Verordening Brussel I (herschikking)

Landspecifieke informatie en onlineformulieren betreffende Verordening (EU) nr. 1215/2012


Algemene informatie

Met Verordening (EU) nr. 1215/2012 wordt getracht de toegang tot de rechter te vereenvoudigen, met name door regels te geven inzake de rechterlijke bevoegdheid en regels inzake een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van in de lidstaten in burgerlijke en handelszaken gegeven beslissingen.

De verordening vervangt Verordening (EG) nr. 44/2001 (de zogenoemde Verordening Brussel I), die echter van toepassing blijft op procedures die aanhangig zijn gemaakt vóór de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 1215/2012 op 10 januari 2015 (zie voor verdere bijzonderheden artikel 66 van Verordening (EU) nr. 1215/2012).

De verordening is van toepassing tussen alle lidstaten van de Europese Unie, met inbegrip van Denenmarken, dat partij is bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 2005. De wetgevingswijzigingen die in Denemarken noodzakelijk waren, zijn reeds op 1 juni 2013 in werking getreden.

De verordening bepaalt in welke lidstaat de gerechten bevoegd zijn om een beslissing te geven in burgerlijke en handelszaken die een internationaal element bevatten.

De verordening bepaalt voorts dat een in een lidstaat gegeven beslissing in de overige lidstaten wordt erkend zonder dat daarvoor een speciale procedure nodig is.

Een in een lidstaat gegeven en daar uitvoerbare beslissing moet in een andere lidstaat worden uitgevoerd zonder dat een verklaring van uitvoerbaarheid is vereist.

De verordening bevat twee formulieren, namelijk het certificaat betreffende een beslissing en het certificaat betreffende een authentieke akte of een gerechtelijke schikking.

De lidstaten hebben in overeenstemming met de verordening meegedeeld bij welke bevoegde gerechten een verzoek om weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingediend en bij welke gerechten een rechtsmiddel kan worden ingesteld. Klik op een van de vlaggen voor landspecifieke informatie.

Overeenkomstig artikel 26, lid 2, dient het gerecht zich in bepaalde aangelegenheden ervan te vergewissen, alvorens bevoegdheid te aanvaarden, dat de verweerder op de hoogte is gebracht van zijn recht de bevoegdheid van het gerecht te betwisten en van de gevolgen van verschijnen of niet-verschijnen. Het Europees Justitieel Netwerk in burgerlijke en handelszaken heeft daartoe een niet-verplichte standaardtekstPDF(191 Kb)nl met informatie opgesteld, die het gerecht kan gebruiken om te voldoen aan zijn verplichting de verweerder informatie te verstrekken uit hoofde van artikel 26, lid 2, van de verordening.

Op het Europees e-justitieportaal vindt u informatie over de toepassing van de verordening en een handig hulpmiddel voor het invullen van de formulieren.

Links

De link wordt in een nieuw venster geopend.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

De link wordt in een nieuw venster geopend.Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, , PB L 299 van 16 11. 2005.


Deze pagina wordt beheerd door de Europese Commissie. De informatie op deze pagina geeft niet noodzakelijk het officiële standpunt van de Europese Commissie weer. De Commissie aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens waarnaar in dit document wordt verwezen. Gelieve de juridische mededeling te raadplegen voor de auteursrechtelijke regeling voor Europese pagina's.

Laatste update: 19/02/2019

Verordening Brussel I (herschikking) - België


Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

Niet van toepassing

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

- in België, de rechtbank van eerste aanleg

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

- in België:

a) wat het rechtsmiddel van de verweerder betreft, de rechtbank van eerste aanleg

b) wat het rechtsmiddel van de verzoeker betreft, het hof van beroep

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

- in België, het Hof van Cassatie

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Niet van toepassing

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Geen

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Niet van toepassing

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • de Overeenkomst tussen België en Frankrijk betreffende de rechterlijke bevoegdheid, het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten, ondertekend te Parijs op 8 juli 1899;
  • het Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten, ondertekend te Brussel op 28 maart 1925;
  • de Overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk en het Koninkrijk België betreffende de wederzijdse tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke en handelszaken, met protocol, ondertekend te Brussel op 2 mei 1934;
  • de Overeenkomst tussen Duitsland en België betreffende de erkenning en de wederzijdse tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, scheidsrechterlijke uitspraken en authentieke akten in burgerlijke zaken of handelszaken, ondertekend te Bonn op 30 juni 1958;
  • de Overeenkomst tussen België en Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen, scheidsrechterlijke uitspraken en authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Wenen op 16 juni 1959;
  • de Overeenkomst tussen België en Italië betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en andere uitvoerbare titels in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Rome op 6 april 1962;
  • het Verdrag tussen België, Nederland en Luxemburg betreffende de rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten, ondertekend te Brussel op 24 november 1961, voor zover het van kracht is;

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 12/12/2018

Verordening Brussel I (herschikking) - Bulgarije


Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

Artikel 74 - beschrijving van de nationale voorschriften en procedures betreffende tenuitvoerlegging

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

N.v.t.

Artikel 74 - beschrijving van de nationale voorschriften en procedures betreffende tenuitvoerlegging

Op de rechtstreekse tenuitvoerlegging op grond van Verordening (EU) nr. 1215/2012 is artikel 622a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing:

"Artikel 622a (nieuw, Staatscourant nr. 50/2015)

(1) Een in een andere lidstaat van de Europese Unie gegeven beslissing is uitvoerbaar zonder dat daarvoor een verklaring van uitvoerbaarheid is vereist.

(2) De deurwaarder gaat, op verzoek van de betrokken partij, over tot tenuitvoerlegging van een uit een andere lidstaat van de Europese Unie afkomstige beslissing op basis van een afschrift van de beslissing dat is gelegaliseerd door het gerecht dat de beslissing heeft gegeven en een certificaat dat is afgegeven op grond van artikel 53 van Verordening (EU) nr. 1215/2012.

(3) Indien de deurwaarder vaststelt dat de maatregel of het bevel niet ten uitvoer kan worden gelegd onder de voorwaarden en overeenkomstig dit Wetboek, beveelt hij vervangende tenuitvoerlegging.

(4) Een in een andere lidstaat van de Europese Unie gegeven beslissing tot het opleggen van een voorlopige maatregel, met inbegrip van een voorzorgsmaatregel, is uitvoerbaar overeenkomstig de leden 1 en 2. Indien de maatregel is opgelegd zonder dat de gedaagde was gedagvaard, wordt er bewijs overgelegd van de betekening van de beslissing.

(5) Bij de tenuitvoerlegging betekent de gerechtsdeurwaarder een afschrift van het in lid 2 bedoelde certificaat aan de schuldenaar en nodigt hij hem uit vrijwillig mee te werken. Het certificaat gaat vergezeld van een afschrift van de in een andere lidstaat van de Europese Unie gegeven beslissing indien deze beslissing niet aan de schuldenaar is betekend.

(6) De schuldenaar kan, binnen een maand na betekening, een verzoek tot weigering van de tenuitvoerlegging instellen. Indien vertaling van de beslissing noodzakelijk is, wordt de termijn geschorst tot de vertaling aan de schuldenaar is verstrekt.

(7) Elk der partijen kan beroep instellen tegen de in artikel 436 bedoelde aanpassing van de maatregel of het bevel."

Op zaken die verband houden met de tenuitvoerleggingsprocedure die niet zijn geregeld in Verordening (EU) nr. 1215/2012 zijn de algemene regels van Deel Vijf "Tenuitvoerleggingsprocedure" van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

Het verzoek op grond van artikel 36, lid 2, of artikel 45, lid 4, wordt ingediend bij de provinciale rechtbank die bevoegd is voor de woon- of vestigingsplaats van de wederpartij of, als die partij geen woon- of vestigingsplaats in Bulgarije heeft, voor de woon- of vestigingsplaats van de betrokken partij. Als ook de betrokken partij geen woon- of vestigingsplaats in Bulgarije heeft, moet het verzoek worden gericht tot de stadsrechtbank te Sofia (artikel 622 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Het verzoek op grond van artikel 47, lid 1, moet worden ingediend bij de provinciale rechtbank die bevoegd is voor de woon- of vestigingsplaats van de schuldenaar of voor de plaats van tenuitvoerlegging (artikel 622b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

In Bulgarije, het hof van beroep te Sofia (Софийски апелативен съд). Het rechtsmiddel wordt ingesteld via de provinciale rechtbank die de beslissing tot weigering van tenuitvoerlegging of de beslissing dat er geen gronden voor weigering van erkenning zijn, heeft gegeven.

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Hogere voorzieningen tegen beslissingen van het hof van beroep te Sofia moeten worden ingesteld bij het hof van cassatie (artikel 623, lid 6, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

N.v.t.

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

De Bulgaarse rechterlijke en overige instanties hebben internationale bevoegdheid als de eiser of verzoeker een Bulgaarse onderdaan is of een rechtspersoon die gevestigd is in de Republiek Bulgarije (artikel 4, lid 1, tweede alinea, van het Wetboek betreffende het Internationaal Privaatrecht).

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

N.v.t.

