Kruimelpad

menu starting dummy link

Page navigation

menu ending dummy link

Algemene informatie - Tsjechië

Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Tsjechisch) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.

INHOUDSOPGAVE

 

Dit informatieblad is opgesteld in samenwerking met de De link wordt in een nieuw venster geopend.Raad van notarissen van de Europese Unie (CNUE).

 

1 Hoe wordt de uiterste wilsbeschikking (testament, gemeenschappelijk testament, erfovereenkomst) opgesteld?

Wijze waarop testamenten in het algemeen worden opgesteld

Testamenten worden, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, schriftelijk opgesteld. Een testament hoeft niet te worden gedateerd, behalve wanneer 1) de erflater meerdere testamenten heeft opgesteld die onderling strijdig zijn, of 2) de rechtsgevolgen van een testament afhangen van het werkelijke tijdstip waarop het is opgesteld. Een gemeenschappelijk testament is niet toegestaan.

Volgens Tsjechisch recht kan een testament op de volgende manieren worden opgesteld:

a) de erflater schrijft het document eigenhandig en ondertekent het vervolgens;

b) de erflater ondertekent een niet eigenhandig geschreven document in aanwezigheid van twee getuigen die verklaren dat het document zijn uiterste wil bevat. De getuigen ondertekenen het document en er wordt een verklaring bijgevoegd waarin de getuigen meedelen dat ze hebben ondertekend als getuige, samen met gegevens op basis waarvan ze geïdentificeerd kunnen worden;

c) een erflater die blind is, maakt zijn testament in aanwezigheid van drie getuigen. Het testament moet hardop worden voorgelezen door een getuige die het document niet zelf heeft geschreven. Wanneer de erflater een andere zintuiglijke beperking heeft en niet in staat is om te lezen of schrijven, moet de inhoud van het testament op een andere wijze dan via spraak of schrift aan hem worden gecommuniceerd, waarbij hetgeen wordt meegedeeld behalve door hem ook door alle getuigen moet kunnen worden begrepen;

d) de erflater laat het testament ten overstaan van een notaris opmaken.

Wijze waarop testamenten in bijzondere gevallen worden opgesteld

Er gelden bijzondere regels voor testamenten die onder extreme, in het bijzonder levensbedreigende, omstandigheden worden gemaakt.

a) Indien het leven van de erflater door onverwachte omstandigheden duidelijk en onmiddellijk gevaar loopt of de erflater zich op een plaats bevindt waar, als gevolg van een noodsituatie (oorlog, natuurramp, enz.), het sociale verkeer dusdanig verlamd is geraakt dat het niet mogelijk is om het testament op een andere wijze te maken, dan kan de erflater zijn uiterste wil mondeling formuleren ten overstaan van drie getuigen, die tegelijkertijd aanwezig moeten zijn. Als de erflater twee weken na het opstellen van het mondelinge testament nog in leven is, wordt het automatisch nietig.

b) Wanneer een gerede mogelijkheid bestaat dat de erflater overlijdt voordat hij ten overstaan van een notaris zijn testament heeft opgemaakt, kan diens uiterste wil worden vastgelegd door de burgemeester van de gemeente waar de erflater zich bevindt, mits dit gebeurt ten overstaan van twee getuigen. Een op deze manier tot stand gekomen testament blijft drie maanden geldig, te rekenen vanaf de dag dat de erflater voor het eerst in staat is om bij de notaris een testament te laten opmaken. Dit staat bekend als een “dorf-testament”.

c) Wanneer daarvoor zwaarwegende gronden zijn kan een uiterste wil worden vastgelegd in vliegtuigen en op schepen die onder de Tsjechische rechtsmacht vallen door de gezagvoerder van het vliegtuig respectievelijk de kapitein van het schip, of een persoon die hen vertegenwoordigt, en in aanwezigheid van twee getuigen. Ook dit soort testamenten heeft een geldigheidsduur van slechts drie maanden.

d) Een soldaat die is betrokken in gevechtshandelingen kan zijn uiterste wil laten vastleggen door de commandant of een andere officier van zijn eenheid en in aanwezigheid van twee getuigen. Ook voor dit soort testamenten geldt dat ze niet langer dan drie maanden geldig zijn.

Overeenkomst inzake erfopvolging

In een overeenkomst inzake erfopvolging kan een erflater die meerderjarig en volledig handelingsbevoegd is, een erfgenaam of legataris aanwijzen. De erfgenaam of legataris kan de andere partij bij de overeenkomst of een derde zijn. De erflater kan een overeenkomst inzake erfopvolging niet eenzijdig herroepen.

De erflater mag in de regel over niet meer dan drie kwart van zijn nalatenschap bij overeenkomst inzake erfopvolging beschikken. Over het resterende deel van de nalatenschap kan hij wel bij testament beschikken.

Echtgenoten kunnen elkaar in een overeenkomst inzake erfopvolging wederzijds als erfgenaam aanwijzen. In de overeenkomst kan worden bepaald dat de rechten en plichten die eruit voortvloeien, bij echtscheiding vervallen.

Een overeenkomst inzake erfopvolging kan alleen worden opgemaakt in de vorm van een authentieke (notariële) akte.

