende bepalingen, mag de zekerheidsgever het goed waarvan de eigendom werd overgedragen aan de zekerheidsnemer blijven gebruiken, m.a.w. hij mag het recht dat werd overgedragen aan de zekerheidsnemer blijven uitoefenen. De zekerheidsnemer mag dan weer het onroerende goed of het recht dat aan hem werd overgedragen op de vervaldatum van de vordering verkopen of het onroerende goed bezwaren met een hypotheek.

De zekerheidstelling door middel van bewarende maatregelen kan worden opgelegd om geldvorderingen zeker te stellen op basis van een uitspraak van een rechtbank of een administratieve instantie die nog niet rechtsgeldig is; op basis van een schikking die voor een rechtbank of administratieve instantie tot stand is gekomen, indien de hierin bepaalde vordering nog niet is vervallen; of op basis van een notariële beslissing of een notariële akte, indien de hierin bepaalde vordering nog niet is vervallen. De rechtbank zal op basis van deze stukken een bewarende maatregel opleggen indien de zekerheidsnemer aantoont dat er een vermoedelijk gevaar bestaat dat de inning van de vordering onmogelijk of wezenlijk moeilijker zou worden gemaakt indien die niet wordt zekergesteld. Er is sprake van een vermoedelijk gevaar als het verzoek tot het opleggen van een bewarende maatregel berust op een betalingsbevel of een executoriale titel op basis van een authentieke akte die werd uitgegeven op grond van een openbare akte of een door een notaris gelegaliseerde akte, een wissel of cheque, waartegen tijdig bezwaar werd aangetekend; een vonnis dat werd uitgesproken in strafprocedures met betrekking tot een eigendomsrechtelijke vordering waarvoor een nieuw proces mogelijk is; een beslissing die in het buitenland moet worden afgedwongen; een vonnis op basis van een bekentenis waartegen beroep werd aangetekend; een schikking die wordt betwist op de manier die wordt voorzien in de wet; een notariële beslissing of akte, indien de daarin vervatte vordering nog niet is vervallen, die wordt betwist op de manier die wordt voorzien in de wet. De rechtbank zal het verzoek tot zekerheidstelling door middel van een bewarende maatregel weigeren, m.a.w. een bepaalde bewarende maatregel herroepen en de procedure opschorten, indien de zekerheidsgever aantoont dat er geen of niet langer een vermoedelijk gevaar bestaat.

De zekerheidstelling door middel van een voorlopige maatregel kan worden voorgesteld vóór of tijdens het verloop van de gerechtelijke of administratieve procedure of nadat deze procedure wordt beëindigd totdat de tenuitvoerlegging heeft plaatsgevonden. Een zekerheidsnemer moet in een verzoek tot een voorlopige maatregel exact aangeven welke vordering hij wenst zeker te stellen, welke maatregel hij wenst te treffen en welke looptijd die maatregel heeft, en waar nodig de manier waarop de zekerheidstelling waarvoor de voorlopige maatregel wordt afgedwongen, plaatsvindt, evenals welk goed als zekerheid dient. In het verzoek moeten de feiten worden vermeld waarop het verzoek tot het opleggen van een voorlopige maatregel berust en er moeten bewijsstukken worden voorgelegd die deze argumenten onderbouwen. De zekerheidsnemer wordt verplicht om deze bewijsstukken, indien mogelijk, aan het verzoek te hechten. Een voorlopige maatregel kan worden opgelegd om lopende en voorwaardelijke vorderingen zeker te stellen, maar wordt niet toegestaan als niet is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een bewarende maatregel die dezelfde uitwerking heeft. Een voorlopige maatregel tot zekerheidstelling van een geldvordering kan worden opgelegd indien de zekerheidsnemer aantoont dat er een vordering bestaat en dat er een vermoedelijk gevaar is dat zonder dergelijke maatregel de zekerheidsgever de inning van de vordering zou belemmeren of wezenlijk moeilijker zou maken door zijn goederen te vervreemden, achter te houden of op een andere manier weg te nemen. Een zekerheidsnemer moet geen bewijs aanvoeren voor een gevaar indien hij aantoont dat een zekerheidsgever wellicht louter geringe schade zou lijden door de voorgestelde maatregel. Er wordt van uitgegaan dat er een gevaar bestaat indien de vordering in het buitenland geldend moet worden gemaakt. Een voorlopige maatregel kan worden opgelegd om een niet-geldelijke vordering zeker te stellen, indien de zekerheidsnemer aantoont dat het bestaan van zijn vordering aannemelijk is, en indien hij aantoont dat er een vermoedelijk gevaar bestaat dat de zekerheidsgever zonder deze maatregel de inning van de vordering zou belemmeren of wezenlijk moeilijker zou maken, met name door zijn huidige situatie te wijzigen, of indien hij aantoont dat de maatregel wellicht noodzakelijk is om geweld of onomkeerbare schade te voorkomen. Een zekerheidsnemer moet verder niet bewijzen dat er een gevaar is, indien hij aantoont dat een zekerheidsgever wellicht louter geringe schade zou lijden door de voorgestelde maatregel. Er wordt van uitgegaan dat er een gevaar bestaat indien de vordering in het buitenland geldend moet worden gemaakt. De rechtbank kan op verzoek van de zekerheidsnemer een voorlopige maatregel opleggen, zelfs wanneer deze het bestaan van zijn vordering en het bestaan van een vermoedelijk gevaar niet heeft aangetoond, indien hij binnen de door de rechtbank vastgelegde termijn enige zekerheid heeft gesteld voor schade die de zekerheidsgever zou kunnen oplopen doordat de voorlopige maatregel wordt opgelegd en uitgevoerd. Indien de zekerheidsnemer geen borg heeft betaald binnen de vastgelegde termijn, verwerpt de rechtbank het verzoek tot zekerheidstelling. De rechtbank kan, indien nodig, naargelang de omstandigheden van een zaak meerdere voorlopige maatregelen opleggen; indien het in een bepaalde zaak mogelijk is om meerdere voorlopige maatregelen op te leggen, zal de rechtbank de maatregel kiezen die het meest geschikt is voor de zekerheidstelling (indien ze allemaal even geschikt zijn, zal de rechtbank de maatregel opleggen die het minst bezwarend is voor de zekerheidsgever).

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Maatregelen tot zekerheidstelling en voorlopige maatregelen kunnen worden toegepast op alle goederen of rechten van de zekerheidsgever, bv. onroerende goederen, roerende goederen, geldvorderingen, pensioenen, invaliditeitsuitkeringen, kasdeposito's op bankrekeningen of spaarrekeningen en andere eigendomsrechten voor zover die niet worden vrijgesteld van tenuitvoerlegging uit hoofde van de wet of voor zover het recht op tenuitvoerlegging niet wettelijk wordt beperkt (bv. goederen die niet in omloop worden gebracht, landbouwpercelen of boerderijen voor zover die vereist zijn voor het levensonderhoud van boeren en hun directe familieleden en andere personen die wettelijk ten laste zijn enz.)

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Onroerende goederen dienen als zekerheid wanneer er een pandrecht op wordt gevestigd (vrijwillig of gedwongen, rechterlijk of notarieel) en dat pandrecht wordt ingeschreven in het kadaster waarin het onroerende goed werd ingeschreven.

Bij de rechterlijke en notariële zekerheidstelling, waarbij de eigendomsoverdracht van goederen en de overdracht van rechten plaatsvindt, wordt de zekerheidsnemer eigenaar van een goed of recht zodra dit wordt ingeschreven in de wettelijk vereiste boeken of registers. De zekerheidsnemer en de zekerheidsgever kunnen, bij wijze van zekerheid voor een geldvordering van de zekerheidsnemer door middel van een pandrecht op bepaalde goederen, de rechtbank in onderlinge overeenstemming verzoeken om, op naam van de zekerheidsnemer, het volgende op te leggen en uit te voeren:

1. inschrijving van een pandrecht op de onroerende goederen van de zekerheidsgever;

2. neerlegging van een overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de vestiging van een pandrecht op de niet in het kadaster ingeschreven onroerende goederen bij de voor het kadaster bevoegde rechtbank;

3. inschrijving van een pandrecht op de roerende goederen van de zekerheidsgever;

4. inschrijving van een pandrecht op de geldvordering van de zekerheidsgever;

5. inschrijving van een pandrecht op een deel van het inkomen van de zekerheidsgever op basis van een arbeidsovereenkomst of -dienst;

6. inschrijving van een pandrecht op een deel van het pensioen, de invaliditeitsuitkering of compensatie voor inkomensverlies;

7. inschrijving van een pandrecht op de vordering van de zekerheidsgever op een bankrekening of spaarboekje;

8. inschrijving van een pandrecht op een vordering tot overdracht of afgifte van roerende goederen of overdracht van onroerende goederen;

9. inschrijving van een pandrecht op andere eigendomsrechten of materiële rechten;

10. inschrijving van een pandrecht op aandelencertificaten en andere effecten en hun bewaring;

11. inschrijving van een pandrecht waarvoor geen aandelencertificaten werden uitgegeven en op belangen of deelnemingen in ondernemingen;

12. inschrijving van effecten die worden bewaard bij een bewaarnemende onderneming (Depozitno društvo).

Zekerheidstelling door middel van de voorlopige tenuitvoerlegging: om een zekerheid te stellen voor een niet-geldelijke vordering die niet kan worden zekergesteld door een voorwaardelijke inschrijving in een register, kan de rechtbank op basis van een vonnis dat werd uitgesproken in een civiele procedure een voorlopige tenuitvoerlegging opleggen.

Zekerheidstelling door middel van bewarende maatregelen: de rechtbank kan de volgende bewarende maatregelen opleggen:

1. inschrijving van een pandrecht op de onroerende goederen van een zekerheidsgever of op een ingeschreven recht op onroerende goederen;

2. neerlegging van een overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de vestiging van een pandrecht op de niet in het kadaster ingeschreven onroerende goederen bij de voor het kadaster bevoegde rechtbank;

3. inschrijving van een pandrecht op de roerende goederen van de zekerheidsgever;

4. inschrijving van een pandrecht op de geldvordering van de zekerheidsgever;

5. inschrijving van een pandrecht op een deel van het inkomen van de zekerheidsgever op basis van een arbeidsovereenkomst of -dienst;

6. inschrijving van een pandrecht op een deel van het pensioen, de invaliditeitsuitkering of compensatie voor inkomensverlies;

7. inschrijving van een pandrecht op de vordering van de zekerheidsgever op een bankrekening of spaarboekje;

8. inschrijving van een pandrecht op een vordering tot afgifte of levering van roerende goederen of afgifte van onroerende goederen;

9. inschrijving van een pandrecht op andere eigendomsrechten of materiële rechten;

10. inschrijving van een pandrecht op aandelencertificaten en andere effecten en hun bewaring;

11. inschrijving van een pandrecht waarvoor geen aandelencertificaten werden uitgegeven en op belangen of deelnemingen in ondernemingen;

12. inschrijving van effecten die worden bewaard bij een bewaarnemende onderneming (Depozitno društvo).

13. Verbod voor een bank om vanaf de rekening van een zekerheidsgever of een derde een bedrag te betalen waarop een bewarende maatregel van toepassing is.

Een zekerheidsnemer kan een pandrecht verkrijgen op het zekergestelde goed op grond van een bewarende maatregel. Wanneer een betalingsverbod werd uitgevaardigd op een som geld die de zekerheidsgever aanhoudt bij een bank, kan dat bedrag niet worden overgeschreven vanaf de rekening gedurende de looptijd van het verbod, tenzij dat bedrag wordt aangewend om de zekergestelde vordering te vereffenen.

Voorlopige maatregelen

- Eender welke maatregel die een geldvordering zekerstelt, kan worden opgelegd, met name de volgende maatregelen:

1. het wordt de zekerheidsgever verboden om roerende goederen te ontvreemden of te bezwaren, er wordt beslag gelegd op die goederen en ze worden ter bewaring toevertrouwd aan de zekerheidsnemer of een derde;

2. er wordt beslag gelegd op cashmiddelen, effecten en gelijkaardige middelen en ze worden in bewaring gegeven aan de rechtbank of een notaris;

3. het wordt de zekerheidsgever verboden om onroerende goederen of zakelijke rechten op onroerende goederen die in het kadaster zijn ingeschreven op zijn naam, met een aantekening van dit verbod, te vervreemden of te bezwaren;

4. het wordt de schuldenaar van de zekerheidsgever verboden om zijn verplichting ten aanzien van de zekerheidsgever vrijwillig na te komen, en het wordt de zekerheidsgever verboden om de voldane verplichting te ontvangen, m.a.w. om te beschikken over zijn vorderingen;

5. een bank wordt opgedragen om het verzoek van de zekerheidsgever om de betaling aan de zekerheidsnemer of een derde uit te voeren vanaf de rekening van een zekerheidsgever te weigeren voor het bedrag waarop een voorlopige maatregel van toepassing is.

- Eender welke maatregel die een niet-geldelijke vordering zekerstelt, kan worden opgelegd, met name de volgende maatregelen:

1. het wordt verboden om roerende goederen waarop de vordering betrekking heeft te vervreemden of te bezwaren, er wordt beslag gelegd op de goederen en ze worden ter bewaring toevertrouwd aan de zekerheidsnemer of een derde;

2. het wordt verboden om aandelen, belangen of deelnemingen waarop de vordering betrekking heeft te vervreemden of te bezwaren, met een aantekening van dat verbod in het aandelenregister, en waar nodig in de notulen van de hoorzitting; het wordt verboden om rechten te gebruiken of uit te oefenen op basis van die aandelen of vermogensaandelen; het beheer van aandelen, belangen en deelnemingen wordt toevertrouwd aan een derde; er wordt een tijdelijke raad van bestuur opgericht in een onderneming;

3. het wordt verboden om andere rechten waarop de vordering betrekking heeft te vervreemden of te bezwaren, en het beheer van die rechten wordt toevertrouwd aan een derde;

4. het wordt verboden om onroerende goederen of geregistreerde zakelijke rechten op de onroerende goederen waarop de vordering betrekking heeft te vervreemden of te bezwaren, met een aantekening van dat verbod in het kadaster; er wordt beslag gelegd op de onroerende goederen en ze worden ter bewaring toevertrouwd aan de zekerheidsnemer of een derde;

5. het wordt de schuldenaar van de zekerheidsgever verboden om aan de zekerheidsgever een goed over te dragen, een recht over te dragen of een niet-geldelijke verplichting te voldoen waarop deze vordering betrekking heeft;

6. het wordt de zekerheidsgever verboden om stappen te zetten die schade kunnen berokkenen aan de zekerheidsnemer en om wijzigingen aan te brengen aan goederen waarop de vordering betrekking heeft;

7. de zekerheidsgever wordt opgedragen om bepaalde stappen te zetten die noodzakelijk zijn om roerende of onroerende goederen in stand te houden of om de huidige toestand van de goederen te behouden;

8. het wordt de zekerheidsnemer toegestaan om de goederen van de zekerheidsgever waarop de vordering betrekking heeft bij te houden tot het proces is afgelopen;

9. het wordt de zekerheidsnemer toegestaan om alleen of aan de hand van een gevolmachtigde bepaalde stappen te zetten of bepaalde goederen te verkrijgen om in het bijzonder een eerdere toestand te herstellen;

10. de werknemer moet tijdelijk terug gaan werken; de vergoeding wordt betaald bij een arbeidsgeschil, als die noodzakelijk is voor het levensonderhoud van de werknemer en de personen die hij volgens de wet ten laste heeft.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

De rechterlijke en notariële zekerheidstelling door middel van de eigendomsoverdracht van goederen en de overdracht van rechten is per definitie geldig tot de definitieve afronding van de procedure.

In de uitspraak waarmee de bewarende maatregel wordt opgelegd, moet een indicatie worden gegeven van de waarde van de zekergestelde vordering, met inbegrip van rente en kosten, en moet worden aangeven welke maatregel wordt opgelegd en op welk moment die maatregel wordt opgelegd om de vordering zeker te stellen. De termijn waarvoor een bewarende maatregel wordt opgelegd kan niet langer duren dan 15 dagen nadat werd voldaan aan de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging. Indien de termijn verstrijkt voordat de beslissing, op basis waarvan de bewarende maatregel wordt opgelegd, van kracht wordt, kan de rechtbank de termijn verlengen op het verzoek van de zekerheidsnemer dat wordt ingediend bij de rechtbank vóór het verstrijken van de termijn waarvoor de bewarende maatregel werd opgelegd, op voorwaarde dat de omstandigheden op grond waarvan de maatregel werd opgelegd niet zijn gewijzigd.

In de uitspraak op grond waarvan een voorlopige maatregel wordt opgelegd, wordt eveneens de looptijd van deze maatregel bepaald, en indien de maatregel wordt opgelegd voordat een rechtsvordering of een andere handeling werd ingesteld, wordt eveneens de termijn vastgelegd waarin de zekerheidsnemer een zaak aanhangig moet maken, m.a.w. een verzoek moet indienen om een andere procedure in te leiden die de maatregel rechtvaardigt. De rechtbank verlengt op verzoek van de zekerheidsnemer de looptijd van de voorlopige maatregel, op voorwaarde dat de omstandigheden op grond waarvan de maatregel werd opgelegd niet zijn gewijzigd.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Er kan beroep worden aangetekend tegen een uitspraak in eerste aanleg binnen acht dagen nadat de uitspraak in eerste aanleg wordt betekend of ter kennis gebracht, tenzij anders wordt bepaald door de OZ. Een beroep schort de afdwingbaarheid van een uitspraak per definitie niet op. Het hof van beroep beslist over het beroep.

Een beroep tegen een uitspraak over het verzoek om een bewarende maatregel op te leggen wordt niet naar de tegenpartij verstuurd. Het hof van beroep doet een uitspraak over het beroep binnen dertig dagen na ontvangst.

Er is geen rechtsmiddel mogelijk tegen een notariële akte of een onderhandse akte waarvan de inhoud is gelegaliseerd. Een schuldenaar kan echter wel bezwaar aantekenen tegen de notariële zekerheidstelling in een bijzondere procedure waarin hij de overeenkomsten zal betwisten. Derden kunnen bezwaar aantekenen tegen de notariële zekerheidstelling in een gerechtelijke procedure, in overeenstemming met de regels die van toepassing zijn op het aantekenen van bezwaar tegen een gerechtelijke zekerheidstelling.

Een herziening is enkel toegestaan in procedures met betrekking tot de zekerheidstelling, indien het in tweede aanleg uitgesproken vonnis afhangt van de afhandeling van een kwestie in het materieel recht of procesrecht die van belang is voor de uniforme toepassing van de wet en de gelijkheid van alle partijen bij de toepassing ervan, in overeenstemming met de procedureregels. Een nieuw proces is niet toegestaan en de terugkeer naar de eerdere toestand is uitsluitend toegestaan wanneer een termijn voor het aantekenen van beroep of bezwaar niet werd gehaald.

Laatste update: 25/09/2018

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Italië

1 De verschillende soorten maatregelen

Het Italiaanse rechtsstelsel kent voorlopige maatregelen die tevens anticiperend van aard kunnen zijn en in beginsel conservatoir zijn. Voorlopige maatregelen kunnen worden genomen voordat de zaak aanhangig wordt gemaakt (maatregelen ante causam) of wanneer de zaak aanhangig is. Er kan ook om worden verzocht bij inleiding van het geding. De algemene regels voor procedures in kort geding staan beschreven in de artikelen 669 bis e.v. van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Er zijn diverse soorten voorlopige maatregel: a) “bewarende” maatregelen zijn bedoeld om de stand van zaken te handhaven tijdens de procedure of om bezittingen te beschermen. Een voorbeeld van een dergelijke maatregel is bewarend beslag. Met bewarende voorlopige maatregelen wordt in wezen beoogd te waarborgen dat het als gevolg van de duur van procedure niet onmogelijk is het naderhand verkregen dwangbevel uit te voeren, doordat bv. het gevorderde bezit inmiddels verloren is gegaan of is vernietigd; b) met “anticiperende” maatregelen wordt, voordat het geschil is beslecht, vooruitgelopen op de gevolgen van de definitieve beslissing. Anticiperende voorlopige maatregelen zijn dan ook bedoeld om te voorkomen dat de houder van het recht onvoldoende genoegdoening wordt gegeven, omdat er dan schade zou ontstaan die vervolgens niet zou kunnen worden hersteld.

Voorlopige maatregelen zijn doorgaans “typisch” en de mogelijkheid ervan wordt ook geboden in bijzondere wetten, bv. in die over familiezaken, alimentatie of octrooien. Het is echter ook mogelijk te verzoeken om “atypische” voorlopige maatregelen: dit zijn de zogenaamde dringende maatregelen, die worden geregeld in artikel 700 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Op grond van dat artikel is het voor wie terecht vreest voor onherstelbare schade als gevolg van de benodigde tijd om zijn of haar rechten langs normale weg te doen gelden, mogelijk de rechter te verzoeken om dringende maatregelen, waarmee het, naargelang de omstandigheden, beter mogelijk lijkt de gevolgen van de uitspraak ten principale voorlopig te waarborgen.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

Voorlopige maatregelen moeten aan twee voorwaarden voldoen:

A) periculum in mora, d.w.z. er moet gegronde vrees bestaan dat het recht dat de voorlopige maatregel beoogt te beschermen in afwachting van de uitspraak ten principale, onherstelbaar wordt beschadigd;

B) fumus boni juris, d.w.z. de vordering moet aannemelijk worden gemaakt.

2.1 De procedure

De regels voor de procesvoering staan beschreven in de artikelen 669 bis e.v. van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Het verzoek wordt ingediend middels een verzoekschrift dat bij de griffie van het bevoegde gerecht wordt ingediend. Voordat de hoofdprocedure wordt ingesteld, wordt het verzoekschrift ingediend bij de rechtbank van eerste aanleg. Als er een hoofdprocedure aanhangig is, moet het verzoekschrift worden ingediend bij de rechtbank die daarin uitspraak doet. Na ondervraging van de partijen en weglating van iedere niet voor een procedure van hoor en wederhoor essentiële formaliteit onderzoekt de rechter, op de volgens hem of haar geschiktste wijze, de voor de verzochte maatregel benodigde vereisten, alvorens het verzoekschrift middels een beslissing te aanvaarden of af te wijzen. Als de uitvoering van de maatregel in het gedrang zou kunnen komen door dagvaarding van de wederpartij, kan de rechter een gemotiveerde beslissing geven in de vorm van een uitspraak met, waar nodig, een samenvatting. In een dergelijk geval bepaalt de rechter in dezelfde uitspraak een datum om de partijen uiterlijk vijftien dagen later te horen, en stelt een bindende termijn van ten hoogste acht dagen waarbinnen de verzoeker de kennisgeving van het verzoek en de beslissing moet verrichten. Op de nieuwe hoorzitting kan de rechter middels een beslissing de in de oorspronkelijke beslissing vermelde maatregelen bevestigen, wijzigen of herroepen.

De rechter kan de zaak besluiten met een beslissing tot afwijzing, gedeeltelijke toewijzing of volledige toewijzing van het verzoek. Als het verzoek wordt toegewezen en voor aanvang van de hoofdprocedure was ingediend, moet de toewijzingsbeslissing een bindende termijn van ten hoogste zestig dagen stellen voor instelling van de hoofdprocedure: dit voorschrift geldt niet voor anticiperende en dringende maatregelen in de zin van artikel 700 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

2.2 De basisvereisten

Voorlopige maatregelen moeten aan de twee eerder genoemde voorwaarden voldoen: periculum in mora en fumus boni juris.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

Voorlopige maatregelen zijn uit de aard der zaak tijdelijk, in afwachting van de uitspraak in het hoofdgeding. Hoewel dit voor bewarende maatregelen altijd geldt, die vereisen dat het hoofdgeding aanhangig is, geldt dit slechts ten dele voor anticiperende maatregelen. Deze blijven van kracht ongeacht of er een procedure aanhangig is, hoewel ze niet dezelfde rechtskracht hebben als een einduitspraak in de zaak in kwestie.

De inhoud van voorlopige maatregelen is afhankelijk van het soort gevaar dat ze beogen af te wenden. Er kan bijvoorbeeld beslag worden gelegd op het vermogen van de schuldenaar. Een bevel om een ten onrechte ontslagen werknemer weer aan te stellen houdt daarentegen de verplichting in om een bepaalde handeling te verrichten.

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Afhankelijk van het doel kunnen de maatregelen van toepassing zijn op roerende of onroerende zaken, maar ook op intellectuele eigendom en door auteursrecht beschermde werken.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Bewarende maatregelen hebben tot doel om de bewaring van rechten te verzekeren waarvan de erkenning langs andere weg gevraagd wordt voor de rechter in het hoofdgeding, met behoud van de status quo, zowel feitelijk als rechtens. Anticiperende maatregelen daarentegen hebben vergelijkbare gevolgen als de einduitspraak die in het hoofdgeding wordt verwacht.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Voorlopige maatregelen blijven van kracht totdat er uitspraak is gedaan in het hoofdgeding en de voorlopige maatregelen worden bekrachtigd of ingetrokken. Bewarende maatregelen, waarvoor het hoofdgeding aanhangig moet zijn (bv. goedkeuring voor beslag krachtens artikel 670 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering of voor bewarend beslag krachtens artikel 671 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering), verliezen hun kracht indien er geen gerechtelijke procedure wordt gestart of deze niet binnen de door de wet of de rechter gestelde termijn wordt voortgezet, of indien een door de rechter gelaste zekerheid niet is gesteld. Anticiperende maatregelen, met inbegrip van atypische maatregelen (waarvan de inhoud wordt bepaald door de rechter en niet door de wet, krachtens artikel 700 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering), blijven ook van kracht wanneer het hoofdgeding niet wordt ingeleid of wel wordt ingeleid maar vervolgens wordt gestaakt, zelfs indien ze niet in de einduitspraak kunnen worden opgenomen.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Tegen uitspraken die voorlopige maatregelen bekrachtigen of intrekken, kan beroep worden aangetekend (artikel 669 terdecies) op de grond dat deze onjuist zijn, of door aan het hof van beroep aanvullende omstandigheden en feiten voor te leggen die niet in het oorspronkelijke verzoekschrift waren opgenomen.

Links

De Italiaanse grondwet (EN)

De link wordt in een nieuw venster geopend.https://www.senato.it/sites/default/files/media-documents/COST_INGLESE.pdf

Italiaanse wet- en regelgeving (IT)

De link wordt in een nieuw venster geopend.https://www.normattiva.it/?language=en

Italiaans wetboek van burgerlijke rechtsvordering (IT)

De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.altalex.com/documents/codici-altalex/2015/01/02/codice-di-procedura-civile

Het wetboek van bestuursrechtspraak (EN)

De link wordt in een nieuw venster geopend.https://www.giustizia-amministrativa.it/cdsintra/wcm/idc/groups/public/documents/document/mday/mzk3/~edisp/nsiga_4276977.pdf

Code de justice administrative (FR)

De link wordt in een nieuw venster geopend.https://www.giustizia-amministrativa.it/cdsintra/wcm/idc/groups/public/documents/document/mday/njiz/~edisp/nsiga_4506451.pdf

Italienische Verwaltungsprozessordnung (DE)

De link wordt in een nieuw venster geopend.https://www.giustizia-amministrativa.it/cdsintra/wcm/idc/groups/public/documents/document/mday/nda5/~edisp/nsiga_4289867.pdf

Het rechtsstelsel van Italië (EN)

De link wordt in een nieuw venster geopend.https://www.csm.it/web/csm-international-corner/consiglio-superiore-della-magistratura/sistema-giudiziario-italiano?show=true&title=&show_bcrumb=

Wetgeving over het belastingproces (IT)

De link wordt in een nieuw venster geopend.http://def.finanze.it/DocTribFrontend/getAttoNormativoDetail.do?id=%7BECD81E71-D37B-4722-AA36-116B5BCB2232%7D

Ministerie van Justitie (IT)

De link wordt in een nieuw venster geopend.https://www.giustizia.it/giustizia

Laatste update: 20/12/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Cyprus

1 De verschillende soorten maatregelen

Α. Bij de uitoefening van zijn civiele rechtsmacht kan elke rechtbank een (voorlopige, permanente of dwang-) maatregel bevelen of een beheerder aanwijzen in alle gevallen waarin de rechtbank dit rechtvaardig of gepast acht, ook als er niet om schadevergoeding of een andere vorm van genoegdoening is verzocht of deze niet is toegewezen. Een voorlopige maatregel wordt uitsluitend bevolen indien de rechtbank ervan overtuigd is dat er ter openbare zitting een ernstige kwestie moet worden geregeld, dat de mogelijkheid bestaat dat de verzoeker recht heeft op vergoeding en dat het, indien de voorlopige maatregel niet wordt bevolen, moeilijk of onmogelijk zal worden om in een latere fase nog volledig recht te kunnen doen (artikel 32, lid 1, van Wet nr. 14/1960 inzake de rechterlijke organisatie, zoals gewijzigd).

B. De rechtbank kan op elk moment binnen de periode waarin een burgerlijke zaak loopt een maatregel bevelen inzake de beslaglegging, de bewaring, de bescherming, de verkoop, het behoud of de inspectie van het eigendom dat het voorwerp is van de zaak, alsmede een bevel ter voorkoming van verlies, schade of nadelige gevolgen die, indien het bedoelde bevel niet wordt gegeven, kunnen worden toegebracht aan een persoon of een zaak in afwachting van de einduitspraak in de procedure, mits de einduitspraak gevolgen heeft voor de betreffende persoon of zaak, of in afwachting van de tenuitvoerlegging van de einduitspraak (artikel 4, lid 1, van de wet betreffende het burgerlijk procesrecht, hoofdstuk 6). Het doel van de maatregel die wordt bevolen krachtens deze bepaling is de bescherming (door middel van het bevelen van de bedoelde speciale maatregelen) van het eigendom dat het voorwerp is van de zaak zolang de zaak aanhangig is of totdat de uitspraak ten uitvoer wordt gelegd.

C. Elke rechtbank waar een burgerlijke zaak in verband met een schuld of schadevergoeding aanhangig is, kan de verweerder op elk moment – nadat de vordering is ingesteld – bevelen dat hij geen enkel deel van de onroerende zaken die op zijn naam staan ingeschreven of die rechtens als zijn eigendom kunnen worden ingeschreven mag vervreemden, indien dit naar het oordeel van de rechtbank volstaat om te voldoen aan het door de eiser ingediende verzoek, met inbegrip van de kosten van de vordering. De maatregel wordt uitsluitend bevolen indien de rechtbank ervan overtuigd is dat de eiser een sterke zaak heeft en dat de eiser door de verkoop of overdracht van het eigendom aan een derde partij zou kunnen worden gehinderd bij de tenuitvoerlegging van een eventuele latere rechterlijke uitspraak (artikel 5, leden 1 en 2, hoofdstuk 6). Dit artikel is van toepassing op vorderingen met betrekking tot schulden of schadevergoedingen en maakt het mogelijk maatregelen te bevelen inzake onroerende zaken die op naam van de verweerder staan ingeschreven of die rechtens als zijn eigendom kunnen worden ingeschreven. Het artikel heeft tot doel onroerende zaken te bevriezen totdat er in de toekomst een uitspraak in het voordeel van de eiser wordt gedaan.

De bevoegdheid van de rechtbank zoals omschreven onder A is duidelijk ruimer dan die onder B en C, en bepaalt de parameters van de algemene rechtsmacht van rechtbanken om voorlopige beperkende maatregelen te bevelen. Onder B en C zijn de specifieke soorten maatregelen te vinden die rechtbanken kunnen bevelen.

Volgens de rechtspraak van het Hooggerechtshof is de algemene bevoegdheid omschreven onder A (artikel 32 van de wet inzake de rechterlijke organisatie) ruim en biedt deze de mogelijkheid een voorlopige maatregel te bevelen met betrekking tot eigendommen die niet het voorwerp vormen van de eigenlijke vordering. Uit de rechtspraak blijkt dat de Cypriotische rechtbanken op grond van artikel 32 van de wet inzake de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid hebben om voorlopige Mareva-beschikkingen af te geven [dit zijn bevelen tot bevriezing van goederen (geld of roerende zaken) die onder de rechtsmacht van de rechtbank vallen en waarmee voorkomen moet worden dat zij buiten die rechtsmacht worden gebracht of worden verbruikt].

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Aanvragen voor een voorlopige maatregel kunnen worden ingediend in elke fase van de procedure in het kader waarvan een burgerlijke zaak aanhangig is. De procedure voor het indienen van de aanvraag is geregeld in de procedurele verordeningen inzake burgerlijke rechtsvorderingen. Eventuele vertraging van de zijde van de eiser wat betreft de eis om een voorlopige maatregel is een factor die de rechtbank in overweging dient te nemen.

Het Cypriotische rechtsstelsel kent de mogelijkheid om een voorlopige maatregel te bevelen zonder de wederpartij daarvan op de hoogte te stellen (ex parte, zie artikel 9 van de wet betreffende het burgerlijk procesrecht, hoofdstuk 6). Deze procedures betreffen een buitengewone maatregel en, in dat geval, is de spoedeisendheid van de zaak een procedurele voorwaarde die door de rechtbank moet worden getoetst om gebruik te kunnen maken van zijn discretionaire bevoegdheid zonder de wederpartij te horen. De rechtbanken passen dit specifieke beginsel strikt toe. Het feit dat de eiser heeft nagelaten materiële feiten te verstrekken heeft tevens ernstige gevolgen voor een (ex parte) eenzijdige aanvraag tot het bevelen van een voorlopige maatregel.

Een eenzijdig bevolen voorlopige maatregel wordt onmiddellijk van kracht nadat deze aan de verweerder is betekend, maar kan zo snel mogelijk na betekening ervan worden teruggestuurd naar de rechtbank waarbij de verweerder de mogelijkheid wordt geboden aan te geven of hij/zij bezwaar heeft tegen de maatregel. Eventuele derden die rechtstreeks belang hebben bij de maatregel kunnen de rechtbank ook verzoeken om gehoord te worden in verband met de zaak. Als de gedaagde bezwaar maakt tegen de maatregelen houdt de rechtbank een hoorzitting om te besluiten of de maatregel moet worden gehandhaafd dan wel moet worden vernietigd of aangepast. Indien de maatregel wordt afgewezen heeft de eiser het recht om zich opnieuw tot de rechtbank te wenden, mits de materiële omstandigheden van de zaak zijn gewijzigd. Verder zij opgemerkt dat, in alle gevallen waarin een voorlopige maatregel op grond van een eenzijdige (ex parte) aanvraag wordt bevolen, de rechtbank, op grond van een uitdrukkelijke wetsbepaling, beslist dat de eiser een borg moet stellen voor het door de rechtbank bepaalde bedrag als zekerheid voor alle verliezen die voor de gedaagde kunnen ontstaan. Volgens de rechtspraak heeft de rechtbank niet de bevoegdheid de maatregel te bevelen tenzij de gedaagde zelf een borg stelt.

Het is natuurlijk wel mogelijk een voorlopige maatregel te bevelen op basis van een aanvraag met kennisgeving (dat wil zeggen door de wederpartij ervan op de hoogte te stellen). In dat geval gaat de rechtbank echter niet na of de zaak spoedeisend is.

2.2 De basisvereisten

Het bevelen van een voorlopige beperkende maatregel wordt overgelaten aan de discretie van de rechtbank. Er moet aan drie basisvoorwaarden zijn voldaan alvorens de rechtbank, op grond van de afweging van de betrokken belangen, beslist van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik te maken om de verzochte maatregelen wel of niet te bevelen.

  • er moet een ernstige kwestie worden behandeld (het is voldoende dat er op basis van de zaak een betwistbare veronderstelling wordt geuit);
  • er bestaat een kans op succes (goede mogelijkheid dat de zaak met succes zal worden afgerond/duidelijk vooruitzicht dat de eiser recht op vrijstelling heeft);
  • het wordt moeilijk of onmogelijk om in een latere fase nog volledig recht te kunnen doen wanneer de maatregel niet wordt bevolen (voor zover de toewijzing van schadevergoeding aan de eiser in de laatste fase onvoldoende is om zijn/haar rechten te waarborgen).

Zoals hierboven al is vermeld, wordt het bevelen van een voorlopige beperkende maatregel aan de discretie van de rechtbank overgelaten. Een maatregel wordt niet automatisch bevolen als er aan de drie bovenstaande voorwaarden is voldaan. De rechtbank is gehouden af te wegen of het in het licht van alle feiten en omstandigheden van het geval rechtvaardig en gunstig is de betreffende voorlopige maatregel te bevelen.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Uit de rechtspraak blijkt dat de aard van en het soort goederen geen beperkingen inhoudt voor de uitoefening van de bevoegdheid van de rechtbank. De aard van een goed kan echter wel een relevante factor zijn voor de afweging van de betrokken belangen die door de rechtbank wordt gemaakt bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid ten aanzien van het bevelen van een maatregel. Het gevaar dat geld op een bankrekening zal worden weggemaakt kan door een eiser gemakkelijker worden aangetoond dan het risico dat een onroerende zaak zal worden vervreemd.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Na het bevelen van de maatregel zijn alle partijen waarvoor de maatregel bedoeld is wettelijk verplicht deze na te leven. Indien de maatregel niet wordt nageleefd, maakt de persoon in kwestie zich schuldig aan minachting van het gerecht, hetgeen een strafbaar feit is. Daarnaast kan ook eenieder die aanzet tot of meewerkt aan niet-naleving van het gerechtelijk bevel, schuldig worden bevonden aan minachting van het gerecht (artikel 42 van wet nr. 14/1960 inzake de rechterlijke organisatie, zoals gewijzigd).

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Een door de rechtbank bevolen maatregel bevat een specifieke clausule waarin de termijn wordt beschreven waarin de maatregel van kracht is. De maatregel blijft over het algemeen van kracht tot het moment dat er in de hoofdzaak een definitief vonnis wordt uitgesproken of totdat hij middels een later gerechtelijk bevel wordt geschrapt of gewijzigd. In de fase waarin de definitieve uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan, kan de rechtbank een specifieke bepaling in de betreffende uitspraak invoegen waardoor de maatregel voor een bepaalde periode na de uitspraak van kracht blijft, teneinde de tenuitvoerlegging van de uitspraak te vereenvoudigen.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Tegen een uitspraak van de rechtbank waarin een voorlopige maatregel wordt bevolen kan bij het Hooggerechtshof hoger beroep worden aangetekend. Ook tegen een uitspraak van een rechtbank waarin een aanvraag tot een voorlopige maatregel wordt afgewezen kan beroep worden aangetekend.

Bij de behandeling van het beroep heeft het Hooggerechtshof ruime bevoegdheden. Het kan een maatregel bevelen die door de rechtbank van eerste aanleg is afgewezen of kan een maatregel vernietigen of wijzigen die door de lagere rechtbank is toegewezen. Opgemerkt zij echter dat de zaak in de beroepsprocedure niet opnieuw inhoudelijk wordt behandeld. De uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg wordt niet teruggedraaid alleen vanwege het feit dat het Hooggerechtshof zijn discretionaire bevoegdheid anders zou hebben gebruikt. Het Hooggerechtshof intervenieert enkel als het beslist dat de rechtbank van eerste aanleg zijn discretionaire bevoegdheid onjuist heeft gebruikt.

Laatste update: 01/08/2022

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Letland

1 De verschillende soorten maatregelen

De Letse wet kent voorlopige en bewarende maatregelen ter verzekering van een (potentiële) vordering of bescherming van intellectuele-eigendomsrechten hangende een rechterlijke beslissing, alsook voor het veiligstellen van bewijs. Deze maatregelen kunnen alleen door een rechtbank worden opgelegd, op verzoek van een belanghebbende partij. De procedure hiervoor is neergelegd in de Wet op de burgerlijke rechtsvordering (Civilprocesa likums)(WBRv).

Op het moment dat een vordering wordt ingesteld, en ook daarvoor al, zijn de volgende maatregelen beschikbaar ter verzekering van een vordering:

  • beslag op roerende zaken of financiële middelen van de verweerder;
  • aantekening van een verbod (aizlieguma atzīme) in het desbetreffende register van roerende zaken of een ander openbaar register;
  • aantekening van de bewarende maatregel in het kadaster of scheepsregister;
  • inbeslagneming van een schip in verband met een maritieme vordering;
  • verbod aan de verweerder om bepaalde handelingen te verrichten;
  • beslag op door derden aan de verweerder verschuldigde betalingen, inclusief tegoeden bij krediet- en andere financiële instellingen;
  • uitstel van tenuitvoerlegging (waaronder begrepen het verbod aan een deurwaarder om geld over te maken of eigendom over te dragen aan een schuldeiser of schuldenaar, of opschorting van de verkoop van eigendom).

Een vordering kan alleen worden verzekerd als het een zaak betreft.

Als de vordering moet worden verzekerd door aantekening van een verbod in een register van roerende zaken of ander openbaar register, wordt in de beslissing het soort verbod vermeld dat in het register moet worden aangetekend.

Wanneer het voorwerp van geschil het eigendomsrecht op roerende of onroerende zaken betreft, of de vordering strekt tot de bevestiging van eigendomsrechten, kan de vordering worden verzekerd door beslag te leggen op de betwiste roerende zaken of in het desbetreffende register van het kadaster een aantekening van een verbod te plaatsen.

Wanneer het voorwerp van geschil een geldelijke vordering is, kan de vordering worden veiliggesteld door een zekerheid op onroerende zaken te vestigen (ķīlas tiesības atzīme) en daarvan een aantekening in het desbetreffende register van het kadaster te plaatsen.

Wanneer het voorwerp van geschil een zakelijk recht op een onroerende zaak betreft, kan de vordering worden veiliggesteld door in het desbetreffende register van het kadaster een bezwarende aantekening (apgrūtinājuma atzīme) te plaatsen.

Vaartuigen kunnen uitsluitend via een maritieme vordering in beslag worden genomen.

Het is niet toegestaan de verkoop van eigendom op te schorten wanneer de vordering betrekking heeft op het terugvorderen van geld.