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • de Overeenkomst tussen Bulgarije en België betreffende bepaalde justitiële aangelegenheden, ondertekend te Sofia op 2 juli 1930;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Bulgarije en de Federale Volksrepubliek Joegoslavië inzake wederzijdse rechtshulp, ondertekend te Sofia op 23 maart 1956, die nog altijd van kracht is tussen Bulgarije, Slovenië en Kroatië;
  • het Verdrag tussen de Volksrepubliek Bulgarije en de Volksrepubliek Roemenië inzake rechtshulp in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Sofia op 3 december 1958;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Bulgarije en de Volksrepubliek Polen inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Warschau op 4 december 1961;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Bulgarije en de Hongaarse Volksrepubliek inzake rechtshulp in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Sofia op 16 mei 1966;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Bulgarije en de Helleense Republiek inzake rechtshulp in burgerlijke en strafzaken, ondertekend te Athene op 10 april 1976;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Bulgarije en de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek inzake rechtshulp en de regeling van betrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Sofia op 25 november 1976;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Bulgarije en de Republiek Cyprus inzake rechtshulp in burgerlijke en strafzaken, ondertekend te Nicosia op 29 april 1983;
  • de Overeenkomst tussen de Regering van de Volksrepubliek Bulgarije en de Regering van de Franse Republiek inzake wederzijdse rechtshulp in burgerlijke zaken, ondertekend te Sofia op 18 januari 1989;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Bulgarije en de Italiaanse Republiek inzake rechtshulp en de tenuitvoerlegging van uitspraken in burgerlijke zaken, ondertekend te Rome op 18 mei 1990;
  • de Overeenkomst tussen de Republiek Bulgarije en het Koninkrijk Spanje inzake wederzijdse rechtshulp in burgerlijke zaken, ondertekend te Sofia op 23 mei 1993,
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Bulgarije en de Republiek Oostenrijk inzake rechtshulp in burgerlijke zaken en inzake documenten, ondertekend te Sofia op 20 oktober 1967.

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 25/03/2019

Verordening Brussel I (herschikking) - Tsjechië


Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

N.v.t.

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

De districtsrechtbanken zijn materieel bevoegd.

Welke districtsrechtbank territoriale bevoegdheid heeft, wordt als volgt bepaald:

  1. Als de tenuitvoerlegging van een beslissing al is bevolen, heeft het gerecht dat het bevel heeft gegeven en ten uitvoer legt territoriale bevoegdheid. De regels betreffende de nationale bevoegdheid inzake de gerechtelijke tenuitvoerlegging zijn neergelegd in Wet nr. 99/1963, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 252).
  2. Als er al bevolen is tot beslaglegging (exekuce), heeft het gerecht dat de beslaglegging heeft bevolen (de executierechter (exekuční soud)) territoriale bevoegdheid. De regels voor het bepalen van de executierechter zijn neergelegd in Wet nr. 120/2001 inzake gerechtsdeurwaarders en executieprocedures (de Wet executieprocedures (exekuční řád)) (artikel 45).
  3. Als er nog geen bevel is gegeven tot tenuitvoerlegging van een beslissing of beslaglegging, is het gerecht dat bevoegd zou zijn voor de tenuitvoerlegging van de beslissing (zie punt 1 hierboven) of het gerecht dat executierechter zou zijn (zie punt 2 hierboven) bevoegd in de procedure.

Op de De link wordt in een nieuw venster geopend.website van het ministerie van Justitie is een overzicht beschikbaar van alle districtsrechtbanken met actuele contactgegevens.

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

Er kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerecht dat de betwiste beslissing heeft genomen. (Dat gerecht verwijst het hoger beroep naar het gerecht dat bevoegd is om de zaak in hoger beroep te behandelen.)

De regionale rechtbanken zijn materieel bevoegd voor procedures in hoger beroep. De regionale rechtbank in het rechtsgebied waarvan de districtsrechtbank is gelegen die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan over het verzoek om weigering van tenuitvoerlegging (of inzake erkenning of weigering van erkenning), heeft territoriale rechterlijke bevoegdheid.

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Er kunnen alleen bijzondere corrigerende maatregelen worden ingesteld, te weten:

  • een beroep tot nietigverklaring (žaloba pro zmatečnost) overeenkomstig artikel 229 e.v. van Wet nr. 99/1963, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
  • een verzoek tot heropening van een procedure (žaloba na obnovu řízení) overeenkomstig artikel 228 en volgende van Wet nr. 99/1963, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
  • beroepen (dovolání) overeenkomstig artikel 236 e.v. van Wet nr. 99/1963, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Alle hierboven genoemde bijzondere corrigerende maatregelen worden ingesteld bij de rechtbank die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan over het verzoek om weigering van tenuitvoerlegging (of inzake erkenning of weigering van erkenning).

Het hooggerechtshof heeft rechtsbevoegdheid om beroepen in behandeling te nemen (řízení o dovolání). De rechtbank die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan, is bevoegd inzake maatregelen tot heropening van een procedure (řízení na obnovu řízení). De rechtbank die in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan, is in bepaalde zaken bevoegd inzake beroepen tot nietigverklaring (řízení o žalobě pro zmatečnost) terwijl het hof van beroep (vgl. artikel 235a van Wet nr. 99/1963, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) in andere zaken bevoegd is.

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Slowaaks.

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Wet nr. 91/2012 betreffende het internationaal privaatrecht, met name artikel 6 daarvan.

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

N.v.t.

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Bulgarije en de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek inzake rechtshulp en de regeling van betrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Sofia op 25 november 1976;
  • het Verdrag van 1982 tussen de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek en de Republiek Cyprus inzake rechtshulp in burgerlijke en strafzaken, ondertekend te Nicosia op 23 april 1982;
  • het Verdrag tussen de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek en de Helleense Republiek inzake rechtshulp in burgerlijke en strafzaken, ondertekend te Athene op 22 oktober 1980;
  • het Verdrag tussen de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek en het Koninkrijk Spanje inzake rechtshulp en erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken in burgerlijke zaken, ondertekend te Madrid op 4 mei 1987;
  • het Verdrag tussen de Regering van de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek en de Regering van de Franse Republiek inzake rechtshulp en de erkenning en tenuitvoerlegging van uitspraken in burgerlijke, familie- en handelszaken, ondertekend te Parijs op 10 mei 1984;
  • het Verdrag tussen de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek en de Hongaarse Volksrepubliek inzake rechtshulp en tot regeling van rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Bratislava, op 25 maart 1976;
  • het Verdrag tussen de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek en de Italiaanse Republiek inzake rechtshulp in burgerlijke en strafzaken, ondertekend te Praag op 6 december 1985;
  • het Verdrag tussen de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek en de Volksrepubliek Polen inzake rechtshulp en tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie-, arbeids- en strafzaken, ondertekend te Warschau op 21 december 1987, in de zin van het Verdrag tussen de Tsjechische Republiek en de Republiek Polen tot wijziging en aanvulling van het Verdrag tussen de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek en de Volksrepubliek Polen inzake rechtshulp en tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie-, arbeids- en strafzaken, ondertekend te Warschau op 21 december 1987, ondertekend te Mojmírovce op 30 oktober 2003;
  • de Overeenkomst tussen de Tsjechoslowaakse Republiek en Portugal inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, ondertekend te Lissabon op 23 november 1927;
  • het Verdrag tussen de Tsjechische Republiek en Roemenië inzake rechtshulp in burgerlijke zaken, ondertekend te Boekarest op 11 juli 1994;
  • het Verdrag tussen de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek en de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Belgrado op 20 januari 1964;
  • het Verdrag tussen de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek inzake rechtshulp van justitiële instanties en tot regeling van bepaalde rechtsbetrekkingen in burgerlijke en strafzaken, ondertekend te Praag op 29 oktober 1992.

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 29/01/2019

Verordening Brussel I (herschikking) - Duitsland


Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

1. Hoe kan het in het geding roepen van een derde in algemene termen worden beschreven?

Het in het geding roepen van derden gebeurt om deze derden formeel in kennis te stellen van een aanhangige procedure (oorspronkelijke procedure - Vorprozess) waarin zij geen partij zijn. Het in het geding roepen van derden gebeurt door bij het gerecht een document in te dienen dat vervolgens officieel wordt betekend aan de ontvanger. Het staat derden vrij om al dan niet deel te nemen aan de procedure. Een derde die besluit aan de procedure deel te nemen, wordt geen procespartij maar is slechts een tussenkomende partij. Haar verklaringen en handelingen mogen niet strijdig zijn met die van de procespartij. De tussenkomende partij kan niet worden verplicht tot het betalen van kosten.

2. Wat zijn de belangrijkste gevolgen van rechterlijke beslissingen voor personen die als derde in het geding worden geroepen?

Het in het geding roepen van een derde veronderstelt dat een partij in een lopende (oorspronkelijke) procedure reden heeft om een uitkomst in haar nadeel te vrezen, maar tegelijkertijd reden heeft om te verwachten dat als de uitkomst inderdaad in haar nadeel uitvalt, zij vervolgens tegen een derde een vordering tot schadevergoeding of een vordering op basis van een (product)garantie kan instellen. De partij die de derde in het geding roept, heeft er derhalve belang bij dat zij in de oorspronkelijke procedure in het gelijk wordt gesteld (en daarbij kan de tussenkomende partij haar mogelijk helpen) of — als zij in de oorspronkelijke procedure niet in het gelijk wordt gesteld — dat zij door een volgende procedure (vervolgprocedure) te winnen haar schade op de derde kan verhalen.