2 Moet de wilsbeschikking worden geregistreerd en, zo ja, hoe?

Het centraal register van testamenten werd opgericht in 2001. Na de algemene recodificatie van het privaatrecht is dit register vanaf 1 januari 2014 vervangen door het Register of Legal Acts upon Death (register van rechtshandelingen die werking hebben bij overlijden). Het betreft een private, geautomatiseerde lijst die wordt beheerd door de Tsjechische orde van notarissen. In dit register wordt aantekening gehouden van akten betreffende de volgende rechtshandelingen van een erflater die bij overlijden rechtsgevolg hebben:

a) testament, codicil of overeenkomst inzake erfopvolging;

b) verklaring van onterving of verklaring waarbij de wettelijke erfgenaam wordt uitgesloten van de nalatenschap;

c) opdracht inzake een verrekeningsregeling met betrekking tot een erfdeel, tenzij een dergelijke opdracht al in het testament is vervat;

d) aanwijzing van een beheerder van de nalatenschap, tenzij dat al in het testament is gebeurd;

e) overeenkomst inzake de verwerping van een nalatenschap;

f) herroeping van de in a) tot en met e) genoemde rechtshandelingen.

Wanneer een notaris een akte betreffende een of meer van bovengenoemde rechtshandelingen in de vereiste vorm heeft opgemaakt of een niet-notariële akte betreffende een of meer van bovengenoemde rechtshandelingen in bewaring heeft genomen, dan voert de notaris de gegevens van die akte en van de persoon die de akte heeft opgemaakt, via elektronische gegevensverzending in bovengenoemd register in.

Akten betreffende genoemde rechtshandelingen die niet in de vorm van een notariële akte zijn opgemaakt, worden alleen in het register opgenomen als ze zich bij een notaris in bewaring bevinden.

3 Gelden er beperkingen voor de bevoegdheid om bij uiterste wil te beschikken (bv. een wettelijk erfdeel)?

Legitieme portie – algemeen

De wettelijke erfgenamen van een erflater zijn zijn bloedverwanten in neergaande lijn. Een wettelijke erfgenaam die (i) geen afstand heeft gedaan van zijn erfrecht of recht op de legitieme portie, (ii) in aanmerking komt als erfgenaam, en (iii) niet is onterfd, heeft recht op de legitieme portie of het supplement daarvan als hij door de erflater geheel of gedeeltelijk uit de uiterste wilsbeschikking is weggelaten, met andere woorden: hij ontvangt niets uit de nalatenschap, noch in de vorm van een deel van de nalatenschap noch in de vorm van een legaat, of het deel van de nalatenschap of legaat dat hij ontvangt, vertegenwoordigt een geringere waarde dan wat hem als legitieme portie toekomt. De overlevende echtgenoot en eventuele bloedverwanten in opgaande lijn zijn geen wettelijke erfgenamen. Minderjarige afstammelingen moeten ten minste drie kwart en meerderjarige afstammelingen ten minste een kwart van hun wettelijk erfdeel ontvangen. Wanneer het testament hiermee in strijd is en de erflater een wettelijke erfgenaam niet op een van de in de wet omschreven gronden heeft onterfd, dan heeft deze recht op een som geld ter grootte van de waarde van zijn legitieme portie. Wanneer de erflater weduwnaar is en twee kinderen heeft, komt elk kind volgens de wet de helft van de nalatenschap toe. Wanneer een van die kinderen minderjarig is, bedraagt de legitieme portie van dat kind drie achtste. Voor een meerderjarige afstammeling bedraagt de legitieme portie een achtste.

Bijzondere gevallen

Wanneer een wettelijke erfgenaam (bewust) niet in het testament wordt genoemd zonder dat hij is onterfd, maar wel handelingen heeft verricht die volgens de wet grond kunnen zijn voor onterving, dan wordt deze omissie beschouwd als een stilzwijgende en rechtmatige onterving en heeft die afstammeling geen recht op een legitieme portie.

Wanneer een wettelijke erfgenaam niet in het testament wordt genoemd uitsluitend en alleen omdat de erflater op het moment dat hij zijn uiterste wil formuleerde niet wist van het bestaan van die afstammeling, of dat hij wel wist van het bestaan van die persoon maar niet dat het een afstammeling van hem was of dat hij in de veronderstelling verkeerde dat die afstammeling was overleden, dan heeft die wettelijke erfgenaam recht op zijn legitieme portie.

Afstand doen van het recht op een legitieme portie

Een wettelijke erfgenaam kan bij formele overeenkomst met de erflater, opgemaakt in de vorm van een notariële akte, afstand doen van zijn recht op de legitieme portie. Van een erfrecht kan bij notariële overeenkomst met de erflater ook afstand worden gedaan ten gunste van iemand anders. Een akte van afstand ten gunstig van een andere persoon is alleen geldig als die andere persoon door de erflater als erfgenaam wordt aangewezen.

Het bij notariële overeenkomst met de erflater afstand doen van een erfrecht of het recht op een legitieme portie moet worden onderscheiden van de verwerping van een nalatenschap (een nalatenschap kan worden verworpen door een erfgenaam die geen afstand heeft gedaan van zijn erfrecht). Een nalatenschap kan pas worden verworpen na het overlijden van de erflater.

Overige restricties

Een erflater kan in zijn testament voorwaarden, tijdstippen of instructies vastleggen of bepalen dat hetgeen aan een erfgenaam wordt nagelaten, bij diens overlijden overgaat op een andere erfgenaam (erfstelling over de hand). Dergelijke bepalingen mogen echter niet kennelijk bedoeld zijn om een erfgenaam of legataris te treiteren, wat kan blijken uit het feit dat de verwachter kennelijk volstrekt willekeurig is gekozen, en mag ook niet duidelijk in strijd zijn met de openbare orde.

Hoewel een erflater niet kan bepalen dat een erfgenaam of legataris moet trouwen, niet mag hertrouwen of niet mag scheiden, kan hij wel vastleggen dat een bepaald recht vervalt op het moment dat de persoon in kwestie trouwt.