Beslag op door derden aan de verweerder verschuldigde betalingen, inclusief tegoeden bij krediet- en andere financiële instellingen, is niet toegestaan wanneer het doel van de vordering een compensatie is die door de rechter moet worden vastgesteld.

Bij geschillen over intellectuele eigendom kunnen de volgende voorlopige beschermingsmaatregelen worden opgelegd:

  • beslag op roerende zaken die inbreuk zouden maken op intellectuele-eigendomsrechten;
  • verplichting om goederen terug te halen die inbreuk zouden maken op intellectuele-eigendomsrechten;
  • verbod tot het verrichten van bepaalde handelingen, gericht aan zowel de verweerder als de personen van wier diensten gebruik wordt gemaakt bij de schending van intellectuele-eigendomsrechten, of aan personen die een dergelijke schending mogelijk maken.

Bewijsbeslag

Wanneer iemand redenen heeft om aan te nemen dat het overleggen van het voor hem noodzakelijke bewijs onmogelijk of problematisch zou kunnen worden, kan hij verzoeken om beslag te leggen op dat bewijs.

Een verzoek om bewijsbeslag te leggen, kan worden ingediend in elke fase van de procedure en zelfs voordat een zaak aanhangig wordt gemaakt.

Als een zaak nog niet aanhangig is gemaakt, moet een verzoek tot bewijsbeslag worden ingediend bij het districtsgerecht (rajona tiesa) of het gemeentelijk gerecht (pilsētas tiesa) van het rechtsgebied waar het veilig te stellen bewijsmateriaal zich bevindt. Vanaf het moment dat de zaak aanhangig is gemaakt, moet het verzoek worden ingediend bij de rechtbank die de zaak behandelt.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Verzekering van een vordering

Wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing problematisch of onmogelijk kan worden, kan de rechter op gemotiveerd verzoek van de eiser een beslissing geven tot het opleggen van een maatregel ter verzekering van de vordering. Een vordering kan alleen worden verzekerd als het een zaak betreft. Een verzoek om verzekering van een vordering kan worden ingediend in elke fase van de procedure en zelfs voordat een zaak aanhangig is gemaakt.

Een verzoek om verzekering van een vordering moet het volgende bevatten:

  • de naam van de rechtbank waarbij het verzoek moet worden ingediend;
  • de voor- en achternaam, het identiteitsnummer en de geregistreerde woonplaats van de verzoeker, of, bij ontstentenis daarvan, de feitelijke woonplaats; in het geval dat de verzoeker een rechtspersoon is, diens naam, registratienummer en plaats van statutaire vestiging. Als de verzoeker ermee instemt langs elektronische weg met de rechtbank te communiceren en als hij behoort tot de personen/entiteiten die in artikel 56, lid 23), van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering worden genoemd, moeten tevens een e-mailadres en, wanneer hij in het onlinesysteem voor correspondentie met de rechtbank staat geregistreerd, het registratienummer worden vermeld. Daarnaast kan de verzoeker een ander adres voor correspondentie met de rechtbank doorgeven;
  • de voor- en achternaam, het identiteitsnummer, de geregistreerde woonplaats of, bij ontstentenis daarvan, de feitelijke woonplaats of, in het geval dat de verweerder of een derde een rechtspersoon is, de naam, het registratienummer en de plaats van statutaire vestiging van de verweerder of belanghebbende partij. Het identiteitsnummer of registratienummer van de verweerder moet worden opgegeven wanneer dit bekend is;
  • wanneer de vordering wordt ingediend door een vertegenwoordiger van de verzoeker, de voor- en achternaam, het identiteitsnummer en het correspondentieadres van de vertegenwoordiger of, in het geval dat de vertegenwoordiger een rechtspersoon is, de naam, het registratienummer en de plaats van statutaire vestiging; Als de vertegenwoordiger van de verzoeker, met een geregistreerde woonplaats of een correspondentieadres in Letland, ermee instemt langs elektronische weg met de rechtbank te communiceren, moeten tevens een e-mailadres en, wanneer hij in het onlinesysteem voor correspondentie met de rechtbank staat geregistreerd, het registratienummer worden vermeld. Ook als de geregistreerde woonplaats of het correspondentieadres van de vertegenwoordiger van de verzoeker zich buiten Letland bevindt, moeten zijn e-mailadres en deelname aan het onlinesysteem voor correspondentie worden vermeld. Als de vertegenwoordiger van de verzoeker een advocaat is, moet het e-mailadres van diens orde worden toegevoegd;
  • het voorwerp van de vordering;
  • het bedrag van de vordering;
  • de manier waarop de vordering moet worden verzekerd die de verzoeker ten uitvoer wil laten leggen;
  • de omstandigheden op grond waarvan het volgens de verzoeker nodig is de vordering te verzekeren.

Een verzoek om verzekering van een vordering voordat een zaak aanhangig is gemaakt, moet worden ingediend bij de rechtbank die bevoegd is om de zaak in voorkomend geval te behandelen. Wanneer de partijen zijn overeengekomen om hun geschil via arbitrage te beslechten, moet het verzoek worden ingediend bij de “gewone” rechtbank van de plaats waar de schuldenaar is gevestigd of diens eigendommen zijn gesitueerd.

Het is niet toegestaan de verkoop van eigendom op te schorten wanneer de vordering betrekking heeft op het terugvorderen van geld.

Beslag op door derden aan de verweerder verschuldigde betalingen, inclusief tegoeden bij krediet- en andere financiële instellingen, is niet toegestaan wanneer het doel van de vordering een compensatie is die door de rechter moet worden vastgesteld.

Wanneer een van de partijen daartoe een verzoek indient, mag de rechter de vordering op een andere manier verzekeren.

Een potentiële eiser kan nog voordat hij een zaak aanhangig maakt verzoeken om verzekering van de onderliggende vordering, en zelfs nog voordat de termijn voor de voldoening ervan is verstreken, wanneer de schuldenaar zich aan zijn verplichtingen probeert te onttrekken door de zaak te verduisteren of te vervreemden, zijn woonplaats verlaat zonder de schuldeiser hiervan in kennis te stellen of andere handelingen verricht waaruit blijkt dat de schuldenaar niet te goeder trouw handelt. Wanneer een potentiële eiser een verzoek om verzekering van een vordering indient voordat een zaak aanhangig is gemaakt, moet hij bewijs overleggen waaruit zijn vorderingsrecht blijkt, alsook bewijs van de noodzaak van verzekering van de vordering.

Over een verzoek om verzekering van een vordering wordt uiterlijk na een dag door de rechter beslist, zonder de verweerder of andere belanghebbende partijen vooraf van het verzoek in kennis te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek kijkt de rechter naar wat op het eerste gezicht de formele rechtsgrond van de vordering is. Als de rechter het verzoek inwilligt, kan hij van de eiser verlangen dat hij zekerheid stelt voor eventuele door de verweerder als gevolg van de maatregel te lijden schade; meer in het bijzonder kan hij de eiser gelasten om een bepaald bedrag over te maken op de rekening van een deurwaarder.

Als een verzoek om verzekering van een (potentiële) vordering wordt ingewilligd, vaardigt de rechtbank een executiebevel (izpildu raksts) uit, dat via een deurwaarder (zvērināts tiesu izpildītājs) ten uitvoer kan worden gelegd.

De maatregel blijft van kracht totdat het vonnis in kracht van gewijsde gaat. Wanneer de vordering niet wordt behandeld of de procedure wordt beëindigd, wordt de maatregel ter verzekering van de vordering beëindigd. De maatregel blijft van kracht totdat het vonnis in kracht van gewijsde gaat. Als de rechter de vordering afwijst, wordt daarmee ook de maatregel beëindigd.

Wanneer een verzoek om verzekering van een vordering wordt ingewilligd voordat de vordering aanhangig is gemaakt en de vordering vervolgens niet binnen de door de rechter gestelde termijn wordt ingesteld, kan de rechter de maatregel ter verzekering van de vordering op verzoek van de potentiële eiser of de potentiële verweerder beëindigen.

Voorlopige beschermingsmaatregelen

Wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat inbreuk wordt gemaakt of kan worden gemaakt op intellectuele-eigendomsrechten, kan de rechter op gemotiveerd verzoek van de eiser voorlopige beschermingsmaatregelen opleggen. In een verzoekschrift waarin om het opleggen van voorlopige beschermingsmaatregelen wordt gevraagd, moeten de op te leggen maatregelen worden vermeld (artikel 25010 WBRv).

Een verzoek om voorlopige beschermingsmaatregelen kan worden ingediend in elke fase van de procedure en zelfs voordat een zaak aanhangig wordt gemaakt.

Over een verzoek om voorlopige beschermingsmaatregelen wordt door de rechter beslist binnen tien dagen na ontvangst van het verzoek of, als het verzoek samen met de vordering wordt ingediend, de instelling van de procedure.

Wanneer uitstel onherstelbare schade voor de houder van het intellectuele-eigendomsrecht kan veroorzaken, moet de rechter uiterlijk op de dag na de dag van ontvangst van een verzoek om voorlopige beschermingsmaatregelen beslissen over het verzoek, zonder de verweerder en andere belanghebbende partijen vooraf van het verzoek in kennis te stellen. Wanneer een beslissing waarin voorlopige beschermingsmaatregelen worden opgelegd, is gegeven in afwezigheid van de verweerder of andere belanghebbende partijen, moeten zij uiterlijk op het moment dat de beslissing ten uitvoer wordt gelegd, van de beslissing in kennis worden gesteld.

Wanneer de rechter een verzoek om verzekering van een vordering inwilligt voordat de vordering zelf aanhangig is gemaakt, kan hij van de eiser verlangen dat hij zekerheid stelt voor eventuele door de verweerder of dienstverlener als gevolg van de voorlopige beschermingsmaatregel te lijden schade, door een bepaald bedrag over te maken op de rekening van een deurwaarder of een gelijkwaardige zekerheid te stellen.

Op verzoek van de eiser kan de rechter een eerder opgelegde voorlopige beschermingsmaatregel vervangen door een andere.

Voorlopige beschermingsmaatregelen kunnen op verzoek van een belanghebbende partij worden beëindigd door de rechter die de maatregel heeft opgelegd.

Wanneer de rechter een vordering afwijst, beëindigt hij daarmee ook de voorlopige maatregel. Voorlopige beschermingsmaatregelen blijven van kracht tot de dag dat de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde gaat.

Wanneer de vordering niet wordt behandeld of de procedure wordt beëindigd, worden de maatregelen beëindigd. Voorlopige beschermingsmaatregelen blijven van kracht tot de dag dat de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde gaat.

Wanneer een beslissing waarin voorlopige beschermingsmaatregelen worden opgelegd, wordt gegeven voordat een vordering aanhangig is gemaakt en vervolgens niet binnen de door de rechter gestelde termijn een vordering wordt ingesteld, kan de rechter de voorlopige beschermingsmaatregel op verzoek van de potentiële eiser, potentiële verweerder of een andere belanghebbende partij beëindigen.

Wanneer een verzoek om voorlopige beschermingsmaatregelen samen met de vordering wordt ingediend, moet de beslissing waarin voorlopige beschermingsmaatregelen worden opgelegd, ten uitvoer worden gelegd binnen dertig dagen vanaf de dag dat de beslissing is gegeven. Het indienen van een bezwaarschrift (blakus sūdzība) tegen de beslissing, heeft geen schorsende werking op de tenuitvoerlegging ervan.

Een beslissing waarin voorlopige beschermingsmaatregelen worden opgelegd op grond van het feit dat uitstel onherstelbare schade voor de houder van het intellectuele-eigendomsrecht kan veroorzaken, wordt ten uitvoer gelegd nadat de eiser het door de rechter vastgestelde bedrag op de rekening van een deurwaarder heeft overgemaakt of een gelijkwaardige zekerheid heeft gesteld. Nadat de deurwaarder het bedrag heeft ontvangen of de zekerheid is gesteld, wordt de rechterlijke beslissing, die een executoriale titel vormt, aan de vermeende inbreukmaker betekend.

Een beslissing waarbij als voorlopige beschermingsmaatregel beslag wordt gelegd op roerende zaken die inbreuk zouden maken op intellectuele-eigendomsrechten, wordt ten uitvoer gelegd overeenkomstig de procedures van de Wet op de burgerlijke rechtsvordering voor het terughalen van roerende zaken.

Een beslissing waarbij als voorlopige beschermingsmaatregel het verrichten van bepaalde handelingen wordt verboden of het terughalen van goederen wordt gelast die inbreuk zouden maken op een intellectuele-eigendomsrecht, wordt ten uitvoer gelegd via een deurwaarder, die de beslissing aan de verweerder en andere belanghebbende partijen betekent. Kennisgeving van de beslissing kan ook gebeuren per aangetekende post.

Wanneer een voorlopige beschermingsmaatregel wordt beëindigd, gebeurt dat via de deurwaarder die ook de beslissing heeft betekend waarbij de maatregel werd opgelegd.

Wanneer een voorlopige beschermingsmaatregel wordt beëindigd, gebeurt dat via de deurwaarder die ook de beslissing heeft betekend waarbij de maatregel werd opgelegd.

Hoofdstuk 305 WBRv voorziet ook in voorlopige beschermingsmaatregelen tegen geweld.

Een voorlopige beschermingsmaatregel tegen geweld kan worden opgelegd in verband met een verzoek om ontbinding of nietigverklaring van een huwelijk, een vordering tot schadevergoeding voor lichamelijk letsel, een vordering tot alimentatie, een verzoek om splitsing van een gezamenlijke woning of specificatie van het gebruik daarvan als de partijen samen één woning in gebruik hebben, of in het kader van geschillen die voortvloeien uit een voogd-pupil-relatie of geschillen over bezoekrechten.

Een verzoek om een voorlopige beschermingsmaatregel tegen geweld kan worden ingediend door echtgenoten of voormalige echtgenoten, personen waartussen een ouder-kind-relatie of een voogd-pupil-relatie of enige andere vorm van extrafamiliaire zorgrelatie bestaat, personen die bloed- of aanverwant zijn, personen die in hetzelfde huishouden leven of hebben geleefd, personen die een gemeenschappelijk kind hebben of verwachten, ongeacht of ze met elkaar zijn gehuwd of met elkaar samenwonen, of personen waartussen en nauwe persoonlijke of intieme relatie bestaat of heeft bestaan.

Er kunnen tegelijkertijd meerdere voorlopige beschermingsmaatregelen tegen geweld worden opgelegd.

Wanneer een persoon het slachtoffer is van fysiek, seksueel, psychisch of economisch geweld door een echtgenoot of voormalige echtgenoot of door iemand waarmee hij anderszins een relatie heeft en ongeacht of geweldpleger en slachtoffer deel uitmaken of hebben uitgemaakt van hetzelfde huishouden, dan kan de rechter op gemotiveerd verzoek van het slachtoffer of de politie een voorlopige beschermingsmaatregel opleggen.

Voorlopige beschermingsmaatregelen kunnen ook worden opgelegd als iemand het slachtoffer is van machtsmisbruik, dat wil zeggen: een handeling of reeks van handelingen, waaronder pesten, seksuele handelingen onder dwang, bedreiging, vernedering, intimidatie of andere handelingen die gericht zijn op verwonding, bestraffing of intimidatie.

Een verzoek om een voorlopige beschermingsmaatregel tegen geweld kan worden ingediend in elke fase van de procedure en zelfs voordat een vordering wordt ingesteld.

Bewijsbeslag

Wanneer iemand redenen heeft om aan te nemen dat het overleggen van het voor hem noodzakelijke bewijs onmogelijk of problematisch zou kunnen worden, kan hij verzoeken om beslag te leggen op dat bewijs. Een verzoek om bewijsbeslag te leggen, kan worden ingediend in elke fase van de procedure en zelfs voordat een zaak aanhangig wordt gemaakt.

Een verzoek tot bewijsbeslag wordt behandeld tijdens een rechtszitting waarvoor de verzoeker en andere belanghebbende partijen worden gedagvaard. Maar het verzoek kan ook bij verstek van een of meer van deze personen worden behandeld.

Wanneer een verzoek tot bewijsbeslag wordt ingediend voordat een zaak aanhangig is gemaakt, neemt de rechter hierover binnen tien dagen na ontvangst van het verzoek een beslissing.

Bewijsbeslag zonder dagvaarding van belanghebbende partijen is alleen in dringende gevallen mogelijk, zoals een (potentiële) inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, of wanneer niet kan worden vastgesteld wie de belanghebbende partijen zijn.

Wanneer een beslissing over bewijsbeslag is gegeven in afwezigheid van de verweerder of andere belanghebbende partijen, moeten zij uiterlijk op het moment dat de beslissing ten uitvoer wordt gelegd, van de beslissing in kennis worden gesteld.

Wanneer een verzoek tot bewijsbeslag wordt ingewilligd voordat een zaak aanhangig is gemaakt, stelt de rechter een termijn van maximaal dertig dagen voor aanhangigmaking.

Wanneer de rechter een verzoek tot bewijsbeslag inwilligt voordat een zaak aanhangig is gemaakt, kan hij van de eiser verlangen dat hij zekerheid stelt voor eventuele door de verweerder als gevolg van het bewijsbeslag te lijden schade, door een bepaald bedrag over te maken op de rekening van een deurwaarder of een gelijkwaardige zekerheid te stellen.

Het proces-verbaal van de zitting en de stukken waarop beslag is gelegd, worden bewaard totdat de rechter die de hoofdzaak behandelt, de stukken nodig heeft.

Wanneer bewijs zich in een stad of district buiten het rechtsgebied van de behandelende rechter bevindt, kan hij de bevoegde rechter van die stad of dat district verzoeken om namens hem bepaalde procedurele handelingen te verrichten.

2.2 De basisvereisten

Voorlopige maatregelen kunnen alleen worden opgelegd als er redenen zijn om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing in een zakenrechtelijk geschil of het overleggen van noodzakelijk bewijs problematisch of onmogelijk kan worden of dat inbreuk wordt gemaakt of kan worden gemaakt op intellectuele-eigendomsrechten.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

In een verzoek om voorlopige maatregelen voor de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten moet de op te leggen maatregel worden vermeld.

De volgende voorlopige beschermingsmaatregelen kunnen worden opgelegd:

  • beslag op roerende zaken die inbreuk zouden maken op intellectuele-eigendomsrechten;
  • verplichting om goederen terug te halen die inbreuk zouden maken op intellectuele-eigendomsrechten;
  • verbod tot het verrichten van bepaalde handelingen, gericht aan zowel de verweerder als de personen van wier diensten gebruik wordt gemaakt bij de schending van intellectuele-eigendomsrechten, of aan personen die een dergelijke schending mogelijk maken.

In een verzoek om verzekering van een vordering moet worden aangegeven op welke manier de vordering bij voorkeur moet worden verzekerd.

Ter verzekering van een vordering kunnen de volgende maatregelen worden opgelegd:

  • beslag op roerende zaken of financiële middelen van de verweerder;
  • aantekening van een verbod (aizlieguma atzīme) in het desbetreffende register van roerende zaken of een ander openbaar register;
  • aantekening van de bewarende maatregel in het kadaster of scheepsregister;
  • inbeslagneming van een schip in verband met een maritieme vordering;
  • verbod aan de verweerder om bepaalde handelingen te verrichten;
  • beslag op door derden aan de verweerder verschuldigde betalingen, inclusief tegoeden bij krediet- en andere financiële instellingen;
  • uitstel van tenuitvoerlegging (waaronder begrepen het verbod aan een deurwaarder om geld over te maken of eigendom over te dragen aan een schuldeiser of schuldenaar, of opschorting van de verkoop van eigendom).

In een verzoek om een voorlopige beschermingsmaatregel tegen geweld moet de op te leggen maatregel worden vermeld.

Ter bescherming tegen geweld kunnen de volgende voorlopige maatregelen worden opgelegd:

  • de verweerder moet de woning waar de eiser zijn gewone verblijfplaats heeft, verlaten en mag niet naar de woning terugkeren;
  • de verweerder mag de woning waar de eiser zijn gewone verblijfplaats heeft slechts tot op een bepaalde afstand naderen;
  • de verweerder mag bepaalde plaatsen niet bezoeken;
  • de verweerder mag de eiser niet opzoeken en geen lichamelijk of oogcontact met de eiser maken;
  • de verweerder mag op generlei wijze in verbinding treden met de eiser;
  • de verweerder mag niet via tussenpersonen in contact of verbinding treden met de eiser;
  • de verweerder mag niet gebruikmaken van de persoonsgegevens van de eiser;
  • andere verboden en verplichtingen die de rechter als voorlopige maatregel aan de verweerder kan opleggen om de eiser tegen geweld te beschermen.

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Roerende en onroerende zaken, waaronder begrepen schepen, contant geld en tegoeden bij krediet- en andere financiële instellingen.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Voor het leggen van beslag op roerende zaken wordt eerst een inventarisatie van de in beslag genomen zaken gemaakt; vervolgens worden ze verzegeld (met vermelding van de naam van de beslaglegger en de wijze van beslaglegging) en tot slot worden ze in bewaring genomen. Als verzegeling de zaken kan beschadigen of kan leiden tot aanzienlijke waardevermindering, kan verzegeling achterwege blijven.

De deurwaarder plaatst de in beslag genomen zaken in bewaring bij een natuurlijke persoon, die voor ontvangst tekent. De schuldenaar en de leden van zijn gezin mogen de beslagen zaken blijven gebruiken, mits de zaken door dit gebruik niet worden vernietigd of aanzienlijk in waarde verminderen.

Wanneer de rechter een verzoek om verzekering van een vordering inwilligt voordat de vordering zelf aanhangig is gemaakt, kan hij van de potentiële eiser verlangen dat hij zekerheid stelt voor eventuele door de verweerder als gevolg van de maatregel te lijden schade, door een bepaald bedrag over te maken op de rekening van een deurwaarder. Op deposito’s en andere bij een kredietinstelling of elders aangehouden zekerheden kan enkel beslag worden gelegd op basis van een door een rechtbank afgegeven executoriale titel, een bevel van een deurwaarder of een bevel van een openbare aanklager.

Een aantekening in het register van onroerende zaken dat een zaak is teruggehaald of voorwerp is van beslag ter verzekering van een vordering, belet vrijwillige registratie door de eigenaar.

Wanneer de rechter een verzoek tot bewijsbeslag inwilligt voordat een zaak aanhangig is gemaakt, kan hij van de potentiële eiser verlangen dat hij zekerheid stelt voor eventuele door de verweerder als gevolg van de maatregel te lijden schade, door een bepaald bedrag over te maken op de rekening van een deurwaarder of een gelijkwaardige zekerheid te stellen.

Met voorlopige beschermingsmaatregelen kan een auteur met toestemming van de rechter zelfs niet-zakelijke vorderingen verzekeren en op die manier het aantal inbreuken op zijn intellectuele-eigendomsrechten en de omvang van de schade beperken. Met deze maatregelen kunnen inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten worden voorkomen en geschonden rechtmatige belangen en rechten van een auteur worden hersteld.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Maatregelen ter verzekering van een vordering blijven van kracht tot de dag dat de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde gaat of de procedure wordt beëindigd dan wel de maatregel door de rechter wordt beëindigd of door een andere wordt vervangen.

Voorlopige beschermingsmaatregelen blijven van kracht tot de dag dat de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde gaat.

Voorlopige beschermingsmaatregelen kunnen op verzoek van een belanghebbende partij worden beëindigd door de rechter die de maatregel heeft opgelegd. Wanneer de rechter een vordering afwijst, beëindigt hij daarmee ook de voorlopige maatregel. Wanneer de vordering niet wordt behandeld of de procedure wordt beëindigd, worden de maatregelen beëindigd. Voorlopige beschermingsmaatregelen blijven van kracht tot de dag dat de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde gaat.

Wanneer een beslissing waarin voorlopige beschermingsmaatregelen worden opgelegd, wordt gegeven voordat een vordering aanhangig is gemaakt en vervolgens niet binnen de door de rechter gestelde termijn een vordering wordt ingesteld, kan de rechter het bewijsbeslag op verzoek van de potentiële eiser of verweerder of een andere belanghebbende partij beëindigen.

Wanneer een beslissing houdende een maatregel tot bewijsbeslag is gegeven voordat een vordering aanhangig is gemaakt en vervolgens niet binnen de door de rechter gestelde termijn een vordering wordt ingesteld, kan de rechter het bewijsbeslag op verzoek van de potentiële eiser of de potentiële verweerder opheffen.

Voorlopige beschermingsmaatregelen tegen geweld blijven van kracht tot de dag dat de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde gaat. In bepaalde gevallen kan de rechter in zijn beslissing bepalen dat een voorlopige beschermingsmaatregel tegen geweld van kracht blijft tot maximaal één jaar nadat de beslissing definitief is geworden. Wanneer een voorlopige beschermingsmaatregel tegen geweld is opgelegd aan een verweerder die dezelfde gewone verblijfplaats heeft als de eiser (bijvoorbeeld wanneer de verweerder op last van de rechter de woning heeft moeten verlaten waar de eiser zijn gewone verblijfplaats heeft en het hem is verboden terug te keren, of wanneer het de verweerder is verboden om zich binnen een bepaalde afstand van de woning waarin de eiser zijn gewone verblijfplaats heeft, te vertonen), kan de rechter bepalen dat de maatregel van kracht blijft tot maximaal dertig dagen nadat de beslissing definitief is geworden.

Een voorlopige beschermingsmaatregel tegen geweld blijft van kracht tot de dag dat een rechterlijke beslissing waarbij de maatregel wordt beëindigd, in kracht van gewijsde gaat, of de rechter de maatregel vervangt door een andere.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Verzekering van een vordering

Een maatregel ter verzekering van een vordering kan op gemotiveerd verzoek van een partij worden beëindigd door de rechtbank die de maatregel heeft opgelegd of de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak.

Tegen een beslissing tot vervanging van een maatregel ter verzekering van een vordering door een andere maatregel of een beslissing tot afwijzing van een verzoek om verzekering van een vordering of om beëindiging van een maatregel tot verzekering van een vordering, kan binnen tien dagen een bezwaarschrift (blakus sūdzība) worden ingediend.

Wanneer een verzoek om verzekering van een vordering wordt ingewilligd, kan tegen het gedeelte van de beslissing waarin van de eiser het stellen van een zekerheid wordt verlangd voor eventuele als gevolg van de maatregel te lijden schade, een bezwaarschrift worden ingediend.

Wanneer een beslissing op een verzoek om verzekering van een vordering is gegeven in afwezigheid van een belanghebbende partij, gaat de termijn van tien dagen voor het indienen van een bezwaarschrift in op de dag dat de beslissing aan die partij wordt betekend.

Voorlopige beschermingsmaatregelen

Voorlopige beschermingsmaatregelen kunnen op verzoek van een belanghebbende partij worden beëindigd door de rechter die de maatregel heeft opgelegd.

Tegen een beslissing op een verzoek van de eiser tot vervanging van een eerder opgelegde voorlopige beschermingsmaatregel door een andere of een beslissing tot afwijzing van een verzoek om een voorlopige beschermingsmaatregel of om beëindiging van een voorlopige beschermingsmaatregel, kan een bezwaarschrift worden ingediend.

Wanneer een beslissing tot het opleggen van een voorlopige beschermingsmaatregel is gegeven in afwezigheid van een belanghebbende partij, gaat de termijn van tien dagen voor het indienen van een bezwaarschrift in op de dag dat de beslissing aan die partij wordt betekend.

Bewijsbeslag

Een beslissing tot toewijzing van een verzoek om beslag te leggen op bewijs is niet vatbaar voor beroep. In de volgende gevallen kan de verweerder wel verzoeken om vergoeding van door het bewijsbeslag geleden schade:

  • het beslag is gelegd voordat een vordering aanhangig werd gemaakt en daarna is binnen de door de rechter gestelde termijn geen vordering ingesteld;
  • de vordering is verworpen;
  • de vordering is niet behandeld;
  • de procedure is beëindigd omdat de vordering werd ingesteld door een persoon die daar niet het recht toe had of omdat de vordering werd ingetrokken.

Tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om beslag te leggen op bewijs of een beslissing die is gegeven zonder dat de partijen zijn gedagvaard, kan een bezwaarschrift worden ingediend. Wanneer een beslissing tot bewijsbeslag in afwezigheid van een belanghebbende partij is gegeven, gaat de termijn van tien dagen voor het indienen van een bezwaarschrift in op de dag dat die beslissing aan die partij is betekend of verzonden.

Voorlopige beschermingsmaatregel tegen geweld

Een voorlopige beschermingsmaatregel tegen geweld kan op gemotiveerd verzoek van een partij worden vervangen door een andere maatregel door de rechtbank die de maatregel heeft opgelegd of de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak.

Een voorlopige beschermingsmaatregel tegen geweld kan op gemotiveerd verzoek worden beëindigd door de rechtbank die de maatregel heeft opgelegd of de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak.

Tegen een beslissing tot vervanging van een voorlopige beschermingsmaatregel tegen geweld door een andere maatregel of een beslissing tot afwijzing van een verzoek om een voorlopige beschermingsmaatregel tegen geweld of om beëindiging van een voorlopige beschermingsmaatregel tegen geweld, kan binnen tien dagen een bezwaarschrift worden ingediend. Wanneer de beslissing is gegeven in afwezigheid van een belanghebbende partij, gaat de termijn van tien dagen voor het indienen van een bezwaarschrift in op de dag dat de beslissing aan die partij wordt betekend.

Laatste update: 24/03/2022

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Litouwen

1 De verschillende soorten maatregelen

Artikel 145 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorziet in verschillende typen voorlopige maatregelen. Voorlopige maatregelen kunnen bestaan in:

  1. beslag op de onroerende goederen van de verweerder;
  2. de registratie in het openbare register van het verbod op eigendomsoverdracht;
  3. beslag op roerende goederen, geld of eigendomsrechten van de verweerder die in het bezit zijn van de verweerder of van derden;
  4. de verbeurdverklaring van voorwerpen van de verweerder;
  5. de benoeming van een bewindvoerder voor het vermogen van de verweerder;
  6. het verbod voor de verweerder om deel te nemen aan bepaalde transacties of om bepaalde handelingen uit te voeren;
  7. het verbod voor andere personen om goederen aan de verweerder over te dragen of om andere verplichtingen te voldoen;
  8. in uitzonderlijke gevallen het verbod voor de verweerder om zijn permanente verblijfplaats te verlaten en (of) het verbod om een kind de permanente woonplaats te laten verlaten zonder toestemming van de rechtbank;
  9. de opschorting van de tegeldemaking van activa wanneer er een rechtsvordering is ingediend voor de opheffing van het beslag op deze activa;
  10. aanhouding tijdens doorzoeking;
  11. de beslissing van tijdelijke bewaring van materiaal of het opleggen van tijdelijke beperkingen;
  12. de plicht om te zorgen dat schade wordt voorkomen of dat de gevolgen ervan worden beperkt;
  13. overige maatregelen waarin de wet voorziet of die door de rechtbank worden bevolen en waarvan de niet-naleving de uitvoering van de rechterlijke beslissing in gevaar kan brengen of kan leiden tot het niet uitvoeren van de beslissing de rechtbank.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

Op verzoek van de partijen bij het geding of andere betrokken personen kan de rechtbank voorlopige maatregelen opleggen als de betrokkenen hun rechtsvordering kunnen rechtvaardigen en indien de niet-naleving van die maatregelen de uitvoering van de rechterlijke beslissing in gevaar kan brengen of kan leiden tot het niet uitvoeren van de beslissing van de rechtbank.

De rechtbank kan alleen op eigen initiatief voorlopige maatregelen bevelen in gevallen waarin het nodig is om het openbare belang te beschermen en als de afwezigheid van die maatregelen zou leiden tot een inbreuk op de persoon, de samenleving, de rechten van de staat en rechtmatige belangen.

De voorlopige maatregelen kunnen worden toegepast als er geen vordering is en tijdens de gehele civiele procedure.

2.1 De procedure

De verzoeken voor voorlopige maatregelen worden onderzocht door de rechtbank van eerste aanleg of, in de gevallen die worden genoemd in de De link wordt in een nieuw venster geopend.Wet betreffende handelsarbitrage, door de rechtbank van Vilnius. Wanneer een verzoek om voorlopige maatregelen bij een rechtsvordering is gevoegd, wordt dit verzoek pas behandeld na toelating van de vordering waarbij het is gevoegd. De rechtbank onderzoekt het verzoek om voorlopige maatregelen onmiddellijk via een schriftelijke procedure en uiterlijk binnen drie werkdagen na ontvangst van het verzoek. Wanneer de rechtbank dit nodig vindt, wordt het onderzoek van het verzoek om voorlopige maatregelen aan de verweerder medegedeeld.

De partijen in het geding mogen verzoeken om voorlopige maatregelen indienen bij het hof van beroep en het hof van cassatie indien daar een bodemgeschil aanhangig is gemaakt.

De rechtbank kan voorlopige maatregelen opleggen op basis van een schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de desbetreffende partij totdat de rechtsvordering bij de rechtbank wordt ingesteld. Bij indiening van het verzoek moet de eiser de redenen specificeren waarom de rechtsvordering niet bij dit verzoek is gevoegd, bewijs verstrekken van de dreiging ten opzichte van de belangen van de eiser en een aanbetaling doen die gelijk is aan de helft van het zegelrecht (100 litas) voor het verzoek om voorlopige maatregelen. Bij het verzoek om toepassing van voorlopige maatregelen in verband met zaken die worden onderzocht in het kader van een nationale of internationale arbitrage of door internationale rechtbanken wordt een borgsom van 1000 litas gevraagd. De eiser kan vragen dat het bedrag van de borgsom wordt verlaagd wanneer hij kan bewijzen dat hij in een lastige financiële situatie zit. Na toepassing van de voorlopige maatregelen bepaalt de rechtbank een termijn waarbinnen de vordering moet worden ingediend. Deze termijn is niet langer dan veertien dagen. Als de vordering moet worden ingediend bij een buitenlandse rechtbank mag de termijn niet langer zijn dan 30 dagen. Als de vordering niet is ingediend binnen de termijnen die zijn gespecificeerd door de rechtbank, worden de voorlopige maatregelen opgeheven. Wanneer de vordering niet is ingesteld door de fout van de betrokken partij, wordt de borgsom niet terugbetaald.

De verzoeken om voorlopige maatregelen moeten worden ingediend bij de rechtbank die, in overeenstemming met de regels van bevoegdheid, kennis neemt van de overeenkomstige rechtsvordering. De verzoeken om voorlopige maatregelen in verband met zaken die worden onderzocht in het kader van een nationale of internationale arbitrage of door internationale rechtbanken worden overgedragen aan de regionale rechtbank van Vilnius.

Op het met redenen omklede verzoek van partijen bij het geding of andere betrokken personen kan de rechtbank een voorlopige maatregel vervangen door een andere. De rechtbank moet de vervanging van een voorlopige maatregel door een andere bekend maken aan de partijen bij het geding en aan de andere betrokken personen. De genoemde partijen en andere betrokken personen hebben het recht om hier bezwaar tegen te maken.

De rechtbank kan afzien van de voorlopige maatregelen als de verweerder het geëiste bedrag betaalt of als de verweerder waarborgen heeft. Daarnaast mag de verweerder zijn goederen verpanden ten gunste van de civiele partij.

2.2 De basisvereisten

(Zie punt 2.)

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

De voorlopige maatregelen kunnen betrekking hebben op onroerende goederen, roerende voorwerpen, fondsen en eigendomsrechten.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

De niet-naleving van de voorlopige maatregelen kan de uitvoering van de uitspraak in gevaar brengen of kan leiden tot het niet uitvoeren van de uitspraak van de rechtbank. In de gevallen dat de eigendomsrechten van een voorwerp dat bij een gemeenschappelijk eigendom hoort tijdelijk beperkt worden, mag er alleen beslag worden gelegd op de goederen die van de persoon zijn die het doel is van de voorlopige maatregelen. Als de persoonlijke goederen niet bepaald zijn en in afwachting van de bepaling van de persoonlijke goederen in het gemeenschappelijke eigendom, mag er beslag worden gelegd op alle goederen.

Na beslaglegging op fondsen op bankrekeningen en andere rekeningen voor het vestigen van krediet, zijn alleen die transacties toegestaan waarvoor de rechtbank opdracht geeft.

In gevallen dat er beslag wordt gelegd op circulerende handelswaren, grondstoffen, halffabricaten of eindproducten heeft de eigenaar het recht om de vorm en structuur ervan te wijzigen op voorwaarde dat de algemene waarde ervan niet afneemt en dat de beslissing van de rechtbank daarover niets anders bepaalt.

De persoon wiens goederen in beslag zijn genomen, wordt verantwoordelijk gehouden voor inbreuk op de opgelegde beperkingen vanaf het moment dat de beslissing tot beslag aan hem is betekend. Wanneer een kennisgeving niet mogelijk is en als er een beslissing tot voorlopige maatregelen wordt gegeven in afwezigheid van deze persoon, wordt deze verantwoordelijk gehouden vanaf het moment van inschrijving van de uitspraak in het register voor goederenbeslag.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Als de rechtbank de rechtsvordering verwerpt, blijven de voorlopige maatregelen van kracht totdat de uitspraak van de rechtbank van kracht wordt. De rechtbank bepaalt bij beslissing een termijn voor de voorlopige maatregelen.

Als de rechtsvordering wordt aanvaard, blijven de opgelegde voorlopige maatregelen van kracht tot het moment van uitvoering van de rechterlijke beslissing. Na uitvoering van de gerechtelijke uitspraak maakt de gerechtsdeurwaarder aan het overeenkomstige openbare register bekend dat de voorlopige maatregelen zijn beëindigd.

Wanneer er beslag wordt gelegd op roerende goederen die niet kunnen worden geregistreerd in het goederenregister of als de hoeveelheid en aard van de goederen van de verweerder niet bekend zijn bij de rechtbank op de dag dat deze de beschikking verstrekt, moet de persoon die heeft verzocht om de voorlopige maatregelen contact opnemen met de deurwaarder om het eigendom van de verweerder te vinden en te beschrijven. Als er geen contact wordt opgenomen met de deurwaarder en als de gegevens van de in beslag genomen goederen niet worden gespecificeerd, worden de voorlopige maatregelen beëindigd na veertien dagen na de datum van beschikking van de voorlopige maatregelen. Op verzoek van de partijen bij het proces en overige betrokken personen kunnen de voorlopige maatregelen nietig worden verklaard door de rechtbank waar de zaak aanhangig is gemaakt.

De rechtbank kan de voorlopige maatregelen op eigen initiatief intrekken wanneer de persoon die daarom heeft verzocht geen vordering heeft ingediend binnen de door de rechtbank gespecificeerde termijn. Het is niet mogelijk om afzonderlijk beroep in te stellen tegen deze beslissing. De rechtbank kan ook op eigen initiatief voorlopige maatregelen intrekken in gevallen waar het nodig is om het openbare belang te beschermen en als de afwezigheid van die maatregelen inbreuk maakt op personen, de samenleving, de rechten van de staat en rechtmatige belangen.

Wanneer de voorlopige maatregelen die de rechtbank heeft opgelegd, de rechten van personen die niet deelnemen aan het geding belemmeren, beperken of aantasten, hebben deze personen het recht om te verzoeken om nietigverklaring van de voorlopige maatregelen bij de rechtbank waar de zaak aanhangig is gemaakt.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

De partijen bij het proces mogen bij een hogere rechter beroep instellen tegen elke beslissing ten aanzien van de voorlopige maatregelen die zijn opgelegd in eerste aanleg, met uitzondering van bepaalde gevallen die zijn bepaald in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Derden bij het geding kunnen alleen afzonderlijk beroep instellen voor uitspraken in eerste aanleg die een weigering inhouden om in te gaan op hun verzoek van nietigverklaring van voorlopige maatregelen. Het indienen van een afzonderlijk beroep schort het geding niet op.

Over gerechtelijke beschikkingen ten aanzien van voorlopige maatregelen mag geen verzoek in cassatie worden ingediend.

Laatste update: 21/10/2019

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Luxemburg

1 De verschillende soorten maatregelen

Het Luxemburgse recht kent verschillende soorten maatregelen die erop gericht zijn de rechten van partijen veilig te stellen in afwachting van de afloop van een bodemprocedure waarin een definitieve uitspraak ter zake van de vorderingen zal worden gegeven.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • maatregelen die door de rechter worden genomen zonder behandeling op tegenspraak. In dat geval wordt de rechter eenzijdig door een partij verzocht om toepassing van een voorlopige of bewarende maatregel, en de rechter doet dan uitspraak op basis van de door deze partij overgelegde stukken;
  • maatregelen die door de rechter worden genomen na behandeling op tegenspraak. In dat geval doet de rechter pas uitspraak nadat er een openbare zitting heeft plaatsgevonden (of soms een zitting in raadkamer) tijdens welke zitting partijen de mogelijkheid hebben hun standpunt toe te lichten. Partijen worden voor deze zitting opgeroepen door middel van een dagvaarding (deurwaardersexploot) of door middel van een oproeping van de griffier, afhankelijk van de in de wet voorgeschreven procedurele vereisten.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

In alle spoedeisende gevallen kan de kortgedingrechter in kort geding alle maatregelen opleggen die niet op enige ernstige betwisting stuiten of die door het bestaan van een geschil gerechtvaardigd zijn.

Hij kan eveneens uitspraak doen over de moeilijkheden met betrekking tot de tenuitvoerlegging van zijn eigen beschikkingen.

Hij kan in kort geding eveneens de bewarende maatregelen of maatregelen ter herstel opleggen die nodig zijn om hetzij een dreigende schade te voorkomen, hetzij een klaarblijkelijk onwettige stoornis in het bezit te doen stoppen.

2.1 De procedure

Een vordering in kort geding wordt door dagvaarding op een zitting gebracht op de dag en het uur dat voor kortgedingzittingen gebruikelijk is.

In spoedeisende zaken kan de president of de rechter die hem vervangt, echter toelaten ter zitting of te zijnen huize te dagvaarden op het bepaalde uur, zelfs op feestdagen of op doorgaans niet-werkdagen.