Als de derde de partij die hem in het geding heeft geroepen ondersteunt, moet de derde de zaak aanvaarden zoals hij die aantreft. Derden kunnen middelen aanvoeren en procedurele documenten indienen, mits zij niets doen wat strijdig is met wat de procespartij doet. Als de derde niet wenst tussen te komen in de procedure of geen standpunt inneemt, wordt de procedure voortgezet zonder rekening te houden met de derde. Als de partij die de derde in het geding heeft geroepen vervolgens een procedure aanhangig maakt tegen die derde, kan deze laatste er zich niet op beroepen dat de beslissing in de oorspronkelijke procedure onjuist was. Dit betekent dat een overweging uit de oorspronkelijke procedure die in het voordeel uitvalt van de partij die de derde in het geding heeft geroepen, in de vervolgprocedure als bindend geldt.

3. Het in het geding roepen van een derde heeft geen gevolgen voor de beslissingen die in de oorspronkelijke procedure over rechtsvragen zijn genomen.

4. De uitkomst van de oorspronkelijke procedure is niet bindend als de tussenkomende partij geen middelen heeft kunnen aanvoeren als gevolg van de fase waarin de procedure zich bevond op het moment van tussenkomst of als gevolg van verklaringen en handelingen van de procespartij.

5. De gevolgen van het in het geding roepen van derden treden in, ongeacht of de derde deelneemt aan de oorspronkelijke procedure.

6. Het in het geding roepen van een derde heeft geen gevolgen voor de verhouding tussen de derde en de wederpartij van de partij die de derde in het geding heeft geroepen, tenzij de derde tussenkomt ter ondersteuning van de wederpartij.

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

- in Duitsland, het Landgericht.

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

- in Duitsland, het Oberlandesgericht.

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

- in Duitsland, het Bundesgerichtshof.

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

N.v.t.

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

- in Duitsland, artikel 23 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Zivilprozessordnung).

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

- in Duitsland, artikel 68 en de artikelen 72–74 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • de Overeenkomst tussen Duitsland en Italië betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Rome op 9 maart 1936;
  • de Overeenkomst tussen Duitsland en België betreffende de erkenning en de wederzijdse tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, scheidsrechterlijke uitspraken en authentieke akten in burgerlijke zaken of handelszaken, ondertekend te Bonn op 30 juni 1958;
  • de Overeenkomst tussen Duitsland en Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen, schikkingen en authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Wenen op 6 juni 1959;
  • de Overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Bonn op 14 juli 1960;
  • het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te ’s-Gravenhage op 30 augustus 1962;
  • de Overeenkomst tussen het Koninkrijk Griekenland en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen, schikkingen en authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Athene op 4 november 1961;
  • de Overeenkomst tussen Spanje en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen, schikkingen en executoriale authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Bonn op 14 november 1983.

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 28/01/2019

Verordening Brussel I (herschikking) - Estland


Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

1) Hoe kan het in het geding roepen van een derde in algemene termen worden beschreven?

Op grond van het Estse procesrecht wordt een derde van een gerechtelijke procedure in kennis gesteld door middel van de betekening van een kennisgeving waarmee hij in het geding wordt geroepen. Als een geschil door de rechter wordt beslecht in het nadeel van een bepaalde procespartij, kan die partij een vordering instellen tegen een derde om te worden bevrijd van een verplichting die voortvloeit uit vermeende wanprestatie, een verplichting tot betaling van schadevergoeding of een verplichting tot het bieden van verhaal of kan die partij, wanneer zij redelijkerwijs kan verwachten dat een derde een dergelijke vordering tegen haar zal instellen, een verzoek indienen bij de rechter die de zaak behandelt om een derde tot de procedure toe te laten. Het gerecht betekent een kennisgeving aan de derde, stelt de wederpartij op de hoogte van de kennisgeving en stelt een termijn vast waarbinnen zij een standpunt moeten innemen. Als de kennisgeving aan de wettelijke eisen voldoet en de partij de noodzaak tot het in het geding roepen van de derde aantoont, beveelt de rechter dat de derde tot de procedure wordt toegelaten. Naar het Estse procesrecht neemt een derde die geen zelfstandige vordering instelt, deel aan de procedure, maar is hij niet een van de procespartijen (verzoeker of gedaagde). Als blijkt dat de derde ten onrechte tot de procedure is toegelaten, kan de rechter bevelen dat hij van de procedure wordt uitgesloten. Een derde die geen zelfstandige vordering instelt en die tot de procedure is toegelaten of daarin tussenkomt aan de zijde van de verzoeker of gedaagde, zal naar verwachting het standpunt van de betreffende procespartij ondersteunen. Dat wil zeggen dat hij argumenten zal aanvoeren ter ondersteuning van die partij en er belang bij zal hebben dat de vordering van die partij wordt toegewezen. Een derde die geen zelfstandige vordering instelt, kan alle procedurele handelingen verrichten met uitzondering van die handelingen die enkel kunnen worden verricht door de verzoeker of gedaagde. Het gaat hierbij onder andere om het instellen van hoger beroep tegen in de zaak gegeven beslissingen. Een verzoek, klacht of procedurele handeling van een derde heeft alleen rechtsgevolg binnen de procedure als dit/deze niet in strijd is met een verzoek, klacht of handeling van de verzoeker of gedaagde aan wiens zijde de derde aan de procedure deelneemt. Als een derde een klacht indient of een andere procedurele handeling verricht, gelden voor hem dezelfde termijnen als voor de verzoeker of gedaagde aan wiens zijde de derde aan de procedure deelneemt, tenzij wettelijk anders is bepaald.

2) Wat zijn de belangrijkste gevolgen van rechterlijke beslissingen voor personen die als derde in het geding worden geroepen?

Als een partij een verzoek indient om een derde in het geding te roepen maar de rechter de derde niet toelaat tot de procedure of hem daarvan uitsluit, is de uitspraak in de hoofdprocedure voor die derde niet wettelijk bindend.

Als een partij een verzoek indient om een derde in het geding te roepen en hij wordt als derde tot de procedure toegelaten, dan kan de derde, tegenover de verzoeker of gedaagde aan wiens zijde hij in de procedure is tussengekomen of tot de procedure is toegelaten, in een procedure die volgt op de hoofdprocedure zich niet beroepen op het feit dat de argumentatie voor de uitspraak in de procedure onjuist was of dat de omstandigheden onjuist waren vastgesteld. Als een procespartij een procedure start tegen een derde die geen zelfstandige vordering heeft ingesteld en de partij zich daarin beroept op de voorgaande procedure, kan de derde ook een bezwaar aanvoeren dat hij reeds als derde in de procedure had aangevoerd en dat strijdig is met de verklaringen van de partij. Een derde kan ook als bezwaar aanvoeren dat hij een verzoek, bezwaar, bewijs of klacht niet heeft kunnen indienen omdat hij te laat in de procedure is tussengekomen of daartoe werd toegelaten of dit/deze niet heeft kunnen indienen vanwege verklaringen of handelingen van de verzoeker of gedaagde aan wiens zijde hij aan de procedure deelnam. Hij kan ook het bezwaar aanvoeren dat de verzoeker of gedaagde, zonder dat de derde hiervan op de hoogte was, opzettelijk of door grove nalatigheid heeft verzuimd een verzoek, bezwaar, bewijs of klacht in te dienen.

3) Zijn er bindende gevolgen wat de juridische beoordeling in het hoofdgeding betreft?

Als een partij een verzoek heeft ingediend om een derde in het geding te roepen maar de rechter de derde niet heeft toegelaten tot de procedure of hem daarvan heeft uitgesloten, is de uitspraak in de hoofdprocedure niet wettelijk bindend. Dit geldt ook met betrekking tot de juridische beoordeling.

4) Zijn er bindende gevolgen met betrekking tot vastgestelde feiten die de derde in het hoofdgeding niet kon betwisten bv. omdat de partijen die feiten niet betwistten?

Door de rechter vastgestelde omstandigheden zijn voor de derde niet wettelijk bindend als de derde deze niet heeft kunnen betwisten omdat de procespartijen deze onweersproken hebben gelaten of als de partij aan wier zijde de derde tot de procedure was toegelaten het niet eens was met de omstandigheden die door de derde worden betwist.

5) Heeft het in het geding roepen van een derde gevolgen, ongeacht of de derde al dan niet aan het hoofdgeding heeft deelgenomen?

Aangezien een derde op grond van het Estse procesrecht niet onafhankelijk in kennis wordt gesteld, maar enkel door middel van de betekening van een kennisgeving waarmee hij in het geding wordt geroepen die door een van de partijen wordt verricht, hangt het rechtsgevolg af van de vraag of de derde al dan niet tot de procedure is toegelaten.

6) Heeft het in het geding roepen van een derde gevolgen voor de relatie tussen de derde en de tegenpartij van de kennisgevende partij?

Als een partij een verzoek heeft ingediend om een derde in het geding te roepen maar de rechter de derde niet heeft toegelaten, laat dit de verhouding tussen de partij die het verzoek heeft ingediend en haar wederpartij onverlet, tenzij de derde tot de procedure is toegelaten.