Wanneer alle erfgenamen (of erfgenamen over de hand) van dezelfde generatie als de erflater zijn, dan is de volgorde waarin deze volgens de uiterste wilsbeschikking van elkaar erven, in beginsel niet aan beperkingen onderworpen. Wanneer een erfgenaam op het tijdstip van overlijden van de erflater nog niet is geboren, eindigt de door de erflater bepaalde volgorde van erfgenamen wanneer deze erfgenaam in het bezit van de erfenis treedt.

Een erfstelling over de hand eindigt niet later dan honderd jaar na het overlijden van de erflater. Wanneer een erfgenaam over de hand in de orde van erfopvolging echter aan de beurt is na het overlijden van een erfgenaam die van dezelfde generatie als de erflater is, dan eindigt de erfstelling over de hand niet eerder dan nadat eerstgenoemde erfgenaam in het bezit van de erfenis is getreden.

4 Wie erft er en hoeveel, wanneer er geen uiterste wilsbeschikking is?

Wanneer de overledene geen testament heeft nagelaten, erven zijn wettelijke erfgenamen, die in zes groepen zijn verdeeld. Wanneer iemand erfgenaam wordt, hangt af van de groep waarin hij is ingedeeld. De groepen volgen elkaar op en sluiten elkaar uit. Met het laatste wordt bedoeld dat wanneer de overledene erfgenamen in groep I heeft, de bloedverwanten in groep II niets uit de nalatenschap toekomt, enzovoorts. De personen in groep II erven dus alleen wanneer in groep I geen erfgenamen zijn. De in de wet genoemde erfdelen zijn alleen van toepassing wanneer de erfgenamen tegenover de rechter geen andere verdeling kunnen overeenkomen. Wanneer de overledene geen uiterste wilsbeschikking (testament, overeenkomst inzake erfopvolging of codicil) heeft gemaakt, of dit niet uitdrukkelijk heeft verboden, kunnen de erfgenamen de nalatenschap naar goeddunken verdelen bij wederzijdse overeenkomst tegenover de rechter.

Groepen van erfgenamen

In groep I erven de kinderen en echtgenoot voor gelijke delen. Wanneer de overledene getrouwd was in gemeenschap van goederen, regelt de rechter eerst de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waarbij een deel naar de overlevende echtgenoot gaat en een deel (doorgaans de helft) in de nalatenschap valt. Vermogen dat in de nalatenschap valt, wordt door de overlevende echtgenoot en de kinderen voor gelijke delen geërfd. In het deel van de overlevende echtgenoot zijn geen vermogensbestanddelen opgenomen die door hem of haar bij de vereffening van de huwelijksgemeenschap zijn verkregen. Het burgerlijk wetboek maakt geen onderscheid tussen wettige en buitenechtelijke kinderen, en evenmin tussen biologisch eigen en adoptiekinderen.

Wanneer een van de kinderen van de overledene niet erft (bijvoorbeeld omdat het kind gedurende het leven van de erflater afstand heeft gedaan van zijn erfrecht, het kind de nalatenschap verwerpt of het kind is vooroverleden), wordt het deel van de nalatenschap dat dit kind was toegekomen, geërfd door diens kinderen, waarbij elk kind een gelijk deel krijgt. Hetzelfde geldt voor verder verwijderde afstammelingen.

Wanneer de overledene niet getrouwd was maar wel kinderen had, gaat de nalatenschap volledig naar de kinderen (of hun afstammelingen, zie boven). In het geval dat de overledene wel getrouwd was maar geen kinderen had, gaat de nalatenschap niet volledig naar de overlevende echtgenoot maar moet de overlevende echtgenoot deze delen met de erfgenamen in groep II.

Groep II bestaat uit de echtgenoot van de overledene, de ouders van de overledene en personen waarmee de overledene voor een periode van ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaande aan diens overlijden in een gemeenschappelijk huishouden heeft samengewoond of die voor hun levensonderhoud afhankelijk waren van de overledene. Deze personen erven allemaal voor gelijke delen, met uitzondering van de echtgenoot, aan wie ten minste de helft van de nalatenschap toekomt. Dus wanneer de overledene was getrouwd en zijn beide ouders nog in leven zijn, erft de overlevende echtgenoot de helft en de ouders elk een kwart van de nalatenschap.

De overlevende echtgenoot en ieder van de ouders kan, in groep II van de erfgenamen, de volledige nalatenschap erven. Wanneer de overledene ongetrouwd met iemand samenwoonde, erft die persoon, ook als beide ouders zijn overleden, niet de volledige nalatenschap, maar erft hij samen met de andere erfgenamen in groep III.

In groep III erven de broers en zusters en de samenwonende partner voor gelijke delen. Wanneer een van de broers en zusters niet erft, gaat het wettelijk erfdeel van die broer of zuster naar zijn/haar kinderen (de neven en nichten van de overledene), opnieuw voor gelijke delen. Ieder van deze erfgenamen kan de volledige nalatenschap erven.

Wanneer de nalatenschap niet naar de broers en zusters of de samenwonende partner van de overledene gaat, gaat deze in groep IV naar de grootouders, die voor gelijke delen erven.

Wanneer geen van de grootouders van de overledene erft, gaat de nalatenschap naar groep V: de grootouders van de ouders van de overledene (de overgrootouders). De grootouders van de vader van de overledene ontvangen de ene en de grootouders van de moeder van de overledene de andere helft van de nalatenschap. De twee overgrootouderparen verdelen het hun toekomende deel in gelijke delen.