In spoedeisende gevallen kan de president van de arrondissementsrechtbank of de rechter die hem vervangt, in kort geding alle maatregelen opleggen die niet op enige ernstige betwisting stuiten of die door het bestaan van een geschil gerechtvaardigd zijn. Hij kan eveneens uitspraak doen over de moeilijkheden met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een vonnis of een andere executoriale titel. Indien het kort geding betrekking heeft op moeilijkheden betreffende de tenuitvoerlegging van een titel of een vonnis, is de rechter van de plaats waar de tenuitvoerlegging wordt vervolgd, bevoegd.

De president of de rechter die hem vervangt, kan in kort geding de bewarende maatregelen of maatregelen ter herstel opleggen die nodig zijn om hetzij een dreigende schade te voorkomen, hetzij een klaarblijkelijk onwettige stoornis in het bezit te doen stoppen. Om de integriteit van de bewijzen te waarborgen, kan hij elke nuttige maatregel van instructie opleggen, met inbegrip van het horen van getuigen.

Er bestaat een groot aantal specifieke wettelijke bepalingen waarin de toepasselijke voorlopige of bewarende maatregelen op bepaalde gebieden worden omschreven (bv. inzake huur, onverdeelde boedel, gemeenschappelijke eigendom, successie, huwelijksgoederengemeenschap enz.). De competentieregels blijken doorgaans specifiek uit de wettekst op grond waarvan de rechter een voorlopige maatregel kan opleggen. Er bestaat geen algemene competentieregel, zij het dat gewoonlijk de bevoegdheid voor het opleggen van voorlopige maatregelen wordt toegekend aan de president van de rechtbank die ook uitspraak doet in de bodemprocedure.

Wanneer er geen speciale procedure is voorgeschreven, moet de partij die een voorlopige maatregel wenst te laten opleggen, zich tot de kortgedingrechter wenden. Afhankelijk van het belang van de zaak is dat de vrederechter (juge de paix) (tot 15 000 EUR) of de kortgedingrechter in de rechtbank van het desbetreffende arrondissement. Deze rechters hebben een algemene bevoegdheid om bewarende maatregelen of maatregelen ter herstel op te leggen die nodig zijn om hetzij een dreigende schade te voorkomen, hetzij een klaarblijkelijk onwettige stoornis in het bezit te doen stoppen.

In het algemeen is de bijstand van een advocaat niet verplicht.

2.2 De basisvereisten

De rechter zal over het algemeen deze maatregelen pas opleggen indien er sprake is van een noodzaak of een spoedeisend belang, hetgeen ter beoordeling van de rechter is.

Indien een schuldeiser verzoekt om toestemming voor beslaglegging, moet de rechter, op basis van de aan hem overgelegde stukken en gegeven toelichting, verifiëren of de schuldvordering hem in beginsel gegrond lijkt te zijn.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Voorlopige maatregelen kunnen betrekking hebben op alle roerende zaken van een persoon. Slechts bepaalde zaken die in het dagelijkse leven onmisbaar zijn, zijn volgens de wet niet vatbaar voor beslag. Zie ook het infoblad “Procedures voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen – Luxemburg”.

Op grond van de Luxemburgse wet kan conservatoir beslag worden gelegd op het salaris en de beloning van een persoon en zelfs op vervangende inkomsten (pensioenen, renten enz.). Een deel van het inkomen, zijnde het bedrag dat onmisbaar wordt geacht om in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien, is evenwel niet vatbaar voor beslag.

Het is daarentegen niet mogelijk conservatoir beslag te laten leggen op onroerende goederen. Beslag op onroerende goederen is slechts mogelijk op grond van een rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

In de meeste gevallen is het aan de rechter zelf om de gevolgen te bepalen van de maatregel ter zake waarvan hij een beslissing moet nemen. Zo kan hij de gevolgen van zijn beschikking in de tijd beperken of bepalen dat de maatregel slechts op bepaalde goederen of handelingen betrekking heeft.

Ingeval door de rechter toestemming is gegeven voor beslaglegging op basis van een eenzijdig verzoek van een partij, schrijft de wet vaste termijnen voor waarbinnen een verzoek tot bekrachtiging bij de rechter moet worden ingediend. Indien binnen die termijn niet om bekrachtiging is verzocht, wordt het beslag van rechtswege nietig.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Men spreekt van voorlopige maatregelen indien de wet de rechter de mogelijkheid biedt een tijdelijke regeling te treffen in geval van een geschil tussen verschillende partijen, in afwachting van een definitieve oplossing in het kader van de bodemprocedure.

Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie gaat het om “maatregelen die worden genomen teneinde de rechten veilig te stellen ter zake waarvan daarnaast aan de rechter in de bodemprocedure om erkenning is verzocht, waarbij de alsdan bestaande feitelijke en juridische status blijft gehandhaafd”.

Het gaat eveneens om maatregelen die worden genomen om een bepaalde situatie niet te laten verslechteren.

In de praktijk geven deze maatregelen een schuldeiser de mogelijkheid zich te wapenen tegen het risico van het onbetaald blijven van vorderingen, waarbij twee wegen kunnen worden bewandeld: enerzijds kunnen de goederen van de schuldenaar onvervreemdbaar worden verklaard, anderzijds kan er op die goederen een zekerheid worden gevestigd, hetgeen de schuldeiser een volgrecht (droit de suite) geeft wanneer deze goederen in andere handen komen.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Tegen een door de kortgedingrechter gegeven beschikking op tegenspraak staat hoger beroep open. Er moet evenwel reeds hoger beroep worden ingesteld binnen 15 dagen na betekening van de beschikking.

Tegen een door de rechter op eenzijdig verzoek gegeven beslissing staat echter geen hoger beroep open. De partij die van mening is dat een dergelijke maatregel ten onrechte is genomen, heeft evenwel de mogelijkheid zich tot de kortgedingrechter te wenden met het verzoek een nieuwe bewarende maatregel op te leggen, waarbij de gevolgen van de maatregel die de rechter heeft genomen op basis van door één partij verstrekte gegevens, worden opgeschort.

Links

De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.legilux.lu/

Laatste update: 04/04/2022

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Hongarije

1 De verschillende soorten maatregelen

Wet CXXX van 2016 betreffende het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorziet in twee soorten wettelijke maatregelen om zeker te stellen dat een betwiste vordering ten uitvoer kan worden gelegd als ze door de rechter wordt toegewezen: de voorlopige maatregel en de voorlopige tenuitvoerlegging (of tenuitvoerlegging bij voorraad), die bescherming bieden totdat de rechter zijn definitieve beslissing geeft. De conservatoire maatregel waarin Wet LIII van 1994 betreffende tenuitvoerlegging voorziet, is ook beschikbaar.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

De rechter kan om een voorlopige maatregel worden verzocht tijdens de procedure en voordat het inleidende verzoekschrift is ingediend. De rechter beoordeelt een verzoek om een voorlopige maatregel als de voorbereidingsfase van de procedure kan worden uitgevoerd op basis van het inleidende verzoekschrift. De rechter moet de beslissing over een verzoek om een voorlopige maatregel als een urgente kwestie behandelen en onmiddellijk, uiterlijk binnen acht dagen, maatregelen nemen. Bij het nemen van de beslissing moet de rechter overwegen of de wederpartij meer nadeel van de maatregelen zou ondervinden dan het nadeel dat de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt, anders zou ondervinden. Ook moet de rechter rekening houden met de mogelijkheid dat er een zekerheid moet worden gesteld. De rechter geeft de wederpartij de mogelijkheid te reageren op het verzoek om een voorlopige maatregel en nodigt de partijen uit hun standpunt ten aanzien van het verzoek te delen op de manier die hij het meest geschikt acht. Hij kan besluiten de partijen te horen als hij dit nodig acht om het verzoek te kunnen beoordelen, met name wanneer hij moet beslissen over een zekerheidstelling. Partijen die verzuimen op de vastgestelde datum voor de rechter te verschijnen, kunnen geen uitstel aanvragen. Bij de beslissing over de voorlopige maatregel is bewijsverkrijging alleen toegestaan als de rechter het verzoek zonder dat bewijs niet inhoudelijk kan beoordelen. Tijdens de voorbereidingsfase van de procedure kan de rechter ook al het nodige bewijs verkrijgen. De rechter beslist op het verzoek om een voorlopige maatregel bij rechterlijk bevel, waartegen apart beroep kan worden ingesteld. Op verzoek kan de rechter het bevel ook wijzigen. Het bevel inzake de voorlopige maatregel is bij voorraad uitvoerbaar. Tenzij de rechter anders heeft bepaald, begint de termijn voor naleving van het bevel op de dag nadat het schriftelijk kenbaar is gemaakt. Het bevel blijft van kracht totdat het door de rechter wordt vernietigd door middel van een bevel dat wordt vastgesteld op verzoek van een van de partijen en nadat de andere partij is gehoord, of in een vonnis of andere beslissing waarmee de procedure wordt afgesloten. Wanneer de voorlopige maatregel niet in het vonnis of de beslissing van de rechtbank waarmee de procedure wordt afgesloten, wordt vernietigd, treedt hij buiten werking op het moment dat de beslissing in eerste aanleg in kracht van gewijsde gaat. De voorlopige maatregel komt te vervallen als de procedure wordt beëindigd of wordt stopgezet na een schorsing. De rechter moet dit vaststellen in zijn bevel tot beëindiging van de procedure of tot vaststelling van de beëindiging van de procedure. Het effect van de voorlopige maatregel wordt niet beïnvloed door de onderbreking of schorsing van de procedure.

Een verzoek om een voorlopige maatregel kan worden ingediend vóór het inleidende verzoekschrift als de verzoeker aantoont dat de vertraging die indiening van het verzoek na het begin van de procedure zou veroorzaken, het doel van de voorlopige maatregel waarschijnlijk teniet zou doen. Een verzoek om een voorlopige maatregel moet worden ingediend bij de rechtbank die bevoegd is voor de procedure. Als er meerdere rechtbanken met territoriale bevoegdheid over de procedure zijn, kan het verzoek bij elk van deze rechtbanken worden ingediend. De gekozen rechtbank is exclusief bevoegd voor de procedure die wordt ingeleid. De algemene voorschriften voor burgerlijke rechtsvordering gelden voor verplichte juridische vertegenwoordiging tijdens de procedure. De rechter behandelt het verzoek om een voorlopige maatregel als een prioriteitskwestie. In zijn beslissing om een voorlopige maatregel in te stellen, stelt de rechter een termijn waarbinnen de procedure moet worden ingeleid, die niet langer dan 45 dagen mag duren na de kennisgeving van de beslissing. Als de procedure niet binnen de door de rechter gestelde termijn wordt ingeleid, of als de verzoeker niet binnen acht dagen na het verstrijken van de termijn aan de rechter die de voorlopige maatregel heeft ingesteld, bewijst dat de procedure is ingeleid, vervalt de voorlopige maatregel bij rechterlijke uitspraak op de eerste dag na het verstrijken van de termijn voor het inleiden van de procedure. Wanneer de procedure wordt ingeleid, blijft een vóór de indiening van het inleidende verzoekschrift ingestelde voorlopige maatregel van kracht totdat deze wordt vernietigd of, in voorkomend geval, totdat de beslissing in eerste aanleg in kracht van gewijsde gaat. Als het inleidende verzoekschrift binnen de gestelde termijn wordt ingediend, maar door de rechter wordt afgewezen, blijft de voorlopige maatregel van kracht totdat de rechtsgevolgen van het inleiden van de procedure komen te vervallen.

De rechtbank van eerste aanleg kan in haar beslissing aangeven dat deze uitvoerbaar bij voorraad is.

De rechter behandelt verzoeken om een conservatoire maatregel als een spoedeisende kwestie – binnen acht dagen – en stuurt het bevelschrift betreffende de maatregel onverwijld naar de gerechtsdeurwaarder, die onmiddellijk met de tenuitvoerlegging begint. Een beroep tegen een conservatoire maatregel heeft geen opschortende werking.

Als conservatoire maatregel kan ook een Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen worden ingesteld, zelfs voordat de schuldeiser de procedure inzake het bodemgeschil inleidt. In dat geval moet de procedure inzake het bodemgeschil wel binnen korte tijd worden ingeleid.

2.2 De basisvereisten

Op verzoek kan de rechtbank een voorlopige maatregel instellen om verandering van de huidige situatie te voorkomen als het daarna onmogelijk zou zijn de oorspronkelijke situatie te herstellen, of om te voorkomen dat de verzoeker zijn/haar rechten vervolgens niet kan uitoefenen, of om eventueel imminent nadeel voor de verzoeker af te wenden, of om enige andere reden die bijzondere overweging behoeft. De voorlopige maatregel kan een verplichting met zich meebrengen om een handeling uit te voeren die de verzoeker zou mogen eisen op grond van het recht dat in de procedure ten uitvoer wordt gelegd. Wanneer aan de bovenstaande voorwaarden is voldaan, kan een verzoek om een voorlopige maatregel worden ingediend vóór het inleidende verzoekschrift als de verzoeker aantoont dat de vertraging die indiening van het verzoek na het begin van de procedure zou veroorzaken, het doel van de voorlopige maatregel waarschijnlijk teniet zou doen. In het verzoek om een voorlopige maatregel moet worden verwezen naar de vervulling van de voorwaarde waarop de maatregel is gebaseerd, en moet het ondersteunende bewijs daarvoor worden gepresenteerd en onderbouwd. De verzoeker moet de inhoud van de beoogde maatregelen nauwkeurig beschrijven. Als het verzoek om een voorlopige maatregel wordt ingediend vóór het inleidende verzoekschrift, moet de verzoeker ook de gegevens aanleveren die nodig zijn om te bepalen welke rechtbank bevoegd is voor de in te leiden procedure. Ook moet het recht dat in de procedure ten uitvoer moet worden gelegd, worden gespecificeerd. De rechtbank maakt de voorlopige maatregel onderhevig aan een zekerheidstelling als de kans groot lijkt dat de wederpartij dusdanig nadeel zal ondervinden van de beoogde maatregelen dat dit een schadevordering of restitutie tegen de verzoeker tot gevolg zal hebben als de wederpartij de zaak wint. Bij de beslissing over de zekerheidstelling moet de rechter rekening houden met de mate van waarschijnlijkheid van de ondersteunende feiten in het verzoek. Als het nadeel niet significant is, dient de rechter geen zekerheidstelling te eisen. In twee gevallen gebeurt dit wel: ten eerste wanneer de wederpartij hierom verzoekt en kan aantonen dat hij waarschijnlijk een nadeel ondervindt dat overeenkomt met de gevraagde zekerheid; ten tweede wanneer dit door de verzoeker wordt aangeboden en door de wederpartij wordt aanvaard. In het eerste geval komt de hoogte van de zekerheid overeen met het door de wederpartij aangegeven verwachte nadeel. In het tweede geval gaat het om het door de verzoeker aangeboden en door de wederpartij aanvaarde bedrag. Als de verzoeker een specifiek bedrag als zekerheid aanbiedt, nodigt de rechter de wederpartij uit dit in een afzonderlijke verklaring zo spoedig mogelijk te aanvaarden. Aanvaarding van het bedrag van de zekerheid staat niet gelijk aan erkenning van de feiten die zijn gepresenteerd als grond voor de voorlopige maatregel. Een zekerheidstelling houdt in het bij de rechtbank in bewaring geven van geld, effecten, geldsubstituten of, in geval van een bankgarantie, een garantieverklaring. Een beslissing moet ongeacht een beroep uitvoerbaar worden verklaard als er een van de volgende verplichtingen mee wordt opgelegd: een alimentatiebetaling, lijfrente of andere periodieke dienst met een dergelijk doel; de beëindiging van een overtreding; de betaling van een door de verweerder aanvaarde vordering; de betaling van geld op basis van een verplichting uit hoofde van een openbare akte of onderhandse akte met volledige bewijskracht, als de onderliggende omstandigheden door die akte worden bewezen; en overige niet-geldelijke verplichtingen, als de eiser onevenredig ernstige of lastig te bepalen schade zou ondervinden van vertraagde uitvoering en voldoende zekerheid heeft gesteld. De rechter kan besluiten een verzoek om voorlopige tenuitvoerlegging af te wijzen wanneer de last die de verweerder van tenuitvoerlegging van de maatregel zou ondervinden, niet in verhouding staat tot de last die de eiser van het niet toewijzen van de maatregel zou ondervinden. Een verzoek daartoe moet door de verweerder worden ingediend voordat de zitting wordt gesloten. Als de omstandigheden het toelaten, kan de rechter de beslissing ook gedeeltelijk uitvoerbaar verklaren. In uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen kan de rechter uitvoerbaarverklaring bij voorraad weigeren voor elementen van de beslissing die op het moment dat de beslissing wordt gegeven, niet meer relevant zijn. Uitvoering bij voorraad dekt de kosten van de procedure, onbetaalde procedurele kosten en door de staat voorgeschoten kosten niet.

Indien van de rechter nog geen executoriale titel kan worden verkregen maar de partij die om uitvoering van een vordering verzoekt, aannemelijk kan maken dat het risico bestaat dat de vordering later niet meer kan worden uitgevoerd, kan de rechter op verzoek van die partij het verschuldigde bedrag zeker laten stellen of beslag laten leggen op bepaalde eigendommen, in de vorm van een conservatoire maatregel. De rechter kan bijvoorbeeld een conservatoire maatregel treffen wanneer de vordering afhankelijk is van een beslissing op basis waarvan het uitvoeringsdocument kan worden uitgereikt, maar de betreffende beslissing nog niet in kracht van gewijsde is gegaan en ook niet bij voorraad uitvoerbaar is, of wel in kracht van gewijsde is gegaan maar de termijn voor de uitvoering ervan nog niet is verstreken. Conservatoire maatregelen kunnen ook worden getroffen in verband met vorderingen die bij een nationale rechter aanhangig zijn gemaakt via een verzoekschrift op basis van de wetgeving inzake huwelijkse gemeenschap of octrooibescherming, gebruiksmodellen, topografieën van halfgeleiderproducten, plantensoorten, handelsmerken, geografische aanduidingen en ontwerpen, of aanvullende beschermingscertificaten, of de bescherming van auteursrecht, of op grond van de artikelen 4 en 6 van Wet LVII van 1996 betreffende het verbod op oneerlijke en beperkende marktpraktijken, overeenkomstig de criteria uit de toepasselijke wetgeving, of een verzoekschrift op andere gronden en waarbij de oorsprong, waarde en vervaldag van de vordering blijken uit een tegelijkertijd met het verzoekschrift ingediende authentieke akte met volledige bewijskracht.

Als conservatoire maatregel kan ook een Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen worden ingesteld, in de vorm die is beschreven in de uitvoeringsverordening van de Commissie.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Bij een voorlopige maatregel gelast de rechter de tenuitvoerlegging van een vordering of verzoek om een voorlopige maatregel. De maatregel kan betrekking hebben op elke vordering of zaak die in het verzoekschrift is omschreven. Wanneer geen gevolg wordt gegeven aan het bevel, vindt gedwongen tenuitvoerlegging plaats. Vanaf dit punt worden van uitvoeringsmaatregelen uitgesloten eigendommen bepaald op basis van de wetgeving inzake tenuitvoerlegging.

Voorlopige tenuitvoerlegging betekent de tenuitvoerlegging van een nog niet in kracht van gewijsde gegane beslissing van een rechtbank van eerste aanleg. Elke zaak van de verweerder kan voorwerp van tenuitvoerlegging zijn, tenzij de betreffende zaak op grond van de wetgeving inzake tenuitvoerlegging is vrijgesteld.

Bij een conservatoire maatregel kan de rechter beslag laten leggen op bepaalde eigendommen of financiële zekerheidstelling gelasten. Wanneer de rechter een zekerheidstelling voor een vordering gelast, zal de gerechtsdeurwaarder het daartoe strekkende bevel ter plaatse aan de schuldenaar uitreiken en hem of haar tegelijkertijd sommeren het betreffende bedrag onmiddellijk en rechtstreeks aan hem te betalen. Indien de schuldenaar daar geen gevolg aan geeft, kan de gerechtsdeurwaarder willekeurig welk goed van de schuldenaar in beslag nemen en diens rekeningsaldo blokkeren. Op salaris en uitkeringen kan echter alleen beslag worden gelegd als de schuldenaar geen ander eigendom heeft waarop beslag kan worden gelegd ter verzekering van de geldvordering. Een rechterlijk beslag kan zich uitstrekken tot elke zaak van waarde.

In een procedure voor afgifte van een Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen kan een verzoek worden ingediend om informatie over rekeningen te verkrijgen, op basis waarvan de bevoegde autoriteit probeert de gegevens van de rekeningen van de schuldenaar te verkrijgen van de leveranciers van de betalingsdiensten die deze rekeningen beheren.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Bij een voorlopige maatregel en een voorlopige tenuitvoerlegging moet de schuldenaar gevolg geven aan het bevel van de rechter. Op basis van het rechterlijk bevel kan een tenuitvoerleggingsprocedure tegen de schuldenaar worden gestart.

Er zijn twee soorten conservatoire maatregelen met verschillende gevolgen. Bij maatregelen voor de financiële zekerstelling van een vordering moet de schuldenaar een bepaald bedrag aan de gerechtsdeurwaarder overhandigen. Wanneer de schuldenaar dit verzuimt, kan de gerechtsdeurwaarder beslag leggen op willekeurig welke zaak of het rekeningsaldo van de schuldenaar blokkeren voor zover noodzakelijk ter dekking van de vordering. Door de gerechtsdeurwaarder of anderszins in de loop van de procedure geïnde bedragen worden niet ter beschikking gesteld van de partij die om de tenuitvoerlegging heeft verzocht, maar door de gerechtelijke instantie in deposito gehouden. Wanneer op een zaak beslag wordt gelegd, mag de schuldenaar deze blijven gebruiken – tenzij het een fysiek beslag is – maar hij mag de zaak niet vervreemden. Daarnaast kunnen zaken ook officieel worden vastgehouden. In dat geval worden ze door de gerechtsdeurwaarder achter slot en grendel bewaard of worden ze beheerd door een ambtenaar van de rechtbank.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Een rechterlijk bevel voor een voorlopige maatregel blijft van kracht totdat het wordt vernietigd of, in voorkomend geval, totdat de beslissing in eerste aanleg in kracht van gewijsde gaat. De voorlopige maatregel komt te vervallen als de procedure wordt beëindigd of wordt stopgezet na een schorsing. De rechter moet dit vaststellen in zijn bevel tot beëindiging van de procedure of tot vaststelling van de beëindiging van de procedure. Het effect van de voorlopige maatregel wordt niet beïnvloed door de onderbreking of schorsing van de procedure.

Voorlopige tenuitvoerlegging betekent de tenuitvoerlegging van een nog niet in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing, ongeacht of beroep wordt ingesteld. Deze maatregel is derhalve niet aan een termijn gebonden.

Een conservatoire maatregel blijft van kracht totdat een bevel tot tenuitvoerlegging van de vordering is uitgevaardigd of de rechter de maatregel beëindigt.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Het is mogelijk om een afzonderlijk beroep tegen een voorlopige maatregel in te stellen. Op deze beroepen zijn de algemene voorschriften van toepassing. De termijn voor het instellen van beroep is 15 dagen. Het beroep moet worden aangetekend bij de rechter die de beslissing heeft gegeven. Indien het beroep gegrond wordt verklaard, wordt de maatregel vernietigd. Verder kan de maatregel op verzoek of, als de eiser zijn vordering verlaagt, ambtshalve door de rechter worden gewijzigd.

In de gevallen die in de wet zijn genoemd, is de rechter verplicht om voorlopige tenuitvoerlegging te gelasten. Een partij kan de rechter verzoeken geen voorlopige tenuitvoerlegging te gelasten wanneer dat een onevenredig zware last zou opleveren voor deze partij. Het daartoe strekkende verzoek moet worden ingediend bij de rechter die de zaak behandelt.

Tegen een conservatoire maatregel kan beroep worden aangetekend bij de rechter die de zaak behandelt. Dit heeft echter geen opschortende werking. Partijen kunnen binnen 15 dagen na bekendmaking van de maatregel beroep aantekenen.

Een verzoek om een rechtsmiddel tegen een Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen of de tenuitvoerlegging daarvan moet worden ingediend bij de rechter die de zaak behandelt. De algemene voorschriften zijn van toepassing op beroepen tegen een beslissing over een rechtsmiddel.

Laatste update: 23/09/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Malta

1 De verschillende soorten maatregelen

Er zijn verschillende soorten conservatoire maatregelen:

  • bevel van beschrijving (warrant of description);
  • bevel tot beslaglegging (warrant of seizure);
  • bevel tot beslaglegging op een goed renderende onderneming (warrant of seizure of a commercial going concern);
  • derdenbeslag (garnishee order);
  • bevel tot belemmering van vertrek (warrant of impediment of departure);
  • bevel tot aanhouding van zeeschepen (warrant of arrest of sea vessels);
  • bevel tot aanhouding van een vliegtuig (warrant of arrest of aircraft);
  • bevel tot vordering tot staking (warrant of prohibitory injunction).

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

De maatregelen zijn geregeld bij hoofdstuk 12 van de Wetten van Malta, afdelingen 829 en volgende. In sommige gevallen kunnen ook bepalingen van speciale wetten van toepassing zijn.

2.1 De procedure

Het verzoek om vaststelling van conservatoire maatregelen moet geschieden door middel van een door de verzoeker op te stellen beëdigde verklaring waarin de oorzaak en het type van de zeker te stellen schuld of vordering moeten worden vermeld: wanneer het zeker te stellen recht een schuld is of een eis waaraan moet worden voldaan door de betaling van een bepaalde som geld, moet het bedrag ervan in de vordering worden vermeld.

2.2 De basisvereisten

Deze bevelen worden uitgevaardigd door de rechter. Een bevel tot beschrijving of een bevel tot belemmering van vertrek kan, gelet op de eedaflegging van verweerder, niet worden uitgevaardigd door de vredesrechter (Court of Magistrates, Qorti tal-Maġistrati) voor Malta of de vredesrechter in zijn lagere bevoegdheid voor Gozo. Bovendien kan geen bevel tot beslaglegging of een derdenbeslag worden uitgevaardigd tegen de regering om rechten of vorderingen zeker te stellen. Er kan geen bevel tot beslaglegging of derdenbeslag met het oog op het zekerstellen van rechten of vorderingen worden uitgevaardigd tegen een lid van de strijdmachten of tegen een geheel ten dienste van de regering van Malta gecharterd schip indien deze, indien van toepassing met de strijdmacht of met het schip waartoe hij behoort, in Malta is. Ook kan er ter zekerstelling van een recht of vordering geen bevel tot belemmering van vertrek worden uitgevaardigd tegen een kapitein, zeeman of andere regelmatig aangemonsterde persoon indien het schip waartoe hij behoort een zeebrief heeft verkregen, of tegen een op een schip aangestelde werktuigkundige van ongeacht welke rang.

Er moet altijd worden verwezen naar de afdelingen 829 en volgende van hoofdstuk 12 van de Wetten van Malta. In sommige gevallen kunnen ook bepalingen van bijzondere wetten van toepassing zijn.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

Het doel van bewarende maatregelen is om een feitelijke of juridische situatie te handhaven ter bewaring van (verhaals)rechten. Het doel van voorlopige maatregelen is om, vooruitlopend op een beslissing in een bodemgeding, een feitelijke of juridische situatie in het leven te roepen.

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Deze maatregelen zijn van toepassing op roerende en onroerende activa. Ook kan er een bevel tot beslaglegging worden uitgevaardigd tegen een goed renderende onderneming. Er kan een bevel tot inverzekeringstelling worden uitgevaardigd tegen zeeschepen van meer dan tien meter, evenals tegen vliegtuigen.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

De gevolgen variëren al naar gelang de aard van de maatregelen, maar normaliter kunnen noch roerende noch onroerende activa worden verkocht of aan derden worden overgedragen.

Een bevel tot beschrijving kan worden uitgevaardigd om een recht op roerende zaken te verzekeren. Om in dat geval de verzoekende partij in staat te stellen dit recht uit te oefenen, kan het in het belang van de verzoekende partij zijn om deze roerende zaken op de plaats of in de staat te laten waarop respectievelijk waarin ze zich bevinden. In een bevel tot beslaglegging op roerende zaken legt de griffier beslag op de/het in het verzoek aangegeven goederen/goed van de schuldenaar. Het effect van een beslaglegging op een goed renderende onderneming is dat de totaliteit van de activa van de onderneming, met inbegrip van licenties en goodwill, in stand wordt gehouden en dat wordt gelast dat de onderneming niet geheel of gedeeltelijk mag worden verkocht en in bedrijf moet worden gehouden. Hoe dan ook zal de rechter geen verzoek tot uitvaardiging van een bevel inwilligen indien hij vaststelt dat er andere middelen zijn om het verschuldigde bedrag veilig te stellen. Omgekeerd is het effect van een bevel tot beslaglegging op schepen of vliegtuigen dat beslag wordt gelegd op het zeeschip langer dan tien meter of het vliegtuig van de schuldenaar en dit vervolgens wordt overgedragen aan de autoriteit van de plaats waar het zich bevindt, waarbij wordt gelast dat deze autoriteit dat zeeschip of vliegtuig niet mag vrijgeven of de schuldenaar niet in staat mag stellen dit op enigerlei wijze geheel of gedeeltelijk af te stoten, of om rechten op dit schip of vliegtuig aan iemand anders te geven of af te staan. Het doel van het bevel tot vordering van staking is om een persoon ervan te weerhouden iets te doen dat schade berokkent aan de persoon die om het bevel heeft verzocht.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Tenzij een conservatoire maatregel wordt opgeheven door de rechtbank of wordt ingetrokken door de partij die de maatregel treft, blijft elk conservatoire maatregel van kracht gedurende vijftien dagen nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Er is geen beroep mogelijk tegen deze maatregelen. Wel kunnen er tegenmaatregelen worden uitgevaardigd. In dit geval kan de verweerder tegen wie de conservatoire maatregel is vastgesteld een verzoekschrift indienen bij de rechtbank die de conservatoire maatregel heeft vastgesteld. Of hij of zij kan, indien een rechtszaak is aangespannen, een verzoekschrift indienen bij de rechtbank die de zaak behandelt en verzoeken om gehele of gedeeltelijke intrekking van de conservatoire maatregel, om een van de volgende redenen:

  • de conservatoire maatregel is niet meer van kracht;
  • aan enige van de op grond van de wet na te komen voorwaarden voor de vaststelling van de conservatoire maatregel is feitelijk niet voldaan;
  • er is een andere adequate waarborg beschikbaar ter genoegdoening van de vordering van de persoon op wiens verzoek de conservatoire maatregel werd vastgesteld, ofwel door een andere conservatoire maatregel vast te stellen, ofwel als die andere waarborg de vordering op toereikende wijze kan zekerstellen; of
  • er wordt aangetoond dat het gevorderde bedrag niet prima facie gerechtvaardigd is of buitensporig is; of
  • de verstrekte waarborg wordt door de rechtbank als voldoende beschouwd; of

er wordt aangetoond dat het in de gegeven omstandigheden redelijk zou zijn om de conservatoire maatregel geheel of gedeeltelijk te handhaven, of dat de conservatoire maatregel geheel of gedeeltelijk niet meer noodzake

Laatste update: 22/03/2017

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Nederland

1 De verschillende soorten maatregelen

Welke verschillende soorten maatregelen zijn er?

Er zijn twee soorten maatregelen: voorlopige en bewarende maatregelen.

Voorlopige maatregelen zijn maatregelen die vooruit lopen op beslissingen van de rechter in een bodemprocedure. De uitspraak van de rechter in de bodemprocedure kan de voorlopige maatregel bekrachtigen of terzijde stellen.

Bewarende maatregelen zijn maatregelen die tot doel hebben zeker te stellen dat de schuldenaar zijn verplichtingen nakomt. Schuldeisers kunnen hiermee voorkomen dat zij niet krijgen waarop zij recht hebben.

De rechter kan voorlopige en bewarende maatregelen gelasten met betrekking tot de goederen van de schuldenaar. De wetgever heeft aan de schuldeiser het recht gegeven reeds vóór het vonnis, zelfs vóór de procedure, bepaalde maatregelen te vragen , die strekken tot behoud van de rechten die pas na het vonnis kunnen worden uitgeoefend. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat de wederpartij het verhaalsrecht van de schuldeiser illusoir maakt door, bijvoorbeeld, goederen te verkopen, onvindbaar te maken of weg te schenken of met pand of hypotheek te bezwaren.

1.1 Voorlopige maatregelen

Voorlopige maatregelen worden getroffen in kort geding of in een aanhangige bodemprocedure.

Voor voorlopige voorzieningen in scheidingsprocedures gelden speciale regels.

1.2 Bewarende maatregelen

A. Conservatoir beslag

De rechter kan de schuldeiser verlof geven om conservatoir beslag te leggen op de goederen van de schuldenaar. Dit heeft tot doel is bewaring van de goederen totdat het door de beslaglegger gevraagde recht is vastgesteld.

Er bestaan vier soorten conservatoire beslagen:

  1. De conservatoire verhaalsbeslagen. Er wordt beslag gelegd op goederen na een toewijzend vonnis tot nakoming van een geldvordering.
  2. Conservatoir beslag tot afgifte van roerende zaken of levering van goederen. Hierbij wordt beslag gelegd onder de schuldenaar om bewaring van rechten als eigenaar of gerechtigde tot levering te verzekeren.
  3. Het conservatoir maritaal beslag. De echtgenoot, die echtscheiding, scheiding van tafel en bed of opheffing van de huwelijksgoederengemeenschap verzoekt, kan dit beslag leggen, teneinde te voorkomen dat goederen aan de gemeenschap worden onttrokken voor de verdeling plaatsvindt.
  4. Het conservatoir bewijsbeslag. Dit beslag heeft als doel om bewijsmateriaal veilig te stellen.

B. Gerechtelijke bewaring

Deze maatregel ziet vooral op gevallen waarin gevaar bestaat dat zaken aan een beslag zullen worden onttrokken. Op verzoek van de conservatoir beslaglegger beveelt de rechter dat de zaken die zijn of zullen worden beslagen, worden afgegeven aan een door hem aan te wijzen bewaarder .

Ook los van beslag kan gerechtelijke bewaring worden bevolen.

C. Onderbewindstelling

Goederen waarover geschil bestaat aan wie zij toekomen kunnen door de rechter onderbewind gesteld worden. Voorbeeld: er bestaat geschil over het recht op levering van een onderneming. Beslag op of gerechtelijke bewaring van de goederen van de onderneming zou aan voortzetting van de onderneming in de weg kunnen staan. De bewindvoerder kan hangende het geschil de onderneming voortzetten.

D. Verzegeling en boedelbeschrijving

Met verlof van de kantonrechter kunnen zaken die tot een nalatenschap of bepaalde gemeenschappen behoren door de notaris worden verzegeld. Een advocaat is niet nodig. Deze maatregel komt weinig voor. Ze kan onder meer worden gevraagd door erfgenamen, de overgebleven echtgenoot of geregistreerd partner, executeurs en (beperkt) gerechtigden op een aandeel van de gemeenschap.

Ontzegeling wordt eveneens aan de kantonrechter verzocht.

Op verzoek van onder meer bovengenoemde personen kan de kantonrechter een boedelbeschrijving door een notaris bevelen. Een advocaat is niet nodig. Doel van de maatregel is de omvang (en de waarde) van de boedel te bepalen. Het verzoek kan samen met een verzoek tot verzegeling of ontzegeling worden gedaan. De maatregel behelst een korte beschrijving van alle tot de boedel behorende goederen en schulden en, op verlangen van een partij, een taxatie van de waarde van de roerende zaken. Indien partijen het niet eens worden over de aanwijzing van de beëdigde taxateur(s), word(t)(en) deze benoemd door de notaris.

1.3 Voorlopige tenuitvoerlegging

De rechter kan zijn uitspraak desgevorderd uitvoerbaar bij voorraad verklaren in alle voorkomende gevallen, tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad moet, als dit niet uit de wet volgt, door de eiser worden gevorderd. De rechter kan dit niet ambtshalve uitspreken.

De uitspraak kan ingeval van uitvoerbaarverklaring bij voorraad meteen ten uitvoer worden gelegd, ook al zou tegen de beslissing verzet, hoger beroep of cassatie worden ingesteld. De uitvoerbaarverklaring kan de gehele uitspraak betreffen of een deel ervan. Zonder uitvoerbaarheid bij voorraad zou de uitspraak ook kunnen worden geëxecuteerd, maar deze executie zou door het instellen van een rechtsmiddel worden geschorst. Wanneer een vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan de tenuitvoerlegging daarvan worden voortgezet en zelfs nog worden aangevangen nadat een rechtsmiddel tegen het vonnis is ingesteld.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

A. Conservatoir beslag

Conservatoir beslag wordt gelegd met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank. Het verlof wordt verzocht door een advocaat. De rechter mag in beginsel afgaan op de stellingen van de verzoeker. De schuldenaar wordt in beginsel niet gehoord. De beschikking volgt doorgaans dezelfde dag. Bij een geldvordering stelt de rechter het bedrag vast waarvoor het verlof wordt verleend. Hij kan zekerheidstelling bevelen voor schade die het beslag mocht veroorzaken.

Het beslag wordt gelegd bij exploot van een deurwaarder. De beslaglegger die later blijkt ten onrechte beslag te hebben gelegd kan tot schadevergoeding worden veroordeeld.

Aan de procedure met betrekking tot het vragen van conservatoir beslag zijn kosten verbonden zoals: griffierecht ( De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.rechtspraak.nl/), kosten voor het inschakelen van een advocaat (De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.advocatenorde.nl/) en kosten voor de inschakeling van een deurwaarder (De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.kbvg.nl/).

B. Gerechtelijke bewaring

Gerechtelijke bewaring wordt op verzoek van de conservatoire beslaglegger bevolen door de voorzieningenrechter van de rechtbank. De beslagene en eventuele andere belanghebbenden worden gehoord behoudens spoedeisende omstandigheden. Tegen het bevel is geen hogere voorziening toegelaten. De rechter kan zekerheidstelling bevelen.

Los van beslag kan gerechtelijke bewaring worden bevolen door de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding.

Aan de procedure met betrekking tot het vragen van gerechtelijke bewaring zijn kosten verbonden zoals: griffierecht (De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.rechtspraak.nl/), kosten voor het inschakelen van een advocaat (De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.advocatenorde.nl/) en loon bewaarder.

C. Onderbewindstelling

Onderbewindstelling wordt op vordering van de belanghebbende partij uitgesproken door de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding. De maatregel houdt geen verband met enig gelegd beslag. Eventuele op de goederen gelegde beslagen beperken de bewindvoerder niet in zijn bevoegdheden. De maatregel kan alle soorten goederen betreffen, roerende en onroerende zaken en vermogensrechten. Het bewind is vooral van belang om het beheer over de goederen van bijvoorbeeld ondernemingen door een onafhankelijke derde gedurende het geschil te doen voortzetten.

Aan de procedure met betrekking tot het vragen van onderbewindstelling zijn kosten verbonden zoals: griffierecht (De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.rechtspraak.nl/), kosten voor het inschakelen van een advocaat (De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.advocatenorde.nl/) en loon bewindvoerder.

D. Voorlopige maatregelen

Het kort geding is een procedure die geheel los van een bodemprocedure kan worden gevoerd en niet door een bodemprocedure hoeft te worden gevolgd.

De voorzieningenrechter van de rechtbank is desgevraagd in alle zaken bevoegd tot het geven van een voorlopige voorziening. In zaken die als bodemzaak door de kantonrechter moeten worden behandeld is ook de kantonrechter bevoegd. Naast de normale territoriale bevoegdheid geldt een extra bevoegdheid voor de rechter in wiens rechtsgebied de maatregel moet worden getroffen. Ieder gebod of verbod dat in een bodemzaak zou kunnen worden gevorderd kan in kort geding worden gevraagd. Geldvorderingen zijn onder voorwaarden toewijsbaar (zie 2.2).

Bij de voorzieningenrechter moet eiser zich laten bijstaan door een advocaat. Gedaagde mag zich laten bijstaan door een advocaat. Bij de kantonrechter kunnen partijen zonder advocaat procederen. De behandeling is mondeling en informeel. Het vonnis krijgt men doorgaans na enkele weken. De voorlopige maatregel kan ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.  ‘Voorlopig’ wil zeggen dat de uitspraak juridisch omkeerbaar is. In een eventuele bodemprocedure kan immers een andere uitspraak volgen.

Aan deze procedure zijn de volgende kosten verbonden: griffierecht (De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.rechtspraak.nl/), kosten voor het inschakelen van een deurwaarder (De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.kbvg.nl/) en voor de eiser kosten voor het inschakelen van een advocaat (De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.advocatenorde.nl/).

Ook in een aanhangige bodemprocedure kunnen voorlopige voorzieningen worden getroffen, die gelden voor de duur van het geding. De te vragen voorlopige vordering moet samenhangen met de vordering in de hoofdzaak. Er wordt weinig gebruik van deze weg gemaakt.

In echtscheidingszaken kunnen voorlopige voorzieningen worden gevraagd voor de duur van de procedure en enige tijd daarna. Voorbeelden zijn: de echtelijke woning, de goederen bedoeld voor dagelijks gebruik, de kinderen en het levensonderhoud van de ene echtgenoot ten laste van de andere.

Deze voorzieningen worden bij apart verzoekschrift gevraagd, voorafgaand aan, tijdens en zelfs na een scheidingsprocedure tot op het moment waarop zij hun werking verliezen. De mondelinge behandeling moet uiterlijk in de derde week na indiening zijn begonnen en de rechter beslist zo spoedig mogelijk.

Aan deze procedure zijn de volgende kosten verbonden: griffierecht (De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.rechtspraak.nl/) en kosten voor het inschakelen van een advocaat (De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.advocatenorde.nl/).

E. Voorlopige tenuitvoerlegging

De rechter in een gewone dagvaardingsprocedure kan op vordering van de eiser zijn vonnis geheel of gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren, tenzij uit de wet of uit de aard van de  zaak anders voortvloeit. Hij kan daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling verbinden. In kort geding is uitvoerbaarverklaring bij voorraad ook ambtshalve mogelijk. Hetzelfde geldt in een verzoekschriftprocedure.