Op de toelating van een derde die geen zelfstandige vordering instelt en de gevolgen hiervan zijn de artikelen 214 en 216 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

De kantonrechtbank.

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

De arrondissementsrechtbank via de kantonrechtbank tegen de uitspraak waarvan het rechtsmiddel wordt ingesteld.

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Het hooggerechtshof.

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Engels.

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Artikel 86 (rechtsbevoegdheid op de plaats waar zaken zich bevinden) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voor zover de vordering geen verband houdt met die zaken van de betrokkene. Artikel 100 (vordering tot beëindiging van de toepassing van standaardbedingen) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voor zover de vordering moet worden ingesteld bij het gerecht in het bevoegdheidsgebied waarvan het standaardbeding werd toegepast.

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Artikelen 212–216 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • de Overeenkomst tussen de Republiek Litouwen, de Republiek Estland en de Republiek Letland inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen, ondertekend te Tallinn op 11 november 1992;
  • de Overeenkomst tussen de Republiek Estland en de Republiek Polen inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen in burgerlijke, arbeids- en strafzaken, ondertekend te Tallinn op 27 november 1998.

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 24/05/2019

Verordening Brussel I (herschikking) - Cyprus


Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

Artikel 74 - beschrijving van de nationale voorschriften en procedures betreffende tenuitvoerlegging

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

N.v.t.

Artikel 74 - beschrijving van de nationale voorschriften en procedures betreffende tenuitvoerlegging

Een uitgebreide beschrijving van de procedures is te vinden onder Procedures voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen.

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

In Cyprus, de districtsrechtbanken (Eparchiaká Dikastíria)

Districtsrechtbank van Nicosia

  • Charalambos Mouskos Street, 1405 Nicosia, Cyprus
  • Telefoon: (+357) 22865518
  • Fax: (+357) 22304212 / 22805330
  • E-mail: De link wordt in een nieuw venster geopend.chief.reg@sc.judicial.gov.cy

Districtsrechtbank van Limassol

  • 8 Lord Byron Avenue, P.O. Box 54619, 3726 Limassol, Cyprus
  • Telefoon: (+357) 25806100 / 25806128
  • Fax: (+357) 25305311
  • E-mail: De link wordt in een nieuw venster geopend.chief.reg@sc.judicial.gov.cy

Districtsrechtbank van Larnaca

Districtsrechtbank van Paphos

  • Corner of Neophytou & Nicos Nicolaides, 8100 Paphos, P.O. Box 60007, Cyprus
  • Telefoon (+357) 26802601
  • Fax: (+357) 26306395
  • E-mail: De link wordt in een nieuw venster geopend.chief.reg@sc.judicial.gov.cy

Districtsrechtbank van Famagusta

  • 2 Sotiras Street, Megaro Tzivani, 5286 Paralimni, Cyprus
  • Telefoon (+357) 23730950 / 23742075
  • Fax: (+357) 23741904
  • E-mail: De link wordt in een nieuw venster geopend.chief.reg@sc.judicial.gov.cy

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

- in Cyprus, het Hooggerechtshof van Cyprus (Anótato Dikastírio Kýprou).

Hooggerechtshof

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

- in Cyprus, het Hooggerechtshof van Cyprus (Anótato Dikastírio Kýprou).

Hooggerechtshof

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

- in Cyprus, Grieks en Engels.

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

- in Cyprus, artikel 21 van de Wet inzake de rechtbanken (Wet nr. 14/60).

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

N.v.t.

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • het Verdrag van 1982 tussen de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek en de Republiek Cyprus inzake rechtshulp in burgerlijke en strafzaken;
  • de Overeenkomst van 1981 tussen de Republiek Cyprus en de Hongaarse Volksrepubliek inzake rechtshulp in burgerlijke en strafzaken;
  • de Overeenkomst van 1984 tussen de Republiek Cyprus en de Helleense Republiek inzake justitiële samenwerking in burgerrechtelijke, familierechtelijke, handelsrechtelijke en strafrechtelijke aangelegenheden;
  • het Verdrag van 1983 tussen de Republiek Cyprus en de Volksrepubliek Bulgarije inzake rechtshulp in burgerlijke en strafzaken;
  • het Verdrag van 1984 tussen de Republiek Cyprus en de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië inzake rechtshulp in burgerlijke en strafzaken (waarvoor onder andere Slovenië de rechtsopvolger is);
  • het Verdrag van 1996 tussen de Republiek Cyprus en de Republiek Polen inzake justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken.

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 18/04/2019

Verordening Brussel I (herschikking) - Litouwen


Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

1. Hoe kan het in het geding roepen van een derde in algemene termen worden beschreven?

Op grond van het bepaalde in de artikelen 46 en 47 van het Litouwse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Lietuvos Respublikos civilinio proceso kodeksas) kunnen derden ervoor kiezen om al dan niet een zelfstandige vordering in te stellen in een aanhangige zaak.

Een derde die een zelfstandige vordering instelt in de aanhangige zaak, kan alleen op eigen initiatief aan de procedure deelnemen. Een dergelijke derde neemt zelfstandig deel aan de zaak en staat niet aan de zijde van de eiser of gedaagde. Een derde die een zelfstandige vordering instelt, kan totdat de rechter begint met de opsomming van de standpunten, worden toegelaten tot de procedure.

Een derde die geen zelfstandige vordering instelt in de aanhangige zaak, kan totdat de rechter begint met de opsomming van de standpunten, worden toegelaten aan de zijde van de eiser of gedaagde als een uitspraak in de zaak gevolgen kan hebben voor zijn rechten of verplichtingen. Hij kan ook tot de procedure worden toegelaten op grond van een gemotiveerd verzoek van de partijen of op initiatief van de rechter.

Derden worden van een zaak die is aangespannen, op de hoogte gesteld en worden uitgenodigd om aan de procedure voor een Litouwse rechter deel te nemen door middel van een dagvaarding of kennisgeving, waarbij een afschrift van de vordering wordt toegezonden. Krachtens artikel 133, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden de partijen die bij een zaak betrokken zijn (waaronder derden), door middel van een dagvaarding of kennisgeving op de hoogte gesteld van de datum en plaats van de terechtzitting of van afzonderlijke procedurele maatregelen. Het informeren van derden over een zaak is echter de taak van het gerecht en niet van de partijen. De partijen geven in hun vorderingen enkel aan dat er derden in het geding moeten worden geroepen.

Een derde die een zelfstandige vordering instelt, heeft dezelfde rechten en verplichtingen als de eiser.

Een derde die geen zelfstandige vordering instelt, heeft dezelfde procedurele rechten (waaronder het recht op onkostenvergoeding) en verplichtingen als de procespartijen, met uitzondering van het recht om de gronden en het onderwerp van de vordering te wijzigen, de eis te vermeerderen of verminderen, de vordering in te trekken, de vordering te erkennen of een schikking te treffen. Ook heeft hij niet het recht te verzoeken om tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing. Een derde die geen zelfstandige vordering instelt, kan niet handelen in strijd met de belangen van de partij aan wier zijde hij tot de procedure is toegelaten.

2. Wat zijn de belangrijkste gevolgen van rechterlijke beslissingen voor personen die als derde in het geding worden geroepen?

Dankzij de deelname van derden die een zelfstandige vordering instellen, kan in één zaak uitspraak worden gedaan over diverse samenhangende geschillen over dezelfde kwestie. In dat geval kunnen er geen verdere procedures aanhangig worden gemaakt tegen derden die een zelfstandige vordering hebben ingesteld (en kunnen die derden geen verdere procedures aanhangig maken tegen dezelfde gedaagde), aangezien het geschil tussen die partijen over die specifieke kwestie geacht wordt te zijn beslecht. Als iemand op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid om als derde aan een lopende rechtszaak deel te nemen door een zelfstandige vordering in te stellen maar dit niet heeft gedaan, kan er op een later moment een afzonderlijke procedure tegen hem worden aangespannen in verband met dezelfde kwestie. De eerste uitspraak mag echter geen gevolgen hebben voor de rechten en verplichtingen van iemand die niet als derde aan de procedure heeft deelgenomen.

Als er in een zaak een beslissing wordt gegeven, mag de rechter niet tegelijkertijd ook uitspraak doen over de rechten en verplichtingen van een derde die geen zelfstandige vordering heeft ingesteld tegen een partij waartoe hij of zij in een materiële rechtsverhouding staat. Dit betekent dat een rechterlijke beslissing in een zaak waaraan derden deelnemen die geen zelfstandige vordering hebben ingesteld, geen belemmering opwerpt voor het aanhangig maken van een andere zaak tegen een derde die deelnam aan de oorspronkelijke zaak maar daarin geen zelfstandige vordering heeft ingesteld. In dat geval geldt de eerste rechterlijke beslissing echter als een voorlopige uitspraak. Dat wil zeggen dat in het geval van een andere zaak waarbij dezelfde partijen zijn betrokken (bijv. een vrijwaringsvordering), de omstandigheden zoals die in de eindbeslissing in de oorspronkelijke zaak zijn vastgesteld, niet in aanmerking hoeven te worden genomen (artikel 182, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Als iemand niet op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid om als derde aan een lopende rechtszaak deel te nemen – met of zonder het instellen van een zelfstandige vordering – of als iemand daarvan wel op de hoogte is gesteld, maar niet aan de procedure heeft deelgenomen terwijl de rechter uitspraak heeft gedaan over zijn materiële rechten en verplichtingen, kan dit een grond opleveren om de zaak te heropenen. Als iemand niet heeft deelgenomen aan de procedure, geldt de betreffende rechterlijke uitspraak voor hem of haar doorgaans niet als een voorlopige uitspraak.