Wanneer een lid van een overgrootouderpaar niet erft, komt het vrijkomende achtste toe aan het andere lid. Wanneer een overgrootouderpaar in zijn geheel niet erft, komt het vrijkomende kwart toe aan het andere overgrootouderpaar aan dezelfde zijde. Wanneer geen van de overgrootouderparen van dezelfde zijde erft, gaat dat deel van de nalatenschap naar de overgrootouderparen van de andere zijde, waar dat deel op dezelfde wijze wordt verdeeld als het gedeelte dat hun rechtstreeks toekomt.

Tot slot, wanneer geen van de voornoemde bloedverwanten erft, gaat de nalatenschap naar groep VI, die bestaat uit de kinderen van de kinderen van de broers en zusters van de overledene (de kinderen van de neven en nichten) en de kinderen van de grootouders van de overledene (de ooms en tantes). Wanneer een van de ooms of tantes niet erft, gaat het wettelijk erfdeel van die oom of tante naar zijn/haar kinderen (de neven en nichten van de overledene).

Wanneer de overledene geen erfgenamen heeft, vervalt de nalatenschap aan de staat.

5 Welke autoriteiten zijn bevoegd:

5.1 op het gebied van erfopvolging?

5.2 om een verklaring houdende verwerping of aanvaarding van de nalatenschap te ontvangen?

5.3 om een verklaring houdende verwerping of aanvaarding van een legaat te ontvangen?

5.4 om een verklaring houdende verwerping of aanvaarding van een wettelijk erfdeel te ontvangen?

De districtsrechtbank is bevoegd voor alle erfrechtprocedures (inclusief procedures voor de verwerping of aanvaarding van een nalatenschap of legaat en procedures voor het opeisen van de legitieme portie). Volgens een vooraf vastgelegd werkschema gelast de rechtbank een notaris met het afhandelen van de erfrechtprocedure. De notaris treedt vervolgens in de procedure op namens de rechtbank en neemt daarin ook beslissingen namens de rechtbank. De partijen in een dergelijke procedure kunnen niet zelf een notaris aanwijzen.

6 Korte beschrijving van de procedure voor de behandeling van een erfopvolging uit hoofde van het nationale recht, waaronder de vereffening van de nalatenschap en de verdeling van de goederen (geef ook aan of de erfopvolgingsprocedure ambtshalve wordt ingeleid door een gerecht of een andere bevoegde autoriteit).

De Tsjechische rechter is bevoegd om kennis te nemen van een erfrechtzaak wanneer de overledene op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats in Tsjechië had of in bezit was van onroerend goed in Tsjechië.

Een erfrechtzaak betreffende in Tsjechië gesitueerd onroerend goed valt bijgevolg zelfs dan onder de bevoegdheid van de Tsjechische rechter wanneer de overleden bezitter zijn gewone verblijfplaats niet in Tsjechië had.

De Tsjechische rechter is verder bevoegd wanneer

a) een overleden Tsjechische staatsburger die zijn gewone verblijfplaats in het buitenland had, in Tsjechië bezittingen nalaat en een erfgenaam die in Tsjechië zijn gewone verblijfplaats heeft, bij de Tsjechische rechter een verzoek indient tot het instellen van een erfrechtprocedure; of

b) een buitenlandse rechter die bevoegd is in een erfrechtzaak weigert om de zaak te behandelen of niet op een daartoe strekkend verzoek reageert; of

c) er geen wederzijdse regeling met betrekking tot erfrechtkwesties bestaat tussen de staat die anders rechtsmacht zou hebben in bepaalde erfrechtzaken en Tsjechië, dat wil zeggen: wanneer die staat de nalatenschap van erflaters die hun gewone verblijfplaats in Tsjechië hebben, niet aan de Tsjechische rechter voorlegt en geen rechtskracht toekent aan door een Tsjechische rechter gegeven beslissingen.

Rechterlijke bevoegdheid

Wanneer de Tsjechische rechter bevoegd is, wordt de zaak behandeld door de districtsrechtbank in het rechtsgebied waarin de officiële woon- of verblijfplaats van de overledene, zoals ingeschreven in het relevante register, was gelegen. Wanneer de overledene geen officiële woon- of verblijfplaats had, is de rechter in het rechtsgebied waarin de feitelijke woon- of verblijfplaats van de overledene was gelegen, bevoegd. Wanneer die plaats evenmin kan worden vastgesteld, geldt de rechter in het rechtsgebied waarin de overledene het laatst woonde of het laatst werd gezien, als de bevoegde rechter.

Wanneer de overledene nooit in Tsjechië heeft gewoond, is de bevoegde rechter de rechter in het rechtsgebied waarin onroerend goed van de overledene is gelegen. Wanneer de overledene in Tsjechië geen onroerend goed had en de rechterlijke bevoegdheid ook niet via een van de bovengenoemde methoden kan worden bepaald, dan is de bevoegde rechter de rechter in het rechtsgebied waarin de plaats van overlijden is gelegen (de vindplaats van het stoffelijk overschot).

Instelling van erfrechtprocedure door de rechter

Zodra de rechter van het overlijden kennis heeft genomen, leidt hij ambtshalve de erfrechtprocedure in. In het algemeen neemt de rechter kennis van een sterfgeval door een bericht van de burgerlijke stand. Hij kan echter ook op andere manieren van een sterfgeval in kennis worden gesteld, bijvoorbeeld door de politie, een ziekenhuis of de erfgenamen.