2.2 De basisvereisten

A. Conservatoir beslag

Het verzoekschrift dient bepaalde gegevens te bevatten: de aard van het te leggen beslag en  het door de verzoeker ingeroepen recht en, als het om een geldvordering gaat, ook het (maximum) bedrag daarvan. Afhankelijk van het te leggen beslag moet bovendien al dan niet gegronde vrees voor verduistering worden gesteld. Een spoedeisend belang is niet noodzakelijk.

B. Gerechtelijke bewaring

Als het om het verzoek van een beslaglegger gaat is spoedeisendheid niet nodig. In kort geding moet de eiser wel een spoedeisend belang hebben. Vrees voor verduistering hoeft niet te worden gesteld.

C. Onderbewindstelling

Het gaat hier om een kort geding, zodat de eiser een spoedeisend belang moet hebben. Vrees voor verduistering hoeft niet te worden gesteld.

D. Voorlopige maatregelen

In kort geding geldt dat de eiser een spoedeisend belang moet hebben, dat de rechter de belangen van partijen tegen elkaar afweegt en dat de uitspraak een voorlopige voorziening oplevert. Het spoedeisend belang van eiser hoeft niet te liggen in omstandigheden van de gedaagde. De vordering mag betwist of betwistbaar zijn. Voor de toewijsbaarheid van geldvorderingen in kort geding gelden scherpere eisen. Daarbij wordt extra gelet op eisers spoedeisend belang, terwijl voorts in de belangenafweging het risico van onmogelijkheid van terugbetaling - dat kan leiden tot weigering van de voorziening - zal moeten worden betrokken. Bij alle rechtbanken is een zogenaamd incasso-kort geding mogelijk voor onbetwiste of in redelijkheid niet te betwisten vorderingen uit overeenkomst ter zake van geleverde goederen en/of verrichte diensten.

Voor voorlopige voorzieningen in echtscheidingsprocedures en andere bodemprocedures gelden geen eisen in de sfeer van betwistbaarheid of spoedeisendheid van de zaak. Vrees voor verduistering speelt eveneens geen rol.

E. Voorlopige tenuitvoerlegging

Niet van toepassing.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

Het doel van bewarende maatregelen is om een feitelijke of juridische situatie te handhaven ter bewaring van (verhaals)rechten. Het doel van voorlopige maatregelen is om, vooruitlopend op een beslissing in een bodemgeding, een feitelijke of juridische situatie in het leven te roepen.

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

A. Conservatoir beslag

In beginsel is conservatoir beslag mogelijk op alle soorten goederen, met uitzondering van  goederen bestemd voor de openbare dienst en op de zaken genoemd in art. 447, 448 en 712 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Voor conservatoir beslag op loon en andere vorderingen tot periodieke betaling geldt een beslagvrije voet. Conservatoir beslag kan ook worden gelegd op een beperkt recht of op een aandeel van een goed. De regels voor conservatoir beslag op een zodanig goed zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing (art. 707 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

B. Gerechtelijke bewaring

Roerende zaken die geen registergoederen zijn.

C. Onderbewindstelling

Alle goederen waarover geschil bestaat aan wie zij toekomen.

D. Voorlopige maatregelen

Alle soorten goederen kunnen inzet zijn van een vordering in kort geding of van een provisionele vordering in een bodemprocedure.

E. Voorlopige tenuitvoerlegging

Niet van toepassing.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

A. Conservatoir beslag

Het gevolg van conservatoir beslag is blokkering. De beslagene mag de goederen niet meer verkopen, schenken, bezwaren, verhuren e.d. Deze beschikkingsonbevoegdheid is relatief: zij werkt alleen jegens de beslaglegger. Bij derdenbeslag mag de derde-beslagene eveneens geen betaling of afgifte meer doen. De bonafide derde-verkrijger wordt echter onder voorwaarden beschermd. Bij derdenbeslag is de derde-beslagene verplicht te verklaren wat hij voor de beslagene onder zich heeft. Het onttrekken van een goed aan het beslag is strafbaar.

B. Gerechtelijke bewaring

Het onttrekken van een goed aan gerechtelijke bewaring is strafbaar.

C. Onderbewindstelling

Het beheer van de goederen gaat op de bewindvoerder over.

D. Voorlopige maatregelen

De nakoming wordt vaak afgedwongen met een dwangsom.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

A. Conservatoir beslag

De rechter moet bij zijn verlof steeds de termijn bepalen waarbinnen de eis in de hoofdzaak moet zijn ingesteld. Als nog geen hoofdzaak aanhangig is bepaalt de rechter in het beslagverlof een termijn van ten minste acht dagen na het beslag waarbinnen de hoofdzaak moet zijn ingesteld. Alleen een geding dat strekt tot het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening aan de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd, kan als hoofdzaak worden aangemerkt. Het conservatoir beslag kan tussentijds door de rechter worden opgeheven op vordering van degene op wiens goederen beslag is gelegd of op verzoek van een andere belanghebbende. Overschrijding van de door de rechter gestelde termijn doet het beslag vervallen.

Conservatoir beslag gaat over in executoriaal beslag zodra de beslaglegger een voor executie vatbare executoriale titel heeft gekregen en deze aan de beslagene (en bij derdenbeslag ook aan de derde) is betekend.

Bij onherroepelijk worden van een afwijzing van de eis in de hoofdzaak vervalt het conservatoire beslag. Conservatoir beslag kan op vordering van de beslagene worden opgeheven.

B. Gerechtelijke bewaring

Gerechtelijke bewaring kan door de voorzieningenrechter.op vordering van elke belanghebbende in kort geding worden opgeheven Deze bepaalt desverlangd aan wie de bewaarder de zaak dient af te geven. Opheffing van het beslag waarin de bewaring haar grond vindt, heeft opheffing van de bewaring tot gevolg. De bewaarder geeft de zaak dan aan de beslagene af. Nadat bij onherroepelijk of uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is bepaald wie recht heeft op afgifte, geeft de bewaarder de goederen aan deze persoon af.

C. Onderbewindstelling

Voor zover nog niet aanhangig moet de vordering in de hoofdzaak worden ingesteld binnen een door de rechter te bepalen termijn. Bij overschrijding eindigt het bewind.

Nadat bij onherroepelijk of uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is bepaald wie rechthebbende is, doet de bewindvoerder de goederen aan deze persoon toekomen. Het bewind wordt door een gezamenlijk besluit van partijen of op verzoek van een van hen door de voorzieningenrechter opgeheven.

D. Voorlopige maatregelen

Voorlopige voorzieningen gelden totdat de rechter in de bodemprocedure heeft beslist.

De rechter in kort geding kan ook zelf de werking in tijd begrenzen of daaraan de voorwaarde verbinden dat binnen zekere termijn een bodemprocedure wordt gestart. Voorlopige voorzieningen gegeven in een bodemprocedure eindigen voorts als de hoofdzaak voortijdig tot een einde komt.

Voorlopige voorzieningen in scheidingsprocedures kunnen nog enige tijd na de scheiding doorwerken. Zij kunnen worden gewijzigd of ingetrokken. Voorlopige voorzieningen die voorafgaand aan de scheidingsprocedure zijn gegeven vervallen als het verzoek tot scheiding niet binnen vier weken na de uitspraak van de voorlopige voorzieningen is ingediend.

E. Voorlopige tenuitvoerlegging

De rechter in hoger beroep kan de tenuitvoerlegging schorsen. Schorsing kan ook worden bereikt via een executiegeschil.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Algemene regels

Tegen een vonnis zijn verzet, hoger beroep en cassatie mogelijk.

Verzet staat binnen vier weken (aanvang variabel) open bij de rechter die het verstekvonnis wees voor de bij verstek veroordeelde gedaagde.

Hoger beroep staat (boven € 1.750,--) binnen drie maanden na de dag van de uitspraak open bij het gerechtshof voor de in het ongelijk gestelde partij.

Cassatie staat binnen drie maanden na de dag van de uitspraak die, hetzij in eerste en hoogste ressort, hetzij in hoger beroep is gewezen, open bij de Hoge Raad der Nederlanden voor de in het ongelijk gestelde partij.

Tegen een beschikking zijn hoger beroep bij het gerechtshof en cassatie bij de Hoge Raad der Nederlanden mogelijk.

Hoger beroep wordt door de verzoeker en door in de procedure verschenen belanghebbenden ingesteld binnen drie maanden na de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na bekend worden met de beschikking.

Cassatie kan worden ingesteld door hen die in een van de vorige instanties zijn verschenen, binnen drie maanden na de uitspraak.

Het effect van deze rechtsmiddelen is dat zij de executie schorsen, tenzij de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad was verklaard.

A. Conservatoir beslag

Tegen een gegeven beslagverlof is geen hogere voorziening toegelaten (art. 700 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Tegen een afwijzende beschikking staat voor de beslaglegger hoger beroep open en vervolgens cassatie.

B. Gerechtelijke bewaring

Is gerechtelijke bewaring bevolen op verzoek van de beslaglegger, dan is tegen het bevel geen hogere voorziening toegelaten.

Tegen een afwijzing staat voor de verzoeker hoger beroep open en vervolgens cassatie.

Tegen een uitspraak in kort geding zijn verzet, hoger beroep en cassatie mogelijk.

C. Onderbewindstelling

In geval van onderbewindstelling zijn verzet, hoger beroep en cassatie mogelijk.

D. Voorlopige maatregelen

Tegen voorlopige voorzieningen gegeven in kort geding of in een bodemprocedure staan verzet, hoger beroep en cassatie open. Tegen voorlopige voorzieningen in scheidingsprocedures is geen appel of cassatie toegelaten.

E. Voorlopige tenuitvoerlegging

Is een uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dan kan dat alsnog in hoger beroep en in cassatie, of via een executiegeschil. Is een uitspraak wel uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dan kan de rechter in hoger beroep de tenuitvoerlegging schorsen. In cassatie kan dat niet. Schorsing kan ook worden bereikt via een executiegeschil.

Laatste update: 09/02/2022

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Duits) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.
De volgende vertalingen zijn al beschikbaar: Engels

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Oostenrijk

1 De verschillende soorten maatregelen

Voorlopige en preventieve maatregelen zijn voorbeelden van conservatoire maatregelen. Het Oostenrijkse recht voorziet in de volgende conservatoire maatregelen:

  • bewaren van bewijsmateriaal;
  • conservatoir beslag;
  • beschikking in kort geding.

Deze conservatoire maatregelen hebben met elkaar gemeen dat partijen slechts prima-faciebewijs voor hun stellingen hoeven te leveren, dus hun stellingen alleen geloofwaardig hoeven te maken.

Omdat de belangrijkste conservatoire maatregel de beschikking in kort geding is, beperkt de onderstaande beschrijving zich tot die maatregel.

Een beschikking in kort geding is een rechterlijk bevel waarmee een toekomstige tenuitvoerlegging wordt zeker gesteld, louter feitelijke verhoudingen voor een bepaalde tijd worden geregeld of een voorlopige voorziening wordt getroffen.

Bij kortgedingbeschikkingen wordt voorts een onderscheid gemaakt tussen beschikkingen

  • ter zekerstelling van een geldvordering;
  • ter bescherming van een aanspraak op een individuele prestatie;
  • ter bescherming van een recht of rechtsverhouding.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Een kortgedingbeschikking wordt enkel op verzoek gewezen. De partijen worden aangeduid als "eisende partij" en "gedaagde partij". De volgende rechtbanken zijn bevoegd tot het wijzen van een beschikking in kort geding:

  • tijdens een reeds aanhangige procedure, de behandelende rechter in dezelfde instantie;
  • tijdens de tenuitvoerleggingsprocedure, het Exekutionsgericht;
  • voor aanvang van de bodemprocedure of tussen de bodemprocedure en de tenuitvoerleggingsprocedure, het Bezirksgericht (districtsrechtbank) dat is gezeteld in het rechtsgebied van de algemeen bevoegde rechtbank van de gedaagde partij;
  • subsidiair de rechtbank van het rechtsgebied waarbinnen zich de litigieuze zaak of de woon- of verblijfplaats van de derde-beslagene bevindt, of het Bezirksgericht dat de eerste executiezitting houdt.

Omdat de procedure overeenkomstig de bepalingen van het executierecht verloopt, geldt in eerste aanleg geen verplichte procesvertegenwoordiging.

Voor zover feitelijke uitvoeringshandelingen – zoals een gerechtelijke beslaglegging – moeten worden uitgevoerd, gebeurt dit ambtshalve (door de gerechtsdeurwaarder). De kosten van een kortgedingprocedure, waarvan de hoogte afhankelijk is van de waarde van de zeker te stellen vordering, moet de eisende partij in eerste instantie zelf dragen. Pas als de eisende partij in de bodemprocedure in het gelijk wordt gesteld, komt hij in aanmerking voor een kostenvergoeding, waartoe doorgaans in de bodemprocedure een verzoek moet worden ingediend. De gedaagde partij, daarentegen, ontvangt al een kostenvergoeding als hij in de beschikking in kort geding in het gelijk wordt gesteld.

2.2 De basisvereisten

Voor het verkrijgen van een kortgedingbeschikking moet de benadeelde partij een verzoekschrift indienen waarin het bestaan van een geldvordering, vordering tot het verrichten van een niet-geldelijke prestatie of betwist recht of een betwiste rechtsverhouding wordt gesteld en schriftelijk bevestigd, alsook het risico dat de vordering niet ten uitvoer kan worden gelegd c.q. het recht niet kan worden uitgeoefend.

Bij een kortgedingprocedure ter zekerstelling van een geldvordering moet prima-faciebewijs van een subjectief risico worden geleverd, dat wil zeggen: het risico dat zonder een beschikking in kort geding de gedaagde partij maatregelen zal nemen om het innen van de geldvordering te verhinderen of te bemoeilijken.

Bij de overige soorten kortgedingprocedures moet enkel prima-faciebewijs van een objectief risico worden geleverd, dat wil zeggen: het risico dat zonder een beschikking in kort geding de juridische vervolging of tenuitvoerlegging van de vordering verhinderd of aanzienlijk bemoeilijkt wordt, met name door verandering van de huidige toestand van de litigieuze zaak.

Zowel bij kortgedingprocedures ter zekerstelling van een geldvordering als bij de overige soorten kortgedingprocedures voldoet als prima-faciebewijs van het bestaan van een risico bewijs waaruit blijkt dat de tenuitvoerlegging van de vordering zou moeten plaatsvinden in een land waar de tenuitvoerlegging van de vordering noch door internationale verdragen, noch door het Unierecht wordt gewaarborgd.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

De middelen tot zekerstelling van een geldvordering zijn in de Exekutionsordnung (wet inzake de tenuitvoerlegging van door gewone rechterlijke instanties gegeven beslissingen) uitputtend opgesomd. Het betreft:

  • beslag op roerende zaken;
  • verbod op de vervreemding of verpanding van roerende lichamelijke zaken;
  • derde-verbod;
  • beheer van onroerende zaken van de gedaagde;
  • verbod op de vervreemding of bezwaring van onroerende zaken of kadastrale rechten.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

De gevolgen verschillen per middel. Bij beslag op roerende lichamelijke zaken worden deze onttrokken aan de rechtstreekse invloed van de gedaagde. In beginsel zijn zelfs juridische beschikkingen over beslagen zaken nietig. Met het oog op het tegengaan van waarde- of opbrengstverminderende veranderingen tijdens het beslag geeft de wet de rechter een ruime discretionaire bevoegdheid tot het geven van "noodzakelijke of nuttige" beschikkingen. Daartoe behoren bijvoorbeeld beschikkingen die strekken tot de verkoop van bederfelijke goederen waarop beslag is gelegd.

Beschikkingen in strijd met een ontvreemdings- of verpandingsverbod voor roerende, materiële activa zijn nietig.

Bij een gerechtelijk derde-verbod wordt de gedaagde verboden om eventuele vorderingen op derden te vervreemden of te innen. Tegelijkertijd worden derden gelast om tot nadere beschikking van de rechtbank het aan de gedaagde verschuldigde niet te betalen en hem toekomende zaken niet te leveren en ook verder niets te ondernemen dat de tenuitvoerlegging van de geldvordering of het executoriaal beslag op de verschuldigde of te leveren zaken zou kunnen verhinderen of aanzienlijk zou kunnen bemoeilijken. Derde-schuldenaren kan dus alleen de nakoming van een verplichting respectievelijk de belemmering van de nakoming worden verboden, maar hen kan niet het verrichten van betalingen aan de eisende partij worden opgedragen of de uitoefening van een recht worden verboden. Derden zijn in het geval van niet-nakoming van het verbod tot schadevergoeding verplicht. De vraag of beschikkingen die in strijd zijn met het verbod nietig zijn, is niet uitdrukkelijk in de wet geregeld en in de Oostenrijkse rechtsleer omstreden.

Een door de rechtbank aangewezen beheerder voert onder haar toezicht het beheer over het onroerend goed van de gedaagde.

Het verbod op de vervreemding of bezwaring van onroerend goed of kadastrale rechten wordt in het kadaster aangetekend. Na deze aantekening zijn de vrijwillige vervreemding van onroerend goed of de rechten daarop door de gedaagde en de bijbehorende inschrijvingen in het kadaster weliswaar nog steeds toegestaan, maar hebben ze maar beperkte rechtsgevolgen jegens de eisende partij. Alleen indien de vordering van de eisende partij door de rechter bij onherroepelijke beschikking is afgewezen of de kortgedingbeschikking wordt geannuleerd, verwerft de derde ook jegens de eisende partij een volledig geldend recht en kan hij het verbod laten doorhalen.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Een kortgedingbeschikking geldt slechts voor een bepaalde periode, maar kan op verzoek van de eisende partij worden verlengd. Indien de kortgedingbeschikking los van een bodemprocedure wordt gegeven, moet de rechtbank een redelijke termijn stellen voor het onderbouwen van de zekergestelde vordering en het indienen van de vordering of het verzoek om tenuitvoerlegging. Door het storten van een waarborgsom kan de verweerder de tenuitvoerlegging van de beschikking tegenhouden. Een reeds ten uitvoer gelegde beschikking wordt bij storting van een waarborgsom ingetrokken.

Een kortgedingbeschikking kan op verzoek of ambtshalve worden ingetrokken indien:

  • de termijn voor onderbouwing van de vordering is verstreken zonder dat een onderbouwing is gegeven;
  • de beschikking ruimer ten uitvoer is gelegd dan voor de bescherming van de eisende partij noodzakelijk is;
  • de beschikkingsvoorwaarden niet langer worden vervuld;
  • de verweerder een waarborgsom of zekerheid heeft gesteld;
  • de beschikkingsgrond is weggevallen.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Voor de kortgedingprocedure is in twee rechtsmiddelen voorzien, die geen van beide opschortende werking hebben:

  • Beroep tegen de kortgedingbeschikking: de gedaagde en de derde-beslagene kunnen binnen veertien dagen beroep aantekenen als zij voorheen niet zijn gehoord. Ter waarborging van een eerlijke procesgang kan dan nieuw bewijs worden aangevoerd. Over dergelijke beroepen beslist bij beschikking een Gerichtshof erster Instanz (rechtbank van eerste aanleg) na een besloten, mondelinge behandeling.
  • Tegen beschikkingen in kort geding staat ook schriftelijk beroep (Rekurs) open. De termijn voor het aantekenen van Rekurs is veertien dagen. Dit is een louter schriftelijk procedure, waarin geen nieuwe bewijzen kunnen worden aangevoerd. Wanneer de bestreden beschikking in stand blijft, is nog beroep in cassatie mogelijk, maar niet als het verzoek om een kortgedingbeschikking is afgewezen.

Bijzondere regelingen:

De wet voorziet in het volgende:

  • voorlopige alimentatie voor (gescheiden) echtgenoot;
  • voorlopige regeling, gebruik of zekerstelling van voor gebruik bedoeld echtelijk vermogen (eheliches Gebrauchsvermögen) en echtelijke spaargelden (eheliche Ersparnisse);
  • voorlopige alimentatie voor een kind;
  • bescherming tegen huiselijk geweld (via kortgedingbeschikking);
  • bescherming tegen geweld in het algemeen (via kortgedingbeschikking);
  • voorlopige huur;
  • bescherming van de persoonlijke levenssfeer (via kortgedingbeschikking);
  • maatregelen om te voorzien in dringende behoefte aan huisvesting van een van de echtgenoten.

Van deze bijzondere regelingen zijn de kortgedingbeschikkingen ter bescherming tegen geweld van bijzonder belang. Oostenrijk beschikt over een eenvoudig en efficiënt systeem dat het mogelijk maakt om een gewelddadige medebewoner uit huis te zetten en een huisverbod op te leggen. Verder kan iemand die zich gewelddadig tegen een ander gedraagt een contact- of straatverbod worden opgelegd. Wat het systeem met name zo bijzonder maakt, is dat het voorziet in een nauwe samenwerking tussen politie, rechtbanken, lokale centra voor bescherming tegen huiselijk geweld en – wanneer er minderjarigen bij betrokken zijn – kinder- en jeugdzorgdiensten.

De politie is krachtens het politierecht bevoegd om personen die een gevaar voor het leven, de gezondheid of de vrijheid van een andere persoon vormen, een huis- of straatverbod van maximaal veertien dagen op te leggen. Indien een daartoe strekkend verzoek bij het gerecht wordt ingediend, kan de termijn tot maximaal vier weken worden verlengd. De politie is ook verplicht om het lokale centrum voor bescherming tegen huiselijk geweld op de hoogte stellen, zodat het centrum het slachtoffer ondersteuning kan bieden.

De rechtbank moet een persoon die een medebewoner door psychisch en/of fysiek geweld of bedreiging het verdere samenleven met hem onmogelijk maakt, op verzoek van het slachtoffer

  • gelasten de woning en de directe omgeving daarvan te verlaten, en
  • verbieden om terug te keren in de woning of de directe omgeving daarvan, voor zover de woning in een dringende huisvestingsbehoefte van de verzoeker voorziet.

Bovendien kan de rechtbank de uitgezette persoon verbieden om zich op bepaalde nader omschreven plaatsen te vertonen (bijvoorbeeld voor de woning of voor de school van het kind) of in contact te treden met de verzoeker, voor zover dat niet in strijd is met een zwaarwegend belang van degene tegen wie het verzoek is gericht.

Een beschikking in kort geding die in samenhang met een bodemprocedure wordt gewezen, bijvoorbeeld een procedure voor ontbinding of nietigverklaring van een huwelijk, een boedelscheidingsprocedure of een procedure om duidelijkheid te verschaffen over het gebruiksrecht van de woning, is geldig totdat de uitspraak in de bodemprocedure in kracht van gewijsde is gegaan. De kortgedingrechter kan een beschikking wijzen onafhankelijk van de vraag of de partijen nog steeds een gemeenschappelijke huishouding voeren en los van een bodemprocedure. Maar zolang nog geen bodemprocedure aanhangig is, mag een beschikking voor niet langer dan zes maanden worden gewezen.

Indien aan de voorwaarden is voldaan, wordt de beschikking direct ambtshalve of op verzoek ten uitvoer gelegd. Daartoe sommeert de gerechtsdeurwaarder degene tegen wie de beschikking is gericht om de woning te verlaten en hem de sleutels te overhandigen, die hij vervolgens bij de rechtbank deponeert. Met de tenuitvoerlegging van een beschikking ter bescherming tegen geweld kan de rechtbank ook de politie belasten. Dit komt in de praktijk zeer vaak voor, zodat een beschikking ter bescherming tegen geweld doorgaans niet door een gerechtsdeurwaarder maar door de politie ten uitvoer wordt gelegd.

Laatste update: 11/03/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Polen

1 De verschillende soorten maatregelen

Het type maatregel hangt af van de aard van het recht dat moet worden beschermd. Krachtens artikel 747 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘kodeks postępowania cywilnego’) kunnen geldvorderingen veilig worden gesteld door:

  • beslag op een roerend goed, beslag op salaris, derdenbeslag op een bankrekening of beslag op een andere vordering of ander vermogensrecht;
  • de bezwaring van een onroerend goed van de schuldenaar met een gerechtelijke hypotheek;
  • het verbod om een onroerend goed te vervreemden of te bezwaren waarvoor geen kadaster is of waarvan het kadaster verloren is gegaan of is verwoest;
  • de bezwaring van een schip of een schip in aanbouw met een scheepshypotheek;
  • het verbod om een recht van mede-eigendom van een ruimte te vervreemden;
  • de gerechtelijke bewindvoering van een onderneming of een landbouwbedrijf van de schuldenaar of van een vestiging die deel uitmaakt van een onderneming of van een deel daarvan of van een deel van het landbouwbedrijf van de schuldenaar.

Indien de gevraagde maatregel geen betrekking heeft op een geldvordering, keurt de rechtbank de maatregel goed die hij geschikt acht in de omstandigheden van het geval, zonder maatregelen om geldvorderingen veilig te stellen, uit te sluiten (artikel 755 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In het bijzonder is de rechtbank bevoegd om:

  • de rechten en plichten van de partijen of de deelnemers aan de procedure vast te stellen voor de duur daarvan;
  • de vervreemding van goederen of rechten waarop de procedure betrekking heeft, te verbieden;
  • de uitvoeringsprocedure of een andere procedure voor de uitvoering van een gerechtelijke uitspraak op te schorten;
  • kwesties in verband met toezicht op minderjarige kinderen en de contacten met kinderen te regelen;
  • de inschrijving van een passende vermelding in het kadaster of in een ander geschikt register te bevelen.

Bij de keuze voor het type maatregel is het van belang om rekening te houden met de belangen van de partijen of de deelnemers aan de procedure, zodat de schuldeiser een passende rechtsbescherming krijgt en dat de schuldenaar geen overmatige last hoeft te dragen.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Procedures inzake voorlopige of beschermende maatregelen kunnen op de volgende wijze worden ingeleid:

  • op verzoek van een partij of een deelnemer bij de procedure, dat wordt ingediend bij de rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van de zaak in eerste aanleg. Als het niet mogelijk is om die rechtbank aan te duiden, is de bevoegde rechtbank de rechtbank van het rechtsgebied waarin de maatregel moet worden uitgevoerd, en, bij gebrek aan die bevoegdheidsgrondslag of wanneer de maatregel moet worden uitgevoerd in het rechtsgebied van verschillende rechtbanken, is de bevoegde rechtbank de districtsrechtbank van Warschau (“sąd rejonowy dla m.st. Warszawy”). Een verzoek om een voorlopige of beschermende maatregel dat wordt ingediend tijdens een procedure, wordt beoordeeld door de rechtbank waar de genoemde procedure aanhangig is gemaakt, behalve wanneer dat het Hooggerechtshof (“Sąd Najwyższy”) is. In het laatste geval wordt het verzoek beoordeeld door de in eerste aanleg bevoegde rechtbank (artikel 734 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering);
  • van rechtswege, wanneer de procedure van rechtswege kan worden ingesteld (artikel 732 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Het verzoek om een beschermende of voorlopige maatregel moet schriftelijk worden opgesteld. Het moet voldoen aan de vereisten van een procedureel geschrift. Het moet bovendien vermelden welk type maatregel moet worden bevolen en, in het geval van een zaak betreffende geldvorderingen, welk bedrag veilig moet worden gesteld (dit bedrag mag niet hoger zijn dan het bedrag van de vordering vermeerderd met rente die wordt berekend tot aan de datum van de uitspraak waarmee de maatregel wordt opgelegd en de uitvoeringskosten van de maatregel. Het veilig te stellen bedrag kan ook een raming van de proceskosten omvatten). Het verzoek moet ook de omstandigheden vermelden die het verzoek rechtvaardigen. Indien een verzoek om een voorlopige of beschermende maatregel is ingediend vóór aanvang van de procedure, moet ook kort de grond van de zaak uiteen worden gezet (artikel 736 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Een voorlopige of beschermende maatregel kan worden opgelegd vóór aanvang van de procedure of tijdens de procedure. Als de schuldenaar een executoriale titel heeft ontvangen, mag een maatregel alleen maar worden toegekend als deze tot doel heeft om een vordering te beschermen waarvan de uitvoeringstermijn nog niet is verlopen (artikel 730, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Wanneer er een voorlopige of beschermende maatregel wordt bevolen vóór aanvang van een procedure, bepaalt de rechter de termijn waarbinnen het stuk dat het geding inleidt, moet worden ingediend op straffe van nietigheid van de maatregel. Deze termijn mag niet langer zijn dan twee weken (artikel 733 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Het verzoek om een voorlopige of beschermende maatregel moet onmiddellijk en uiterlijk één week na ontvangst ervan door de rechtbank worden onderzocht, behalve als de wet anders bepaalt. Als de wet bepaalt dat het verzoek moet worden onderzocht tijdens een hoorzitting, moet de datum daarvan zo worden vastgesteld dat er binnen een maand na ontvangst van het verzoek door de rechtbank wordt gehandeld (artikel 737 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

De toekenning van voorlopige of beschermende maatregelen gebeurt op basis van een gerechtelijke uitspraak.

2.2 De basisvereisten

Om toekenning van voorlopige of beschermende maatregelen kan worden verzocht bij elke civiele zaak die onder de bevoegdheid valt van een rechtbank of een hof van arbitrage (artikel 730 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

De voorwaarden voor toekenning van voorlopige of beschermende maatregelen zijn de volgende: de aannemelijkheid van de vordering en het juridische belang van de maatregel moeten worden gerechtvaardigd. Er is sprake van rechtsbelang van een voorlopige of beschermende maatregel wanneer de afwezigheid van zo'n maatregel de uitvoering van een rechtsbesluit dat is verstrekt in een zaak onmogelijk of zeer moeilijk maakt of op een andere wijze de uitvoering van het doel van de procedure onmogelijk of zeer moeilijk maakt (artikel 7301 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

De voorlopige of beschermende maatregel mag niet gericht zijn op het voldoen van een vordering, behalve als de wet anders bepaalt (artikel 731 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

De rechtbank kan de uitvoering van een beslissing van toekenning van een voorlopige of beschermende maatregel laten afhangen van de betaling van een borg door de schuldeiser ter garantie van de vordering van de schuldenaar die is ontstaan door de uitvoering van de beslissing over de toekenning van de maatregel, behalve wanneer de openbare schatkist de schuldeiser is of wanneer de maatregel gericht is op de bescherming van een alimentatie, een uitkering of bedragen die verschuldigd zijn aan een werknemer in het kader van het arbeidsrecht, en dit voor een deel dat niet hoger is dan het gehele maandsalaris (artikel 739 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

De volgende goederen kunnen het doel zijn van een voorlopige of beschermende maatregel:

  • roerende goederen;
  • het salaris;
  • de bankrekening of andere vorderingen of andere vermogensrechten;
  • onroerende goederen;
  • schepen of schepen in aanbouw;
  • een recht van mede-eigendom van een ruimte;
  • een onderneming of een landbouwbedrijf, een etablissement dat deel uitmaakt van een onderneming of van een deel daarvan of van een deel van een landbouwbedrijf.

Een voorlopige of beschermende maatregel mag geen betrekking hebben op goederen, vorderingen en rechten waarvan de uitvoering is uitgesloten. Op goederen die snel kunnen bederven, kan een voorlopige of beschermende maatregel van toepassing zijn als de schuldenaar geen andere goederen heeft die de aanspraak van de schuldeiser kunnen beschermen en als de mogelijkheid bestaat om die goederen meteen te gelde te maken.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

De hoofdfunctie van de procedure voor toekenning van een voorlopige of beschermende maatregel is om de houder van een recht (doorgaans de schuldeiser) bescherming te bieden tegen de mogelijke negatieve gevolgen in verband met de duur van de zaak die door de rechtbank (of buitengerechtelijk) wordt behandeld en om zijn situatie in de uitvoeringsprocedure te verbeteren als het doel van de gerechtelijke procedure en de maatregel een opeisbare schuld is. Een voorlopige of beschermende maatregel kan, op beperkte wijze, ook dienen voor het verkrijgen, door de gemachtigde entiteit, van een prestatie in contant geld.

Daarnaast kan een voorlopige of beschermende maatregel een reactie zijn op handelingen van de schuldenaar die schade toebrengen aan de rechtmatige belangen van de schuldeiser.

Afhankelijk van het type gekozen maatregel verschillen de gevolgen voor de schuldenaar en kunnen deze als volgt zijn:

  • bij beslag op een roerend goed is het beheer van dit goed na het beslag niet van invloed op het verdere verloop van de procedure. De uitvoeringsprocedure ten aanzien van het in beslag genomen goed kan ook ten opzichte van de koper worden uitgevoerd;
  • bij beslag op een bankrekening van de ondernemer of eigenaar van een landbouwbedrijf, mag de schuldenaar alleen door de rechtbank vastgestelde bedragen opnemen voor de betaling van de lopende salarissen, pensioenpremies en overige wettelijke kosten en voor de betaling van de lopende kosten in verband met de economische activiteiten;
  • de schuldenaar heeft slechts een beperkte mogelijkheid om te genieten van overige vorderingen en vermogensrechten waarop beslag is gelegd (de wijze van genot wordt vastgesteld door de rechtbank);
  • een gerechtsdeurwaarder mag elk in beslag genomen goed verkopen, evenals de rechten die voortvloeien uit financiële instrumenten die zijn geregistreerd op de rekening van roerende goederen of een andere rekening in de zin van de bepalingen ten aanzien van de handel in financiële instrumenten en mag het aldus verkregen bedrag op de depositorekening van de rechtbank zetten;
  • de schuldenaar mag geen onroerend goed, noch een recht van mede-eigendom van een ruimte vervreemden of bezwaren;
  • een schip of een schip in aanbouw van de schuldenaar mag worden bezwaard met een scheepshypotheek;
  • de schuldenaar kan uit het bestuur worden gezet en er kan een gerechtelijk bewind worden ingesteld, waarbij de inkomsten die voortvloeien uit het gerechtelijke bewind het doel van het beslag vormen;
  • bij zaken met betrekking tot alimentatie kan de schuldenaar gehouden zijn om aan de schuldeiser, in één keer of periodiek, een bepaald geldbedrag te betalen.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

De schuldenaar mag op ongeacht welk moment verzoeken om nietigverklaring of wijziging van de wettelijk bindende beslissing waarmee een voorlopige of beschermende maatregel is toegekend als de reden van de goedkeuring van de maatregel ophoudt te bestaan of verandert (artikelen 742, 7541, lid 3, en 757 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

De maatregel vervalt als:

  • de schuldenaar het te garanderen bedrag dat wordt geëist door de houder in het verzoek om toekenning van de maatregel, op de depositorekening van de minister van Financiën stort;
  • de vordering of het verzoek bij een definitieve rechterlijke beslissing wordt afgewezen of verworpen;
  • de vordering of het verzoek wordt afgewezen of de procedure wordt beëindigd;
  • de eiser niet de hele vordering in de zaak indient of andere vorderingen indient dan degene die waren gegarandeerd vóór aanvang van de procedure,
  • de rechterlijke beslissing tot toewijzing van de bij de maatregel veiliggestelde vordering definitief wordt (de maatregel vervalt een maand nadat de beslissing definitief is geworden),
  • de eiser niet binnen een termijn van twee weken nadat de rechterlijke beslissing tot toewijzing van de bij de maatregel veiliggestelde vordering definitief is geworden, verzoekt om andere uitvoeringsmaatregelen in zaken waar een voorlopige of beschermende maatregel is toegekend in de vorm van beslag op een roerend goed, beslag op salaris, derdenbeslag op een bankrekening of beslag van een andere vordering of een ander financieel recht, of in de vorm van gerechtelijke bewindvoering van een onderneming of een landbouwbedrijf van de schuldenaar of van een vestiging die deel uitmaakt van een onderneming of een deel daarvan of van een deel van het landbouwbedrijf van de schuldenaar.

De maatregel vervalt ook (artikel 7541 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering):

  • twee maanden nadat de beslissing tot toewijzing van de vordering die door de maatregel wordt veiliggesteld, definitief wordt of nadat een beslissing tot verwerping van een hoger beroep of ander rechtsmiddel, ingesteld door de schuldenaar tegen een beslissing tot toewijzing van de door de maatregel veiliggestelde vordering, definitief wordt;
  • wanneer de schuldenaar niet om andere tenuitvoerleggingsmaatregelen verzoekt binnen een maand nadat de beslissing tot toewijzing van de vordering die door de maatregel wordt veiliggesteld, definitief wordt of nadat een beslissing tot verwerping van een hoger beroep of ander rechtsmiddel, ingesteld door de schuldenaar tegen een beslissing tot toewijzing van de door de maatregel veiliggestelde vordering, definitief wordt, in het geval van maatregelen die onder meer beslag op roerende goederen betreffen.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

De eiser kan, net als de schuldenaar, bezwaar aantekenen tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van een voorlopige of beschermende maatregel (artikel 741 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Laatste update: 24/09/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Portugees) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.
De volgende vertalingen zijn al beschikbaar: Engels

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Portugal

1 De verschillende soorten maatregelen

Voorlopige en conservatoire maatregelen zijn bedoeld om in bepaalde juridische situaties bescherming te bieden, bijvoorbeeld: a) voorlopige maatregelen in het kader van de wettelijke regeling voor begeleide volwassenen als vastgesteld in De link wordt in een nieuw venster geopend.Wet nr. 49/2018 van 14 augustus 2018; b) voorlopige bewindvoering over het vermogen van iemand die afwezig is (artikel 1021 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering); c) aanstelling van een bewindvoerder ad litem (artikel 17 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering); d) maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van goederen die deel uitmaken van een onbeheerde nalatenschap (artikel 938 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Het doel van beschermende maatregelen (zoals bijvoorbeeld vermeld in de artikelen 362 e.v. van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) is periculum in mora wegnemen (de vrees dat er in afwachting van de uitspraak van de rechter ernstige en onherstelbare schade zal worden aangericht aan het betreffende recht) en zeker stellen dat de eindbeslissing ten uitvoer zal kunnen worden gelegd (zie artikel 2 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Tenzij de omkering van de verantwoordelijkheid voor de inleiding van het geding wordt gelast, betreffen beschermingsprocedures zaken op basis van beschermde rechten (artikel 364 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering); het doel is het beschermen van of het voorlopig anticiperen op de gevolgen van de definitieve maatregel, ervan uitgaande dat de in het hoofdgeding gegeven beslissing ten gunste van de verzoeker zal zijn.

De dreiging van periculum in mora geeft het gerecht de bevoegdheid om via een verkorte procedure betreffende een voorlopige voorziening een materiële rechtsbetrekking te beoordelen die vervolgens grondiger en meer uitgebreid moet worden onderzocht; indien de beoordeling in deze verkorte procedure ten gunste van de verzoeker uitvalt, worden er maatregelen gelast waarmee bescherming tegen de bedreiging wordt geboden.

Beschermende maatregelen hebben tot doel de praktische resultaten van de procedure zeker te stellen, ernstige schade te voorkomen of te anticiperen op het verwezenlijken van het recht, en daarmee een zo goed mogelijk evenwicht te vinden tussen de belangen van snelheid en rechtszekerheid.

Het Portugese wetboek van burgerlijke rechtsvordering voorziet in twee soorten beschermende maatregelen:

a) gewone beschermende maatregelen (artikelen 362 tot en met 376 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

b) gespecificeerde beschermende maatregelen (artikelen 377 tot en met 409 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Voor de eerste soort geldt artikel 362 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, dat erin voorziet dat, waar is aangetoond dat er een gerechtvaardigde vrees bestaat dat rechten ernstig en onherstelbaar kunnen worden aangetast en geen van de bij wet vastgestelde beschermende maatregelen geschikt is voor de zaak in kwestie, de belanghebbende mag verzoeken om de passende conservatoire of anticiperende maatregel om de doeltreffendheid van het bedreigde recht zeker te stellen (artikel 362, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Het belang van de verzoeker kan gebaseerd zijn op een bestaand recht of op een recht dat voortkomt uit een beslissing die moet worden gegeven in een bodemprocedure, ongeacht of deze procedure al aanhangig is of niet (artikel 362, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Gewone beschermende maatregelen zijn niet van toepassing als het de bedoeling is bescherming te bieden tegen het risico van schade dat wordt voorkomen door een van de gespecificeerde maatregelen (artikel 362, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Gespecificeerde beschermende maatregelen zijn de maatregelen waarin uitdrukkelijk wordt voorzien in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering of in afzonderlijke wetgeving.

De onderstaande maatregelen zijn de gespecificeerde beschermende maatregelen die zijn vastgesteld in het Portugese wetboek van burgerlijke rechtsvordering:

a) voorlopig herstel van eigendom (artikel 377 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

b) opschorting van beslissingen van ondernemingen (artikel 380 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

c) voorlopige onderhoudsbijdrage (artikel 384 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

a) voorlopige schadeloosstelling (artikel 388 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

e) beslaglegging (artikel 391 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

f) verbod op nieuwe werkzaamheden (artikel 397 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

g) het in bewaring nemen van zaken (artikel 403 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

Iemand die aantoont dat er sprake is van terechte vrees dat een ander zijn of haar rechten ernstig en onherstelbaar kan schaden, kan verzoeken om de passende conservatoire of anticiperende maatregel om het bedreigde recht zeker te stellen (artikel 362, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Het belang van de verzoeker kan gebaseerd zijn op een bestaand recht of op een recht dat voortkomt uit een beslissing die moet worden gegeven in een bodemprocedure, ongeacht of deze procedure al aanhangig is of niet (artikel 362, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Dergelijke maatregelen worden getroffen indien het zeer waarschijnlijk is dat het recht een reëel recht is en er een voldoende goed gemotiveerd risico bestaat dat het wordt geschonden (artikel 368, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Het gerecht mag het verzoek tot maatregelen echter afwijzen indien de schade voor de verweerder die het gevolg zou zijn van het instemmen met het verzoek veel groter zou zijn dan de schade die de verzoeker wil vermijden met de maatregel (artikel 368, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Het subsidiaire gebruik van gewone beschermende maatregelen is ook afhankelijk van het ontbreken van een gespecificeerde beschermende maatregel die passend is voor de betrokken situatie (artikel 362, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Zo gelden de volgende wettelijke vereisten voor de niet-gespecificeerde preventieve maatregelen als bedoeld in artikel 362 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering:

a) het duidelijke bestaan van een recht;

b) de gegronde vrees dat een ander iemands recht ernstig en onherstelbaar kan beschadigen (periculum in mora);

c) de praktische geschiktheid van de conservatoire of anticiperende maatregel om de doeltreffendheid van het bedreigde recht zeker te stellen;

d) de maatregel waarom wordt verzocht mag niet het voorwerp uitmaken van andere beschermingsprocedures.