3. Zijn er bindende gevolgen wat de juridische beoordeling in het hoofdgeding betreft?

Zie het antwoord op vraag 2.

4. Zijn er bindende gevolgen met betrekking tot vastgestelde feiten die de derde in het hoofdgeding niet kon betwisten bv. omdat de partijen die feiten niet betwistten?

Zie het antwoord op vraag 2.

5. Heeft het in het geding roepen van een derde gevolgen, ongeacht of de derde al dan niet aan het hoofdgeding heeft deelgenomen?

Nee. De gerechtelijke beslissing in de eerste (hoofd)procedure kan geen gevolgen hebben voor de rechten en verplichtingen van iemand die in het geding is geroepen maar niet als derde aan de procedure heeft deelgenomen. Als iemand niet op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid om als derde aan een lopende rechtszaak deel te nemen – met of zonder het instellen van een zelfstandige vordering – of als iemand daarvan wel op de hoogte is gesteld, maar niet aan de procedure heeft deelgenomen terwijl de rechter uitspraak heeft gedaan over zijn materiële rechten en verplichtingen, kan dit een grond opleveren om de zaak te heropenen.

6. Heeft het in het geding roepen van een derde gevolgen voor de relatie tussen de derde en de tegenpartij van de kennisgevende partij?

Zie het antwoord op vraag 2.

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

In Litouwen, het hof van beroep van Litouwen (Lietuvos apeliacinis teismas).

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

In Litouwen, het hof van beroep van Litouwen (Lietuvos apeliacinis teismas).

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

In Litouwen, beroep in cassatie bij het hooggerechtshof van Litouwen (Lietuvos Aukščiausiasis Teismas).

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

N.v.t.

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

In Litouwen, artikel 783, lid 3, artikel 787 en artikel 789, lid 3, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Lietuvos Respublikos civilinio proceso kodeksas).

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

In Litouwen, de artikelen 46 en 47 van het Litouwse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Lietuvos Respublikos civilinio proceso kodeksas).

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • de Overeenkomst tussen de Republiek Litouwen, de Republiek Estland en de Republiek Letland inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen, ondertekend te Tallinn op 11 november 1992;
  • de Overeenkomst tussen de Republiek Litouwen en de Republiek Polen inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie-, arbeids- en strafzaken, ondertekend te Warschau op 26 januari 1993.

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 27/02/2019

Verordening Brussel I (herschikking) - Hongarije


Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

Artikel 74 - beschrijving van de nationale voorschriften en procedures betreffende tenuitvoerlegging

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

1. Wat houdt het in het geding roepen van een derde in op grond van Hongaars procesrecht?

Een partij die in het ongelijk is gesteld en een vordering wil instellen tegen een derde, of tegen wie door een derde een vordering is ingesteld, kan die derde een kennisgeving sturen waarmee hij in het geding wordt geroepen. Een kennisgeving waarmee een derde in het geding wordt geroepen, kan niet alleen worden verzonden door een verzoeker of gedaagde, maar ook door een tussenkomende partij of een in het geding geroepen derde.

2. Termijnen voor het in het geding roepen van een derde als procedurele handeling

Een gedaagde kan een kennisgeving waarmee een derde in het geding wordt geroepen, indienen binnen dertig dagen na ontvangst van een vordering, en de verzoeker binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van een materiële tegenvordering. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op toegewezen eiswijzigingen en tegenvorderingen.

Iemand die na het begin van de procedure tussenkomt, d.w.z. de tussenkomende partij of de in het geding geroepen derde, kan binnen dertig dagen na tussenkomst in de procedure zelf een derde in het geding roepen. In zaken die als bijzonder ernstig worden beschouwd (met een betwist bedrag boven 400 miljoen HUF), bedraagt de termijn voor de kennisgevingen van de kennisgevende partij en de in het geding geroepen derde niet dertig, maar vijftien dagen. Een kennisgeving die na het verstrijken van de termijn door de kennisgever wordt ingediend, is nietig. Met andere woorden: deze wordt door de rechter geacht niet te zijn verzonden.

3. Verzending van een kennisgeving waarmee een derde in het geding wordt geroepen

De kennisgevende partij heeft twee verplichtingen bij het in het geding roepen van een derde. Ten eerste moet de kennisgevende partij een schriftelijke kennisgeving verzenden aan de betrokken derde waarin hij de gronden voor de kennisgeving uiteenzet en een kort overzicht geeft van de stand van het geding. Ten tweede moet de kennisgeving worden ingediend bij het gerecht – schriftelijk of mondeling op de terechtzitting – waarbij ook de gronden voor de kennisgeving worden vermeld. Als de kennisgeving bij het gerecht wordt ingediend, moet de kennisgevende partij documenten bijvoegen waaruit blijkt dat de in het geding geroepen derde de kennisgeving heeft ontvangen en waaruit ook de datum van ontvangst blijkt.

Als de in het geding geroepen derde het gerecht niet binnen dertig dagen na de kennisgeving waarvoor de kennisgevende partij bewijs heeft geleverd, een verklaring toezendt over deelname aan de procedure, wordt de in het geding geroepen derde geacht de kennisgeving niet te hebben aanvaard. Een verklaring die na het verstrijken van de termijn wordt ingediend, is nietig.

Als de in het geding geroepen derde de kennisgeving aanvaardt, kan hij aan de zijde van de kennisgever als tussenkomende partij deelnemen aan de procedure. Hiervan kan schriftelijk of mondeling op de terechtzitting kennis worden gegeven.

Overigens zijn op de toelating van de in het geding geroepen derde als tussenkomende partij en de juridische status van de in het geding geroepen derde de regels inzake tussenkomst van toepassing.

4. Rechtsgevolgen van het in het geding roepen van een derde:

Als de in het geding geroepen derde de kennisgeving aanvaardt, kan hij aan de zijde van de kennisgever als (uitgenodigde) tussenkomende partij deelnemen aan de procedure. Het Hongaarse burgerlijk procesrecht onderscheidt twee situaties in het geval van tussenkomende partijen.

- Indien de rechterlijke beslissing zich niet uitstrekt tot de rechtsverhouding tussen de tussenkomende partij en de wederpartij, kan de tussenkomende partij (oorspronkelijk: de in het geding geroepen derde) zelfstandig alle rechtshandelingen verrichten die kunnen worden verricht door de partij die door de tussenkomende partij wordt ondersteund, met uitzondering van schikkingen, de erkenning van rechten en het doen van afstand van rechten. De handelingen van de tussenkomende partij hebben alleen gevolgen voor zover de ondersteunde partij die handelingen niet verricht en zij niet in strijd zijn met de handelingen van de ondersteunde partij.

- Indien, naar geldend recht, de rechterlijke beslissing zich ook uitstrekt tot de rechtsverhouding tussen de tussenkomende partij en de wederpartij, kan de tussenkomende partij (oorspronkelijk: de in het geding geroepen derde) zelfstandig alle rechtshandelingen verrichten die kunnen worden verricht door de partij die zij ondersteunt, met uitzondering van schikkingen, de erkenning van rechten en het doen van afstand van rechten, en hebben zulke handelingen ook gevolgen als zij strijdig zijn met de handelingen van de ondersteunde partij. Tijdens de behandeling van de zaak beoordeelt de rechter de gevolgen van zulke strijdige handelingen, rekening houdend met de overige aspecten van de zaak.

De vraag of een rechterlijke beslissing zich uitstrekt tot de rechtsverhouding tussen de tussenkomende partij en de wederpartij, valt echter niet onder de discretionaire bevoegdheid van de rechter, maar vloeit uitsluitend voort uit wettelijke bepalingen.

Een voorbeeld van zulk een wettelijke bepaling is artikel 32, lid 2, van Wet LXII van 2009 betreffende de verplichte wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen, waarin het volgende is bepaald: "Onder de reikwijdte van een wettelijk bindende beslissing tot afwijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde valt tevens de verzekerde, alsmede de exploitant en de bestuurder in de in artikel 35, lid 1, genoemde gevallen, indien de rechter aldus beslist in een rechtszaak tussen de benadeelde en de verzekeringsmaatschappij, de schaderegelaar, het Nationaal Bureau of de beheerder van het Schadevergoedingsfonds." (Het genoemde artikel 35, lid 1, luidt als volgt: "De benadeelde kan bij de beheerder van het Schadevergoedingsfonds een vordering instellen tot vergoeding van schade of letsel die/dat op het grondgebied van Hongarije is veroorzaakt door een motorrijtuig dat in strijd met de verzekeringsplicht niet is verzekerd, door een niet-geïdentificeerde bestuurder of door een niet-geïdentificeerd voertuig of tijdens de in artikel 26 bedoelde schorsingsperiode, behoudens de in artikel 36 vermelde uitzonderingen. De beheerder van het Schadevergoedingsfonds biedt dekking voor vorderingen tot de in artikel 13, lid 1, genoemde bedragen. De beheerder van het Schadevergoedingsfonds vergoedt tevens schade aan de benadeelde die is veroorzaakt door een motorrijtuig dat niet in gebruik is genomen of buiten gebruik is gesteld.")