De rechter zal de procedure ook instellen op verzoek van een erfgenaam. Indien de rechter vaststelt dat de rechter van een ander rechtsgebied bevoegd is, verwijst hij de zaak naar die rechter. De rechter kan een zaak ook om andere redenen naar een andere rechter verwijzen als hem dat geraden voorkomt, bijvoorbeeld omdat de erfgenamen in een ander rechtsgebied wonen.

Verloop van de procedure

Om te beginnen stelt de rechter in het vooronderzoek vast wat de gegevens van de overledene zijn, welke bezittingen en schulden hij heeft, wie de erfgenamen zijn en of de overledene een testament of andere uiterste wilsbeschikking heeft nagelaten. Die informatie wordt doorgaans verkregen door het raadplegen van openbare registers, zoals het register van rechtshandelingen die werking hebben bij overlijden en het huwelijksgoederenregister, en, zeker niet minder belangrijk, het ondervragen van de persoon die met de begrafenis van de overledene is belast.

Wanneer de wet dit voorschrijft of om andere dringende redenen kan de rechter voorzieningen treffen voor het veilig stellen van de nalatenschap. Daartoe kan hij met name de nalatenschap doen inventariseren en verzegelen.

Zodra het vooronderzoek is afgerond, worden de erfgenamen uitgenodigd voor een hoorzitting en door de rechter voorgelicht over hun erfrechten en over de mogelijkheid om een boedelbeschrijving te vorderen. Wanneer een van de erfgenamen daarom verzoekt, zal de rechter een boedelbeschrijving gelasten.

Wanneer de overledene in gemeenschap van goederen was getrouwd, zal de rechter op verzoek van de partijen een lijst van de huwelijksgoederen en gezamenlijke schulden doen opmaken en de waarde van de huwelijksgemeenschap bepalen. Betwiste bestanddelen worden daarbij niet meegenomen. De overlevende echtgenoot heeft vervolgens de mogelijkheid om met de erfgenamen de vereffening van de huwelijksgemeenschap in een overeenkomst te regelen. In die overeenkomst moet worden vastgelegd welke bestanddelen onder de nalatenschap vallen en welke bij de overlevende echtgenoot blijven (het beginsel dat beide echtgenoten gelijke delen krijgen, hoeft niet in acht te worden genomen). Het is ook mogelijk om overeen te komen dat de huwelijksgemeenschap in haar geheel aan de overlevende echtgenoot toekomt en geen van de bestanddelen daarvan in de nalatenschap valt.

Wanneer de overeenkomst inzake de vereffening van de huwelijksgemeenschap in strijd is met de wet of met de instructies van de overledene zoals die in de uiterste wilsbeschikking zijn vastgelegd, zal de rechter de overeenkomst afkeuren.

Wanneer de rechter de overeenkomst inzake de vereffening van de huwelijksgemeenschap afkeurt, of een dergelijke overeenkomst niet is gesloten, zal hij de huwelijksgemeenschap zelf vereffenen, op basis van de volgende regels:

a) beide echtgenoten hebben een gelijk aandeel in het te vereffenen vermogen;

b) elke echtgenoot vergoedt de middelen uit de gemeenschap waarmee uitsluitend aan hem toebehorende goederen zijn verkregen;

c) elke echtgenoot heeft recht op vergoeding van de middelen uit zijn privévermogen waarmee tot de gemeenschap behorende goederen zijn verkregen;

d) er wordt rekening gehouden met de behoeften van afhankelijke kinderen;

e) er wordt rekening gehouden met de bijdrage die elke echtgenoot aan de zorg voor de kinderen en het huishouden heeft geleverd;

f) er wordt rekening gehouden met de bijdrage die elke echtgenoot aan de verwerving en het onderhoud van de goederen van de gemeenschap heeft geleverd.

Nadat de huwelijksgemeenschap is vereffend, maakt de rechter de inventaris op van de goederen en schulden die in de nalatenschap vallen. Dat doet hij primair op basis van informatie van de erfgenamen zelf en, wanneer een boedelbeschrijving werd gelast, de boedelbeschrijving. Betwiste goederen en schulden worden buiten beschouwing gelaten.

De waarde van de goederen in de nalatenschap wordt in de regel vastgesteld op basis van de verklaringen van de erfgenamen, voor zover die niet worden betwist. Voor dergelijke waardebepalingen wordt maar zelden een deskundigenrapport gelast.

Wanneer de overledene geen wilsbeschikking heeft nagelaten, kunnen de erfgenamen zelf overeenkomen hoe de nalatenschap wordt verdeeld. De rechter bevestigt de verdeling van de nalatenschap zoals overeengekomen. Bij ontstentenis van een dergelijke overeenkomst verdeelt hij de nalatenschap overeenkomstig de wet. Op verzoek van de erfgenamen wordt de nalatenschap door de rechter zelf onder de erfgenamen verdeeld.

Wanneer de erflater in de uiterste wilsbeschikking instructies geeft voor de verdeling van de nalatenschap, wordt de nalatenschap volgens die instructies verdeeld. Als die instructies er niet zijn, kunnen de erfgenamen zelf overeenkomen hoe ze de nalatenschap onderling verdelen. Maar in beginsel moeten alle erfgenamen een gelijk deel krijgen, tenzij de erflater uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor een verdeling in ongelijke delen.

Wanneer een wettelijke erfgenaam zijn legitieme portie opeist, kunnen de overige erfgenamen de vereffening daarvan bij overeenkomst met die erfgenaam regelen. Doen ze dat niet, dan moet de rechter voor het vaststellen van de legitieme portie een boedelbeschrijving doen opmaken.