Om maatregelen te kunnen gelasten, moet er summier bewijs zijn van de ernstige waarschijnlijkheid dat het aangevoerde recht een reëel recht (fumus bonis juris) is en van de gerechtvaardigde vrees dat de tijd die nog nodig is om tot een definitieve uitspraak over het geschil te komen, tot onherstelbare of moeilijk herstelbare schade kan leiden (periculum in mora). De rechter moet geneigd zijn te geloven dat het hoofdgeding gunstig zal uitvallen voor de verzoeker, aangezien beschermende maatregelen duidelijk tot inmenging in de rechtssfeer van de verweerder zullen leiden (artikel 368, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Gespecificeerde beschermende maatregelen

a) Voorlopig herstel van eigendom: in het geval van beroving met geweld mag de eigenaar, die bezit, beroving en geweld aanvoert, erom verzoeken dat zijn of haar eigendom voorlopig aan hem of haar wordt teruggegeven. Indien de rechter bij het onderzoek van het bewijs van oordeel is dat de verzoeker de bezitter was en met geweld van het bezit is beroofd, mag de rechter dit herstel gelasten zonder de dader te dagvaarden of te horen (artikelen 377, 378 en 379 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

b) Opschorting van beslissingen van ondernemingen: als een vereniging of bedrijf, van welke aard dan ook, beslissingen neemt die indruisen tegen de wet, de statuten of de akte van oprichting mag elke partner, binnen tien dagen (met ingang van de datum van de vergadering waarop de beslissingen zijn genomen of de datum waarop de verzoeker hiervan kennis heeft gekregen als de verzoeker niet naar behoren is uitgenodigd voor de vergadering), verzoeken om opschorting van uitvoering van deze beslissingen. De partner moet zijn of haar status als partner aantonen en bewijzen dat de tenuitvoerlegging van de beslissingen ernstige schade kan aanrichten. Het verzoekschrift moet vergezeld gaan van een afschrift van de notulen van de vergadering waarop de beslissingen zijn genomen; het afschrift van deze notulen kan, met uitzondering van jaarlijkse algemene vergaderingen, worden vervangen door schriftelijk bewijs van de beslissing (artikelen 380 tot en met 383 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

c) Voorlopige onderhoudsbijdrage: iemand die recht heeft op een onderhoudsbijdrage kan erom verzoeken dat het maandelijkse bedrag dat hij of zij zou moeten ontvangen wordt vastgesteld in de vorm van een voorlopige onderhoudsbijdrage, mits de eerste definitieve betaling niet is gedaan. Zodra het gerecht het verzoekschrift tot een voorlopige onderhoudsbijdrage heeft ontvangen, wordt er een datum vastgesteld voor de hoorzitting en wordt aan partijen te kennen gegeven dat ze daar persoonlijk moeten verschijnen of zich moeten laten vertegenwoordigen door een gevolmachtigde die de bevoegdheid heeft om een schikking aan te gaan. Het verweer wordt op de hoorzitting zelf ingediend en de rechter tracht tot een overeenkomst over de onderhoudsbijdrage te komen die vervolgens bij een rechterlijke uitspraak wordt goedgekeurd (artikelen 384 tot en met 387 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Bij afwezigheid van een van de partijen, of indien er geen overeenstemming kan worden bereikt, gelast de rechter de bewijsverkrijging alvorens een mondelinge uitspraak te doen, die beknopt moet worden gemotiveerd (artikel 385, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

d) Voorlopige schadeloosstelling: in verband met vorderingen tot schadeloosstelling bij overlijden of lichamelijk letsel, mogen de benadeelde en partijen die recht hebben op onderhoudsbijdragen van de benadeelde, alsook degenen aan wie het slachtoffer uit hoofde van een natuurlijke verplichting een onderhoudsbijdrage betaalde, een verzoek indienen tot toekenning van een bepaald geldbedrag in de vorm van een maandelijkse som als voorlopige schadeloosstelling. De rechter kent de gevraagde maatregel toe indien wordt bewezen dat er sprake is van een noodsituatie als gevolg van de geleden schade en dat de verweerder verplicht is tot schadeloosstelling. De voorlopige regeling, die moet worden bekrachtigd in de definitieve schaderegeling, wordt naar billijkheid door het gerecht vastgesteld. Dit is ook van toepassing op zaken waar de vordering tot schadevergoeding ook gebaseerd is op schade die het levensonderhoud of de huisvesting van de benadeelde partij ernstig in gevaar kan brengen. De bovengenoemde punten met betrekking tot een voorlopige onderhoudsbijdrage zijn ook van overeenkomstige toepassing op de verwerking van deze maatregel (artikelen 388, 389 en 390 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

e) Beslaglegging: een schuldeiser die de gerechtvaardigde vrees heeft dat activa die als zekerheid dienen voor zijn of haar vordering verloren zullen gaan, kan het gerecht verzoeken om beslag te leggen op die activa. De partij die om beslaglegging verzoekt, voert de feiten aan waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat de vordering bestaat en dat de vrees gerechtvaardigd is, en verstrekt een lijst van goederen waarop beslag moet worden gelegd, samen met alle informatie die nodig is om het onderzoek af te ronden. Als wordt verzocht om beslaglegging ten aanzien van de koper van de goederen van de schuldenaar voert de verzoeker, mits niet wordt aangetoond dat de betreffende aankoop voor het gerecht wordt aangevochten, nog altijd de feiten aan die aannemelijk maken dat de betwisting gerechtvaardigd is (artikelen 391 tot en met 396 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Na onderzoek van het bewijs wordt de beslaglegging bevolen zonder de andere partij te horen, mits de rechter van oordeel is dat is voldaan aan de wettelijke vereisten (artikel 393, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

In het geval van beslaglegging op schepen of op de vracht van schepen is de verzoeker ervoor verantwoordelijk om, naast het voldoen aan de algemene vereisten, aan te tonen dat het beslag gezien de aard van de vordering toelaatbaar is (artikel 394, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). In dit geval wordt er geen beslag gelegd indien de schuldenaar onmiddellijk een zekerheid stelt die door de schuldeiser wordt aanvaard of die door de rechter binnen twee dagen passend wordt geacht, waarbij het vertrek van het schip moet worden uitgesteld totdat de zekerheid is gesteld (artikel 394, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

f) Verbod op nieuwe werkzaamheden: eenieder die van mening is dat zijn of haar recht als enige eigenaar of als mede-eigenaar of een ander zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht of eigendomsrecht wordt aangetast als gevolg van nieuwe werkzaamheden of diensten die de desbetreffende schade voor de betrokken partij veroorzaken of waarvan aannemelijk is dat die schade daardoor wordt veroorzaakt, kan, binnen dertig dagen vanaf de datum waarop de partij kennis krijgt van de feiten, om de onmiddellijke opschorting van de werkzaamheden of de diensten verzoeken. De verzoeker mag het verbod ook rechtstreeks buitengerechtelijk opleggen door de ontwikkelaar, of bij afwezigheid daarvan, de persoon die de leiding heeft of diens plaatsvervanger, in het bijzijn van twee getuigen, mee te delen dat de werkzaamheden of diensten moeten worden stopgezet. Dit buitengerechtelijke verbod is niet rechtsgeldig indien er niet binnen vijf dagen een verzoek tot bekrachtiging ervan bij het gerecht wordt ingediend (artikelen 397 tot en met 402 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

g) Het in bewaring nemen van zaken: indien er een redelijke vrees bestaat dat roerende of onroerende zaken of documenten verloren zullen gaan, verborgen zullen worden of zullen worden weggemaakt, kan worden verzocht om het in bewaring nemen ervan. Dit in bewaring nemen is gekoppeld aan de procedure die betrekking heeft op het specificeren van goederen of bewijs van bezit van de rechten op de in bewaring genomen goederen (artikelen 403 tot en met 409 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Om inbewaringneming mag worden verzocht door eenieder die een belang heeft bij het behoud van de goederen of documenten, maar schuldeisers mogen alleen in zaken die aanleiding geven tot de afwikkeling van een nalatenschap om inbewaringneming verzoeken. De verzoeker moet summier bewijs aandragen van zijn of haar rechten op de goederen en de feiten aanvoeren waarop de vrees voor het verlies of de wegmaking ervan is gebaseerd. Als de rechten op de goederen afhankelijk zijn van een geding dat nog moet worden ingeleid of al aanhangig is, moet de verzoeker het gerecht ervan overtuigen dat het aannemelijk is dat het betrokken verzoekschrift rechtsgeldig is. Zodra het gevraagde bewijs is verstrekt, worden de maatregelen toegekend indien de rechter van oordeel is dat het belang van de verzoeker zonder de inbewaringneming ernstig gevaar loopt.

2.1 De procedure

Met uitzondering van het verbod op nieuwe werkzaamheden, waarvoor het mogelijk is eerst buitengerechtelijke maatregelen te treffen, gevolgd door een verzoekschrift tot bekrachtiging door het gerecht (artikel 397, leden 2 en 3, van het wetboek van strafvordering), zijn alle andere beschermende maatregelen gebaseerd op een inleidend verzoekschrift bij het gerecht waarin de verzoeker summier bewijs aandraagt van het bedreigde recht en de vrees van schade rechtvaardigt. In het kader van dit verzoek wordt een lijst verstrekt van getuigen en wordt om ander bewijs verzocht, met een maximum van vijf getuigen, conform artikel 365 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

Op verzoek kan de rechter, in de beslissing waarin de maatregel wordt gelast, de verzoeker ontslaan van de verplichting om het hoofdgeding in te leiden indien het tijdens de procedure verkregen materiaal ertoe heeft geleid dat de rechter van oordeel is dat het beschermde recht een reëel recht is en de aard van de gelaste maatregel passend is om tot een definitieve beslechting van het geschil te komen (artikel 369, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Deze vrijstelling kan worden aangevraagd tot het einde van de laatste hoorzitting. In het geval van een niet-contradictoire procedure mag de verweerder verweer voeren tegen de omkering van de verantwoordelijkheid voor de inleiding van het geding en tegelijkertijd de gelaste maatregel aanvechten (artikel 369, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Het regime van de omkering van de verantwoordelijkheid voor de inleiding van het geding is van overeenkomstige toepassing op het voorlopige herstel van eigendom, de opschorting van beslissingen van ondernemingen, de voorlopige onderhoudsbijdrage, het verbod op nieuwe werkzaamheden en andere in afzonderlijke wetgeving vastgestelde maatregelen die, vanwege de aard ervan, een definitieve beslechting van het geschil mogelijk maken (artikel 376, lid 4, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Indien in de wet niet is bepaald dat de maatregel wordt getroffen zonder de verweerder te horen, wordt de verweerder door het gerecht gehoord, tenzij de hoorzitting het doel of de doeltreffendheid van de maatregel ernstig in het gedrang zou kunnen brengen (artikel 366, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Indien de verweerder wordt gehoord voordat er een maatregel wordt gelast, wordt hij of zij gedagvaard om binnen tien dagen verweer te voeren. De dagvaarding wordt door een kennisgeving vervangen indien de verweerder al voor de hoofdprocedure is gedagvaard (artikel 366, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Indien de termijn voor het instellen van verweer is verstreken en de verweerder is gehoord, wordt, indien van toepassing, het vereiste of door het gerecht vastgestelde bewijs verzameld (artikel 367, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Indien de verweerder niet is gehoord en de maatregel wordt gelast, wordt de verweerder pas van die beslissing in kennis gesteld nadat deze is genomen (artikel 366, lid 6, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Na de kennisgeving kan de verweerder in algemene zin beroep instellen tegen de beslissing waarbij de maatregel wordt gelast, indien hij of zij van mening is dat de maatregel, gezien de feiten, niet had mogen worden gelast. Ook kan de verweerder verweer instellen indien hij of zij feiten of bewijzen wil aanvoeren waarmee het gerecht geen rekening heeft gehouden en die de grondslag voor de beschermende maatregel kunnen wegnemen of afzwakken (artikel 372, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De verweerder mag, met behulp van een van de bovengenoemde middelen, de beslissing inzake de omkering van de verantwoordelijkheid voor de inleiding van het geding aanvechten (artikel 372, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Indien de verweerder verweer instelt, moet het gerecht beslissen of de eerder gelaste maatregel wordt gehandhaafd, afgezwakt of ingetrokken. Tegen deze beslissing en, indien van toepassing, tegen de handhaving of intrekking van de omkering van de verantwoordelijkheid voor de inleiding van het geding kan er beroep worden ingesteld, hetgeen in voorkomend geval leidt tot de levering van het vereiste bewijs of tot de ambtshalve vaststelling van het bewijs door het gerecht (artikel 372, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Wat de territoriale bevoegdheid betreft, wordt in artikel 78 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaald dat:

a) verzoekschriften tot beslaglegging en het in bewaring nemen van goederen kunnen worden ingediend bij het gerecht waar de verwante procedures moeten worden ingeleid, of bij het gerecht van de plaats waar de activa zich bevinden, of, indien er zich in meerdere districten activa bevinden, in één van die districten (artikel 78, lid 1, punt a), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

b) de bevoegdheid voor een verbod op nieuwe werkzaamheden bij het gerecht berust dat bevoegd is voor de plaats waar de werkzaamheden moeten worden verricht (artikel 78, lid 1, punt b), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

c) wat de andere beschermende maatregelen betreft, het gerecht bevoegd is waar het verwante geding moet worden ingeleid (artikel 78, lid 1, punt c), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Indien de verantwoordelijkheid voor de inleiding van het geding niet is omgekeerd, wordt de procedure aan het gedingdossier toegevoegd zodra het geding is ingeleid; indien het geding wordt ingeleid bij een ander gerecht wordt de procedure overgedragen aan dat gerecht, dat bij uitsluiting bevoegd is voor het verdere verloop van de procedure (artikel 78, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Indien er gedurende een procedure om beschermende maatregelen wordt verzocht, moet het betrokken verzoek worden ingediend bij het gerecht waarbij het hoofdgeding aanhangig is, tenzij er een beroepsprocedure aanhangig is. In dat geval vindt de samenvoeging pas plaats nadat de beroepsprocedure is afgerond of indien de hoofdprocedure naar het gerecht van eerste aanleg wordt verwezen (artikel 364, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Vertegenwoordiging door een advocaat is verplicht indien de waarde van de maatregel hoger is dan 5 000,00 EUR of als er beroep kan worden aangetekend, conform de artikelen 58 en 1090 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering juncto artikel 44, lid 1, van de wet op de rechterlijke organisatie (Lei da Organização do Sistema Judiciário).

De waarde van beschermende maatregelen wordt als volgt bepaald:

a) voor voorlopige onderhoudsbijdragen en voorlopige schadeloosstelling: het gevraagde maandelijkse bedrag vermenigvuldigd met twaalf (artikel 304, lid 3, punt a), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

b) voor voorlopig herstel van eigendom: de waarde van het voorwerp dat aan de eigenaar is ontnomen (artikel 304, lid 3, punt b), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

c) voor het opschorten van beslissingen van ondernemingen: de omvang van de schade (artikel 304, lid 3, punt c), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

d) voor een verbod op nieuwe werkzaamheden en niet-gespecificeerde beschermende maatregelen: de te voorkomen schade (artikel 304, lid 3, punt d), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

e) voor beslaglegging: de hoogte van het te garanderen bedrag van de vordering (artikel 304, lid 3, punt e), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

f) voor het in bewaring nemen van zaken: de waarde van de in bewaring genomen zaken (artikel 304, lid 3, punt f), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2.2 De basisvereisten

Bij het beoordelen van de criteria voor het bevelen van een beschermende maatregel moet het gerecht altijd onderzoeken of de aangevoerde vrees gegrond is, hoe ernstig de mogelijke schending van het betrokken recht is en hoe moeilijk dit te herstellen zal zijn. Ook beoordeelt het gerecht of de conservatoire of anticiperende maatregel passend is in de specifieke zaak, wat betreft het veiligstellen van het vermeend bedreigde recht. Het gerecht moet vaststellen dat verder uitstel een risico met zich zou meebrengen.

Ook onderzoekt het gerecht of de procedure daadwerkelijk of mogelijk afhangt van een ingestelde of in te stellen nieuwe procedure op basis van het te beschermen recht.

In deze vorm van procedure moet voor het gerecht summier (d.w.z. minder nauwgezet dan in de hoofdprocedure) worden aangetoond dat het echt aannemelijk is dat het te beschermen recht bestaat en moet de vrees dat dit recht wordt geschaad voldoende wordt gerechtvaardigd.

Alle beschermende maatregelen worden als urgent beschouwd en gaan voor op andere, niet‑urgente rechtshandelingen (artikel 363, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Hierover moet in eerste aanleg binnen maximaal twee maanden worden beslist of, indien de verweerder niet hoeft te worden gedagvaard, binnen vijftien dagen (artikel 363, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Rechten en onroerende en roerende zaken die niet geheel of gedeeltelijk bij wet zijn uitgesloten, kunnen het voorwerp zijn van beschermende maatregelen.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Aangezien beschermende maatregelen door de gerechten worden gelast, zijn zij bindend voor alle publieke en particuliere entiteiten en hebben zij voorrang op door een andere instantie vastgestelde maatregelen (artikel 205, lid 2, van de grondwet van de Portugese Republiek). Eenieder die de vastgestelde beschermende maatregel schendt, krijgt de sanctie opgelegd voor gekwalificeerde niet-naleving, onverminderd de maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging ervan (artikel 375 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Ongeacht of de verzoeker wordt ontslagen van de verplichting tot het inleiden van het hoofdgeding, wordt in artikel 373 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaald dat de bewaringsprocedure wordt beëindigd en dat de beschermende maatregel, wanneer deze is uitgevaardigd, vervalt:

a) indien de verzoeker de procedure waarvan de maatregel afhankelijk is niet inleidt binnen dertig dagen na de datum waarop aan de verzoeker kennisgeving is gedaan van het feit dat de beslissing waarin de maatregel werd gelast kracht van gewijsde heeft gekregen (artikel 373, lid 1, punt a), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

b) indien, nadat de procedure is ingeleid, de procedure langer dan dertig dagen wordt gestaakt als gevolg van nalatigheid vanwege de verzoeker (artikel 373, lid 1, punt b), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

c) indien de procedure bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing niet ontvankelijk wordt verklaard (artikel 373, lid 1, punt c), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

d) indien de verweerder in het gelijk wordt gesteld en de verzoeker niet tijdig een nieuwe procedure heeft ingeleid waarmee hij of zij de gevolgen van de eerdere procedure kan benutten (artikel 373, lid 1, punt d), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);

e) indien het recht dat de verzoeker wil beschermen, is vervallen (artikel 373, lid 1, punt e), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Onverminderd de regels inzake de verdeling van de bewijslast wordt de verweerder, zodra de beslissing waarin de beschermende maatregel is gelast en de verantwoordelijkheid voor de inleiding van het geding is omgekeerd kracht van gewijsde heeft gekregen, ervan op de hoogte gesteld dat een procedure om het bestaan van het beschermde recht aan te vechten binnen dertig dagen na de kennisgeving moet worden ingesteld, aangezien de vastgestelde maatregel anders wordt vastgelegd als definitieve component van het geschil (artikel 371, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Dezelfde regeling is van toepassing indien, nadat de procedure is ingeleid, de procedure langer dan dertig dagen wordt gestaakt als gevolg van nalatigheid vanwege de verzoeker of indien de verweerder in het gelijk wordt gesteld en de verzoeker nalaat tijdig een nieuwe procedure in te leiden waarmee hij of zij de gevolgen van de eerdere procedure kan benutten (artikel 371, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Het verstrijken van de gelaste maatregelen is afhankelijk van de geldigheid van de door de verzoeker ingeleide procedure, die bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt erkend (artikel 371, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Er kan een gewone beroepsprocedure worden ingesteld indien de waarde van de gelaste maatregelen de grens voor de bevoegdheid van het desbetreffende gerecht overschrijdt en indien de aangevochten beslissing voor meer dan de helft van dit bedrag nadelig is voor de partij die het beroep instelt (artikel 629, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Er kan ook altijd een beroep worden ingesteld tegen beslissingen over de waarde van beschermende maatregelen op grond van het feit dat de waarde de grens voor de bevoegdheid van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft genomen, overschrijdt (artikel 629, lid 3, punt b), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) en tegen beslissingen tot voorlopige afwijzing van het oorspronkelijke verzoek om beschermende maatregelen (artikel 629, lid 3, punt c), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Tegen beslissingen tot omkering van de verantwoordelijkheid voor de inleiding van het geding kan alleen beroep worden ingesteld in combinatie met een beroep tegen een beslissing over de gevraagde maatregel; beslissingen tot afwijzing van de omkering hebben kracht van gewijsde (artikel 370, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Er kan geen beroep bij het hooggerechtshof (Supremo Tribunal de Justiça) worden ingesteld tegen beslissingen waarin beschermende maatregelen worden gelast, waaronder beslissingen houdende omkering van de verantwoordelijkheid voor de inleiding van het geding; zulks onverminderd de gevallen waarin er altijd beroep mogelijk is (artikel 370, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Een beslissing kan worden aangevochten door:

  • een partij in de procedure die in het ongelijk wordt gesteld (artikel 631, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • eenieder die geen partij is in de procedure maar die als gevolg daarvan een direct en reëel verlies lijdt (artikel 631, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Het voor het beroep bevoegde gerecht is een gerecht van tweede aanleg in het district waar het gerecht is gevestigd dat de aangevochten beslissing heeft gegeven.

De termijn voor het instellen van beroep is vijftien dagen gerekend vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing (artikel 638, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Indien het beroep ook het opnieuw beoordelen van geregistreerd bewijs betreft, wordt de termijn met tien dagen verlengd (artikel 638, lid 7, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Een beroep dat wordt ingesteld tegen een beslissing waarbij de maatregel geheel wordt afgewezen of waarbij de maatregel niet wordt gelast, heeft schorsende werking (artikel 647, lid 3, punt d), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). In andere gevallen heeft het een zuiver devolutieve werking.

Toepasselijke wetgeving

De link wordt in een nieuw venster geopend.Wet nr. 41/2013 van 26 juni 2013 – Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

De link wordt in een nieuw venster geopend.Wet nr. 62/2013 van 26 augustus 2013 - Wet op de rechterlijke organisatie

Gerelateerde links

Nadere informatie is te vinden op de volgende websites:

De link wordt in een nieuw venster geopend.Justitieportaal (Portal da Justiça)

De link wordt in een nieuw venster geopend.Directoraat-generaal voor justitieel beleid (Direcção-Geral da Política de Justiça)

De link wordt in een nieuw venster geopend.Portaal Citius (Portal CITIUS)

De link wordt in een nieuw venster geopend.Database van juridische documenten (Bases Jurídico-Documentais)

De link wordt in een nieuw venster geopend.Portugees staatsblad (Diário da República)

Opmerking:

Het contactpunt van EJN-civiel, de rechtbanken of andere entiteiten en instanties zijn niet gebonden door de in dit informatieblad opgenomen gegevens. Hoewel dit informatieblad regelmatig worden bijgewerkt, blijft het nodig om de geldende wetgeving te raadplegen en is de interpretatie hiervan in de jurisprudentie aan wijzigingen onderhevig.

Laatste update: 09/03/2022

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Roemenië

1 De verschillende soorten maatregelen

De voorlopige maatregelen zijn conservatoir beslag, gerechtelijk beslag en derdenbeslag. Voorlopige maatregelen zijn procedurele maatregelen van beslag en bewaring die worden genomen door de rechtbank ten aanzien van het vermogen van de schuldenaar teneinde de tegenpartij te verhinderen om goederen te vernietigen/vervreemden of om activa te verminderen.

Conservatoir beslag is het beslag op traceerbare goederen van de schuldenaar teneinde deze te gelde te maken op het moment dat de schuldeiser een executoriale titel verkrijgt. Het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bevat een reeks bijzondere bepalingen ten aanzien van de procedure van conservatoir beslag op civiele schepen.

Gerechtelijk beslag is de inbeslagneming van goederen waarvan de bewaring wordt toevertrouwd aan een gerechtelijke bewaarder.

Er kan gerechtelijk beslag worden gelegd in het geval van een geding over eigendom of een ander belangrijk zakelijk recht, over het bezit van een goed of over het genot of beheer van een goed in mede-eigendom, waarbij de rechtbank toestemming kan geven tot het gerechtelijke beslag van het goed.

Er kan derdenbeslag worden gelegd op gelden, effecten of andere traceerbare immateriële roerende goederen die door een derde verschuldigd zijn aan de schuldenaar.

Executoriaal beslag is de vorm van de indirecte gedwongen uitvoering waarmee de bedragen, effecten of andere traceerbare immateriële roerende goederen te gelde worden gemaakt.

Bepaalde uitspraken in eerste aanleg zijn, van rechtswege, bij voorraad uitvoerbaar wanneer deze de vaststelling tot doel hebben van de wijze van uitoefening van de ouderlijke macht, van het recht om een persoonlijke band te hebben met de minderjarige en van de woonplaats van de minderjarige; beloningen, werkloosheidsuitkeringen; schadevergoedingen voor arbeidsongevallen; uitkeringen, alimentatie; gezinstoelagen en pensioenen; schadevergoedingen bij overlijden of schade aan de lichamelijke integriteit of aan de gezondheid; dringende reparaties; het aanbrengen of opheffen van verzegelingen of het opstellen van inventarissen; bezitsvorderingen; rechterlijke beslissingen die zijn uitgesproken waarbij de verweerder de aanspraken van de verzoeker erkent enz. De uitvoering van deze rechterlijke beslissingen heeft een voorlopig karakter.

De rechtbank kan toestemming geven voor de voorlopige uitvoering van rechterlijke beslissingen ten aanzien van goederen.

Met het oog op de verstrekking van bewijzen mag iedere persoon die dringend de getuigenis van een persoon, het advies van een deskundige, de staat van bepaalde goederen wil laten vaststellen of die de erkenning wil krijgen van een bewijsstuk, van een feit of van een recht, vóór of tijdens het proces, verzoeken om het beheer van die bewijzen.

Indien de houder het bewijs levert dat zijn intellectuele-eigendomsrechten het voorwerp zijn van een onrechtmatige handeling, ongeacht of deze al is verricht of op handen is, en dat deze handeling hem moeilijk te herstellen schade kan berokkenen, kan hij de rechtbank om voorlopige maatregelen verzoeken (verbod op de inbreuk of voorlopige staking van de inbreuk; maatregelen die nodig zijn met het oog op het behoud van bewijsmateriaal).

In het geval van schade veroorzaakt door de geschreven of audiovisuele media kan de rechtbank alleen een voorlopige stopzetting van de schadelijke handeling bevelen als de schade voor de verzoeker ernstig is, als de handeling kennelijk niet gerechtvaardigd is en als de maatregel van de rechtbank niet onevenredig lijkt te zijn in verhouding tot de veroorzaakte schade.

De rechtbank beslist over het verzoek conform de bepalingen inzake voorlopige bevelen. Wanneer het verzoek wordt ingediend voordat de vordering ten gronde wordt ingesteld, wordt in de rechterlijke beslissing waarbij de voorlopige maatregel wordt gelast, ook de termijn vastgesteld waarbinnen de vordering ten gronde aanhangig moet worden gemaakt, bij gebreke waarvan deze maatregel automatisch moet worden beëindigd. Indien de genomen maatregelen de tegenpartij waarschijnlijk schade zullen berokkenen, kan de rechtbank van de verzoeker een borgstelling verlangen ter hoogte van het door haar vastgestelde bedrag.

De maatregelen die vóór het instellen van een gerechtelijke procedure zijn genomen ter bescherming van het geschonden recht worden automatisch beëindigd indien de verzoeker niet binnen de door de rechtbank vastgestelde termijn en uiterlijk dertig dagen na de datum waarop zij zijn genomen, bij de rechtbank een vordering heeft ingesteld.

Indien de vordering ten gronde ongegrond wordt verklaard, is de verzoeker verplicht om op verzoek van de betrokken partij de schade te vergoeden die door de genomen voorlopige maatregelen is veroorzaakt. Indien de verzoeker echter niet of slechts in geringe mate in de fout is gegaan, kan de rechtbank, rekening houdend met specifieke omstandigheden, weigeren hem te veroordelen tot betaling van de door de tegenpartij gevorderde schadevergoeding, of kan zij gelasten dat deze wordt verminderd.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Het conservatoir beslag wordt door de rechtbank bevolen en de tenuitvoerlegging wordt door de tenuitvoerleggingsambtenaar uitgevoerd zonder enige machtiging of formaliteit, tenzij registratie. Bovendien wordt beslag gelegd zonder kennisgeving of voorafgaande kennisgeving aan de schuldenaar.

De maatregelen kunnen alleen worden bevolen door de rechtbank die bevoegd is om uitspraak te doen in de zaak in eerste aanleg (gerechtelijk beslag, derdenbeslag) of door de rechtbank die uitspraak doet in eerste aanleg of die zich in hetzelfde rechtsgebied bevindt als het betrokken goed (gerechtelijk beslag). Bijstand van een advocaat is niet verplicht voor deze bijzondere procedures. De uitvoering van de rechterlijke beslissingen ten aanzien van het conservatoir beslag en derdenbeslag gebeurt door een gerechtsdeurwaarder. De gerechtelijke bewaarder mag alle stukken voor bewaring en beheer opstellen, hij mag de inkomsten en verschuldigde bedragen ontvangen en hij mag de lopende schulden en de schulden die in een executoriale titel zijn vastgesteld, betalen. De te voorziene kosten zijn alleen de kosten die verband houden met gerechtelijke zegelrechten die, conform artikel 11, lid 1, onder b), van noodbesluit nr. 80 van 26 juni 2013 inzake gerechtelijke zegelrechten, 100 RON bedragen voor verzoeken in verband met voorlopige maatregelen en 1 000 RON voor verzoeken inzake beslag op schepen en vliegtuigen. De schuldeiser moet mogelijk een borg betalen waarvan het bedrag wordt vastgesteld door de rechtbank. Als de vordering van de schuldeiser niet op schrift is gesteld, wordt het bedrag van de borg wettelijk vastgesteld op de helft van het gevorderde bedrag.

Executoir beslag wordt op verzoek van de schuldeiser uitgevoerd door een gerechtsdeurwaarder die kantoor houdt in het rechtsgebied van het hof van beroep waar de schuldenaar of de derde-beslagene zijn woonplaats/vestiging heeft of, in het geval van bankrekeningen, door een gerechtsdeurwaarder van de woonplaats/vestiging van de schuldenaar of van de hoofd-/nevenvestiging van de kredietinstelling.

Wat de voorlopige uitvoering betreft, mag het verzoek schriftelijk of mondeling worden ingediend bij de bevoegde rechtbank totdat de mondelinge behandeling is afgerond. De rechtbank kan toestemming geven voor de voorlopige uitvoering van bevelen ten aanzien van de goederen wanneer zij van oordeel is dat de maatregel nodig is gezien de duidelijke gegrondheid van het betrokken recht of de insolventie van de schuldenaar of wanneer zij van oordeel is dat het niet onmiddellijk uitvoeren van die bevelen duidelijk nadelig is voor de schuldeiser. In die gevallen kan de rechtbank de schuldeiser verplichten tot de betaling van een borg.

Wat de verstrekking van bewijzen betreft, wordt het verzoek, vóór het geding, gericht aan de districtsrechtbank in het rechtsgebied waarvan de getuige of het voorwerp van vaststelling zich bevindt en, tijdens het geding, aan de rechtbank die uitspraak doet in eerste aanleg. In zijn verzoek presenteert de partij de bewijzen en de feiten die zij wil aantonen en de redenen die de verstrekking daarvan of de instemming van de tegenpartij nodig maken.

2.2 De basisvereisten

In de gevallen van conservatoir beslag en derdenbeslag moet er een zaak aanhangig zijn gemaakt. In het geval van gerechtelijk beslag kan het bevel ook worden uitgevaardigd zonder dat er een zaak aanhangig is. De schuldeiser die geen executoriale titel heeft, mag verzoeken om de uitvoering van een conservatoir beslag of een derdenbeslag als hij bewijst dat hij een vordering aanhangig heeft gemaakt bij een rechtbank.

Bij dringende zaken mag het verzoek om uitvoering van een conservatoir beslag op een schip ook worden gedaan vóór het aanhangig maken van de vordering ten gronde.

De rechtbank kan toestemming geven voor het gerechtelijke beslag of derdenbeslag als deze maatregel nodig is voor het behoud van het desbetreffende recht en als er een zaak aanhangig is ten aanzien van eigendom of een ander belangrijk zakelijk recht, het bezit van een goed of het genot of het beheer van een goed in mede-eigendom.

Zelfs als er geen bodemgeding aanhangig is, kan er gerechtelijk beslag worden gelegd op een goed dat door de schuldenaar wordt aangeboden voor zijn vrijlating, op een goed waarvoor de betrokken partij goede redenen heeft om te vrezen dat het door de bezitter zal worden weggenomen/vernietigd/veranderd, op roerende goederen die de zekerheid van de schuldeiser vormen wanneer de schuldeiser voorziet dat zijn schuldenaar insolvent zal worden of wanneer hij redenen heeft om aan te nemen dat de schuldenaar zal proberen om zich te onttrekken aan tenuitvoerlegging of om te vrezen dat de goederen zullen worden weggenomen of vernietigd.

De rechtbank beslist, in de raadkamer, over het verzoek om dringend conservatoir beslag/derdenbeslag zonder de partijen te dagvaarden, middels een executoir bevel waarin, al naar gelang het geval, het bedrag van de borg en de termijn voor de betaling daarvan worden vastgesteld. Over het verzoek om gerechtelijk beslag wordt uitspraak gedaan in kort geding waarbij de partijen worden gedagvaard. Als het verzoek ontvankelijk is, kan de rechtbank de verzoeker verplichten tot de betaling van een borg en in het geval van onroerende goederen worden deze geregistreerd in het kadaster.

Er zijn geen vereisten met betrekking tot de dringende aard van het verzoek, maar in het geval van conservatoir beslag en derdenbeslag heeft de schuldeiser de mogelijkheid om aan te tonen dat de beslissing niet zal worden uitgevoerd om reden van de verwijdering of vernietiging van de betrokken goederen door de schuldenaar, ook als de vordering niet opeisbaar is.

Executoir beslag wordt uitgevoerd zonder dagvaarding, krachtens een beschikking die toestemming geeft voor de uitvoering, door middel van een bevel waarin ook de executoriale titel wordt genoemd en dat aan de derde wordt toegezonden samen met de beschikking inzake uitvoering. De bevolen maatregel wordt ook aan de schuldenaar meegedeeld. Het gerechtelijk beslagleggingsbevel stelt de derde, die derde-beslagene wordt, in kennis van het verbod om aan de schuldenaar gelden of roerende goederen over te dragen die aan de schuldenaar verschuldigd zijn of zullen worden, en geeft aan dat deze in beslag worden genomen voor zover dat nodig is om de uit te voeren verplichting na te komen.

Wat de verstrekking van bewijzen betreft, moet het gevaar bestaan dat het bewijs zal verdwijnen of dat dit in de toekomst lastig te genereren zal zijn. Als de tegenpartij instemt, mag het verzoek worden ingediend, ook als het niet dringend is. De rechtbank dagvaardt de partijen en betekent aan de tegenpartij een afschrift van het verzoek. De rechtbank beslist in besloten zitting over het verzoek door middel van een beschikking. Indien er gevaar voor vertraging bestaat, kan de rechtbank het verzoek behandelen zonder de partijen te dagvaarden.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Er kan derdenbeslag worden gelegd op bankrekeningen, immateriële goederen, effecten enz.

Er kan conservatoir beslag worden gelegd op materiële roerende goederen, geregistreerde vervoermiddelen, onroerende goederen enz.

Er kan gerechtelijk beslag worden gelegd op onroerende goederen, roerende goederen enz.

Er kan executoir beslag worden gelegd op gelden, effecten of andere immateriële roerende goederen.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

In de gevallen van conservatoir beslag en derdenbeslag kan de tegeldemaking van in beslag genomen goederen alleen worden uitgevoerd nadat de schuldeiser een executoriale titel heeft verkregen.

Conservatoir beslag op een schip gebeurt door immobilisatie van het schip door de autoriteit van de haven waar dit zich bevindt. In dat geval geeft de havenautoriteit niet de documenten af die nodig zijn voor de scheepvaart en geeft zij het schip geen toestemming om de haven of de ligplaats te verlaten.

Er kan alleen een boete worden opgelegd als sanctie als de verzoeker te kwader trouw een voorlopige maatregel verkrijgt die schadelijk is voor de verweerder. Aan de verweerder/schuldenaar kan een strafrechtelijke sanctie worden opgelegd wegens niet-naleving van rechterlijke beslissingen.

Als de schuldenaar een toereikende zekerheid stelt, kan de rechtbank, op verzoek van de schuldenaar, het conservatoir beslag opheffen. Over het verzoek om opheffing wordt beslist in besloten zitting, middels een beschikking in kort geding en met dagvaarding van de partijen op korte termijn.

Evenzo kan de schuldenaar, wanneer het hoofdverzoek in het kader waarvan de voorlopige maatregel is uitgevaardigd, nietig wordt verklaard, wordt afgewezen of is achterhaald door een definitieve rechterlijke beslissing of als degene die het hoofdverzoek heeft ingediend, afziet van de verdere procedure, verzoeken om de vrijgave van de betrokken goederen door de rechtbank die de maatregel heeft uitgevaardigd. De rechtbank doet definitief uitspraak over het verzoek zonder de partijen te dagvaarden.

Wat executoir beslag betreft, worden alle gelden en goederen bevroren vanaf de datum van toezending van het beslagleggingsbevel aan de derde-beslagene. In de periode tussen de bevriezing en de volledige betaling van de plichten krachtens de executoriale titel, verricht de derde-beslagene geen enkele andere betaling of transactie die de in beslag genomen goederen kunnen verminderen. Wanneer de in beslag genomen vordering wordt gegarandeerd door een hypotheek of een andere zakelijke zekerheid, heeft de beslagleggende schuldeiser het recht om te verzoeken om registratie van het beslag in het kadaster of in andere openbare registers.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

In de gevallen van conservatoir beslag en derdenbeslag kunnen in de rechtelijke uitspraken termijnen zijn vastgesteld die geen betrekking hebben op de duur van de door de rechtbank uitgevaardigde maatregel (bv. de termijn waarbinnen de schuldeiser de borg moet storten, op straffe van opheffing van het beslag).

De maatregel blijft van kracht totdat de rechterlijke beslissing over het verzoek om opheffing van het beslag is gegeven, indien het verzoek is afgewezen, is achterhaald of nietig is verklaard dan wel totdat de beslissing ten uitvoer is gelegd of totdat de schuldenaar een toereikende zekerheid heeft gesteld, indien het verzoek is ingewilligd.

In de beroepsfase wordt er altijd uitspraak gedaan nadat de partijen zijn gedagvaard.

Wat executoir beslag betreft, worden alle gelden en goederen bevroren vanaf de datum van toezending van het beslagleggingsbevel aan de derde-beslagene. In de periode tussen de bevriezing en de volledige betaling van de plichten krachtens de executoriale titel, met inbegrip van de periode van opschorting van rechtsvervolging door beslag, verricht de derde-beslagene geen enkele andere betaling of transactie die de in beslag genomen goederen kunnen verminderen, tenzij in de wet anders is bepaald.

Binnen een termijn van vijf dagen na kennisgeving van het beslag of vanaf de vervaldatum van de verschuldigde bedragen moet de derde-beslagene het bedrag in bewaring geven of de in beslag genomen immateriële roerende goederen bevriezen. De gerechtsdeurwaarder zorgt voor de vrijgave of de verdeling van het in bewaring gegeven geldbedrag.

Als een derde-beslagene zijn verplichtingen niet nakomt, mag de beslagleggende schuldeiser, de schuldenaar of de gerechtsdeurwaarder dit melden bij de uitvoerende rechtbank teneinde het beslag te laten bekrachtigen. Als uit de overgelegde bewijsstukken blijkt dat de derde-beslagene geld schuldig is aan de schuldenaar, geeft de rechtbank een beslissing die het beslag bekrachtigt en waarmee zij de derde-beslagene verplicht om aan de schuldeiser het bedrag te betalen dat hij verschuldigd is aan de schuldenaar en in het tegenovergestelde geval beslist zij tot opheffing van het beslag. Als het beslag is uitgevoerd op immateriële roerende goederen die, op het moment van uitvoering, in handen zijn van de derde-beslagene, beslist de rechtbank tot de verkoop daarvan.

Wat de verstrekking van bewijzen betreft, worden de ontvankelijkheid en de relevantie van de verstrekte bewijzen door de rechtbank onderzocht in de loop van het geding. De overgelegde bewijzen kunnen ook worden gebruikt door de partij die niet heeft verzocht om het beheer daarvan. De kosten die worden gemaakt voor het beheer van bewijzen worden in aanmerking genomen door de rechtbank die uitspraak doet in de zaak ten gronde.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Bij conservatoir beslag en derdenbeslag kan er tegen de beschikking alleen beroep bij een hogere rechtbank worden ingesteld binnen een termijn van vijf dagen na de uitspraak of de betekening, afhankelijk van het feit of de uitspraak is gedaan met of zonder dagvaarding van de partijen. Als de bevoegdheid in eerste aanleg bij het hof van beroep ligt, is het rechtsmiddel beroep. Deze rechtsmiddelen zijn gericht op het opheffen of behouden van de voorlopige maatregel. De betrokken partijen kunnen bezwaar maken tegen de uitvoering van het beslag of het derdenbeslag.