Aanvaarding van een kennisgeving waarmee een derde in het geding wordt geroepen, betekent niet dat de in het geding geroepen derde een verplichting jegens de kennisgevende partij erkent. Over de rechtsverhouding tussen de kennisgevende partij en de in het geding geroepen derde kan in de hoofdprocedure (waarvoor de in het geding geroepen derde is uitgenodigd) geen beslissing worden genomen.

Artikel 74 - beschrijving van de nationale voorschriften en procedures betreffende tenuitvoerlegging

Zie het informatieblad Procedures voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen.

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

In Hongarije, de kantonrechtbanken (Járásbíróság) gevestigd in de regionale rechtbank (Törvényszék). In het district Pest: de kantonrechtbank van Boeda, in Boedapest: de centrale kantonrechtbank van Boeda.

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

In Hongarije, de regionale rechtbanken (Törvényszék). In Boedapest: de regionale rechtbank van de hoofdstad (Fővárosi Törvényszék),

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

- in Hongarije, de Kúria (via een verzoek om toetsing van de beslissing bij een rechterlijke instantie van eerste aanleg).

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

N.v.t.

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

- in Hongarije: artikel 57 van Wetgevingsdecreet nr. 13 van 1979 inzake internationaal privaatrecht.

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

- in Hongarije: de artikelen 58-60 (betreffende het in het geding roepen van derden) van Wet III van 1952 inzake het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • het Verdrag tussen de Hongaarse Volksrepubliek en de Volksrepubliek Bulgarije inzake rechtshulp in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Sofia op 16 mei 1966;
  • de Overeenkomst tussen de Republiek Cyprus en de Hongaarse Volksrepubliek inzake rechtshulp in burgerlijk en strafzaken, ondertekend te Boedapest op 30 november 1981;
  • het Verdrag tussen de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek en de Hongaarse Volksrepubliek inzake rechtshulp en regeling van rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Bratislava op 28 maart 1989, dat nog van kracht is met betrekking tot de Tsjechische Republiek en de Slowaakse Republiek;
  • de Overeenkomst tussen de Hongaarse Volksrepubliek en de Franse Republiek inzake rechtshulp in burgerrechtelijke en familierechtelijke aangelegenheden, inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, inzake rechtshulp in strafzaken en inzake uitlevering, ondertekend te Boedapest op 31 juli 1980;
  • de Overeenkomst tussen de Hongaarse Volksrepubliek en de Helleense Republiek inzake rechtshulp in burgerlijk en strafzaken, ondertekend te Boedapest op 8 oktober 1979;
  • het Verdrag tussen de Hongaarse Volksrepubliek en de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië inzake wederzijdse rechtshulp, ondertekend op 7 maart 1968, met betrekking tot de Republiek Kroatië en de Republiek Slovenië;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Polen en de Hongaarse Volksrepubliek inzake rechtshulp in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Boedapest op 6 maart 1959;
  • het Verdrag tussen de Hongaarse Volksrepubliek en de Volksrepubliek Roemenië inzake rechtshulp in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Boekarest op 7 oktober 1958.

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 27/02/2019

Verordening Brussel I (herschikking) - Nederland


Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

Niet van toepassing

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

- in Nederland, de rechtbank

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

- in Nederland, het Gerechtshof

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

- in Nederland, de Hoge Raad der Nederlanden

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Niet van toepassing

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Geen

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Niet van toepassing

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • het Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten, ondertekend te Brussel op 28 maart 1925,
  • het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Rome op 17 april 1959,
  • het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te ’s-Gravenhage op 30 augustus 1962;
  • de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te ’s-Gravenhage op 6 februari 1963;
  • het Verdrag tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de wederkerige erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken, ondertekend te ’s-Gravenhage op 17 november 1967;
  • het Verdrag tussen België, Nederland en Luxemburg betreffende de rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten, ondertekend te Brussel op 24 november 1961, voor zover het van kracht is;

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 22/03/2016

Verordening Brussel I (herschikking) - Oostenrijk


Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

Artikel 74 - beschrijving van de nationale voorschriften en procedures betreffende tenuitvoerlegging

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

1.) Hoe kan het in het geding roepen van een derde in algemene termen worden beschreven?

Het in het geding roepen van een derde is een formele kennisgeving van een aanhangige of lopende rechtszaak die door een van de procespartijen wordt gedaan aan een derde die tot dan toe niet bij de zaak betrokken is geweest. De kennisgeving kan een verzoek tot tussenkomst in de procedure omvatten. De kennisgevende partij dient een daartoe strekkend document in bij het gerecht, dat vervolgens officieel door het gerecht wordt betekend aan de derde. De derde is niet verplicht om tussen te komen naar aanleiding van de kennisgeving; het staat hem wettelijk vrij om te beslissen of hij aan de procedure wil deelnemen en, zo ja, namens welke partij. Een derde die aan de procedure deelneemt, wordt geen procespartij maar is slechts een tussenkomende partij. De verklaringen en handelingen van deze derde mogen dan ook niet strijdig zijn met die van de procespartij. Een tussenkomende partij kan niet worden verplicht tot het betalen van kosten. Als de procespartij de zaak echter wint, heeft de tussenkomende partij recht op vergoeding van haar kosten door de wederpartij.

Eenieder die doordat hij als derde in het geding is geroepen in de gelegenheid is gesteld om als tussenkomende partij invloed uit te oefenen op het verloop van de procedure, kan, ook als hij niet in de procedure is tussengekomen, vorderingen tot schadevergoeding op grond van gebrekkige procesvoering alleen baseren op gerechtelijke procedures voorafgaand aan zijn tussenkomst of op materiële kwesties die hij ook als tussenkomende partij niet had kunnen voorkomen of die hij, als hij niet is tussengekomen, niet had kunnen voorkomen. Door de partij ten gunste van wie zij tussenkomt te ondersteunen, kan de tussenkomende partij ertoe bijdragen dat die partij in het rechtsgeding in het gelijk wordt gesteld, en aldus voorkomen dat er een regresactie tegen haar wordt ingesteld of althans ervoor zorgen dat haar positie in een dergelijk rechtsgeding verbetert.

2.) Wat zijn de belangrijkste gevolgen van rechterlijke beslissingen voor personen die als derde in het geding worden geroepen ?

Het in het geding roepen van een derde veronderstelt dat één partij in een lopende rechtszaak reden heeft om een uitkomst in haar nadeel te vrezen, maar tegelijkertijd reden heeft om te verwachten dat als de uitkomst inderdaad in haar nadeel uitvalt, zij vervolgens een vordering kan instellen tegen de derde. De partij die de derde in het geding roept, heeft er derhalve belang bij dat zij ofwel het eerste rechtsgeding niet verliest (en daarbij kan de tussenkomende partij haar mogelijk helpen) ofwel — als zij het eerste rechtsgeding wel verliest — dat zij door een volgende procedure te winnen, haar schade op de derde kan verhalen.

Tegelijkertijd voorkomt de kennisgevende partij door de derde in het geding te roepen dat deze derde in een daaropvolgende procedure bepaalde vorderingen tot schadevergoeding tegen haar kan instellen op grond van gebrekkige procesvoering. Een persoon die als derde in het geding is geroepen en aldus in de gelegenheid is gesteld om invloed uit te oefenen op de uitkomst van het rechtsgeding, kan vorderingen tot schadevergoeding op grond van gebrekkige procesvoering uitsluitend baseren op gerechtelijke procedures voorafgaand aan zijn tussenkomst of op materiële kwesties die hij ook als tussenkomende partij niet heeft kunnen voorkomen of niet had kunnen voorkomen. De tussenkomende partij kan middelen aanvoeren en procedurele documenten indienen, mits zij niets doet wat strijdig is met wat de procespartij doet. In het geval van een volgend rechtsgeding tussen de procespartij en de tussenkomende partij strekken de gevolgen van de eindbeslissing in de eerste procedure zich uit tot de tussenkomende partij of tot degenen die ondanks een daartoe strekkende uitnodiging niet in de procedure zijn tussengekomen, voor zover deze personen als partijen in een volgend rechtsgeding geen middelen mogen aanvoeren die strijdig zijn met de belangrijkste elementen van de uitspraak in het eerste rechtsgeding.

3.) Het in het geding roepen van een derde heeft geen bindende gevolgen voor de beslissingen die in het hoofdgeding over rechtsvragen zijn genomen.

4.) De uitkomst van het eerste rechtsgeding is niet bindend als de tussenkomende partij geen middelen heeft kunnen aanvoeren als gevolg van de stand van het rechtsgeding op het moment van tussenkomst of als gevolg van verklaringen en handelingen van de procespartij (bijvoorbeeld doordat die partij bepaalde feiten of vorderingen onweersproken heeft gelaten).

5.) Zoals vermeld, treden de gevolgen van het in het geding roepen van derden in, ongeacht of de derde al dan niet als tussenkomende partij aan het (hoofd)geding deelneemt.