Voordat de rechter over de nalatenschap beslist, moeten de erfgenamen eerst aantonen dat eventuele legaten zijn uitgekeerd, dan wel de legatarissen van hun recht op een legaat in kennis zijn gesteld.

7 Hoe en wanneer wordt iemand erfgenaam of legataris?

Met het overlijden van de erflater ontstaat voor de erfgenamen een erfrecht. Tenzij in de uiterste wilsbeschikking is vastgelegd dat de goederen van de nalatenschap onder een bepaalde opschortende voorwaarde (bijv. afstuderen aan de universiteit) of opschortende tijdsbepaling worden verkregen, erven de erfgenamen bij het overlijden van de erflater. De rechter beslist aan het einde van de erfrechtprocedure wie erfgerechtigd is. Wanneer de erflater een opschortende voorwaarde of tijdsbepaling in zijn uiterste wilsbeschikking heeft opgenomen, erven de hoofderfgenamen bij overlijden van de erflater, terwijl de opvolgende erfgenamen erven nadat aan de gestelde voorwaarde is voldaan of de gestelde termijn is verstreken. Over de overgang van de nalatenschap van de hoofderfgenaam op de opvolgende erfgenaam wordt door de rechter in een afzonderlijke procedure beslist.

Beslissingen in erfrechtzaken worden in naam van de rechter gegeven door een daarvoor door de rechter benoemde notaris. Wanneer een notaris, notarisklerk of kandidaat-notaris in een erfrechtprocedure als gerechtelijk commissaris optreedt en als overheidsfunctionaris het recht uitoefent, heeft hij dezelfde bevoegdheden als een rechter.

Een legataris verwerft het recht op een legaat bij het overlijden van de legator/erflater en moet vóór afloop van de erfrechtprocedure van dit recht in kennis worden gesteld. Het legaat moet vóór afloop van de procedure worden uitgekeerd.

Afstand doen van erfrecht, verwerping van nalatenschap

Van een erfrecht kan vooraf afstand worden gedaan bij notariële overeenkomst met de erflater.

Na het overlijden van de erflater kan een erfgenaam de nalatenschap verwerpen door binnen een maand nadat hij van het recht van verwerping in kennis is gesteld, een daartoe strekkende verklaring voor de rechter te doen. Een in het buitenland woonachtige erfgenaam heeft vanaf het moment dat hij van het recht in kennis is gesteld, drie maanden de tijd om de nalatenschap te verwerpen. Deze termijn kan om zwaarwegende redenen worden verlengd, mits een daartoe strekkend verzoek wordt gedaan voordat de termijn is verstreken. Na het verstrijken van de termijn wordt de erfgenaam geacht de nalatenschap te hebben aanvaard.

Een wettelijke erfgenaam die een nalatenschap verwerpt, behoudt het recht op de legitieme portie. Hij kan bijvoorbeeld een hem krachtens een uiterste wilsbeschikking toekomende nalatenschap verwerpen zonder afstand te doen van zijn recht op de legitieme portie. Dit is in bepaalde opzichten een uitzondering op de algemene regel dat een erfgenaam zich niet aan een in een uiterste wilsbeschikking opgelegde verplichting kan onttrekken door de nalatenschap uit die wilsbeschikking te verwerpen als hij tegelijkertijd zijn rechten als wettelijke erfgenaam opeist – hij kan erfgenaam krachtens uiterste wilsbeschikking worden of de nalatenschap verwerpen. Een verklaring van verwerping of aanvaarding kan niet worden ingetrokken.

Een nalatenschap kan niet worden verworpen door een persoon die er door zijn handelen blijk van heeft gegeven niet voornemens te zijn om de nalatenschap te verwerpen, in het bijzonder door goederen die onder de nalatenschap vallen, te verkopen.

Van een nalatenschap kan afstand worden gedaan ten gunste van een andere erfgenaam. Een wettelijke erfgenaam die afstand doet van zijn erfdeel, doet ook afstand van zijn recht op een legitieme portie. Die beslissing werkt door voor de afstammelingen van die erfgenaam. Een verklaring van afstand ten gunste van een andere erfgenaam heeft pas rechtsgevolg als die andere erfgenaam hiermee instemt. Ook een erfgenaam die de nalatenschap verwerpt, is gehouden tot het nakomen van instructies met betrekking tot legaten of andere handelingen die volgens het testament door die erfgenaam in persoon moeten worden uitgevoerd.

8 Zijn de erfgenamen aansprakelijk voor de schulden van de erflater en, zo ja, onder welke voorwaarden?

Erfgenamen kunnen er zelf voor kiezen of ze gebruik willen maken van hun recht op een boedelbeschrijving. Erfgenamen die daar geen gebruik van maken, zijn volledig aansprakelijk voor de schulden van de overledene. Wanneer meerdere erfgenamen geen gebruik maken van het recht op een boedelbeschrijving, zijn ze hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk. Een erfgenaam die geen boedelbeschrijving vordert, is aansprakelijk voor alle schulden, ook als de rechter om andere redenen een lijst van goederen en schulden heeft doen opmaken (bijvoorbeeld omdat een andere erfgenaam wel een boedelbeschrijving heeft gevorderd).

Wanneer een erfgenaam een boedelbeschrijving vordert, zal de rechter een inventaris van de nalatenschap doen opmaken. Een erfgenaam die een boedelbeschrijving vordert, is voor de schulden van de overledene slechts aansprakelijk voor zover ze uit de baten van de verkregen nalatenschap kunnen worden betaald. Wanneer meerdere erfgenamen gebruik maken van dit recht, zijn ze hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk, maar voor ieder van hen geldt dat die aansprakelijkheid beperkt is tot de waarde van de verkregen nalatenschap.