Bij executoriaal beslag kan er tegen de beslissing over de bekrachtiging van het beslag alleen beroep worden ingesteld binnen vijf dagen na betekening. De definitieve beslissing houdende bekrachtiging heeft het effect van een vorderingsoverdracht en vormt een executoriale titel tegen de derde-beslagene voor de bedragen die het voorwerp waren van de bekrachtiging. Na de bekrachtiging van het beslag zorgt de derde-beslagene voor het in bewaring geven of de betaling binnen de grenzen van het bedrag dat uitdrukkelijk is vastgesteld in de beslissing houdende bekrachtiging.

Bij voorlopige uitvoering kan het verzoek, als dit in eerste aanleg is afgewezen, opnieuw worden ingediend in de beroepsfase. Om opschorting van de voorlopige uitvoering kan worden verzocht door middel van het verzoek om beroep of afzonderlijk tijdens de beroepsprocedure. In afwachting van de uitkomst van het verzoek om opschorting kan, middels een voorlopig bevel, voorlopige toestemming worden gegeven voor de uitvoering, zelfs voordat het zaakdossier is ontvangen.

Wat de verstrekking van bewijzen betreft, is de beschikking ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek om verstrekking van bewijzen uitvoerbaar en kan er hiertegen geen bezwaar worden aangetekend. De beslissing houdende afwijzing kan alleen afzonderlijk worden aangevochten met een beroep binnen vijf dagen na de uitspraak, als deze is gedaan nadat de partijen zijn gedagvaard, en vijf dagen na de betekening als deze is gedaan zonder dat de partijen zijn gedagvaard.

De te verstrekken bewijzen kunnen onmiddellijk in beheer worden genomen of binnen de daarvoor gestelde termijn. Het beheer van de verstrekte bewijzen is het voorwerp van een beschikking waartegen er geen bezwaar kan worden aangetekend.

Laatste update: 08/08/2022

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Slovenië

1 De verschillende soorten maatregelen

De tijdelijke en bewarende maatregelen die worden vermeld in de wet inzake tenuitvoerlegging en de zekerheidstelling van civiele vorderingen (Zakon o izvršbi in zavarovanju, ZIZ), zijn de zogenaamde voorafgaande en voorlopige maatregelen.

Als bewarende maatregelen (op de langere termijn), in de zin van gedwongen waarborging van vorderingen, staat de ZIZ waarborging toe in de vorm van een pandrecht op onroerende zaken, een pandrecht op roerende zaken en een pandrecht op deelnemingen. De schuldeiser kan verzoeken om maatregelen voor het gedwongen waarborgen van vorderingen op dezelfde basis als bij tenuitvoerlegging, d.w.z. op grond van een executoriale titel; dit verschilt van voorafgaande en voorlopige maatregelen, aangezien dat maatregelen van tijdelijke aard zijn die kunnen worden aangevraagd onder de voorwaarden die hieronder worden uiteengezet.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

Voorafgaande maatregel: een rechtbank vaardigt een voorafgaande maatregel uit conform een beslissing van een binnenlandse rechtbank of een ander orgaan betreffende een geldvordering die nog niet uitvoerbaar is, als de schuldeiser kan aantonen dat het waarschijnlijk is dat de tenuitvoerlegging van de vordering anders onmogelijk of zeer moeilijk wordt.

Voorlopige maatregelen zijn maatregelen met een beperkte geldigheidsduur die bedoeld zijn om de status quo in stand te houden of een nieuwe, voorlopige situatie te scheppen teneinde de effectieve tenuitvoerlegging van de vorderingen van de schuldeiser op een later tijdstip mogelijk te maken (beschermende maatregelen) of ernstige en nadelige gevolgen en de bedreiging met geweld af te wenden (regelgevende maatregelen).

Volgens de ZIZ kunnen voorlopige maatregelen worden onderverdeeld in maatregelen voor het waarborgen van geldvorderingen en maatregelen voor het waarborgen van andere vorderingen dan geldvorderingen.

Een rechtbank vaardigt een voorlopige maatregel voor het waarborgen van een geldvordering uit als de schuldeiser het bestaan of het toekomstige ontstaan van een vordering jegens de schuldenaar aannemelijk kan maken. De schuldeiser moet vervolgens aantonen dat er een risico bestaat dat de tenuitvoerlegging van de vordering onmogelijk of zeer moeilijk zal worden als gevolg van de beschikking, de onttrekking of een ander gebruik van de betrokken goederen door de schuldenaar.

De schuldeiser hoeft niet te bewijzen dat er een risico bestaat, mits hij aannemelijk kan maken dat de schuldenaar slechts geringe schade zal ondervinden van de voorgestelde maatregel. Een risico wordt geacht te zijn aangetoond als de vordering in het buitenland moet worden uitgevoerd, tenzij de vordering moet worden uitgevoerd in een lidstaat van de Europese Unie.

Een rechtbank vaardigt een voorlopige maatregel voor het waarborgen van een andere vordering dan een geldvordering uit, als de schuldeiser kan aantonen dat een vordering jegens de schuldenaar waarschijnlijk bestaat of zal ontstaan.

De schuldeiser moet ook bewijzen dat is voldaan aan een van de volgende voorwaarden:

  • er bestaat een risico dat de tenuitvoerlegging van de vordering onmogelijk of zeer moeilijk wordt;
  • de maatregel is noodzakelijk ter voorkoming van het gebruik van dwang of het afwenden van onherstelbare schade;
  • indien de voorlopige maatregel gedurende de procedure ongegrond wordt verklaard, zal de schuldenaar niet meer schade lijden dan de schuldeiser.

2.1 De procedure

Voorafgaande maatregel: de rechtbank die bevoegd is om de tenuitvoerlegging te gelasten voor het onderdeel waarvoor een verzoek tot waarborging is gedaan, is ook territoriaal bevoegd om een beslissing te nemen over een verzoek tot waarborging van de vordering via een voorafgaande maatregel en om de vordering zelf te waarborgen.

Na de indiening van een verzoek om een voorafgaande maatregel en het onderzoek van de voorwaarden voor het uitvaardigen van een voorafgaande maatregel, vaardigt de rechtbank een beslissing uit waarin onder andere het bedrag wordt aangegeven van de gewaarborgde vordering, inclusief rente en kosten, alsook de vastgestelde waarborgmaatregel en de geldigheidsduur van die maatregel. Een voorafgaande maatregel mag niet langer van kracht zijn dan vijftien dagen nadat de voorwaarden voor tenuitvoerlegging zich hebben voorgedaan.

Indien de periode waarvoor de rechtbank een voorafgaande maatregel heeft toegestaan, verstrijkt voordat de beslissing in het kader waarvan de voorafgaande maatregel werd uitgevaardigd uitvoerbaar wordt, verlengt de rechtbank de maatregel op verzoek van de schuldeiser, mits de omstandigheden waaronder de maatregel werd uitgevaardigd, niet zijn gewijzigd.

Voorlopige maatregel: indien er civiele of andere juridische procedures zijn gestart, wordt de beslissing genomen door de rechtbank die bevoegd is voor de plaats waar de procedures zullen worden gevoerd. In het geval van een verzoek tot waarborging van een vordering door middel van een voorlopige maatregel dat wordt ingediend vóór het begin van de gerechtelijke procedure en waarover de rechter volgens de bijzondere procedureregels voor huwelijksgeschillen en geschillen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor kinderen zou beslissen, en tot waarborging van de vordering zelf, is de districtsrechtbank die bevoegd zou zijn voor een dergelijke procedure, bevoegd. In het geval van een verzoek tot waarborging van een vordering door middel van een voorlopige maatregel dat vóór het begin van de gerechtelijke procedure wordt ingediend op grond van de wet ter voorkoming van huiselijk geweld, en tot waarborging van de vordering zelf, is de districtsrechtbank die bevoegd zou zijn voor een dergelijke procedure, bevoegd. Indien er nog geen civiele of andere juridische procedures zijn gestart, is de bevoegde rechtbank voor het verzoek tot waarborging van een vordering door middel van een voorlopige maatregel of tot waarborging van de vordering zelf, de territoriaal bevoegde rechtbank die bevoegd zou zijn voor het verzoek tot tenuitvoerlegging.

Bijgevolg wordt de territoriale bevoegdheid van rechtbanken voor het uitvaardigen van voorlopige maatregelen in deze gevallen bepaald op grond van het voorwerp van de waarborging van een vordering. In geval van roerende zaken is de territoriaal bevoegde rechtbank de rechtbank van tenuitvoerlegging van het gebied waarin de roerende zaken zich bevinden, of van het gebied waarin de schuldenaar permanent of tijdelijk verblijft. Als het voorwerp van de waarborging een geldvordering, girale effecten of andere eigendomsrechten van de schuldenaar betreft, is de territoriaal bevoegde rechtbank meestal de rechtbank van het gebied waarin de schuldenaar permanent verblijft of waarin de onderneming is gevestigd. Indien het voorwerp dat moet worden gewaarborgd de deelneming van een partner in een bedrijf betreft, is de territoriaal bevoegde rechtbank de rechtbank van het gebied waarin het bedrijf is gevestigd. Indien het voorwerp dat moet worden gewaarborgd onroerende zaken betreft, is de territoriaal bevoegde rechtbank de rechtbank van het gebied waarin de onroerende zaken zijn gelegen.

2.2 De basisvereisten

Een rechtbank vaardigt een voorafgaande maatregel uit conform een beslissing van een binnenlandse rechtbank of een ander orgaan betreffende een geldvordering die nog niet uitvoerbaar is, als de schuldeiser kan aantonen dat het waarschijnlijk is dat de tenuitvoerlegging van de vordering anders onmogelijk of zeer moeilijk wordt. Dit type risico wordt als aannemelijk beschouwd als het verzoek tot waarborging van een vordering via een voorafgaande maatregel op een van de onderstaande documenten berust:

  • een strafrechtelijke uitspraak waarin de eigendomsvordering van het slachtoffer wordt toegewezen en waarbij er tegen die uitspraak een rechtsmiddel is ingesteld;
  • een beslissing op basis waarvan de tenuitvoerlegging in het buitenland zou moeten plaatsvinden, tenzij het gaat om tenuitvoerlegging in een lidstaat van de Europese Unie;
  • een uitspraak houdende erkenning waartegen beroep is ingesteld (in dit geval kan de rechtbank, op verzoek van de schuldenaar, aan de voorafgaande waarborgingsmaatregel de voorwaarde verbinden dat de schuldeiser een borgsom moet storten voor de schade die de schuldenaar zou kunnen lijden als gevolg van de voorafgaande maatregel);
  • een schikking voor de rechtbank of een administratief orgaan die op wettelijke wijze wordt aangevochten (in dit geval kan de rechtbank, op verzoek van de schuldenaar, aan de voorafgaande waarborgingsmaatregel de voorwaarde verbinden dat de schuldeiser een borgsom moet storten voor de schade die de schuldenaar zou kunnen lijden als gevolg van die voorafgaande maatregel);
  • een notariële akte die een executoriale titel is voor een geldvordering die nog niet is vervallen.

Het waarborgen van een vordering via een voorafgaande maatregel wordt door de rechtbank toegestaan voor: nog niet vervallen wettelijke alimentatiebedragen; de compensatie van alimentatie die verloren is gegaan als gevolg van het overlijden van de persoon die die alimentatie uitkeerde, en de compensatie voor de schade die is veroorzaakt door een vermindering of verlies van activiteiten dan wel een vermindering of verlies van de mogelijkheid om te werken doch zulks slechts voor de bedragen die binnen een jaar opeisbaar zouden zijn.

In deze gevallen wordt aangenomen dat er sprake is van een risico wanneer reeds om tenuitvoerlegging van een opeisbaar bedrag is verzocht tegen de schuldenaar of wanneer een dergelijke tenuitvoerlegging reeds is voorgesteld.

Een rechtbank vaardigt een voorlopige maatregel voor het waarborgen van een geldvordering uit onder de volgende omstandigheden: indien de schuldeiser het bestaan of het toekomstige ontstaan van een vordering jegens de schuldenaar aannemelijk kan maken en de schuldeiser kan aantonen dat er een risico bestaat dat de tenuitvoerlegging van de vordering onmogelijk of zeer moeilijk zal worden als gevolg van de beschikking, de onttrekking of een ander gebruik van de betrokken goederen door de schuldenaar (subjectief risico).

Een rechtbank vaardigt een voorlopige maatregel voor het waarborgen van een andere vordering dan een geldvordering uit onder de volgende omstandigheden: indien de schuldeiser het bestaan of het toekomstige ontstaan van een vordering jegens de schuldenaar aannemelijk kan maken en de schuldeiser aannemelijk kan maken dat is voldaan aan een van de volgende vereisten: het risico dat de tenuitvoerlegging van de vordering onmogelijk of zeer moeilijk wordt (objectief risico); de maatregel is noodzakelijk ter voorkoming van het gebruik van dwang of het afwenden van onherstelbare schade en als de voorlopige maatregel gedurende de procedure ongegrond zou worden verklaard, zal de schuldenaar niet meer schade lijden dan de schuldeiser.

In beide gevallen (voorlopige maatregelen voor het waarborgen van geldvorderingen en voorlopige maatregelen voor het waarborgen van andere vorderingen dan geldvorderingen) hoeft een schuldeiser niet te bewijzen dat er een risico bestaat, mits hij aannemelijk kan maken dat de schuldenaar slechts geringe schade zal ondervinden van de voorgestelde maatregel. In beide gevallen wordt een risico geacht te zijn aangetoond als de vordering in het buitenland moet worden uitgevoerd, tenzij de vordering moet worden uitgevoerd in een andere lidstaat van de Europese Unie.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Voorafgaande of voorlopige maatregelen kunnen worden genomen met betrekking tot alle goederen van de schuldenaar, bijvoorbeeld contante stortingen op bankrekeningen, roerende zaken, geregistreerde voertuigen, onroerende zaken en andere goederen voor zover dit geen objecten zijn die wettelijk zijn vrijgesteld van tenuitvoerlegging of voor zover de tenuitvoerlegging op de objecten niet wettelijk is beperkt (bijvoorbeeld objecten die geen deel uitmaken van het handelsverkeer, minerale rijkdommen, objecten die de schuldenaar nodig heeft om een openbare dienst te kunnen verlenen enzovoort).

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Voorafgaande maatregelen: een rechtbank kan de volgende voorafgaande maatregelen opleggen: inbeslagneming van roerende zaken en de inschrijving van die inbeslagneming in het betrokken register (indien voorhanden); inbeslagneming van geldvorderingen of vorderingen voor het overhandigen van objecten; beslag op andere eigendomsrechten of materiële rechten; inbeslagneming van geldvorderingen op de rekening van de schuldenaar bij een betalingsinstelling; de inschrijving in het ondernemingsregister van een pandrecht op een deelneming van een partner in een bedrijf; de inschrijving in het centrale register van girale effecten van een pandrecht op girale effecten; de voorlopige inschrijving van een pandrecht op onroerende zaken van de schuldenaar of van een vordering op onroerende zaken.

Een rechtbank kan de verkoop van in beslag genomen roerende zaken toestaan als deze dreigen te verloren te gaan of als er een risico bestaat dat de prijs ervan aanzienlijk zal dalen; een dergelijke verkoop van in beslag genomen goederen moet plaatsvinden met inachtneming van de bepalingen van de ZIZ betreffende de tenuitvoerlegging op roerende zaken.

Als de rechtbank middels een voorafgaande maatregel beslag legt op een vordering, kan zij, op verzoek van de schuldeiser of de schuldenaar, toestaan dat de betrokken vordering met het oog op de invordering ervan wordt gecedeerd aan de schuldeiser indien het gevaar bestaat dat vertraging zal leiden tot het niet invorderen van de vordering of dat het regresrecht tegen een derde verloren gaat.

Het bedrag dat via de verkoop van de objecten of de inning van de vordering wordt verkregen, wordt bewaard door de rechtbank totdat de voorafgaande maatregel niet langer van kracht is of totdat de schuldeiser om tenuitvoerlegging verzoekt, maar niet langer dan dertig dagen vanaf de dag dat de vordering uitvoerbaar is.

Voorlopige maatregelen: voorlopige maatregelen voor het waarborgen van geldvorderingen kunnen alle maatregelen omvatten die dienstig zijn voor het bereiken van het te waarborgen doel en die, met betrekking tot het na te streven doel, van zuiver beschermende aard zijn. Bij wijze van voorbeeld somt de wet de volgende voorlopige maatregelen op voor het waarborgen van geldvorderingen: een verbod voor de schuldenaar om vrijelijk te beschikken over roerende zaken en het zekerstellen van die zaken; een verbod voor de schuldenaar om onroerende zaken of te zijnen gunste zijn geregistreerde zakelijke rechten op onroerende zaken over te dragen of te verhypothekeren, waarbij dat verbod wordt opgenomen in het kadaster; aan een schuldenaar van de schuldenaar wordt het verbod opgelegd om vorderingen te betalen of goederen over te dragen aan de schuldenaar; een verbod voor de schuldenaar om goederen te ontvangen, vorderingen te innen of er vrijelijk over te beschikken; een instructie aan een betalingsorganisatie om aan de schuldenaar of aan een in opdracht van de schuldenaar handelende derde het bedrag dat het voorwerp is van de voorlopige maatregel uit te betalen vanaf de rekening van de schuldenaar.

Voorlopige maatregelen voor het waarborgen van andere vorderingen dan geldvorderingen kunnen eveneens alle maatregelen omvatten die dienstig zijn voor het bereiken van het te waarborgen doel en die, met betrekking tot het na te streven doel, van beschermende of regelgevende aard zijn. Bij wijze van voorbeeld somt de wet de volgende voorlopige maatregelen op voor het waarborgen van andere vorderingen dan geldvorderingen: een verbod op de vervreemding of verpanding van de roerende zaak waarop de vordering betrekking heeft en het zekerstellen van dergelijke zaken; een verbod voor de schuldenaar om de onroerende zaak waarop de eis betrekking heeft, te vervreemden of te verhypothekeren, waarbij dat verbod wordt opgenomen in het kadaster; een verbod voor de schuldenaar om iets te doen wat eventueel nadelig voor de schuldeiser kan zijn, of een verbod voor de schuldenaar om iets te wijzigen aan het goed waarop de vordering betrekking heeft en waarbij hem een boete wordt opgelegd in geval van overtreding van dat verbod; een verbod voor een schuldenaar van de schuldenaar om aan laatstgenoemde de roerende zaak over te dragen waarop de vordering betrekking heeft; de vergoeding van gederfd salaris aan een werknemer in de loop van een geschil over de rechtmatigheid van zijn ontslag mits een dergelijke compensatie noodzakelijk is voor het levensonderhoud van de werknemer en van de personen die hij krachtens de wet dient te onderhouden.

Wanneer er een beslissing wordt uitgevaardigd over een voorlopige maatregel in civiele of andere procedures, heeft dat hetzelfde effect als een beslissing tot tenuitvoerlegging; er wordt dus alleen ingegrepen in de belangensfeer van de schuldenaar en niet in die van een derde. Derhalve leidt de uitvaardiging van een voorlopige maatregel niet tot een pandrecht op het te zeker te stellen object.

Bijgevolg is het eveneens zo dat indien het de schuldenaar bij voorlopige maatregel bijvoorbeeld is verboden vrijelijk te beschikken over de zeker te stellen zaak, zulks geen beletsel vormt voor een juridisch optreden door een andere persoon met betrekking tot die zaak (bijvoorbeeld in tenuitvoerleggingsprocedures). Indien de schuldenaar een dergelijke voorlopige maatregel niet in acht neemt, is het enige gevolg dat de schuldeiser het recht heeft zich te verzetten tegen rechtshandelingen die hem schade berokkenen. Dit is in overeenstemming met de algemene regels van het verbintenissenrecht. In dergelijke zaken worden personen die goederen verwerven waarover de schuldenaar niet vrijelijk kan beschikken, beschermd indien zij deze goederen te goeder trouw hebben verworven (ze wisten niet en konden niet weten dat een dergelijke handeling schade aan de schuldeiser zou berokkenen). Indien de persoon die het goed verwierf dit niet te goeder trouw deed, blijft de rechtshandeling uitsluitend zonder gevolgen voor de schuldeiser (eiser) voor zover dit noodzakelijk is om de vordering van de schuldeiser te voldoen.

Wanneer de schuldenaar een voorlopige maatregel niet naleeft, is hij ook strafrechtelijk aansprakelijk voor de schending van de rechten van een ander. De rechtbank van de tenuitvoerlegging kan ook een boete opleggen aan de schuldenaar die een voorlopige maatregel niet naleeft; aan de andere kant heeft de schuldenaar het recht om van de schuldeiser vergoeding te eisen voor de schade die hij heeft geleden door een voorlopige maatregel die ongegrond was of waartoe de schuldeiser niet gerechtigd was.

Met een voorlopige maatregel kan ook een betalingsverbod worden opgelegd aan een schuldenaar van de schuldenaar (bv. een bank); in dit geval is het verbod van kracht vanaf het moment dat dit wordt betekend aan de schuldenaar van de schuldenaar. Na te hebben kennisgenomen van het verbod mag die schuldenaar zijn verplichtingen jegens de 'hoofdschuldenaar' niet langer nakomen en kan hij ook worden verplicht schadevergoeding te betalen aan de schuldeiser. In procedures waarin om een voorlopige maatregel is verzocht, mag de bank uitsluitend op verzoek van de rechter informatie verstrekken over het bestaan van en het aantal transactierekeningen of andere vorderingen van de schuldenaar; informatie over de transactierekeningen van rechtspersonen en over de vraag of deze rekeningen zijn geblokkeerd, is echter openbaar toegankelijk via de website van het agentschap van de Republiek Slovenië voor openbare voor juridische documenten en aanverwante diensten (Agencija Republike Slovenije za javnopravne evidence in storitve).

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Een beslissing over een voorafgaande maatregel die door een rechtbank wordt uitgevaardigd, moet onder andere het bedrag van de gewaarborgde vordering bevatten (inclusief rente en kosten) alsook de vastgestelde waarborgmaatregel en de geldigheidsduur van die maatregel, waarbij een voorafgaande maatregel niet langer van kracht mag zijn dan vijftien dagen nadat de voorwaarden voor tenuitvoerlegging zich hebben voorgedaan.

De geldigheidsduur van een voorlopige maatregel is niet vastgesteld in de wet; deze duur wordt bepaald door de rechtbank in haar beslissing waarbij die maatregel wordt gelast. Als een maatregel wordt uitgevaardigd vóór het indienen van een vordering of vóór de aanvang van een andere procedure, of wanneer een maatregel wordt uitgevaardigd om een vordering die nog niet is ontstaan te waarborgen, stelt de rechtbank een termijn vast waarbinnen de schuldeiser een procedure moet inleiden of een vordering moet instellen. Als de schuldeiser binnen deze termijn geen vordering instelt of geen procedure inleidt, staakt de rechtbank de procedure. Voorlopige maatregelen kunnen ook van kracht blijven na de datum waarop de gerechtelijke beslissing over het voorwerp van die maatregelen is gepubliceerd.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

De schuldenaar kan bezwaar aantekenen tegen een beslissing over een voorafgaande of voorlopige maatregel binnen acht dagen nadat de beslissing is betekend. Dit bezwaar moet worden ingesteld bij de rechtbank die de beslissing over de voorafgaande of voorlopige maatregel heeft uitgevaardigd; diezelfde rechtbank doet vervolgens uitspraak over het bezwaar zelf.

De schuldenaar of schuldeiser kan beroep aantekenen tegen de gerechtelijke beslissing over het bezwaar en tegen de beslissing tot afwijzing van het verzoek om een voorlopige maatregel bij de rechtbank die de beslissing heeft uitgevaardigd en binnen acht dagen nadat de beslissing is betekend. Een rechtbank van tweede aanleg beslist over dit beroep. In de regel hebben het bezwaar en het beroep geen schorsende werking.

Links

De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.pisrs.si/Pis.web/

De link wordt in een nieuw venster geopend.https://www.uradni-list.si/

De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.dz-rs.si/wps/portal/Home/deloDZ/zakonodaja/preciscenaBesedilaZakonov

De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.sodisce.si/

De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.ajpes.si/

Laatste update: 09/01/2020

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Slowakije

1 De verschillende soorten maatregelen

Het nationale Slowaakse recht kent de begrippen spoedeisende voorlopige maatregel, conservatoire maatregel en bewaring van bewijselementen. Deze maatregelen vallen onder de bepalingen van artikel 324 e.v. van wet nr. 160/2015 inzake contentieuze procedures in burgerrechtelijke zaken, en wat betreft specifieke procedures onder de bepalingen van artikel 360 e.v. van wet nr. 161/2015 inzake niet-contentieuze procedures in burgerrechtelijke zaken.

Door een conservatoire maatregel te bevelen, kan de rechter een zekerheidsrecht op de goederen, rechten of andere activa van de schuldenaar vastleggen, waarmee de geldelijke vordering van de schuldeiser wordt gewaarborgd wanneer het gevaar bestaat dat de tenuitvoerlegging niet kan doorgaan.

De rechter beveelt tot een spoedeisende voorlopige maatregel wanneer een situatie onverwijld moet worden opgelost, wanneer het gevaar bestaat dat de tenuitvoerlegging niet kan doorgaan of wanneer het beoogde doel niet met een conservatoire maatregel kan worden bereikt. Een dergelijke beslissing biedt ook een garantie voor de doeltreffendheid van de gedwongen tenuitvoerlegging van de aanstaande gerechtelijke beslissing.

In het kader van de bewaring van bewijselementen kan bewijs vóór het begin van de procedure worden bewaard (in welke vorm dan ook: of het nu afkomstig is van een getuige, een deskundige e.d.), en wel enkel op verzoek, en niet op initiatief van de rechter. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat degene die een dergelijk verzoek mag indienen, degene is die het verzoek tot inleiding van de procedure mocht indienen waarin de resultaten van de bewaring van de bewijselementen zouden kunnen worden gebruikt.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

De districtsrechtbank is bevoegd voor de behandeling ten gronde en voor het bevelen van een spoedeisende voorlopige maatregel of een conservatoire maatregel.

De rechter geeft op verzoek bevel tot een spoedeisende voorlopige maatregel of een conservatoire maatregel. Er hoeft geen verzoek te worden ingediend wanneer het gaat om een spoedeisende voorlopige maatregel of een conservatoire maatregel die wordt aangenomen in het kader van een procedure die ambtshalve door de rechter kan worden ingesteld.

Wettelijk is het niet verplicht om zich door een advocaat te laten bijstaan.

In de specifieke wet is vastgelegd dat er gerechtelijke kosten van 33 EUR in rekening worden gebracht voor verzoeken die moeten leiden tot de aanneming of nietigverklaring van een maatregel.

Voor de bewaring van bewijselementen worden geen kosten in rekening gebracht. Kosten voor bewijsgaring die niet door een voorschot worden gedekt, worden gedragen door de staat. De rechtbank kan de partij bij de procedure die niet voldoet aan de desbetreffende vrijstellingsvoorwaarden, wel de betaling van een voorschot voor de kosten voor bewijsgaring opleggen. Dit laat de mogelijkheid van latere terugbetaling echter onverlet.

Wettelijk is het evenmin verplicht om zich door een advocaat te laten bijstaan.

Een bewijselement kan worden bewaard in het kader van een contentieuze of een niet‑contentieuze procedures.

2.2 De basisvereisten

De rechter kan vóór het begin van de procedure, tijdens de procedure en na afloop ervan bevel geven tot een spoedeisende voorlopige maatregel. Voor conservatoire maatregelen wordt het zekerheidsrecht vastgelegd door aanneming van het bevel waarin de conservatoire maatregel wordt ingesteld.

Vóór het begin van de procedure, tijdens de procedure en na afloop ervan kan een bewijselement op verzoek worden bewaard wanneer het gevaar bestaat dat het op een later tijdstip niet mogelijk of zeer problematisch zal zijn om bewijs te vergaren. Voor bewaring van een bewijselement is het gerecht bevoegd dat kennis moet nemen van de zaak ten gronde of het gerecht in het rechtsgebied waar het bewijselement zich bevindt dat in gevaar is. Naast de algemene bepalingen gelden voor contentieuze procedures in burgerrechtelijke zaken specifieke bepalingen inzake de bewaring van bewijselementen die betrekking hebben op intellectuele eigendom.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Met een spoedeisende voorlopige maatregel kan een gerecht een partij bij de procedure in het bijzonder bevelen tot het volgende:

a. voor zover noodzakelijk, betaling van een alimentatiebedrag,

b. de zorg voor het kind aan de andere ouder of aan de door de rechter aangewezen persoon toevertrouwen,

c. betaling van ten minste een deel van de beloning als het gaat om de duur van de arbeidsrelatie en als de indiener om ernstige redenen is gestopt met werken,

d. storting van een geldbedrag aan of depot van een goed bij de rechtbank,

e. ontheffing van de beschikking over bepaalde goederen of rechten,

f. het verrichten van een bepaalde handeling, het nalaten van een bepaalde handeling of tolereren van een bepaalde handeling/gebeurtenis,

g. tijdelijk wegblijven uit een woning waar een naaste woont of een persoon die door de desbetreffende partij wordt verzorgd, opgevangen of opgevoed, wanneer er sterke vermoedens bestaan dat de partij geweld jegens deze persoon heeft gebruikt,

h. onthouding van elke handeling waarmee intellectuele-eigendomsrechten worden geschonden of in gevaar komen.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

De soorten spoedeisende voorlopige maatregelen worden aan de hand van voorbeelden omschreven. Dit houdt in dat de rechter ook andere spoedeisende voorlopige maatregelen kan bevelen.

Een spoedeisende voorlopige maatregel of een conservatoire maatregel inzake de niet‑beschikking over goederen of rechten bestaat uit een verbod op de beschikking over bepaalde goederen of rechten, bijvoorbeeld omdat het gevaar bestaat dat de verweerder zich zou ontdoen van deze goederen of rechten (door ze over te dragen aan een andere persoon, te vernietigen, te beschadigen e.d.).

De rechter kan een spoedeisende voorlopige maatregel of een conservatoire maatregel gelasten zonder de partijen te horen. De partijen worden vóór de aanneming van het bevel dus niet noodzakelijkerwijs door de rechter gehoord. De reden hiervoor is dat het doel van de spoedeisende voorlopige maatregel of de conservatoire maatregel door een hoorzitting mogelijk teniet wordt gedaan en dat er met dit optreden van de rechter in principe geen bewijzen worden verkregen. Niettemin kan de rechter het bevel geven de partijen te horen: in dat geval moet hij alle procedureregels inzake bewijsverkrijging in acht nemen. Wanneer het bij de bewijsgaring uitsluitend gaat om documenten, vindt er geen openbare hoorzitting plaats, maar beslist de rechter zonder interactie met de partijen.

Een spoedeisende voorlopige maatregel is direct na kennisgeving uitvoerbaar, behalve wanneer in speciale wetgeving anders is bepaald.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Een spoedeisende voorlopige maatregel of een conservatoire maatregel komt in de volgende gevallen te vervallen:

a. de in het bevel vastgestelde periode is verstreken;

b. de maatregel is bevolen na de indiening van het verzoek ten gronde en het gerecht van eerste aanleg of het hof van beroep heeft dit verzoek afgewezen of de procedure opgeschort;

c. de rechter had in zijn beslissing een termijn vastgesteld voor de indiening van het verzoek ten gronde en er is binnen deze termijn is geen dergelijk verzoek ingediend;

d. de rechtbank heeft het verzoek ten gronde toegewezen;

e. gelet op de stand van de tenuitvoerlegging is de maatregel niet meer noodzakelijk.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Er kan beroep worden ingesteld tegen een bevel waarbij een spoedeisende voorlopige maatregel of een conservatoire maatregel wordt opgelegd. Het bevoegde gerecht dat dergelijke beroepen behandelt, is het hof van beroep (dus het gerecht van tweede aanleg) waaraan het gerecht van eerste aanleg dat de spoedeisende voorlopige maatregel of de conservatoire maatregel heeft bevolen, ondergeschikt is.

Het beroep moet binnen 15 dagen na de datum van kennisgeving van de bestreden beslissing worden ingesteld bij het gerecht dat die beslissing heeft gegeven. Het beroep heeft geen schorsende werking.

Laatste update: 22/04/2022

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Finland

1 De verschillende soorten maatregelen

In Finland kunnen crediteuren en andere eisers in civiele of handelszaken voorlopige maatregelen ('voorlopige voorzieningen') in hun voordeel verkrijgen. Het doel van een voorlopige (of bewarende) maatregel is om ervoor te zorgen dat een latere gerechtelijke uitspraak ten gronde ten uitvoer kan worden gelegd. Hoofdstuk 7 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oikeudenkäymiskaari) bevat bepalingen inzake de vaststelling van voorlopige maatregelen, en hoofdstuk 8 van het Wetboek inzake Tenuitvoerlegging (ulosottokaari) bevat bepalingen inzake de tenuitvoerlegging van vonnissen. Er zijn drie soorten voorlopige maatregelen van dit type:

  • beslaglegging om de betaling van een schuld veilig te stellen;
  • beslaglegging om eigendomsrechten of andere, zogeheten voorrangsrechten te waarborgen;
  • andere voorzorgsmaatregelen (algemene voorzorgsmaatregelen).

Deze voorlopige maatregelen, die beschikbaar zijn in alle typen civiele aangelegenheden, worden hieronder beschreven. Ook zijn er voorlopige maatregelen die alleen beschikbaar zijn in bepaalde soorten geschillen op grond van specifieke wetgeving. Voorbeelden hiervan zijn voorlopige maatregelen om bewijs in civiele aangelegenheden betreffende industriële en auteursrechten veilig te stellen. In strafrechtelijke aangelegenheden kan de Wet dwangmaatregelen (pakkokeinolaki) worden toegepast; de dwangmaatregelen waarin deze wet voorziet omvatten beslaglegging, een verbod op vervreemding en sekwestratie (inbewaringstelling).

Er wordt onderscheid gemaakt tussen voorlopige maatregelen en voorlopige (tussentijdse) tenuitvoerlegging van vonnissen in civiele zaken. Deze laatstgenoemde maatregel houdt in dat een vonnis ten uitvoer wordt gelegd voordat het definitief wordt en er geen beroep meer tegen kan worden ingesteld. Een vonnis in civiele aangelegenheden dat nog niet definitief is, is doorgaans onmiddellijk uitvoerbaar, maar kan vaak niet volledig ten uitvoer worden gelegd. Een voorbeeld: op grond van een niet-definitief vonnis van een rechtbank van eerste aanleg met betrekking tot een schuld kan beslag worden gelegd op de eigendommen van de schuldenaar als de schuldenaar geen zekerheid voor de schuld heeft gesteld. Anderzijds kunnen eigendommen waarop beslag is gelegd alleen worden vervreemd, waarna de opbrengst aan de crediteur toevalt, als de crediteur een zekerheid voor eventuele schade voor de verweerder heeft gesteld. Verstekvonnissen zijn daarentegen onmiddellijk volledig uitvoerbaar.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Besluiten over bovengenoemde typen voorlopige maatregelen worden genomen door algemene rechtbanken, waarbij districtsrechtbanken (käräjäoikeus) optreden als rechtbanken van eerste aanleg. Door de rechtbank opgelegde voorlopige maatregelen kunnen door deurwaarders ten uitvoer worden gelegd. Verzoeken om voorlopige maatregelen moeten worden ingediend bij de rechtbank waar de zaak ten gronde wordt behandeld. Als een procedure nog niet is ingeleid, moet een verzoek om een voorlopige maatregel worden ingediend bij de districtsrechtbank waar ook de zaak ten gronde (de bodemprocedure) aanhangig moet worden gemaakt.

De rechtbank kan een verzoek om een voorlopige maatregel niet definitief toewijzen zonder de verweerder de gelegenheid te geven om te worden gehoord. De rechtbank kan een verzoek om een voorlopige maatregel echter toewijzen zonder de andere partij te horen als het doel van de maatregel anders niet meer realiseerbaar zou zijn. In de praktijk kunnen voorlopige maatregelen zeer snel worden verkregen. Tussentijdse beschikkingen zijn van kracht zolang niet anders is besloten.

Wanneer een verzoeker reeds gronden voor tenuitvoerlegging (een executoriale titel) heeft, maar de tenuitvoerleggingsprocedure niet onmiddellijk kan worden gestart, kan een deurwaarder onder bepaalde voorwaarden direct voorlopige maatregelen opleggen. Hieronder zullen alleen de door de rechtbank opgelegde voorlopige maatregelen worden besproken.

2.2 De basisvereisten

De vereisten voor beslaglegging om een schuld of een voorrangsrecht veilig te stellen zijn de volgende:

  • de verzoeker moet voldoende aannemelijk maken dat hij of zij een vordering op de schuldenaar of een voorrangsrecht op een gegeven eigendom heeft die of dat voldoende aanleiding vormt voor beslaglegging, en
  • er moet een reëel gevaar bestaan dat de verweerder zodanig zal handelen dat de vordering of het recht van de verzoeker wordt geschaad.

Dienovereenkomstig vereisen andere voorlopige maatregelen prima facie-bewijs van een ander recht en van een reëel gevaar dat de verweerder inbreuk op dat recht pleegt.

Voordat voorlopige maatregelen ten uitvoer kunnen worden gelegd, moet de verzoeker een zekerheid voor eventuele schade voor de verweerder stellen bij de deurwaarder.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Alle soorten eigendommen kunnen worden onderworpen aan een voorlopige maatregel. Als het doel van de beslaglegging is om de betaling van een schuld veilig te stellen, verordent de rechtbank de beslaglegging op roerende en onroerende zaken die eigendom van de verweerder zijn tot de waarde van de schuld aan de verzoeker. Vervolgens besluit de deurwaarder op welke elementen daarvan daadwerkelijk beslag wordt gelegd. Als het doel van de beslaglegging is om een voorrangsrecht veilig te stellen, verordent de rechtbank de beslaglegging op specifieke eigendommen die vatbaar zijn voor beslaglegging en legt de deurwaarder de beslaglegging ten uitvoer.

Bij wijze van andere voorlopige maatregelen kan de rechtbank:

  • de verweerder, op straffe van een boete, verbieden om iets te doen of zich tot iets te verbinden;
  • de verweerder, op straffe van een boete, bevelen om iets te doen;
  • de verzoeker toestemming verlenen om iets te doen of iets te laten doen;
  • bevelen dat bepaalde eigendommen van de verweerder in bewaring bij of onder curatele van een derde worden geplaatst; of
  • enige andere voorlopige maatregel opleggen om de rechten van de verzoeker veilig te stellen.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Wanneer een bevel tot beslaglegging ten uitvoer wordt gelegd, verliest de schuldenaar de controle over zijn of haar eigendom(men). De verhandeling van eigendommen die onder een bevel tot beslaglegging vallen is strafbaar. Wanneer bedragen op een bankrekening van een schuldenaar onder een bevel tot beslaglegging vallen, mag de bank deze middelen aan niemand anders dan de deurwaarder overboeken. Een bevel tot beslaglegging verleent de persoon die om het bevel heeft verzocht echter geen voorkeursrecht op de middelen waarop beslag is gelegd ten opzichte van andere crediteuren van de schuldenaar.

De effecten van andere voorlopige maatregelen zijn afhankelijk van de aard van de desbetreffende maatregel.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Binnen een maand nadat een voorlopige maatregel is opgelegd moet de verzoeker bij een rechtbank of een andere instantie een bodemprocedure aanhangig maken, of een andere procedure die kan resulteren in een uitvoerbare beslissing, zoals arbitrage. Als hij of zij verzuimt dat te doen, zal de voorlopige maatregel worden ingetrokken. Voorlopige maatregelen kunnen ook worden ingetrokken als de gronden waarop de beslissing is genomen om een of andere reden niet langer bestaan. Wanneer een rechtbank uitspraak doet in de bodemprocedure, moet ze tegelijk een beslissing nemen over de voorlopige maatregel(en).

De aansprakelijkheid voor kosten die voortvloeien uit een voorlopige maatregel ligt primair bij de verzoeker. Als een voorlopige maatregel ongegrond blijkt te zijn, is de verzoeker aansprakelijk voor schade die als gevolg van de maatregel is veroorzaakt aan de verweerder, ongeacht of deze al dan niet nalatig is geweest. Derhalve moet de verzoeker voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van de voorlopige maatregel een zekerheid stellen. Aan de andere kant kan de verweerder over het algemeen verhinderen dat een voorlopige maatregel ten uitvoer wordt gelegd door een zekerheid te stellen.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Tegen beslissingen van rechtbanken om een voorlopige maatregel op te leggen, kan beroep worden ingesteld bij een hogere rechtbank, zoals een hof van beroep (hovioikeus) of het Hooggerechtshof (korkein oikeus). Het instellen van beroep staat de tenuitvoerlegging van de maatregel niet in de weg, tenzij de beroepsinstantie de eerdere uitspraak opschort. Tegen tussentijdse beschikkingen kan echter geen beroep worden ingesteld.

Beroepen tegen maatregelen of besluiten van deurwaarders inzake de tenuitvoerlegging van voorlopige maatregelen worden behandeld door districtsrechtbanken. Het recht om beroep in te stellen is ook van toepassing op derden die van mening zijn dat er beslag op hun eigendom(men) is gelegd als gevolg van de schuld van de schuldenaar.

Laatste update: 28/01/2022

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Zweden

1 De verschillende soorten maatregelen

Hoofdstuk 15 van het Zweedse wetboek van burgerlijke rechtsvordering (“rättegångsbalken”) bevat enkele fundamentele bepalingen inzake bewarende maatregelen. De algemene regel is dat er geen uitvoeringsmaatregel met betrekking tot een civielrechtelijke vordering kan worden genomen totdat een rechtbank uitspraak in de zaak heeft gedaan. De bepalingen inzake bewarende maatregelen vormen een uitzondering op deze regel. Bewarende maatregelen hebben over het algemeen tot doel om ervoor te zorgen dat de verliezende partij uitvoert wat na een toekomstige rechterlijke uitspraak van hem of haar zal worden verlangd.

De meest gebruikelijke bewarende maatregel is conservatoir beslag, d.w.z. dat een verzoeker beslag kan laten leggen op de eigendommen van de andere partij of het recht van vervreemding van de wederpartij op enige andere wijze kan laten intrekken.