6.) Het in het geding roepen van een derde heeft geen gevolgen voor de verhouding tussen de derde en de wederpartij van de partij die de derde in het geding heeft geroepen, tenzij de derde tussenkomt ter ondersteuning van de wederpartij.

Artikel 74 - beschrijving van de nationale voorschriften en procedures betreffende tenuitvoerlegging

Hiervoor wordt verwezen naar de betreffende informatie die Oostenrijk heeft verstrekt via het Europese e-justitieportaal onder "Gerechtelijke stappen", "Tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen", "Procedures voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen", dat kan worden geraadpleegd via de volgende link.

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

- in Oostenrijk, de districtsrechtbank (Bezirksgericht) waarbij de tenuitvoerleggingsprocedure aanhangig is. In het geval van een verzoek om een beslissing dat er geen gronden zijn voor weigering van erkenning in de zin van artikel 36, lid 2, en in het geval van een verzoek tot weigering van erkenning (artikel 45) is de bevoegde rechtbank de districtsrechtbank van het gebied waarin de aan de beslissing gebonden partij woont of zijn statutaire zetel heeft.

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

- in Oostenrijk, de arrondissementsrechtbank (Landesgericht), via de districtsrechtbank (Bezirksgericht) waar de tenuitvoerleggingsprocedure aanhangig is.

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

- in Oostenrijk, het hooggerechtshof (Oberste Gerichtshof), via de districtsrechtbank (Bezirksgericht) waar de tenuitvoerleggingsprocedure aanhangig is.

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Duits is de enige taal die wordt aanvaard.

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

- in Oostenrijk: artikel 99 van de Wet op de rechterlijke bevoegdheid (Jurisdiktionsnorm).

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

- in Oostenrijk: artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Zivilprozessordnung).

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • de Overeenkomst tussen Duitsland en Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen, schikkingen en authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Wenen op 6 juni 1959;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Bulgarije en de Republiek Oostenrijk inzake rechtshulp in burgerlijke zaken en inzake documenten, ondertekend te Sofia op 20 oktober 1967;
  • de Overeenkomst tussen België en Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen, scheidsrechterlijke uitspraken en authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Wenen op 16 juni 1959;
  • het Verdrag tussen het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Wenen op 14 juli 1961, en het protocol tot wijziging van dit Verdrag, ondertekend te Londen op 6 maart 1970;
  • de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te ’s-Gravenhage op 6 februari 1963;
  • de Overeenkomst tussen Frankrijk en Oostenrijk betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Wenen op 15 juli 1966;
  • de Overeenkomst tussen Luxemburg en Oostenrijk betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Luxemburg op 29 juli 1971;
  • de Overeenkomst tussen Italië en Oostenrijk betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke en handelszaken, van gerechtelijke schikkingen en notariële akten, ondertekend te Rome op 16 november 1971;
  • de Overeenkomst tussen Oostenrijk en Zweden betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke zaken, ondertekend te Stockholm op 16 september 1982;
  • de Overeenkomst tussen Oostenrijk en Spanje betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen, schikkingen en uitvoerbare authentieke akten in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Wenen op 17 februari 1984;
  • het Verdrag tussen Finland en Oostenrijk inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken, ondertekend te Wenen op 17 november 1986;
  • het Verdrag tussen de Federale Volksrepubliek Joegoslavië en de Republiek Oostenrijk inzake wederzijdse justitiële samenwerking, ondertekend te Wenen op 16 december 1954;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Polen en de Republiek Oostenrijk inzake de wederzijdse betrekkingen in burgerlijke zaken en inzake documenten, ondertekend te Wenen op 11 december 1963;
  • de Overeenkomst tussen de Socialistische Republiek Roemenië en de Republiek Oostenrijk inzake rechtshulp in burgerlijke en familiezaken en inzake de geldigheid en de betekening van documenten, en bijbehorend Protocol, ondertekend te Wenen op 17 november 1965.

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 14/01/2019

Verordening Brussel I (herschikking) - Polen


Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

Artikel 74 - beschrijving van de nationale voorschriften en procedures betreffende tenuitvoerlegging

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

1. Hoe kan het in het geding roepen van een derde in algemene termen worden beschreven?

In Polen zijn hierop de artikelen 84 en 85 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende het in het geding roepen van derden van toepassing. Dit concept wordt in het Pools przypozwanie genoemd. Het houdt in dat een partij een toekomstige wederpartij kan oproepen om aan de procedure deel te nemen, aangezien een beslissing die in het nadeel van de partij uitvalt, ertoe kan leiden dat een derde tegen de partij een vordering instelt (die bijvoorbeeld voortvloeit uit een garantieovereenkomst). Daartoe dient de partij een kennisgeving in die wordt betekend aan de derde, waarna die derde kan verklaren dat hij als ondersteunende tussenkomende partij aan de procedure deelneemt.

2. Wat zijn de belangrijkste gevolgen van rechterlijke beslissingen voor personen die als derde in het geding worden geroepen?

Het in het geding roepen van een derde leidt er niet automatisch toe dat de persoon op wie het verzoek betrekking heeft, partij wordt in de aanhangige procedure. Hij of zij wordt als ondersteunende tussenkomende partij tot de procedure toegelaten (artikelen 76-78 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Met instemming van de partijen kan de ondersteunende tussenkomende partij de plaats innemen van de partij die zij ondersteunt. Overigens heeft de beslissing rechtstreekse werking (maar indien er een derde in het geding is geroepen, alleen als dit in overeenstemming is met de aard van de betwiste rechtsverhouding of de betreffende wettelijke bepaling).

3. Zijn er bindende gevolgen wat de juridische beoordeling in het hoofdgeding betreft?

Indien een derde, ondanks een daartoe strekkend verzoek, niet aan de procedure deelneemt, verliest hij de mogelijkheid om zich in een vervolgprocedure te beroepen op misbruik van de eerste procedure (artikel 82 juncto artikel 85 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

4. Zijn er bindende gevolgen met betrekking tot vastgestelde feiten die de derde in het hoofdgeding niet kon betwisten bv. omdat de partijen die feiten niet betwistten?

Het is ook in het belang van de derde om in het geding te worden geroepen met het verzoek daaraan deel te nemen, omdat dit ertoe kan bijdragen dat een positief resultaat wordt bereikt waardoor vervolgprocedures overbodig worden.

5. Heeft het in het geding roepen van een derde gevolgen, ongeacht of de derde al dan niet aan het hoofdgeding heeft deelgenomen?

Indien een derde, ondanks een daartoe strekkend verzoek, niet aan de procedure deelneemt, verliest hij de mogelijkheid om zich in een vervolgprocedure te beroepen op misbruik van de eerste procedure (artikel 82 juncto artikel 85 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

6. Heeft het in het geding roepen van een derde gevolgen voor de relatie tussen de derde en de tegenpartij van de kennisgevende partij?

Indien iemand die een daartoe strekkend verzoek heeft ontvangen aan de procedure deelneemt, wordt hij een ondersteunende tussenkomende partij en kan hij, met instemming van de partijen, de plaats innemen van de partij die hij ondersteunt.

Artikel 74 - beschrijving van de nationale voorschriften en procedures betreffende tenuitvoerlegging

Artikel 74 - Een overzicht van de nationale voorschriften en procedures voor tenuitvoerlegging vindt u op het Informatieblad Procedury służące wykonaniu orzeczenia (Procedures voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen).

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

De regionale rechtbank [sąd okręgowy] die bevoegd is voor de plaats waar de schuldenaar woont of zijn statutaire zetel heeft of, bij gebrek aan een dergelijke rechtbank, de regionale rechtbank in de regio waar de tenuitvoerleggingsprocedure aanhangig is of de tenuitvoerlegging plaatsvindt.

In het geval van een verzoek tot weigering van erkenning:

De regionale rechtbank [sąd okręgowy] die bevoegd is voor de zaak waarin vonnis is gewezen of voor de regio waarin de bevoegde districtsrechtbank [sąd rejonowy] is gevestigd of, bij gebrek daaraan, de regionale rechtbank van Warschau.

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

Het hof van beroep [sąd apelacyjny] via de regionale rechtbank [sąd okręgowy].

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Het hooggerechtshof [Sąd Najwyższy̕] via het hof van beroep [sąd apelacyjny̕],

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

N.v.t.

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Artikel 11037, lid 4, en artikel 1110 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voor zover zij voorzien in de rechtsbevoegdheid van de Poolse rechter uitsluitend op grond van een van de volgende omstandigheden van de aanvrager: Pools staatsburgerschap of woonplaats, gewoonlijke verblijfplaats of statutaire zetel in Polen.

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

De artikelen 84 en 85 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende het in het geding roepen van derden.