De rechter kan ook ambtshalve een boedelbeschrijving doen opmaken. Dat zal hij met name doen voor de bescherming van minderjarige erfgenamen, erfgenamen met onbekende woonplaats en de schuldeisers van de erflater.

In bepaalde gevallen kan de rechter de boedelbeschrijving vervangen door een lijst van goederen in de nalatenschap die door de beheerder van de nalatenschap is opgemaakt of door een gezamenlijke verklaring van de erfgenamen over de goederen in de nalatenschap, die door elk van hen moet zijn ondertekend.

9 Welke documenten en/of informatie zijn normaliter vereist voor de registratie van onroerende goederen?

Het inschrijven van rechten in het onroerendgoedregister is geregeld in wet nr. 256/2013 betreffende het register van onroerende goederen (kadasterwet).

In het onroerendgoedregister wordt het volgende ingeschreven:

  • land, dat wordt geregistreerd als perceel;
  • gebouwen met een huis- of kadastraal nummer, tenzij het gebouw tot een perceel behoort of valt onder een bouwrecht;
  • hoofdgebouwen zonder huis- of kadastraal nummer, tenzij het gebouw tot een perceel behoort of valt onder een bouwrecht, mits deze gebouwen de hoofdstructuur op het land uitmaken en niet zijn geclassificeerd als ‘kleine structuren’;
  • eenheden zoals omschreven in het burgerlijk wetboek;
  • eenheden zoals omschreven in wet nr. 72/1994 betreffende bepaalde mede-eigendomsrelaties in verband met gebouwen en bepaalde mede-eigendomsrelaties in verband met flats en bedrijfspanden en tot wijziging van bepaalde wetten (wet op huiseigendom), zoals gewijzigd;
  • een bouwrecht;
  • waterwerken.

Zakelijke rechten die uit een erfenis zijn verkregen worden in het onroerendgoedregister ingeschreven krachtens een beslissing of authentieke akte van nalatenschap die in een lidstaat is afgegeven, een verklaring die is afgegeven door een rechter of andere bevoegde instantie in de lidstaat van herkomst of een Europese erfrechtverklaring (‘akten’).

Het bevoegde kadaster voor het inschrijven van het onroerend goed is het kadaster in het district waarbinnen het onroerend goed is gesitueerd.

Om het onroerend goed te kunnen inschrijven, moet het in genoemde akten (rechterlijke beslissing, authentieke akte en/of Europese erfrechtverklaring) zijn omschreven overeenkomstig artikel 8 van de kadasterwet:

  • Land wordt geïdentificeerd door een perceelnummer en de naam van het kadastergebied waarbinnen het is gesitueerd. Verder wordt vermeld of het bouwgrond is.
  • Land waarvoor een vereenvoudigde registratieprocedure geldt, wordt geïdentificeerd door het perceelnummer waaronder dat land in het vroegere onroerendgoedregister stond geregistreerd – waarbij vermeld wordt of dit het perceelnummer volgens het vroegere onroerendgoedregister, het bestemmingsplan, het eenmakingsplan of het nieuwe onroerendgoedregister is – en de naam van het kadastergebied waarbinnen het land is gesitueerd.
  • Een gebouw dat niet is geclassificeerd als een gebouw behorende tot een perceel en evenmin onder een bouwrecht valt, wordt geïdentificeerd door het nummer van het perceel waarop het is gebouwd, het huis- of kadastraal nummer (wanneer het gebouw geen huis- of kadastraal nummer heeft, wordt de bestemming van het gebouw vermeld) en de naam van de gemeente waarbinnen het is gesitueerd.
  • Een wooneenheid wordt geïdentificeerd door de kadastrale aanduiding van het gebouw waarin de wooneenheid is gelegen of, als het gebouw waarin de wooneenheid is gelegen toebehoort aan een perceel, de aanduiding van dat perceel of het bouwrecht dat op dat perceel is gevestigd, alsook het nummer en de naam van de wooneenheid en, voor zover van toepassing, de vermelding dat de wooneenheid nog in aanbouw is.
  • Een bouwrecht wordt geïdentificeerd door een perceelnummer en de naam van het kadastergebied waarbinnen het is gevestigd. Verder wordt vermeld of het recht is gevestigd op bouwgrond.
  • Een waterwerk wordt geïdentificeerd door een perceelnummer, de naam van het kadastergebied en de bestemming ervan. Verder wordt vermeld of het bouwgrond is.

Akten die worden ingediend voor het inschrijven van rechten in het onroerendgoedregister moeten voldoen aan de eisen die worden gesteld aan akten die zijn bestemd voor doeleinden in verband met onroerendgoedregistratie. De inhoud van deze akten moet de verzochte inschrijving rechtvaardigen en de verzochte inschrijving moet aansluiten bij eerdere aantekeningen in het register.

In bedoelde akten moeten de erfgenamen en andere begunstigen worden geïdentificeerd door hun naam, woonadres, identiteitsnummer en geboortedatum (of, wanneer de erfgenaam/begunstigde een rechtspersoon is, zijn naam, plaats van statutaire vestiging en, voor zover beschikbaar, registratienummer). In de akten moet worden vermeld hoe de nalatenschap onder de verschillende erfgenamen wordt verdeeld en wat de daaruit voortvloeiende rechten op het onroerend goed zijn en, voor zover van toepassing, de zakelijke rechten die uit de nalatenschap worden verkregen, en de overeenkomstige begunstigde en aansprakelijke partijen. In erfrechtprocedures kan naast een eigendomsrecht ook een bouwrecht, servituut, hypotheekrecht, toekomstig hypotheekrecht, ondergeschikt hypotheekrecht, voorkeursrecht, toekomstige lijfrente, bijkomende mede-eigendom en verbod op overdracht of bezwaring worden gevestigd en een trustfonds worden opgericht.