Volgens hoofdstuk 15, afdeling 1, van het Zweedse wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan conservatoir beslag worden verleend om de toekomstige uitvoering van een vonnis inzake een vordering te waarborgen. Als algemene regel moet een beslissing tot conservatoir beslag op grond van deze bepaling zodanig worden geformuleerd dat beslag wordt gelegd op eigendommen van de schuldenaar voor het bedrag van een bepaalde gespecificeerde vordering. In uitzonderlijke gevallen kan in de beslissing echter ook worden vermeld welke eigendommen in aanmerking komen voor conservatoir beslag.

Conservatoir beslag kan ook worden opgelegd om de toekomstige tenuitvoerlegging van een vonnis inzake een hoger recht op bepaalde eigendommen te waarborgen (hoofdstuk 15, afdeling 2, van het Zweedse wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Voorbeelden van dergelijke vonnissen zijn vonnissen die inhouden dat de eiser een hoger recht op bepaalde aandelen heeft, of vonnissen die de verweerder verplichten om de aandelen onmiddellijk over te dragen.

Hoofdstuk 5, afdeling 3, van het Zweedse wetboek van burgerlijke rechtsvordering bevat een algemene bepaling inzake het recht van de rechtbank om een geschikte maatregel voor de waarborging van de rechten van de verzoeker voor te schrijven. Deze bepaling wordt bijvoorbeeld toegepast in geval van dwangbevelen. Ook een vordering om bevestiging dat de verweerder niet het recht heeft om met bepaalde in een mededingingsclausule gespecificeerde goederen te werken wordt geacht onder het toepassingsgebied van deze bepaling te vallen.

Bovendien kan de rechtbank volgens hoofdstuk 15, afdeling 4, van het Zweedse wetboek van burgerlijke rechtsvordering in geval van een hoger recht op bepaalde eigendommen de teruggave van weggemaakte activa enz., gelasten.

Voorts wordt in hoofdstuk 15, afdeling 5, van het Zweedse wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaald dat onder bepaalde voorwaarden een voorlopige bewarende maatregel kan worden opgelegd.

Daarnaast zijn er ook afzonderlijke bepalingen met betrekking tot bewarende maatregelen op enkele bijzondere gebieden, zoals het octrooirecht.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Beslissingen inzake bewarende maatregelen worden door de rechtbank gegeven terwijl de gerechtelijke procedure nog loopt. Als er geen gerechtelijke procedure loopt, zijn de van toepassing zijnde bepalingen inzake de rechtbank die rechtsbevoegdheid heeft in grote lijnen dezelfde als die welk in civielrechtelijke zaken in het algemeen gelden.

De rechtbank kan niet uit eigen beweging de vraag opwerpen of er een bewarende maatregel moet worden getroffen. De partij die een dergelijke gerechtelijke beslissing wenst, moet daartoe een verzoek indienen. Indien er geen gerechtelijke procedure loopt, moet dit verzoek schriftelijk worden ingediend.

Er is geen verplichting dat een verzoeker moet worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat. Aan het aanhangig maken van gerechtelijke procedures bij Zweedse rechtbanken zijn geen kosten verbonden, met uitzondering van een vergoeding voor het indienen van het verzoek, die momenteel circa 450 SEK (circa 50 EUR) bedraagt.

2.2 De basisvereisten

Een voorwaarde voor het toekennen van maatregelen in overeenstemming met hoofdstuk 15, afdelingen 1 tot en met 3, van het Zweedse wetboek van burgerlijke rechtsvordering (“rättegångsbalken”) is dat de hoofdkwestie zelf (bijvoorbeeld een vordering overeenkomstig afdeling 1) het voorwerp van een rechtszaak of onderzoek in een andere, gelijkaardige procedure kan zijn (waaronder arbitrageprocedures).

Het Zweedse hooggerechtshof (“Högsta domstolen”) heeft geoordeeld dat conservatoir beslag of andere bewarende maatregelen overeenkomstig hoofdstuk 15 van het Zweedse wetboek van burgerlijke rechtsvordering ook kunnen worden verleend met betrekking tot vorderingen die door buitenlandse rechtbanken moeten worden behandeld mits de beslissing van de buitenlandse rechtbank in Zweden ten uitvoer kan worden gelegd.

Om conservatoir beslag overeenkomstig hoofdstuk 15, afdelingen 1 tot en met 3, van het Zweedse wetboek van burgerlijke rechtsvordering te kunnen leggen, moet ook aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • Eén vereiste is dat de verzoeker moet aantonen aannemelijke gronden te hebben voor zijn of haar vordering tegen een andere persoon en dat van deze gronden kan worden aangenomen dat ze het voorwerp van een rechtszaak of onderzoek in een andere, gelijkaardige procedure zouden kunnen zijn.
  • Ook moet de verzoeker aantonen dat “redelijkerwijs kan worden gevreesd” dat de andere partij, door met de noorderzon te vertrekken, eigendommen weg te halen of anderszins te werk te gaan, zijn of haar aansprakelijkheid voor de betaling van de schuld zal trachten te ontlopen (afdeling 1), dat de andere partij eigendommen zal wegnemen, aanzienlijk zal verminderen of anderszins van de hand zal doen ten nadele van de verzoeker (afdeling 2) of dat de andere partij, door bepaalde activiteiten te verrichten of verbintenissen aan te gaan of door na te laten om bepaalde handelingen te verrichten of anderszins, het voor de verzoeker onmogelijk of moeilijker zal maken om zijn of haar rechten uit te oefenen of de waarde van de eigendommen aanzienlijk zal doen verminderen (afdeling 3).
  • Om intussen een maatregel te kunnen opleggen, moet er ook een risico van schade als gevolg van vertraging bestaan. Dit heeft betrekking op het risico dat de tenuitvoerlegging van een beslissing in gevaar komt indien de maatregel niet onmiddellijk wordt opgelegd zonder de andere partij te horen. Indien de maatregel op deze manier wordt toegekend, wordt de beslissing aan de partijen toegezonden en wordt de verweerder opgedragen om opmerkingen te maken over de beslissing. Als opmerkingen worden ontvangen, moet de rechtbank onderzoeken of de maatregel in stand moet worden gehouden.
  • Tot slot kan de maatregel alleen worden toegekend als de verzoeker een zekerheid stelt voor eventuele schade die de andere partij mogelijk zal lijden. Indien de verzoeker niet in staat is om een zekerheid te stellen, maar tegelijkertijd aantoont dat hij of zij bijzondere gronden voor zijn of haar vordering heeft, heeft de rechtbank de mogelijkheid om de verzoeker vrij te stellen van de verplichting om een zekerheid te stellen.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

De tenuitvoerlegging van beslissingen inzake conservatoir beslag in verband met een vordering bestaat uit de beslaglegging op eigendommen tot een bepaalde waarde. Over het geheel genomen zijn op beslag dezelfde beginselen van toepassing als op de tenuitvoerlegging van een vonnis. De eigendommen zullen echter niet worden verkocht.

In beginsel kan bij de tenuitvoerlegging van een vonnis beslag worden gelegd op elk type eigendom. De eigendommen kunnen roerende of onroerende zaken zijn.

Op bepaalde eigendommen kan geen beslag worden gelegd. Dat geldt bijvoorbeeld voor zogeheten “beneficiaire eigendommen”. Deze term heeft onder meer betrekking op:

  • kleding en andere objecten die zijn bedoeld voor persoonlijk gebruik door de schuldenaar, tot een redelijke waarde;
  • meubilair, huishoudelijke apparaten en andere zaken die nodig zijn voor het voeren van een huishouding;
  • instrumenten en andere uitrustingstukken die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van een beroep of het volgen van een beroepsopleiding door de schuldenaar;
  • persoonlijke bezittingen, zoals medailles en sportprijzen met een persoonlijke waarde voor de schuldenaar, waarvoor geldt dat het onbillijk zou zijn om er beslag op te leggen.

Eigendommen kunnen ook worden beschermd op grond van afzonderlijke wettelijke bepalingen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij schadeloosstelling.

Er kan geen conservatoir beslag worden gelegd op lonen en dergelijke voordat deze zijn uitgekeerd.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Wanneer beslag wordt gelegd op eigendommen in verband met een schuld, mag de verweerder deze eigendommen niet overdragen of op andere wijze vervreemden ten nadele van de verzoeker. De Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie (“Kronofogdemyndigheten”) kan echter uitzonderingen op het verbod op vervreemding toestaan indien er daarvoor bijzondere gronden zijn. Elke vervreemding die strijdig is met het verbod kan resulteren in strafrechtelijke aansprakelijkheid.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Wanneer een maatregel op grond van hoofdstuk 15, afdelingen 1 tot en met 3, van het Zweedse wetboek van burgerlijke rechtsvordering is toegekend, moet de verzoeker, indien dit niet reeds is gebeurd, binnen een maand na de datum van de beslissing een zaak met betrekking tot de vordering aanhangig maken. Indien de vordering in het kader van een andere procedure moet worden behandeld, moet de verzoeker in plaats daarvan maatregelen nemen die door die procedure worden voorgeschreven.

Als in de tussentijd de maatregel is toegekend, moet de beslissing aan de partijen worden toegezonden en moet de verweerder opdracht worden gegeven om opmerkingen over de beslissing in te dienen. Als deze opmerkingen worden ontvangen, moet de rechtbank onmiddellijk onderzoeken of de maatregel moet worden behouden.

Een maatregel moet onmiddellijk worden ingetrokken indien, nadat deze is toegekend, een zekerheid is gesteld die toereikend is om het doel van de maatregel te verwezenlijken.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Een kwestie die bewarende maatregelen behelst, moet worden beslecht bij een beslissing, zowel wanneer deze kwestie zich voordoet als procedurele kwestie in verband met de behandeling van een zaak als wanneer het nemen van bewarende maatregelen een afzonderlijke kwestie is.

In beide situaties kan de persoon tegen wie de beslissing is gericht daartegen beroep instellen. Een persoon die beroep wenst in te stellen tegen een beslissing van een arrondissementsrechtbank (“tingsrätt”) moet dit schriftelijk en binnen drie weken vanaf de datum van de beslissing doen. Indien de beslissing niet tijdens een rechtszitting is gegeven en op geen enkele zitting is aangekondigd wanneer de beslissing zal worden gegeven, vangt de termijn voor het instellen van beroep aan op de datum waarop de appellant de beslissing ontvangt. Het beroep moet worden ingesteld bij het hof van beroep (“hovrätt”), maar moet worden ingediend bij de arrondissementsrechtbank (“tingsrätt”).

Indien de arrondissementsrechtbank in een civiele zaak een verzoek om een bewarende maatregel overeenkomstig hoofdstuk 15 van het Zweedse wetboek van burgerlijke rechtsvordering (‘rättegångsbalken’) heeft afgewezen of een beslissing over een dergelijke maatregel heeft ingetrokken, kan het hof van beroep de maatregel per direct en tot nader order van toepassing verklaren. Indien de arrondissementsrechtbank een dergelijke maatregel heeft toegekend of heeft verklaard dat de beslissing ten uitvoer kan worden gelegd hoewel de beslissing nog niet definitief en onherroepelijk is, kan het hof van beroep onmiddellijk beslissen dat de beslissing van de arrondissementsrechtbank tot nader order niet ten uitvoer mag worden gelegd.

Laatste update: 06/09/2019

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Engeland en Wales

1 De verschillende soorten maatregelen

In Engeland en Wales hebben de rechtbanken zowel volgens regel 25.1(1) van de Civil Procedure Rules (regels voor burgerlijk procesrecht) als volgens de inherente jurisdictie daarvan de bevoegdheid voorlopige en conservatoir maatregelen te treffen die de belangen van een partij in een goed of in de grond van de zaak moeten beschermen. Deze rechtsmiddelen zijn in elke fase of voor aanvang van het proces beschikbaar. Het gaat hierbij om billijke rechtsmiddelen, in die zin dat de rechter de discretionaire bevoegdheid heeft om als naar recht te beslissen. De beginselen voor het toestaan van deze middelen zijn vastgelegd in het fundamentele arrest American Cyanamid Co/Ethicon[1] Volgens regel 25.1(1) kan de rechtbank het volgende opleggen:

voorlopige voorzieningen;

voorlopige verklaringen;

bevelen over eigendom voor de verkoop, het behoud, de inspectie of de overdracht van bewaring van eigendom of betaling in verband met eigendom;

bevelen voor het verlenen van toegang tot grond of gebouwen;

bevelen om afstand te doen van goederen;

bevriezingsbevelen of bevelen aan een partij om informatie te verstrekken over de locatie van eigendom of activa waarvoor het bevriezingsbevel is uitgevaardigd;

huiszoekingsbevelen;

bevelen voor de openbaarmaking van documenten of inspectie van eigendom voorafgaand aan de indiening van een vordering – zowel gericht aan de wederpartij als aan een tot dusver niet-verbonden partij;

bevelen voor tussentijdse betaling als voorschot voor een nog door de rechter toe te kennen schadevergoeding;

bevelen betreffende gerechtelijk beslag, afhankelijk van de uitkomst van de procedure;

bevelen om de herkomst van geld te verantwoorden;

bevelen in verband met procedures betreffende intellectuele-eigendomsrechten.

Ook in de jurisprudentie zijn onder de inherente jurisdictie van de rechtbanken een aantal voorlopige maatregelen ontstaan, waaronder met name het Norwich Pharmacal-bevel en het procesverbod bij rechterlijk bevel. Bij Norwich Pharmacal-bevelen wordt een derde gedwongen de gegevens van een overtreder bekend te maken zodat de eiser een vordering op naam tegen deze overtreder kan instellen – deze bevelen worden veelal toegepast in zaken betreffende illegale praktijken van bedrijven. Het procesverbod bij rechterlijk bevel moet voorkomen dat een partij een vordering instelt in een ander land waar dit met boze opzet zou gebeuren, waar dit een onredelijk inbreuk op rechten zou maken of waar geen sprake zou zijn van een eerlijke rechtsgang. Daarnaast kan de rechtbank een verklaring afgeven over de interpretatie van het recht, of over een contractbepaling die zelf onderwerp van een juridische strijd is.

Een voorziening (injunction) is een rechterlijke beschikking waarbij een partij wordt opgedragen bepaalde acties te ondernemen, dan wel daarmee op te houden. Er is sprake van een voorlopige voorziening (interim injunction) wanneer deze beschikking al wordt gegeven voordat de vordering is onderzocht. Ter verdediging van zijn positie kan de eiser tijdens, of zelfs vóór, het proces om een voorlopige voorziening vragen, om te voorkomen dat de gedaagde zodanig handelt dat hij de eiser schade toebrengt.

Verder staan de eiser twee specifieke voorzieningen ter beschikking wanneer het gevaar bestaat dat de gedaagde stappen zal ondernemen om bewijsmateriaal te vernietigen of een vonnis ten gunste van de eiser te dwarsbomen. De eerste is een huiszoekingsbevel, de tweede is een conservatoir beslag, waardoor wordt verhinderd dat de gedaagde activa verhandelt of ze buiten het rechtsgebied van het gerecht brengt.

Wanneer de eiser betaling van een geldsom (bv. een schuld of een schadevergoeding) wenst, kan de rechter de gedaagde verplichten tot een voorlopige betaling (interim payment) als voorschot op het bedrag dat hij uiteindelijk zal moeten betalen, om te vermijden dat de eiser schade lijdt als gevolg van vertragingen bij het verkrijgen van een vonnis.

Een gedaagde kan het risico lopen dat, zelfs wanneer de eis wordt afgewezen en de eiser wordt veroordeeld tot betaling van de kosten, het niet mogelijk zal zijn deze veroordeling af te dwingen. Ter bescherming van de gedaagde kan de rechter de eiser in bepaalde omstandigheden opdragen zekerheid voor de kosten te stellen, gewoonlijk door een bedrag bij het gerecht te deponeren.

Het High Court kan in voorkomend geval een voorlopige voorziening treffen ter ondersteuning van een proces in een ander rechtsgebied. Ook kan het een “wereldwijd conservatoir beslag” opleggen dat ook van kracht is voor activa in andere rechtsgebieden.

[1] [1975] 1.504

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Voorzieningen (waaronder huiszoekingsbevelen en conservatoire beslagen)

Krachtens regel 25 moet een verzoek tot een voorlopige maatregel worden ingediend bij de rechtbank die de zaak behandelt of zal behandelen zodra de zaak aanhangig is gemaakt. Sommige soorten voorzieningen, met name die met een internationale component, kunnen alleen worden opgelegd door het High Court, andere door het County Court. Het High Court kan deze opleggen langs de gewone weg of via de verschillende divisional courts die verzoeken om een voorlopige voorziening behandelen of via hun dienstverlening buiten kantooruren – dit is vaak van belang bij voorzieningen om publicatie van een verhaal in de pers of uitzettingen door het ministerie van Binnenlandse Zaken tegen te houden.

De algemene vereisten voor verzoeken zijn dat hiervoor gebruik moet worden gemaakt van een verzoekschrift (N244), dat vergezeld moet gaan van het gedinginleidende stuk, een getuigenverklaring die het verzoek ondersteunt, beëdigde verklaringen en een ontwerpvonnis. Het ontwerpvonnis moet een garantie bevatten dat eventuele schade die de tegenpartij ten gevolge van de voorziening lijdt[2], zal worden vergoed, alsmede een toezegging dat het verzoekschrift aan de respondenten zal worden betekend, bewijs en alle gegeven beschikkingen. Dit is essentieel als het een niet-contradictoire procedure betreft. In het geval van noodvoorzieningen moet worden toegezegd de betreffende vergoedingen zo spoedig mogelijk te betalen; daarnaast kan de toezegging worden verlangd dat zo spoedig mogelijk een formele procedure wordt ingeleid.

Na indiening wordt het verzoekschrift behandeld door een rechter die vervolgens de voorziening afgeeft, laat verzegelen en aan de indiener van het verzoek laat retourneren. De verzoekende partij is verantwoordelijk voor de betekening aan de wederpartij.

Huiszoekingsbevelen zijn zeer ingrijpend en moeten dan ook aan bijzondere vereisten voldoen. Gewoonlijk moet het desbetreffende exploot worden betekend door een toezichthoudend advocaat (supervising solicitor) die met huiszoekingsbevelen bekend is en die geen banden heeft met de advocaten van de eiser. De toezichthoudende advocaat moet het huiszoekingsbevel aan de gedaagde toelichten en hem ook op de hoogte brengen van zijn recht juridisch advies te vragen. De toezichthoudende advocaat zal de huiszoeking uitvoeren of hierbij toezicht uitoefenen en verslag over de huiszoeking uitbrengen aan de advocaten van de eiser. Huiszoekingsbevelen gelden vanaf het moment van betekening en na afloop van een redelijke termijn voor het inwinnen van juridisch advies.

Bevriezingsbevelen zijn beschikkingen die voorkomen dat een partij activa die zich in het rechtsgebied bevinden verwijdert of haar verbieden activa ergens ter wereld te verhandelen. Bevriezingsbevelen zijn de enige beschikkingen die werking hebben vanaf het moment dat ze worden uitgevaardigd, waardoor de betekening ervan van cruciaal belang is.

Wie een huiszoekingsbevel of een bevriezingsbevel naast zich neerlegt, geeft aanleiding tot vervolging wegens minachting van het gerecht.

Voorlopige betalingen en zekerheid voor de kosten

Wanneer de partijen het erover eens zijn, bestaat de mogelijkheid van een voorlopige betaling of voor het stellen van zekerheid voor de kosten, maar wanneer zij het er niet over eens zijn, moet een verzoek aan de rechtbank worden gericht. Hiertoe moet een verzoekschrift worden ingediend, dat moet worden gestaafd met schriftelijk bewijsmateriaal. Het verzoek moet aan de tegenpartij worden betekend, die dan op haar beurt bewijsmateriaal kan indienen. Indien het gerecht gevolg geeft aan het verzoek, zal het de vorm en het bedrag van de zekerheid of de betaling vaststellen.

Kosten van het verkrijgen van bevelschriften

Er zijn geen vaste tarieven voor het verkrijgen van een van bovengenoemde beschikkingen. Wel zijn er specifieke gerechtskosten voor het opmaken van een verzoek om een beschikking, afhankelijk van het feit of dit verzoek al dan niet aan de tegenpartij wordt betekend. Zie voor de volledige informatie over deze kosten de website van het De link wordt in een nieuw venster geopend.ministerie van Justitie.

De verzoeker moet de kosten van zijn advocaten betalen (en bij een huiszoeking ook die van de toezichthoudende advocaat), maar uiteindelijk kan de tegenpartij worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.

[2] Garanties zijn toezeggingen aan de rechtbank. Op niet-nakoming van een garantie kunnen zware sancties staan.

2.2 De basisvereisten

Zoals hierboven al is aangegeven, worden alle in dit punt beschreven rechtsmiddelen alleen door het gerecht toegestaan wanneer het van mening is dat ze in de gegeven omstandigheden zinvol of evenredig zijn. In het algemeen is de rechter voorzichtiger bij een huiszoeking of bij conservatoir beslag omdat dat bijzonder zware maatregelen zijn.

Voorlopige voorziening

Voordat het gerecht een voorlopige voorziening toekent[3], zal het nagaan of het om een serieuze rechtsvordering gaat (en niet om een lichtvaardig genomen besluit, en er ook geen boos opzet in het spel is). Zo niet, dan wordt een voorlopige voorziening geweigerd.

Indien het bij de rechtsvordering om een serieuze zaak gaat, zal het gerecht de proportionaliteit afwegen. Het gaat na of het erger is van de eiser te verlangen dat hij zonder voorziening de rechtszaak afwacht of dat er ten koste van de gedaagde een voorziening wordt getroffen. In zijn afwegingen zal het gerecht de volgende vragen in onderstaande volgorde overwegen:

  • Is toekenning van een schadevergoeding een afdoende rechtsmiddel voor de eiser indien hij het proces wint? Indien een schadevergoeding volstaat, zal de voorziening worden geweigerd. Zo niet (bv. omdat de schade voor de eiser onherstelbaar is of niet in geld is uit te drukken), dan komen de volgende vragen aan de orde.
  • Is de garantie van de eiser dat hij voor eventuele schade van de gedaagde opkomt, voor deze voldoende bescherming als hij het proces wint? Zo ja, dan is dit een argument voor een voorziening.
  • Wanneer de andere factoren in evenwicht lijken, zal het gerecht de status quo handhaven. Er kan rekening worden gehouden met andere sociale en economische factoren, zoals de gevolgen van het toekennen of weigeren van de voorziening voor de werkgelegenheid of voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen.
  • Ten slotte kan het gerecht de argumenten van de partijen tegen elkaar afwegen, maar alleen als duidelijk is dat de ene partij een veel sterkere zaak heeft dan de andere.

Huiszoekingsbevel

Er kan een bevel tot huiszoeking worden gegeven wanneer hierdoor kan worden gewaarborgd dat bewijzen of goederen die voor het proces van belang zijn, in stand blijven. De voorwaarden voor een huiszoekingsbevel zijn stringenter dan die voor andere soorten voorzieningen en het gerecht zal er pas toe overgaan wanneer de verzoeker aantoont dat aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • Op het eerste gezicht zijn er uiterst sterke aanwijzingen tegen de gedaagde.
  • De activiteiten van de gedaagde die aanleiding tot het proces zijn, leiden tot ernstige feitelijke of potentiële schade van de eiser.
  • Er is duidelijk bewijs dat de gedaagde belastende documenten of belastend materiaal bezit.
  • Het is goed mogelijk of waarschijnlijk dat die documenten of dat materiaal zal verdwijnen wanneer geen bevel tot huiszoeking wordt gegeven.

Conservatoir beslag

Het gerecht kan een conservatoir beslag toestaan wanneer dat terecht en passend is. Het wordt alleen toegestaan wanneer de eiser kan aantonen dat aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • De eiser voert een wezenlijke grond aan voor een zaak waarvoor de gerechten van Engeland en Wales bevoegd zijn.
  • De eiser heeft een goed verdedigbare zaak tegen de gedaagde.
  • Er zijn gronden om aan te nemen dat de gedaagde activa binnen de jurisdictie van het gerecht heeft.
  • Er bestaat een reëel risico dat de gedaagde zodanig met de activa zal omgaan dat een vonnis niet ten uitvoer kan worden gelegd (bv. door de activa van de hand te doen of door ze buiten de jurisdictie van het gerecht te brengen).

Het gerecht zal vooral voorzichtig zijn met het toestaan van een conservatoir beslag ter ondersteuning van een proces in het buitenland, met name wanneer dit beslag een door het buitenlandse gerecht waar de bodemprocedure plaatsvindt, opgelegd conservatoir beslag overlapt of hiermee in strijd is, of wanneer het buitenlandse gerecht een conservatoir beslag heeft afgewezen.

Het gerecht zal geen wereldwijd conservatoir beslag toestaan indien de gedaagde voldoende activa binnen de jurisdictie van het gerecht heeft, en ook moet het nagaan of een wereldwijd beslag ten uitvoer kan worden gelegd in de landen waar de tegenpartij activa bezit.

Norwich Pharmacal-bevel

Dit bevel, waarin een gedaagde wordt opgedragen bepaalde documenten of informatie aan de eiser bekend te maken, is ontstaan in de jurisprudentie. Dit lijkt op precontentieuze bekendmaking of bekendmaking aan derde partijen, maar is breder van opzet omdat het naast documenten ook om informatie gaat. Deze bevelen kunnen op elk moment tijdens het proces worden uitgevaardigd of zelfs na het arrest worden toegepast. Naast de algemene billijke beginselen moet er sprake zijn van een onrecht en van een overtreder die, als zijn identiteit bekend wordt, door de verzoekende partij voor de rechter zal worden gedaagd. Het bevel is nodig om recht te kunnen halen; dit kan niet op een andere manier worden bereikt. De verweerder is ofwel de overtreder, ofwel met hem verbonden of gelieerd en heeft informatie over de overtreder. Deze bevelen kunnen voor het High Court worden gevorderd en zijn internationaal van toepassing; de inhoud van de bekendmaking kan zonder toestemming van de rechter worden gebruikt in een buitenlands proces, waarmee wordt afgeweken van de algemene beginselen van behoorlijke procesvoering.

Procesverbod bij rechterlijk bevel

Dit is een rechterlijk bevel dat de verweerder verbiedt een proces te voeren in het buitenland. Naast de algemene beginselen van billijke schadeloosstelling zijn er nog andere criteria. Het procesverbod moet met name in het justitieel belang zijn, over het algemeen omdat het vexatoir is en in strijd zou zijn met een contractuele bepaling, zoals schending van een bepaling van exclusieve bevoegdheid om gebruik te maken van de rechtbanken van Engeland en Wales. Bovendien moet het proces worden gevoerd voor een rechtbank die buiten de verordening Brussel I valt. Als de rechtbank een einde zou maken aan de procesvoering voor deze rechtbanken, zou het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen rechtssystemen worden ondermijnd. Voor particuliere arbitragezaken – waarbij deze vrees niet bestaat – wordt een uitzondering op deze regel gemaakt.

Voorlopige betalingen

Het gerecht mag de gedaagde alleen dan een voorlopige betaling opleggen als deze heeft toegegeven dat hij de eiser geld schuldig is, als er al een uitspraak ten gunste van de eiser is maar het desbetreffende bedrag later zal worden vastgesteld, of als het gerecht ervan overtuigd is dat de eiser bij het proces een aanzienlijk geldbedrag zal krijgen (of bij een vordering over grondbezit een betaling voor het gebruik van de grond door de gedaagde). Wanneer het in een zaak om letselschade gaat, kan alleen een betaling worden opgelegd wanneer de aansprakelijkheid van de gedaagde wordt overgenomen door een verzekeraar of indien de gedaagde een overheidsinstantie is.

Zekerheid voor de kosten

De meest voorkomende gevallen waarin het gerecht de eiser kan opdragen zekerheid te stellen zijn:

  • De eiser woont buiten de Europese Unie en het Europese Vrijhandelsgebied (IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland) en het is moeilijk de kosten in het land van vestiging van de eiser te innen.
  • De eiser is een onderneming of een andere rechtspersoon en er bestaat reden om aan te nemen dat deze niet in staat is de kosten van de gedaagde te betalen indien hij daartoe veroordeeld wordt. (Bij zijn beslissing zekerheid te verlangen zal het gerecht in aanmerking nemen of het gebrek aan geld of middelen van de eiser door het gedrag van de gedaagde is veroorzaakt.)
  • De eiser is verhuisd om de gevolgen van het geschil te ontlopen of heeft in het exploot van dagvaarding zijn adres niet correct aangegeven.
  • De eiser heeft ten aanzien van zijn activa stappen ondernomen waardoor het moeilijk zal zijn de kosten op hem te verhalen.

Het gerecht zal alleen zekerheid verlangen indien het ervan overtuigd is dat dit in alle omstandigheden de juiste beslissing is. Het overweegt hierbij of het verzoek terzake wordt gebruikt om een reële vordering de kop in te drukken en of de vordering een redelijke kans van slagen heeft.

Het gerecht kan ook een zekerheid verlangen van:

  • een derde partij die de vordering financiert in ruil voor een aandeel in de opbrengst van het proces of die het recht tot indiening van de vordering aan de eiser heeft overgedragen ter vermijding van het risico de kosten te moeten dragen;
  • een procespartij die zonder goede grond de regels van het gerecht niet in acht heeft genomen.

[3] Dit is een destillatie en verfijning van de American Cyanamid-beginselen.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Voorlopige voorziening

Een voorlopige voorziening kan een partij ertoe verplichten ten aanzien van bepaalde activa iets te doen of na te laten.

Huiszoekingsbevel

Ingeval van een huiszoekingsbevel moet de gedaagde degenen die dit bevel ten uitvoer moeten leggen, de toegang tot zijn pand toestaan, maar dit betekent niet dat de verzoeker zich toegang mag verschaffen. In het huiszoekingsbevel moet worden gespecificeerd welk pand mag worden doorzocht en welke goederen daarbij mogen worden geïnspecteerd, gekopieerd en verwijderd. Het huiszoekingsbevel mag alleen betrekking hebben op bewijs dat in het proces van belang kan zijn of op eigendom waarop het proces betrekking heeft of waarover in het proces vragen kunnen rijzen.

In het standaardformulier voor een huiszoekingsbevel staat dat de gedaagde alle goederen moet overhandigen die in het bevel worden genoemd. Wanneer belangrijk bewijsmateriaal op een computer kan staan, moet toegang worden verleend tot alle computers in het pand, zodat ze kunnen worden onderzocht, en moeten van alle aangetroffen belangrijke documenten kopieën worden gegeven.

Conservatoir beslag

Het gerecht mag een conservatoir beslag leggen op de eigendommen van de gedaagde, wat betekent dat de gedaagde zijn activa binnen het rechtsgebied niet tot onder een bepaalde waarde mag verminderen, of het beslag beperken tot bepaalde activa. De gedaagde mag nog wel bepaalde bedragen besteden aan levensonderhoud, juridisch advies en juridische vertegenwoordiging, terwijl ook kan worden toegestaan dat hij binnen de normale bedrijfsuitoefening met de activa handelt.

Het standaardformulier voor een conservatoir beslag betreft een beslag tot een maximumbedrag. Hierin wordt vermeld dat het beslag betrekking heeft op alle activa van de gedaagde, en wel op alle activa waarover hij zelf kan beschikken, met inbegrip van activa die in handen zijn van een derde, die er overeenkomstig de aanwijzingen van de gedaagde mee handelt.

Een algeheel beslag of een beslag op een maximumbedrag heeft betrekking op alle roerende en onroerende goederen, voertuigen, contanten en aandelen. Het beslag strekt zich ook uit tot activa die na het vonnis zijn verworven. Het kan betrekking hebben op specifieke eigendommen, zakelijke activa en bankrekeningen, maar niet op een gemeenschappelijke bankrekening tenzij dit specifiek in de beschikking is vermeld.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

De verweerder wordt gewaarschuwd dat wie een voorlopige voorziening naast zich neerlegt, zich schuldig maakt aan minachting van het gerecht (contempt of court). Hiervoor kan de betrokkene een gevangenisstraf of een boete krijgen en ook kunnen zijn activa in beslag worden genomen.

Wanneer een derde het mogelijk maakt dat de gedaagde zich in strijd met een conservatoir beslag van zijn activa ontdoet, hoeft er geen sprake te zijn van minachting van het gerecht. Wanneer deze derde evenwel van het beslag in kennis is gesteld en de gedaagde vervolgens bewust helpt zich van zijn activa te ontdoen, maakt hij zich wel schuldig aan minachting voor het gerecht. Degene die een conservatoir beslag verlangt, moet daarom aan derden, zoals de banken, accountants en advocaten van de gedaagde, kopieën van de beschikking verstrekken. (In het standaardformulier wordt ervan uitgegaan dat dit wordt gedaan en worden derden voor de mogelijke straffen gewaarschuwd. Het formulier bevat ook de belofte van de verzoeker dat hij de redelijke kosten die derden moeten maken om aan het bevel te voldoen, zal vergoeden en dat hij hen schadeloos zal stellen voor vorderingen in verband hiermee.) Ook wanneer banken en andere derden van de beschikking in kennis zijn gesteld, mogen ze nog steeds zekerheids- en compensatierechten uitoefenen die vóór het conservatoir beslag tot stand zijn gekomen.

Een conservatoir beslag geeft de eiser geen eigendomsrechten op de activa onder het beslag. Het enige rechtsmiddel dat de eiser in het algemeen heeft, is het recht een procedure wegens minachting voor het gerecht te starten. Een overeenkomst die in strijd met een voorziening gesloten is, is onwettig, zodat de partij die weet dat zij in strijd met de beschikking handelt, geen nakoming van de overeenkomst kan afdwingen. Bovendien kan het gerecht soms een tweede voorziening treffen om de gedaagde te verbieden een overeenkomst met een derde te sluiten. Toch kan de eigendom nog steeds worden overgedragen met een onrechtmatige overeenkomst, en wanneer deze eenmaal ten uitvoer is gelegd, is het gewoonlijk onmogelijk de overgedragen activa terug te krijgen.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Wanneer in aanwezigheid van de partijen een voorlopige voorziening is getroffen, kan in de desbetreffende beschikking zijn bepaald dat deze van kracht is tot het procesbegin, tot het vonnis of een nadere beschikking van het gerecht of tot een bepaalde datum. (Wanneer een voorziening van kracht is tot een nadere beschikking, vervalt de voorziening niet wanneer het gerecht zijn vonnis uitspreekt, maar pas wanneer het een instructie geeft waarmee de voorziening uitdrukkelijk of impliciet ongedaan wordt gemaakt.)

Wanneer een voorlopige voorziening getroffen is zonder dat dit aan de tegenpartij bekend is gemaakt, zal deze gewoonlijk slechts korte tijd, zelden langer dan zeven dagen, van kracht zijn, waarna er opnieuw een rechterlijke beschikking nodig is om een verlenging te bewerkstelligen. Wanneer het gerecht een voorziening treft zonder kennisgeving, stelt het gewoonlijk een datum vast voor een nieuwe hoorzitting (“terugkeerdatum”), die de tegenpartij dan kan bijwonen zodat hij de verlenging van de beschikking kan aanvechten. Op het standaardformulier voor een conservatoir beslag staat dat dit van toepassing is tot de “terugkeerdatum” of totdat een nieuwe beschikking wordt gegeven.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

De gedaagde of iedere derde die direct betrokken is bij een voorlopige voorziening, kan het gerecht te allen tijde verzoeken de beschikking te wijzigen of nietig te verklaren (hoewel een verzoek in verband met een huiszoekingsbevel dat al ten uitvoer is gelegd, gewoonlijk moet wachten tot het eigenlijke proces). Voor het aanvechten van een beschikking zonder betekening hoeft de terugkeerdatum niet te worden afgewacht. De gedaagde moet zijn verzoek vooraf betekenen aan de advocaten van de eiser. Het verzoek geschiedt gewoonlijk bij het gerecht dat de beschikking heeft gegeven en wordt vaak behandeld door dezelfde rechter.

De gedaagde kan zich voor zijn verzoek om de beschikking te wijzigen of in te trekken op een van de volgende redenen beroepen: het niet voldoen aan een van de voorwaarden van de beschikking, een materiële wijziging in de omstandigheden waardoor de beschikking niet langer gerechtvaardigd is, de bezwaarlijkheid van de beschikking, een onredelijke inbreuk op de rechten van onschuldige derden en traagheid van de eiser bij de indiening van zijn vordering. Wanneer de voorziening werd getroffen zonder dat deze aan de gedaagde werd bekendgemaakt, kunnen ook het feit dat de beschikking werd verkregen door belangrijke feiten te verzwijgen en onvoldoende bewijs om zonder kennisgeving een voorlopige maatregel te nemen, grond zijn om de beschikking te wijzigen of in te trekken.

Indien het gerecht de beschikking intrekt, kan de gedaagde een beroep doen op de garantie van de eiser en schadevergoeding eisen. Het gerecht zal opdragen de schade te onderzoeken teneinde de verliezen van de gedaagde vast te stellen, maar dit kan worden uitgesteld tot het proces of daarna.

Ook is het gerecht bevoegd beschikkingen betreffende voorlopige betalingen of een zekerheidstelling voor de kosten op te heffen of te wijzigen, en kan het opdragen al het geld of een deel daarvan terug te betalen.

Links

De link wordt in een nieuw venster geopend.Ministerie van Justitie

Laatste update: 30/09/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Noord-Ierland

1 De verschillende soorten maatregelen

Prohibitory of Negative Injunction – een beschikking waarbij de gedaagde wordt opgedragen iets niet te doen of ergens mee op te houden. Dit is het meest gebruikelijke type beschikking.

Mandatory of Positive Injunction – een beschikking waarbij de gedaagde wordt opgedragen iets te doen of schade als gevolg van een eerdere handeling ongedaan te maken.

Quia Timet Injunction – een beschikking waarbij de gedaagde wordt opgedragen iets te doen of te laten teneinde schade te voorkomen.

Mareva Injunction – een beschikking om te voorkomen dat een gedaagde zijn activa verwijdert of verkoopt teneinde een vonnis inzake schadevergoeding onuitvoerbaar te maken. De beschikking kan de gedaagde toestemming geven geld uit te geven voor zijn levensonderhoud of voor zakelijke of juridische onkosten.

An undertaking in lieu of Injunction – vaak doet de gedaagde een toezegging naar aanleiding van een verzoek om een voorziening. Indien de verzoeker hiermee akkoord gaat, wordt de toezegging schriftelijk vastgelegd of door het gerecht geregistreerd.

Order for inspection and preservation of property – Dit dient een tweeledig doel:

  • het behoud van de goederen die het onderwerp van het proces zijn, zodat de winnaar de goederen of de waarde ervan kan invorderen, en
  • goederen toegankelijk te maken voor inspectie, teneinde bewijzen ter onderbouwing van de vordering te verzamelen. Ook kan het gerecht een beschikking geven waarbij toegang wordt verleend tot het grondbezit van een partij teneinde daar de beschikking ten uitvoer te leggen.

Anton Piller Order – hierbij wordt de eiser, zijn advocaat of een andere vertegenwoordiger gemachtigd om beslag te leggen, conservatoir of om bewijzen te verzamelen, op goederen zonder dat de gedaagde vooraf wordt gewaarschuwd.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Nadat de procedure is ingeleid, kan te allen tijde een voorlopige voorziening worden aangevraagd. In dringende gevallen kan deze zelfs al voor het begin ervan worden toegekend, mits de procedure dan onmiddellijk wordt ingeleid.

De procedure voor het aanvragen van een voorlopige voorziening is vastgelegd in de procesregels. De algemene regels voor het High Court heten de Rules of the Court of Judicature (NI) 1980 en die voor de districtsrechtbank (County Court) de County Court Rules (NI) 1981.

Gewoonlijk wordt het verzoek in een verzoekschrift (notice of motion) of dagvaarding (summons) gericht tot de afdeling van het High Court of het County Court waar de bodemprocedure aanhangig is.

In het verzoekschrift of de dagvaarding moet worden meegedeeld welke maatregel men wenst en de procesregels waarop het verzoek is gebaseerd. Het verzoek moet worden gestaafd met een beëdigde schriftelijke verklaring (affidavit) (doorgaans afgegeven door de advocaat van de verzoeker) en er moet een ontwerpbeschikking worden verstrekt.

Het verzoekschrift of de dagvaarding moet samen met de beëdigde verklaring en eventuele andere relevante documenten uiterlijk 48 uur voor de behandeling van het verzoek aan de gedaagde worden betekend, hoewel de rechter in urgente gevallen een verkorting van deze termijn kan toestaan.

In het High Court wordt het verzoek in de regel behandeld door een master (een soort rechterlijk ambtenaar), maar bij sommige procedures (gespecificeerd in de Rules of the Court of Judicature (Northern Ireland) 1980) worden verzoeken om een voorlopige voorziening door een rechter behandeld.

Het County Court is volledig bevoegd voor het behandelen van verzoeken om een voorlopige voorziening voor zover het gaat om gevallen die binnen zijn rechtsgebied vallen. Verzoeken moeten in dit geval worden behandeld door een rechter van het County Court.

Een verzoek kan eenzijdig (ex parte), zonder betekening van het verzoekschrift of de dagvaarding aan de gedaagde, worden gedaan mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de zaak is uiterst urgent;
  • kennisgeving vooraf zou ertoe leiden dat de gedaagde het doel van de beschikking verijdelt;
  • het is gewoonte dat bijvoorbeeld verzoeken vóór het procesbegin doorgaans eenzijdig worden gedaan;
  • de wet of de procesregels staan het toe of schrijven het voor.

Een eenzijdig verzoek moet worden gedaan op een speciaal formulier (ex parte docket). De verzoeker moet alle relevante feiten volledig en eerlijk meedelen. Op eenzijdige verzoeken om een beschikking (met uitzondering van die om een voorziening) wordt gewoonlijk door een rechter of een master beslist zonder dat er een hoorzitting komt. De kosten van een eenzijdig verzoek worden gewoonlijk pas in de bodemprocedure vastgesteld.