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Polen en de Hongaarse Volksrepubliek inzake rechtshulp in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Boedapest op 6 maart 1959;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Polen en de Federale Volksrepubliek Joegoslavië inzake rechtshulp in burgerlijke en strafzaken, ondertekend te Warschau op 6 februari 1960, nu van kracht tussen Polen en Slovenië en tussen Polen en Kroatië;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Bulgarije en de Volksrepubliek Polen inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Warschau op 4 december 1961;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Polen en de Republiek Oostenrijk inzake de wederzijdse betrekkingen in burgerlijke zaken en inzake documenten, ondertekend te Wenen op 11 december 1963;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Polen en de Helleense Republiek inzake rechtshulp in burgerlijke en strafzaken, ondertekend te Athene op 24 oktober 1979;
  • het Verdrag tussen de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek en de Volksrepubliek Polen inzake rechtshulp en tot regeling van de rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie-, arbeids- en strafzaken, ondertekend te Warschau op 21 december 1987, dat nog van kracht is in de rechtsbetrekkingen tussen Polen en Tsjechië en tussen Polen en Slowakije;
  • de Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Polen en de Italiaanse Republiek inzake rechtshulp en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke zaken, ondertekend te Warschau op 28 april 1989;
  • de Overeenkomst tussen de Republiek Polen en de Republiek Litouwen inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie-, arbeids- en strafzaken, ondertekend te Warschau op 26 januari 1993;
  • de Overeenkomst tussen de Republiek Letland en de Republiek Polen inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie-, arbeids- en strafzaken, ondertekend te Riga op 23 februari 1994;
  • de Overeenkomst tussen de Republiek Cyprus en de Republiek Polen inzake justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken, ondertekend te Nicosia op 14 november 1996;
  • de Overeenkomst tussen de Republiek Estland en de Republiek Polen inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen in burgerlijke, arbeids- en strafzaken, ondertekend te Tallinn op 27 november 1998;
  • het Verdrag tussen Roemenië en de Republiek Polen inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen in burgerlijke zaken, ondertekend te Boekarest op 15 mei 1999.

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 28/02/2019

Verordening Brussel I (herschikking) - Slovenië


Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

Artikel 65, lid 3: Informatie over de wijze waarop overeenkomstig het nationale recht de gevolgen van de in artikel 65, lid 2 van de verordening genoemde beslissingen worden vastgesteld

1.) Hoe kan het in het geding roepen van een derde in algemene termen worden beschreven?

Het in het geding roepen van derden ("litis denuntiatio") betekent dat een derde formeel in kennis wordt gesteld van een aanhangig rechtsgeding. De kennisgeving kan vergezeld gaan van de uitnodiging aan deze derde om aan de procedure deel te nemen. Met deze kennisgeving wordt beoogd de rechten en gevolgen te waarborgen die het burgerlijk recht aan de eiser of gedaagde toekent. De kennisgevende partij (die een procespartij is) verzendt de kennisgeving aan het gerecht, dat deze vervolgens betekent aan de derde. Die kan zelf beslissen of hij al dan niet deelneemt aan de procedure. Naar Sloveens recht beslist het gerecht niet over de vraag of het verzoek om formele kennisgeving aan een partij gerechtvaardigd is. Zelfs als de derde aan de procedure deelneemt, wordt hij geen procespartij en er kan in deze procedure ook geen beslissing worden genomen over zijn verhouding tot de partijen in de hoofdprocedure. De derde kan elke partij in de hoofdprocedure ondersteunen. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, kan een derde als tussenkomende partij aan de procedure deelnemen. Op die manier kunnen derden bijdragen aan het winnen van het rechtsgeding. Zo kunnen zij helpen voorkomen dat er vervolgens een (regres)actie tegen hen wordt ingesteld of kunnen zij ervoor zorgen dat hun positie in een dergelijk rechtsgeding verbetert. De derde kan geen verzoek indienen tot beëindiging van een reeds ingestelde procedure, de verlenging van termijnen of het uitstel van een zitting.

2.) Wat zijn de belangrijkste gevolgen van rechterlijke beslissingen voor personen die als derde in het geding worden geroepen?

Het in het geding roepen van een derde biedt de kennisgevende partij bescherming tegen bepaalde vorderingen tot schadevergoeding die zij anders van een derde zou kunnen verwachten. Een derde die in het geding is geroepen, heeft hierdoor de kans gekregen om invloed uit te oefenen op de uitkomst van een procedure. Daarom kan hij, in beginsel, geen vorderingen tot schadevergoeding meer instellen tegen de kennisgevende partij op grond van gebrekkige procesvoering. Daarnaast kan een derde die in de hoofdprocedure in het geding is geroepen, in een eventuele daaropvolgende regresactie tussen de kennisgevende partij en die derde, aan de kennisgevende partij geen argumenten of feiten tegenwerpen die strijdig zijn met de materiële (feitelijke) elementen van de beslissing in de hoofdprocedure.

3.) Er zijn echter geen bindende gevolgen wat de juridische beoordeling in het hoofdgeding betreft.

4.) Er zijn evenmin bindende gevolgen met betrekking tot vastgestelde feiten die de derde in het hoofdgeding niet kon betwisten bv. omdat de partijen die feiten niet betwistten.

5.) Het in het geding roepen van een derde heeft gevolgen, ongeacht of de derde al dan niet aan het hoofdgeding heeft deelgenomen.

6.) Het in het geding roepen van een derde heeft geen gevolgen voor de relatie tussen de derde en de tegenpartij van de kennisgevende partij, behalve wanneer de derde heeft besloten deel te nemen aan de procedure aan de zijde van de wederpartij.

Artikel 75, onder a) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij de verzoeken overeenkomstig artikel 36, lid 2, artikel 45, lid 4, en artikel 47, lid 1, moeten worden ingesteld

- in Slovenië, de districtsrechtbank.

Artikel 75, onder b) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij overeenkomstig artikel 49, lid 2, een rechtsmiddel tegen de beslissing op het verzoek om een weigering van tenuitvoerlegging moet worden ingesteld

- in Slovenië, de districtsrechtbank.

Artikel 75, onder c) – naam en contactgegevens van de gerechten waarbij een eventuele hogere voorziening overeenkomstig artikel 50 moet worden ingesteld

- in Slovenië, het Hooggerechtshof van de Republiek Slovenië.

Artikel 75, onder d) – talen die worden aanvaard voor de vertaling van de formulieren betreffende rechterlijke beslissingen, authentieke akten en gerechtelijke schikkingen

- in Slovenië: bij de volgende rechtbanken worden naast het Sloveens ook de talen van de nationale minderheden als officiële taal aanvaard:

  • Arrondissementsrechtbank van Koper: Italiaans;
  • Lokale rechtbank van Koper: Italiaans;
  • Lokale rechtbank van Piran: Italiaans;
  • Lokale rechtbank van Lendava: Hongaars.

Artikel 76, lid 1, onder a) – de in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2, vermelde bevoegdheidsregels

- in Slovenië, artikel 58 van de Wet betreffende het internationaal privaatrecht en de internationale privaatrechtelijke procesvoering (Zakon o mednarodnem zasebnem pravu in postopku).

Artikel 76, lid 1, onder b) – de in artikel 65 vermelde regels ten aanzien van het in het geding roepen van een derde

- in Slovenië, artikel 204 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Zakon o pravdnem postopku), betreffende het in het geding roepen van derden.

Artikel 76, lid 1, onder c) – de in artikel 69 vermelde overeenkomsten

  • het Verdrag tussen de Federale Volksrepubliek Joegoslavië en de Republiek Oostenrijk inzake wederzijdse justitiële samenwerking, ondertekend te Wenen op 16 december 1954;
  • de Overeenkomst tussen de Federale Volksrepubliek Joegoslavië en de Italiaanse Republiek inzake wederzijdse justitiële samenwerking in burgerlijke en bestuurlijke zaken, ondertekend te Rome op 3 december 1960;
  • de Overeenkomst tussen de Federale Volksrepubliek Joegoslavië en het Koninkrijk Griekenland inzake de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, ondertekend te Athene op 18 juni 1959;
  • de Overeenkomst tussen de Federale Volksrepubliek Joegoslavië en de Volksrepubliek Polen inzake rechtshulp in burgerlijke en strafzaken, ondertekend te Warschau op 6 februari 1960;
  • het Verdrag tussen de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië en de Tsjechoslowaakse Socialistische Republiek tot regeling van rechtsbetrekkingen in burgerlijke, familie- en strafzaken, ondertekend te Belgrado op 20 januari 1964;
  • het Verdrag tussen de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië en de Republiek Cyprus inzake rechtshulp in burgerlijke en strafzaken, ondertekend te Nicosia op 19 september 1984;
  • de Overeenkomst tussen de Federale Volksrepubliek Joegoslavië en de Volksrepubliek Bulgarije inzake wederzijdse rechtshulp, ondertekend te Sofia op 23 maart 1956;
  • het Verdrag tussen de Federale Volksrepubliek Joegoslavië en de Volksrepubliek Roemenië inzake rechtshulp, ondertekend te Belgrado op 18 oktober 1960, en het Protocol daarbij;
  • het Verdrag tussen de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië en de Hongaarse Volksrepubliek inzake wederzijdse rechtshulp, ondertekend te Belgrado op 7 maart 1968;
  • het Verdrag tussen de Republiek Slovenië en de Republiek Kroatië inzake rechtshulp in burgerlijke en strafzaken, ondertekend te Zagreb op 7 februari 1994;
  • de Overeenkomst tussen de Regering van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië en de Regering van de Franse Republiek inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Parijs op 18 mei 1971.

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken lidstaten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. De Europese Commissie aanvaardt geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid met betrekking tot informatie of gegevens in dit document. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 28/02/2019