Wanneer het recht waarvan in het onroerendgoedregister aantekening moet worden gemaakt op basis van een akte, slechts betrekking heeft op een gedeelte van een perceel, dan moet de akte vergezeld gaan van een schets waarop de grenzen van het betreffende gedeelte van het perceel worden aangegeven. Deze schets wordt als een onderdeel van de akte beschouwd.

9.1 Is de benoeming van een beheerder verplicht of op verzoek verplicht? Indien dat verplicht is of verplicht is op verzoek, welke maatregelen moeten er dan worden genomen?

Een erflater kan in zijn uiterste wilsbeschikking een beheerder en/of executeur aanwijzen.

De rechter kan op verzoek van een erfgenaam die geen tijd of moeite wil steken in het uitvoeren van de uiterste wil, een beheerder voor die taak benoemen. Het verzoekschrift moet de gebruikelijke gegevens bevatten: de naam van de rechtbank waaraan het verzoek is gericht, de gegevens van de verzoeker, de kwestie die het verzoek betreft en het doel van het verzoek, en moet zijn ondertekend en gedateerd.

De rechter kan ook ambtshalve een beheerder benoemen wanneer

a) de erflater geen executeur heeft aangewezen, de door de erflater aangewezen executeur weigert om de nalatenschap te beheren of de door de erflater aangewezen executeur daar kennelijk ongeschikt voor is en de erfgenamen zelf niet in staat zijn om de nalatenschap behoorlijk te beheren;

b) een boedelbeschrijving moet worden opgemaakt;

c) daar andere zwaarwegende redenen voor zijn; of

d) de vorige beheerder is overleden, is ontslagen of zelf ontslag heeft genomen, of zijn handelingsbevoegdheid is beperkt, en de noodzaak van het hebben van een beheerder nog steeds bestaat.

9.2 Wie is er gerechtigd de uiterste wilsbeschikking van de erflater uit te voeren en/of de nalatenschap te beheren?

Een door de erflater aangewezen executeur is verantwoordelijk voor het uitvoeren van diens uiterste wil. Wanneer geen beheerder is benoemd, is de executeur tevens verantwoordelijk voor het beheer van de nalatenschap.

Wanneer zowel een executeur als een beheerder is aangewezen, beheert de beheerder de nalatenschap volgens de instructies van de executeur.

Wanneer wel een beheerder maar geen executeur is aangewezen, beheert de beheerder de nalatenschap. Op verzoek van een erfgenaam kan de rechter de beheerder ook gelasten om toe te zien op de uitvoering van de uiterste wil van de erflater.

Wanneer noch een beheerder noch een executeur is aangewezen, zijn de erfgenamen gezamenlijk verantwoordelijk voor het beheer van de nalatenschap. De erfgenamen kunnen echter overeenkomen dat de nalatenschap door slechts een van hen wordt beheerd.

9.3 Over welke bevoegdheden beschikt een beheerder?

De beheerder is uitsluitend verantwoordelijk voor het beheer van de nalatenschap. Dit houdt in dat hij uitsluitend handelingen verricht voor het behoud en onderhoud van de daarin vallende goederen. Daarbij kan hij alle rechten uitoefenen die verband houden met die goederen. De beheerder kan bestanddelen van de nalatenschap aan anderen overdragen of als onderpand gebruiken als dat nodig is voor het behoud van de waarde of aard van de goederen onder zijn beheer, of tegen betaling. Onder dezelfde voorwaarden kan hij goederen onder zijn beheer ook een andere bestemming geven.

Met toestemming van de erfgenamen kan de beheerder of executeur elke handeling verrichten die verder gaat dan het gewone beheer van de nalatenschap. Wanneer de erfgenamen hierover geen overeenstemming kunnen bereiken of een van de erfgenamen speciale bescherming geniet, is hiervoor toestemming van de rechter nodig.

De executeur is verantwoordelijk voor het uitvoeren van de uiterste wil van de erflater. Dat dient hij naar behoren en zorgvuldig te doen. De executeur is gerechtigd tot het uitoefenen van alle rechten die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van die taak, waaronder het recht om de geldigheid van het testament te verdedigen of een erfgenaam of legataris handelingsonbekwaam te doen verklaren, en erop toe te zien dat alle instructies van de erflater worden nagekomen. De erflater kan in het testament aanvullende taken voor de executeur opnemen.

10 Welke documenten worden krachtens het nationale recht gewoonlijk gebruikt tijdens of aan het einde van een erfopvolgingsprocedure ter staving van de rechtspositie en de rechten van de rechthebbenden? Hebben zij een specifieke bewijskracht?

Erfrechtprocedures eindigen met een beschikking inzake de rechten en verplichtingen in verband met de nalatenschap. Tegen deze beschikking kan binnen vijftien dagen na de betekening ervan beroep worden ingesteld. Als binnen deze termijn geen beroep wordt ingesteld, gaat de beschikking in kracht van gewijsde. De beschikking dient vervolgens als bewijs van de daarin vervatte rechten en verplichtingen. Ze heeft de status van authentieke akte.

Voordat de procedure definitief wordt afgesloten, kan de rechter een verklaring afgeven waarin hij de feiten uit het zaakdossier bevestigt. Deze verklaring is eveneens een authentieke akte.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 05/10/2015