2.2 De basisvereisten

Het gerecht kan in iedere fase van het proces naar eigen goeddunken een voorlopige voorziening toekennen wanneer dit hem terecht en passend lijkt. Het gerecht oefent zijn discretionaire bevoegdheid om een voorlopige voorziening toe te kennen uit in overeenstemming met de richtsnoeren die zijn uitgewerkt in de zaak American Cyanamid/Ethicon [1975] AC 396. Eerst moet de eiser aantonen dat in het proces een ernstige zaak moet worden behandeld. Vervolgens zal de rechter nagaan of de eiser door middel van een schadevergoeding genoegdoening kan worden verschaft. Verder kan de rechter de proportionaliteit tussen de partijen nog in zijn overwegingen betrekken. Wanneer er sprake is van een evenwichtige situatie, dan wordt de voorkeur gegeven aan het bewaren of herstellen van de status quo vóór het gestelde onrecht geschiedde. Een grotere noodzaak moet worden aangetoond indien het gaat om een bevel (mandatory injunction). In dat geval wordt een voorziening alleen getroffen indien de eiser toezegt de schade van de gedaagde te vergoeden wanneer zijn vordering wordt afgewezen of wanneer de voorziening niet nodig bleek te zijn.

Bij een verzoek om een conservatoir beslag (Mareva injunction) moet de eiser aantonen dat:

  • hij goede vooruitzichten heeft in een zaak waarbij hij enige geldelijke genoegdoening vordert;
  • de gedaagde activa heeft die hij verwijderen of verbergen kan;
  • het gevaar bestaat dat de gedaagde activa zal vervreemden voordat het vonnis ten uitvoer kan worden gelegd.

Een verzoek om eigendom te inspecteren is mogelijk ten aanzien van eigendom waarover het proces gevoerd wordt of waarover problemen kunnen rijzen. Het recht op inspectie is niet afhankelijk van de sterkte van de zaak van de verzoeker.

Bij een verzoek om een Anton-Piller-beschikking moet de eiser aantonen dat er een reële mogelijkheid is dat de gedaagde documenten of zaken die zijn verdediging kunnen schaden, vernietigt, dan wel materiaal publiceert ten aanzien waarvan de eiser een recht op geheimhouding heeft.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Een verzoek om een voorziening moet voortvloeien uit en afhankelijk zijn van een wettelijk recht of een rechtsvordering, die afdwingbaar moeten zijn. De voorziening heeft niet ten doel dat de verzoeker zijn rechten kan afdwingen, maar om de status quo te handhaven of te herstellen zolang er geen beslissing is gevallen over de zaak zelf.

Een conservatoir beslag is mogelijk ten aanzien van bestaande of toekomstige activa in Noord-Ierland (het is niet nodig dat het proces erover gaat of dat ze er verband mee houden) en ongeacht of de gedaagde in Noord-Ierland woont of verblijft.

Een beschikking inzake de inspectie en het behoud van goederen is alleen mogelijk ten aanzien van materiële goederen. Het is niet de geëigende procedure voor het bekijken van de inhoud van een document. Hiervoor gelden de regels betreffende de inzage van stukken (discovery of documents).

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Een beschikking kan in een instructieprocedure (committal proceedings) ten uitvoer worden gelegd. Wel moet zij voordien aan de gedaagde worden betekend. Een toezegging kan op dezelfde manier ten uitvoer worden gelegd als een voorziening.

Derden, zoals de partner van de gedaagde, zijn advocaat of zijn bank, zijn, wanneer zij van het conservatoir beslag (Mareva injunction) in kennis zijn gesteld, wettelijk verplicht de activa van de gedaagde die zij in hun bezit hebben, te bewaren. Het conservatoir beslag heeft echter alleen gevolgen jegens de gedaagde en geeft de eiser geen prioriteit boven andere schuldeisers.

Een beschikking inzake de inspectie en het behoud van goederen is alleen mogelijk jegens een procespartij, zodat zij alleen effect heeft wanneer degene die het goed in bezit heeft, ermee instemt.

Een Anton-Piller-beschikking is geen huiszoekingsbevel en kan daarom niet met dwang ten uitvoer worden gelegd. Wanneer de beschikking evenwel is geformuleerd als een bevel aan de gedaagde een huiszoeking toe te staan, is er bij een weigering van de gedaagde sprake van minachting voor het gerecht, dat hieruit overigens ook kan afleiden dat de betrokkene iets te verbergen heeft.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Bij de beschikking kan het gaan om een:

  • tussenvonnis – dat tot het proces van kracht blijft;
  • voorlopige voorziening – dat voor een bepaalde tijd van kracht blijft.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Beide partijen kunnen in beroep gaan bij een master of een rechter. De beroepstermijn bedraagt vijf dagen. Het beroep moet ten minste 48 uur voor het zal worden behandeld, aan de andere partijen worden betekend. Het staat het gerecht vrij de termijn van vijf dagen te verlengen, maar dan moeten hiervoor wel goede gronden worden aangevoerd. Een partij kan echter niet in beroep gaan tegen een toezegging. Tegen de afwijzing van een eenzijdig verzoek kan de verzoeker in beroep gaan, maar de gedaagde niet; deze kan in plaats daarvan een verzoek indienen om de beschikking te vernietigen.

In geval van een beroep wordt de zaak in zijn geheel opnieuw behandeld, zij het dat de appellant zijn zaak als eerste bepleit. Weliswaar kan nieuw bewijsmateriaal worden aangevoerd, maar de rechter zal dit, tenzij er een goede reden voor is, niet gemakkelijk toelaten.

Tegen een tussenvonnis van de districtsrechtbank staat beroep open bij een rechter van het High Court die de zaak opnieuw behandelt of door een zaak aanhangig te maken bij het hof van beroep (Court of Appeal).

Links

De link wordt in een nieuw venster geopend.Northern Ireland Courts and Tribunals Service

Laatste update: 29/09/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Schotland

1 De verschillende soorten maatregelen

Conservatoir beslag

Conservatoir beslag is een beschermingsmaatregel die wordt genomen gedurende of kort voor aanvang van een gerechtelijke procedure. Hierdoor kan een eiser (crediteur) de activa van de gedaagde bewaren waardoor deze gevolg kan geven aan een veroordeling (beslissing) in een gerechtelijke procedure in het voordeel van de eiser.

Er zijn twee typen conservatoir beslag. Bij het eerste type, derdenbeslag (arrestment on the dependence), kan een eiser die een geldvordering heeft, alle gelden of activa die de gedaagde tegoed heeft van derden en die zij onder zich hebben, in feite blokkeren. Deze derden wordt vervolgens verboden betalingen te doen of activa over te dragen. Met het tweede type, het beslag op onroerende zaken (inhibition on the dependence), kan worden voorkomen dat een gedaagde onroerend erfgoed overdraagt of verkoopt dat hij in eigendom heeft. Met dit type beslag, dat wordt gebruikt in verband met grond of gebouwen, in tegenstelling tot geld of roerende zaken, kan worden voorkomen dat een gedaagde op zodanige wijze met zijn eigendom handelt dat hij niet kan voldoen aan de vordering van een eiser, bijvoorbeeld door het eigendom te verkopen en zich vervolgens van de opbrengst te ontdoen.

Het derdenbeslag en het beslag op onroerende zaken kunnen beide worden omgezet in een normale beslaglegging in uitvoering als de rechterlijke beslissing in het voordeel van de eiser is.

Voorlopig beslag

Het voorlopig beslag is vergelijkbaar met het conservatoir beslag, en geeft een eiser de mogelijkheid in de loop van de procedure beslag te leggen op de roerende zaken van de gedaagde. Op die manier kan een gedaagde in afwachting van de uitkomst van de zaak minder vrij handelen met roerende zaken die in zijn bezit zijn en waarop beslag is gelegd. Voorlopig beslag kan echter niet worden toegepast in een woonhuis, en bepaalde zaken zijn uitgezonderd van dit type beslag. De verkrijging van een rechterlijke beslissing leidt er niet toe dat het voorlopige beslag wordt omgezet in een beslaglegging in uitvoering; voor de veiling van objecten waarop beslag is gelegd, zijn een betalingsbevel en verdere beslaglegging vereist.

Voorlopige voorziening

Een voorziening is een rechterlijke beslissing die een persoon belet iets te doen, zoals afstand doen van goederen, en kan dus worden gebruikt om de bestaande stand van zaken van een gedaagde te bewaren. De voorlopige voorziening heeft dezelfde rechtskracht als een voorziening, maar wordt doorgaans in een vroeg stadium van een gerechtelijke procedure toegewezen nadat een verzoek om een voorziening is ingediend en voordat de feiten worden onderzocht. Hierdoor is de voorlopige voorziening vatbaarder voor beroep of intrekking.

Bewaring van documenten en andere zaken

Een rechter kan bevelen tot de voorlopige bewaring van documenten en andere zaken (met inbegrip van grond) om een partij in staat te stellen materieel bewijs veilig te stellen of bewijs te verkrijgen.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Conservatoir beslag

Conservatoir beslag kan uitsluitend plaatsvinden op basis van een gerechtelijk bevel. Zowel het Hoger gerechtshof voor burgerlijke zaken (Court of Session) als de districtsrechtbank (Sheriff Court) kan een bevel tot derdenbeslag, een beslag op onroerende zaken of een voorlopig beslag afgeven. Een derdenbeslag en voorlopig beslag zijn alleen mogelijk voor vorderingen die de betaling van een geldsom betreffen, uitgezonderd de betaling van kosten. De toestemming voor een beslag op onroerende zaken is mogelijk voor vergelijkbare vorderingen, of vorderingen die de specifieke uitvoering van een verplichting tot doel hebben om onroerend erfgoed over te brengen naar de eiser, of een zakelijk recht als zekerheidsstelling van onroerend erfgoed verlenen.

In een zaak voor het Sheriff Court verzoekt de eiser doorgaans om een bevel tot conservatoir beslag door een verzoek hiertoe op te nemen in de dagvaarding. Een dagvaarding is een document waarin de vordering van de eiser uiteen wordt gezet. Het conservatoir beslag kan van kracht blijven totdat er een definitieve uitspraak is gedaan in het voordeel van de eiser. De betekening van het derdenbeslag of het beslag op onroerende zaken wordt vervolgens normaal gesproken verricht door een sheriff officer (een ambtenaar van het gerecht die bevoegd is om stukken te betekenen en gerechtelijke bevelen uit te voeren).

In het Court of Session (het hoogste civiele gerecht in Schotland) worden bevelen tot conservatoir beslag verkregen door hiertoe een verzoek in te dienen. De Lord Ordinary (een rechter van het Outer House van het Court of Session (hoogste rechter van Schotland die in eerste aanleg uitspraak doet)) kan een dergelijk bevel vervolgens uitvaardigen. De schema’s van het derdenbeslag of het beslag op onroerende zaken worden meestal betekend door een messenger-at-arms (een ambtenaar van het Court of Session die bevoegd is om stukken te betekenen en gerechtelijke bevelen uit te voeren).

Bewaring van documenten en andere zaken

Voordat de rechter een bevel tot bewaring kan afgeven, dient de eisende partij, wanneer de procedure waarmee de documenten of zaken verband houden nog niet is begonnen, aan te tonen dat er een civiele procedure zal worden ingeleid, en dat in een dergelijke procedure vragen kunnen rijzen met betrekking tot de betreffende documenten of andere zaken. Wanneer de procedure reeds is begonnen, zal het bevel alleen worden afgegeven indien de eiser aantoont dat dit noodzakelijk is om hem in staat te stellen het reeds beweerde te specificeren, met andere woorden te bewijzen wat hij in zijn zaak heeft gesteld. Als het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het bevel uiteengezet op welke wijze naleving ervan is geboden. Vervolgens moet een gewaarmerkt afschrift van het bevel worden betekend aan de partijen waartegen het gericht is.

2.2 De basisvereisten

Conservatoir beslag

Het conservatoir beslag is discretionair en wordt alleen door gerechten toegestaan als zij zich ervan vergewissen dat aan de bepalingen uit de Debtors (Scotland) Act 1987 (Wet inzake schuldenaars in Schotland) is voldaan, en dat het in alle gevallen redelijk is om dit te doen. De bewijslast om aan te tonen dat het bevel gerechtvaardigd is, rust op de eiser.

Voorlopige voorziening

De sheriff moet overtuigd zijn van de spoedeisende aard van de kwestie en de bewijsbaarheid van de zaak voordat hij een voorlopige voorziening toewijst. Deze moet gelet op de omstandigheden passend zijn, en de sheriff moet ervan overtuigd zijn dat de eiser meer nadeel ondervindt als de voorlopige voorziening niet wordt toegewezen dan de gedaagde ondervindt van toewijzing van de voorziening.

Bewaring van documenten en andere zaken

Voordat de rechter het bevel kan afgeven, dient de eisende partij aan te tonen dat er een civiele procedure zal worden ingeleid, en dat in een dergelijke procedure relevante vragen kunnen rijzen met betrekking tot de betreffende documenten of andere zaken. Wanneer de civiele procedure reeds is begonnen, zal het bevel alleen worden afgegeven indien de eiser aantoont dat dit noodzakelijk is (zie 2.1).

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Conservatoir beslag

Bij een derdenbeslag worden goederen of geld die eigendom zijn van de gedaagde, maar die een derde onder zich heeft, als het ware “bevroren”. Deze derde wordt de arrestee genoemd. Middelen of goederen waarop beslag is gelegd, kunnen niet door de crediteur in bezit worden genomen of worden verkocht zolang er nog geen rechterlijke beslissing is uitgevaardigd. Als de rechterlijke beslissing in het voordeel van de eiser is, kunnen de middelen eventueel automatisch worden vrijgegeven; voor de vrijgave van goederen is echter wel een gerechtelijke procedure (action of furthcoming) vereist.

Een beslag op onroerende zaken is een persoonlijk beslag dat voorkomt dat een gedaagde zich ontdoet van of een zekerheid stelt op zijn belang in onroerend erfgoed dat zijn eigendom is en daardoor de belangen van schuldeisers schaadt. Beslagen op onroerende zaken hebben uitsluitend betrekking op onroerende zaken die in het bezit zijn van de gedaagde, en niet op activa die hij tegoed heeft van derden.

Bij een voorlopig beslag kan, behoudens bepaalde uitzonderingen, beslag worden gelegd op lichamelijke roerende goederen. Deze uitzonderingen betreffen onder meer goederen die zich in het woonhuis van de gedaagde bevinden, voorwerpen die de gedaagde nodig heeft voor de uitoefening van zijn beroep of handel, bederfelijke waren en, tegen een voorgeschreven waarde, het voertuig van de gedaagde.

Voorlopige voorziening

Een voorlopige voorziening verhindert met onmiddellijke ingang dat de gedaagde een bepaalde handeling uitvoert.  Zo kan worden voorkomen dat een gedaagde of derde handelingen verricht in verband met bepaalde activa.

Bewaring van documenten en andere zaken

Het Court of Session en het Sheriff Court hebben ruime bevoegdheden om te bevelen tot bewaring, verzekering of beheer van documenten en andere zaken (met inbegrip van grond) die relevant kunnen zijn in lopende of toekomstige procedures. De rechter kan bevelen tot het overleggen en verwerven van dergelijke zaken, alsmede tot het bemonsteren ervan, en kan experimenten hierop uitvoeren.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Conservatoir beslag

Bij een derdenbeslag worden goederen of geld die eigendom zijn van de gedaagde, maar die een derde onder zich heeft, als het ware bevroren. Indien de derde zich ontdoet van de activa waarop beslag is gelegd, is hij de eisende partij de waarde ervan verschuldigd. Als de eiser zijn zaak wint, heeft hij een voorkeursrecht op de vermogensbestanddelen waarop beslag is gelegd. Bij een derdenbeslag wordt de eigendom bevroren, maar niet overgedragen aan de eiser.

Een beslag op onroerende zaken geeft de eiser geen zakelijk recht op de goederen, en de eiser kan geen vordering instellen om deze in bezit te krijgen of de goederen verkopen. Met dit beslag blijft het onroerend goed eigendom van de gedaagde en wordt dus voorkomen dat hij zich ontdoet van of een zekerheid stelt op zijn belang in het onroerend goed. Eventuele vrijwillige rechtshandelingen die van invloed zijn op de vermogensbestanddelen nadat het beslag van kracht is geworden, kunnen door de eiser ter zijde worden gesteld in die mate waarin zijn belangen voorrang hebben.

Voorlopige voorziening

Indien een gedaagde verzuimt zich te houden aan een voorziening, kan de eiser een procedure tegen hem inleiden wegens overtreding van de voorziening. Als de aanklacht wordt bewezen, kan de gedaagde onder meer worden veroordeeld tot een boete of gevangenisstraf.

Bewaring van documenten en andere zaken

Niet-naleving van het bevel kan ertoe leiden dat een partij die het bevel niet naleeft in het hoofdgeding bij verstek wordt veroordeeld. Ook kan er een procedure wegens minachting van het gerecht worden ingeleid tegen eenieder die een bepaald document of een bepaalde zaak zoals vermeld in de voorziening onder zich heeft.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Conservatoir beslag

Bij het derdenbeslag is het zo dat als de gedaagde in het gelijk wordt gesteld, het beslag vervalt zodra er een definitieve uitspraak is gedaan.  Als de eiser de zaak wint, is het derdenbeslag tot maximaal drie jaar na de datum van de uitspraak ten uitvoer te brengen.

Een beslag op onroerende zaken voorkomt dat een gedaagde zich ontdoet van of een zekerheid stelt op zijn onroerend erfgoed.  Nadat de uitspraak is gedaan, wordt het beslag op onroerende zaken automatisch omgezet in een beschikkingsverbod.  Het remmende effect blijft vijf jaar behouden, maar kan worden verlengd.

Wanneer een voorlopig beslag ten uitvoer wordt gelegd, blijft dit zes maanden van kracht of totdat het wordt ingetrokken.  Wanneer de vordering tegen de gedaagde niet wordt toegewezen, komt hiermee ook een einde aan het voorlopig beslag.

Voorlopige voorziening

Een voorlopige voorziening duurt voort tot de intrekking ervan of totdat de rechter een definitieve uitspraak heeft gedaan.  Wanneer de voorziening een bepaalde duur heeft, duurt zij voort totdat de vastgestelde termijn afloopt.

Bewaring van documenten en andere zaken

Het bevel vervalt wanneer de rechter een definitieve uitspraak heeft gedaan.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Conservatoir beslag

Een gedaagde kan de rechter in twee situaties verzoeken een verbod uit te vaardigen op de uitvoering van een derdenbeslag.  Ten eerste, wanneer onmiddellijk kan worden geverifieerd dat het beslag onrechtmatig is, in de zin dat het wordt uitgevoerd zonder dagvaarding, op onregelmatige wijze of opzettelijk zonder kans van slagen. Ten tweede, wanneer de gedaagde de gevorderde hoofdsom bij het gerecht heeft gedeponeerd.

Wanneer een bevel tot conservatoir beslag is uitgevaardigd, kan de gedaagde of ieder ander met een belang de rechter verzoeken dit bevel in te trekken of te beperken.  Bij een intrekking worden het bevel en een eventueel hieruit voortvloeiend beslag geheel opgeheven.  Wanneer een derdenbeslag, beslag op onroerende zaken of voorlopig beslag dat na de uitvaardiging van het bevel ten uitvoer wordt gelegd, onterecht wordt geacht, moet het worden ingetrokken.

Wanneer het bevel wel geldig was, maar het beslag ondoeltreffend of onregelmatig was, kan het beslag worden beperkt.

Wanneer de gedaagde verzoekt om intrekking of beperking van het conservatoir beslag, is het aan de eiser om voor de rechter aan te tonen dat het beslag niet moet worden ingetrokken of beperkt.  De rechter kan ook van de gedaagde verlangen dat hij de verzekering geeft dat, indien hij daartoe wordt veroordeeld, het vermogensbestanddeel waarop beslag is gelegd of de waarde daarvan of – wat gebruikelijker is – de volledige schuld die wordt gevorderd, ter beschikking zal worden gesteld van de eiser.

Voorlopige voorziening

Tegen de toe- of afwijzing van een voorlopige voorziening door het Sheriff Court kan zonder toestemming beroep worden aangetekend bij de Sheriff Principal (de hoogste sheriff in de regio) of met toestemming bij het Court of Session.

Tegen de toe- of afwijzing van een voorlopige voorziening door het Court of Session kan binnen veertien dagen na de beslissing beroep worden aangetekend.

Bewaring van documenten en andere zaken

Tegen de toewijzing van een verzoek tot bewaring van documenten en andere zaken door het Sheriff Court kan binnen veertien dagen na de toewijzing beroep worden aangetekend.

In geval van het Court of Session kan eenieder die het bevel tot bewaring van de documenten of zaken heeft ontvangen desgewenst verschijnen om hiertegen beroep aan te tekenen. Bij de tenuitvoerlegging van het bevel wijst de ambtenaar die door het gerecht met die taak belast is de ontvanger op zijn recht om juridisch advies in te winnen. Indien het doel van dit advies betrekking heeft op het helpen beantwoorden van de vraag of hij of zij het gerecht moet verzoeken het bevel te wijzigen, begint de ambtenaar niet met het zoeken naar, dan wel met het in beslag nemen of in bewaring stellen van de vermelde zaken.

Links

De link wordt in een nieuw venster geopend.Scottish Courts and Tribunals Service

De link wordt in een nieuw venster geopend.Accountant in Bankruptcy

Laatste update: 28/09/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen - Gibraltar

1 De verschillende soorten maatregelen

Een voorziening (injunction) is een rechterlijke beschikking waarbij een partij wordt opgedragen bepaalde acties te ondernemen, dan wel daarmee op te houden. Er is sprake van een voorlopige voorziening (interim injunction) wanneer deze beschikking al wordt gegeven voordat de vordering is onderzocht. Ter verdediging van zijn positie kan de eiser tijdens, of zelfs vóór, het proces om een voorlopige voorziening vragen, om te voorkomen dat de gedaagde zodanig handelt dat hij de eiser schade toebrengt.

Verder staan de eiser twee specifieke voorzieningen ter beschikking wanneer het gevaar bestaat dat de gedaagde stappen zal ondernemen om bewijsmateriaal te vernietigen of een vonnis ten gunste van de eiser te dwarsbomen. De eerste is een huiszoekingsbevel, waarbij de gedaagde moet toestaan dat in zijn pand naar documenten of goederen wordt gezocht, de tweede is een conservatoir beslag, waardoor wordt verhinderd dat de gedaagde activa verhandelt of ze buiten het rechtsgebied van het gerecht brengt.

Wanneer de eiser betaling van een geldsom (bv. een schuld of een schadevergoeding) wenst, kan de rechter de gedaagde verplichten tot een voorlopige betaling (interim payment) als voorschot op het bedrag dat hij uiteindelijk zal moeten betalen, om te vermijden dat de eiser schade lijdt als gevolg van vertragingen bij het verkrijgen van een vonnis.

Een gedaagde kan het risico lopen dat, zelfs wanneer de eis wordt afgewezen en de eiser wordt veroordeeld tot betaling van de kosten, het niet mogelijk zal zijn deze veroordeling af te dwingen. Ter bescherming van de gedaagde kan de rechter de eiser in bepaalde omstandigheden opdragen zekerheid voor de kosten te stellen, gewoonlijk door een bedrag bij het gerecht te deponeren.

Het Supreme Court (hooggerechtshof) kan in voorkomend geval een voorlopige voorziening treffen ter ondersteuning van een proces in een ander rechtsgebied. Ook kan het een “wereldwijd conservatoir beslag” opleggen dat ook van kracht is voor activa in andere rechtsgebieden.

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Voorzieningen (waaronder huiszoekingsbevelen en conservatoire beslagen)

Voorzieningen zijn rechterlijke bevelen. Zonder huiszoekingsbevel of conservatoir beslag is de gedaagde in het algemeen niet verplicht een huiszoeking toe te laten of zich ervan te onthouden zijn activa snel van de hand te doen. Een verzoek om een huiszoekingsbevel of een conservatoir beslag wordt aan het Supreme Court gericht.

Een verzoeker moet volledig en openhartig alle materiële feiten vermelden die het gerecht zou moeten kennen (vooral wanneer de gedaagde hiervan niet in kennis wordt gesteld). Ook moet een ontwerpvonnis worden verstrekt, waarin precies wordt aangegeven welke stappen noodzakelijk zijn.

Bij voorlopige voorzieningen moet de verzoeker gewoonlijk een garantie geven dat hij de schade die de tegenpartij (respondent) ten gevolge van de voorziening lijdt, vergoedt (cross-undertaking in damages), mocht uiteindelijk blijken dat de voorziening ten onrechte is getroffen, bv. omdat de verzoeker het proces verliest.

Het is mogelijk een verzoekschrift in te dienen zonder de tegenpartij hiervan in kennis te stellen, mits hiervoor goede gronden zijn. Ook kan al een verzoekschrift worden ingediend voordat de eiser met een exploot van dagvaarding (claim form) de bodemprocedure is begonnen. Formeel is het niet vereist dat de verzoeker bij de hoorzitting over het verzoek door een advocaat moet zijn vertegenwoordigd, maar gewoonlijk heeft hij wel een wettelijke vertegenwoordiger nodig om het verzoek in te dienen.

Wanneer het gerecht een beschikking geeft, moet deze worden opgesteld en aan de tegenpartij worden betekend. Het is niet de taak van de deurwaarder (court officer) om een voorlopige voorziening te betekenen of om de uitvoering ervan af te dwingen. Wel gelden voor huiszoekingen speciale procedures. Gewoonlijk moet het desbetreffende exploot worden betekend door een toezichthoudend advocaat (supervising solicitor) die met huiszoekingsbevelen bekend is en die geen banden heeft met de advocaten van de eiser. De toezichthoudende advocaat moet het huiszoekingsbevel aan de gedaagde toelichten en hem ook op de hoogte brengen van zijn recht juridisch advies te vragen. De toezichthoudende advocaat zal de huiszoeking uitvoeren of hierbij toezicht uitoefenen en verslag over de huiszoeking uitbrengen aan de advocaten van de eiser.

Voorlopige betalingen en zekerheid voor de kosten

Wanneer de partijen het erover eens zijn, bestaat de mogelijkheid van een voorlopige betaling of voor het stellen van zekerheid voor de kosten, maar wanneer zij het er niet over eens zijn, moet een verzoek aan de rechtbank worden gericht. Hiertoe moet een verzoekschrift worden ingediend, dat moet worden gestaafd met schriftelijk bewijsmateriaal. Het verzoek moet aan de tegenpartij worden betekend, die dan op haar beurt bewijsmateriaal kan indienen. Indien het gerecht gevolg geeft aan het verzoek, zal het de vorm en het bedrag van de zekerheid of de betaling vaststellen.

Kosten van het verkrijgen van bevelschriften

Er zijn geen vaste tarieven voor het verkrijgen van een van bovengenoemde beschikkingen. Wel zijn er specifieke gerechtskosten voor het opmaken van een verzoek om een beschikking, afhankelijk van het feit of dit verzoek al dan niet aan de tegenpartij wordt betekend. Volledige informatie over deze kosten is verkrijgbaar bij het Supreme Court Registry, 277 Main Street, Gibraltar, telefoonnummer (+350) 20075608.

De verzoeker moet de kosten van zijn advocaten betalen (en bij een huiszoeking ook die van de toezichthoudende advocaat), maar uiteindelijk kan de tegenpartij worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.

2.2 De basisvereisten

Alle in dit punt beschreven rechtsmiddelen worden alleen door het gerecht toegestaan wanneer het van mening is dat ze in de gegeven omstandigheden zinvol of evenredig zijn. In het algemeen is de rechter voorzichtiger bij een huiszoeking of bij conservatoir beslag omdat dat bijzonder zware maatregelen zijn.

Voorlopige voorziening

Voordat het gerecht een voorlopige voorziening toekent, zal het nagaan of het om een serieuze rechtsvordering gaat (en niet om een lichtvaardig genomen besluit, en er ook geen boos opzet in het spel is). Zo niet, dan wordt een voorlopige voorziening geweigerd.

Indien het bij de rechtsvordering om een serieuze zaak gaat, zal het gerecht de proportionaliteit afwegen. Het gaat na of het erger is van de eiser te verlangen dat hij zonder voorziening de rechtszaak afwacht of dat er ten koste van de gedaagde een voorziening wordt getroffen. In zijn afwegingen zal het gerecht de volgende vragen in onderstaande volgorde overwegen:

  • Is toekenning van een schadevergoeding een afdoende rechtsmiddel voor de eiser indien hij het proces wint? Indien een schadevergoeding volstaat, zal de voorziening worden geweigerd. Zo niet (bv. omdat de schade voor de eiser onherstelbaar is of niet in geld is uit te drukken), dan komen de volgende vragen aan de orde.
  • Is de garantie van de eiser dat hij voor eventuele schade van de gedaagde opkomt, voor deze voldoende bescherming als hij het proces wint? Zo ja, dan is dit een argument voor een voorziening.
  • Wanneer de andere factoren in evenwicht lijken, zal het gerecht de status quo handhaven. Deze factor spreekt gewoonlijk voor een voorziening.
  • Er kan rekening worden gehouden met andere sociale en economische factoren, zoals de gevolgen van het toekennen of weigeren van de voorziening voor de werkgelegenheid of voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen.
  • Ten slotte kan het gerecht de argumenten van de partijen tegen elkaar afwegen, maar alleen als duidelijk is dat de ene partij een veel sterkere zaak heeft dan de andere.

Huiszoekingsbevel

Er kan een bevel tot huiszoeking worden gegeven wanneer hierdoor kan worden gewaarborgd dat bewijzen of goederen die voor het proces van belang zijn, in stand blijven. De voorwaarden voor een huiszoekingsbevel zijn stringenter dan die voor andere soorten voorzieningen en het gerecht zal er pas toe overgaan wanneer de verzoeker aantoont dat aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • Op het eerste gezicht zijn er uiterst sterke aanwijzingen tegen de gedaagde.
  • De activiteiten van de gedaagde die aanleiding tot het proces zijn, leiden tot ernstige feitelijke of potentiële schade van de eiser.
  • Er is duidelijk bewijs dat de gedaagde belastende documenten of belastend materiaal bezit.
  • Het is goed mogelijk of waarschijnlijk dat die documenten of dat materiaal zal verdwijnen wanneer geen bevel tot huiszoeking wordt gegeven.

Conservatoir beslag

Het gerecht kan een conservatoir beslag toestaan wanneer dat terecht en passend is. Het wordt alleen toegestaan wanneer de eiser kan aantonen dat aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • De eiser voert een wezenlijke grond aan voor een zaak waarvoor de gerechten van Gibraltar bevoegd zijn.
  • De eiser heeft een goed verdedigbare zaak tegen de gedaagde.
  • Er zijn gronden om aan te nemen dat de gedaagde activa binnen de jurisdictie van het gerecht heeft.
  • Er bestaat een reëel risico dat de gedaagde zodanig met de activa zal omgaan dat een vonnis niet ten uitvoer kan worden gelegd (bv. door de activa van de hand te doen of door ze buiten de jurisdictie van het gerecht te brengen).

Het gerecht zal vooral voorzichtig zijn met het toestaan van een conservatoir beslag ter ondersteuning van een proces in het buitenland, met name wanneer dit beslag een door het buitenlandse gerecht waar de bodemprocedure plaatsvindt, opgelegd conservatoir beslag overlapt of hiermee in strijd is, of wanneer het buitenlandse gerecht een conservatoir beslag heeft afgewezen.

Het gerecht zal geen wereldwijd conservatoir beslag toestaan indien de gedaagde voldoende activa binnen de jurisdictie van het gerecht heeft, en ook moet het nagaan of een wereldwijd beslag ten uitvoer kan worden gelegd in de landen waar de tegenpartij activa bezit.

Voorlopige betalingen

Het gerecht mag de gedaagde alleen dan een voorlopige betaling opleggen als deze heeft toegegeven dat hij de eiser geld schuldig is, als er al een uitspraak ten gunste van de eiser is maar het desbetreffende bedrag later zal worden vastgesteld, of als het gerecht ervan overtuigd is dat de eiser bij het proces een aanzienlijk geldbedrag zal krijgen (of bij een vordering over grondbezit een betaling voor het gebruik van de grond door de gedaagde). Wanneer het in een zaak om letselschade gaat, kan alleen een betaling worden opgelegd wanneer de aansprakelijkheid van de gedaagde wordt overgenomen door een verzekeraar of indien de gedaagde een overheidsinstantie is.

Zekerheid voor de kosten

De meest voorkomende gevallen waarin het gerecht de eiser kan opdragen zekerheid te stellen zijn:

  • De eiser woont buiten de Europese Unie en het Europese Vrijhandelsgebied (IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland) en het is moeilijk de kosten in het land van vestiging van de eiser te innen.
  • De eiser is een onderneming of een andere rechtspersoon en er bestaat reden om aan te nemen dat deze niet in staat is de kosten van de gedaagde te betalen indien hij daartoe veroordeeld wordt. (Bij zijn beslissing zekerheid te verlangen zal het gerecht in aanmerking nemen of het gebrek aan geld of middelen van de eiser door het gedrag van de gedaagde is veroorzaakt.)
  • De eiser is verhuisd om de gevolgen van het geschil te ontlopen of heeft in het exploot van dagvaarding zijn adres niet correct aangegeven.
  • De eiser heeft ten aanzien van zijn activa stappen ondernomen waardoor het moeilijk zal zijn de kosten op hem te verhalen.

Het gerecht zal alleen zekerheid verlangen indien het ervan overtuigd is dat dit in alle omstandigheden de juiste beslissing is. Het overweegt hierbij of het verzoek terzake wordt gebruikt om een reële vordering de kop in te drukken en of de vordering een redelijke kans van slagen heeft.

Het gerecht kan ook een zekerheid verlangen van:

  • een derde partij die de vordering financiert in ruil voor een aandeel in de opbrengst van het proces of die het recht tot indiening van de vordering aan de eiser heeft overgedragen ter vermijding van het risico de kosten te moeten dragen;
  • een procespartij die zonder goede grond de regels van het gerecht niet in acht heeft genomen.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Voorlopige voorziening

Een voorlopige voorziening kan een partij ertoe verplichten ten aanzien van bepaalde activa iets te doen of na te laten.

Huiszoekingsbevel

Ingeval van een huiszoekingsbevel moet de gedaagde degenen die dit bevel ten uitvoer moeten leggen, de toegang tot zijn pand toestaan, maar dit betekent niet dat de verzoeker zich toegang mag verschaffen. In het huiszoekingsbevel moet worden gespecificeerd welk pand mag worden doorzocht en welke goederen daarbij mogen worden geïnspecteerd, gekopieerd en verwijderd. Het huiszoekingsbevel mag alleen betrekking hebben op bewijs dat in het proces van belang kan zijn of op eigendom waarop het proces betrekking heeft of waarover in het proces vragen kunnen rijzen.

In het standaardformulier voor een huiszoekingsbevel staat dat de gedaagde alle goederen moet overhandigen die in het bevel worden genoemd. Wanneer belangrijk bewijsmateriaal op een computer kan staan, moet toegang worden verleend tot alle computers in het pand, zodat ze kunnen worden onderzocht, en moeten van alle aangetroffen belangrijke documenten kopieën worden gegeven.

Conservatoir beslag

Het gerecht mag een conservatoir beslag leggen op de eigendommen van de gedaagde, wat betekent dat de gedaagde zijn activa binnen het rechtsgebied niet tot onder een bepaalde waarde mag verminderen, of het beslag beperken tot bepaalde activa. De gedaagde mag nog wel bepaalde bedragen besteden aan levensonderhoud, juridisch advies en juridische vertegenwoordiging, terwijl ook kan worden toegestaan dat hij binnen de normale bedrijfsuitoefening met de activa handelt.

Het standaardformulier voor een conservatoir beslag betreft een beslag tot een maximumbedrag. Hierin wordt vermeld dat het beslag betrekking heeft op alle activa van de gedaagde, en wel op alle activa waarover hij zelf kan beschikken, met inbegrip van activa die in handen zijn van een derde, die er overeenkomstig de aanwijzingen van de gedaagde mee handelt.

Een algeheel beslag of een beslag op een maximumbedrag heeft betrekking op alle roerende en onroerende goederen, voertuigen, contanten en aandelen. Het beslag strekt zich ook uit tot activa die na het vonnis zijn verworven. Het kan betrekking hebben op specifieke eigendommen, zakelijke activa en bankrekeningen, maar niet op een gemeenschappelijke bankrekening tenzij dit specifiek in de beschikking is vermeld.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

De verweerder wordt gewaarschuwd dat wie een voorlopige voorziening naast zich neerlegt, zich schuldig maakt aan minachting van het gerecht (contempt of court). Hiervoor kan de betrokkene een gevangenisstraf of een boete krijgen en ook kunnen zijn activa in beslag worden genomen.

Wanneer een derde het mogelijk maakt dat de gedaagde zich in strijd met een conservatoir beslag van zijn activa ontdoet, hoeft er geen sprake te zijn van minachting van het gerecht. Wanneer deze derde evenwel van het beslag in kennis is gesteld en de gedaagde vervolgens bewust helpt zich van zijn activa te ontdoen, maakt hij zich wel schuldig aan minachting voor het gerecht. Degene die een conservatoir beslag verlangt, moet daarom aan derden, zoals de banken, accountants en advocaten van de gedaagde, kopieën van de beschikking verstrekken. (In het standaardformulier wordt ervan uitgegaan dat dit wordt gedaan en worden derden voor de mogelijke straffen gewaarschuwd. Het formulier bevat ook de belofte van de verzoeker dat hij de redelijke kosten die derden moeten maken om aan het bevel te voldoen, zal vergoeden en dat hij hen schadeloos zal stellen voor vorderingen in verband hiermee.) Ook wanneer banken en andere derden van de beschikking in kennis zijn gesteld, mogen ze nog steeds zekerheids- en compensatierechten uitoefenen die vóór het conservatoir beslag tot stand zijn gekomen.

Een conservatoir beslag geeft de eiser geen eigendomsrechten op de activa onder het beslag. Het enige rechtsmiddel dat de eiser in het algemeen heeft, is het recht een procedure wegens minachting voor het gerecht te starten. Een overeenkomst die in strijd met een voorziening gesloten is, is onwettig, zodat de partij die weet dat zij in strijd met de beschikking handelt, geen nakoming van de overeenkomst kan afdwingen. Bovendien kan het gerecht soms een tweede voorziening treffen om de gedaagde te verbieden een overeenkomst met een derde te sluiten. Toch kan de eigendom nog steeds worden overgedragen met een onrechtmatige overeenkomst, en wanneer deze eenmaal ten uitvoer is gelegd, is het gewoonlijk onmogelijk de overgedragen activa terug te krijgen.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Wanneer in aanwezigheid van de partijen een voorlopige voorziening is getroffen, kan in de desbetreffende beschikking zijn bepaald dat deze van kracht is tot het procesbegin, tot het vonnis of een nadere beschikking van het gerecht of tot een bepaalde datum. (Wanneer een voorziening van kracht is tot een nadere beschikking, vervalt de voorziening niet wanneer het gerecht zijn vonnis uitspreekt, maar pas wanneer het een instructie geeft waarmee de voorziening uitdrukkelijk of impliciet ongedaan wordt gemaakt.)

Wanneer een voorlopige voorziening getroffen is zonder dat dit aan de tegenpartij bekend is gemaakt, zal deze gewoonlijk slechts korte tijd, zelden langer dan zeven dagen, van kracht zijn, waarna er opnieuw een rechterlijke beschikking nodig is om een verlenging te bewerkstelligen. Wanneer het gerecht een voorziening treft zonder kennisgeving, stelt het gewoonlijk een datum vast voor een nieuwe hoorzitting (“terugkeerdatum”), die de tegenpartij dan kan bijwonen zodat hij de verlenging van de beschikking kan aanvechten. Op het standaardformulier voor een conservatoir beslag staat dat dit van toepassing is tot de “terugkeerdatum” of totdat een nieuwe beschikking wordt gegeven.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

De gedaagde of iedere derde die direct betrokken is bij een voorlopige voorziening, kan het gerecht te allen tijde verzoeken de beschikking te wijzigen of nietig te verklaren (hoewel een verzoek in verband met een huiszoekingsbevel dat al ten uitvoer is gelegd, gewoonlijk moet wachten tot het eigenlijke proces). Voor het aanvechten van een beschikking zonder betekening hoeft de terugkeerdatum niet te worden afgewacht. De gedaagde moet zijn verzoek vooraf betekenen aan de advocaten van de eiser. Het verzoek geschiedt gewoonlijk bij het gerecht dat de beschikking heeft gegeven en wordt vaak behandeld door dezelfde rechter.

De gedaagde kan zich voor zijn verzoek om de beschikking te wijzigen of in te trekken op een van de volgende redenen beroepen: het niet voldoen aan een van de voorwaarden van de beschikking, een materiële wijziging in de omstandigheden waardoor de beschikking niet langer gerechtvaardigd is, de bezwaarlijkheid van de beschikking, een onredelijke inbreuk op de rechten van onschuldige derden en traagheid van de eiser bij de indiening van zijn vordering. Wanneer de voorziening werd getroffen zonder dat deze aan de gedaagde werd bekendgemaakt, kunnen ook het feit dat de beschikking werd verkregen door belangrijke feiten te verzwijgen en onvoldoende bewijs om zonder kennisgeving een voorlopige maatregel te nemen, grond zijn om de beschikking te wijzigen of in te trekken.

Indien het gerecht de beschikking intrekt, kan de gedaagde een beroep doen op de garantie van de eiser en schadevergoeding eisen. Het gerecht zal opdragen de schade te onderzoeken teneinde de verliezen van de gedaagde vast te stellen, maar dit kan worden uitgesteld tot het proces of daarna.

Ook is het gerecht bevoegd beschikkingen betreffende voorlopige betalingen of een zekerheidstelling voor de kosten op te heffen of te wijzigen, en kan het opdragen al het geld of een deel daarvan terug te betalen.

Laatste update: 27/09/2021

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.