Vermogen veiligstellen bij een vordering in EU-landen

Tsjechië
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
Europees justitieel netwerk (in burgerlijke en handelszaken)

1 De verschillende soorten maatregelen

Voorlopige maatregelen:

Voorlopige maatregelen worden gebruikt om de situatie van de partijen vooraf te regelen, namelijk voorlopig, of indien de vrees bestaat dat de uitvoering van een gerechtelijke beslissing gevaar loopt.

In het algemeen zijn op de voorlopige maatregelen die worden bevolen vóór aanvang van de bodemprocedure artikel 74 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (wet nr. 99/1963 Rec.) van toepassing en geldt voor de voorlopige maatregelen die worden bevolen na aanvang van de bodemprocedure artikel 102 van wet nr. 99/1963 Rec. Op bijzondere voorlopige maatregelen voor bepaalde specifieke situaties is de wet voor bijzondere gerechtelijke procedures (wet nr. 292/2013 Rec.) van toepassing. Dit betreft de voorlopige maatregel ten aanzien van de situatie van een minderjarig kind dat niet beschikt over geschikte zorg (artikel 452 en volgende) en de voorlopige maatregel op het gebied van bescherming tegen huiselijk geweld (artikel 400 en volgende). Ook in artikel 12 van wet nr. 292/2013 Rec. staan bepaalde bijzondere regels die de algemene bepalingen van de voorlopige maatregelen aanvullen voor de soorten procedures die onder het toepassingsgebied van die wet vallen.

Het veiligstellen van bewijsstukken:

Bewijsstukken worden veiliggesteld als er wordt gevreesd dat het bewijs later niet kan worden verkregen of alleen met veel moeite kan worden verkregen (bijvoorbeeld een ondeugdelijke uitvoering van een verkoopovereenkomst wanneer de overeenkomst bederfelijke goederen als voorwerp heeft of het horen van een getuige die ernstig ziek is en wiens leven in gevaar is).

2 De voorwaarden om maatregelen te kunnen treffen

2.1 De procedure

Voorlopige maatregelen:

  • Overeenkomstig artikel 74, lid 3, van het wetboek burgerlijke rechtsvordering (wet nr. 99/1963, zoals gewijzigd) wordt de procedure voor de toekenning van een voorlopige maatregel ingesteld middels een verzoekschrift.
  • Op grond van artikel 12 van wet nr. 292/2013  kan een voorlopige maatregel echter zonder verzoekschrift worden bevolen als de bodemprocedure ook kan worden ingesteld zonder verzoekschrift (bijvoorbeeld een procedure op het gebied van gezagsrechten over kinderen, een procedure op het gebied van wettelijke bevoegdheid, een procedure op het gebied van voogdij of een procedure op het gebied van verdwijning of overlijden). In die gevallen beveelt de rechter zelf ambtshalve de voorlopige maatregel.
  • De rechter die bevoegd is om een voorlopige maatregel te bevelen, is de rechter die bevoegd is in de bodemprocedure. De artikelen 400 en 453 van wet nr. 292/2013  bevatten uitzonderingen op deze regel.

Het veiligstellen van bewijsstukken kan worden gedaan:

  • vóór aanvang van de bodemprocedure op voorwaarde dat er een verzoek wordt ingediend bij de rechter. De bevoegde rechter is de rechter die bevoegd is in de bodemprocedure of in wiens rechtsgebied zich een bewijsmiddel bevindt dat gevaar loopt.
  • Bewijsstukken kunnen tevens tijdens de procedure veilig worden gesteld, ook zonder verzoek.

Indien het mogelijk is om te wachten zonder dat dit een risico inhoudt, hebben de partijen bij de bodemprocedure het recht om aanwezig te zijn bij het veiligstellen van bewijsstukken.

Het bewijs kan ook worden veiliggesteld door middel van een notariële akte of een akte van een deurwaarder indien het desbetreffende feit zich heeft voorgedaan in aanwezigheid van een notaris of een gerechtsdeurwaarder of indien de notaris of deurwaarder de situatie heeft bevestigd.

2.2 De basisvereisten

Er kan een voorlopige maatregel worden bevolen

  • als de situatie van de partijen voorlopig moet worden geregeld
  • als er wordt gevreesd dat de uitvoering van een gerechtelijke beslissing in gevaar kan komen
  • om een situatie voorlopig te regelen

Om te kunnen beoordelen of het nodig is om de situatie van de partijen voorlopig te regelen, moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van de desbetreffende zaak. Een voorlopige maatregel wordt alleen bevolen als de noodzaak om de juridische situatie van de partijen te regelen, voldoende is bewezen. Wat betreft de andere omstandigheden die een rol spelen bij de beslissing om al dan niet een voorlopige maatregel te bevelen, volstaat het dat de bepalende feiten voor het opleggen van een verplichting door middel van een voorlopige maatregel worden bevestigd.

  • Gevaar voor de uitvoering van een beslissing

Voor toekenning van een voorlopige maatregel uit vrees dat de uitvoering van een gerechtelijke beslissing in gevaar komt, moet de schuldeiser zich kunnen beroepen op een beslissing, of een akte, die een titel is voor de uitvoering van die beslissing. Er kan alleen een voorlopige maatregel worden bevolen als de beslissing nog niet executoir is geworden of als er ernstige redenen zijn waarom de schuldeiser, op de desbetreffende datum, (voorlopig) niet heeft kunnen eisen dat de opgelegde verplichting wordt uitgevoerd door middel van gerechtelijke executie. Tegelijkertijd moeten de feiten worden bewezen die de vrees rechtvaardigen dat de uitvoering van de beslissing in gevaar komt (vooral door het gedrag van de schuldenaar).

Het verzoek om voorlopige maatregelen moet de onderdelen bevatten die vereist worden door artikel 42, lid 4 en artikel 75 van het wetboek burgerlijke rechtsvordering (wet nr. 99/1963), onder meer:

  • de vermelding van de rechtbank waar het verzoek aan wordt gericht
  • wie het verzoek indient en op welke zaak dit betrekking heeft, namelijk de beschrijving van de feiten die de te verzoeken voorlopige maatregel rechtvaardigen
  • wat het doel is van het verzoek, namelijk welke voorlopige maatregel de verzoeker eist
  • het ingediende verzoek moet de datum van opstellen en de handtekening van de verzoeker of zijn vertegenwoordiger bevatten
  • de beschrijving van de feiten waarbij wordt vermeld of de situatie van de partijen voorlopig moet worden geregeld of dat de vrees bestaat dat de uitvoering van een gerechtelijke beslissing gevaar loopt.

Bij het verzoek moeten de stukken worden gevoegd waar de verzoeker zich op beroept.

De verzoeker moet, zonder herinneringsbrief van de rechtbank, op eigen initiatief, uiterlijk op de datum van indiening van zijn verzoek, een financiële zekerheid verstrekken voor een bedrag van 10.000 CZK, of voor een bedrag van 50.000 CZK bij zaken met betrekking tot de relatie tussen ondernemers die voortvloeit uit ondernemersactiviteiten. Voor verzoeken om maatschappelijke redenen (bijvoorbeeld op het gebied van alimentatie, op het gebied van arbeid, schadevergoeding in verband met gezondheid) geldt geen plicht van verstrekking van een zekerheid. Het niet voldoen aan de verplichting van verstrekking van een zekerheid, is een reden om het verzoek te verwerpen.

De vastgestelde zekerheid is bedoeld om het recht op de vergoeding van schade of andere nadelen te behouden die kunnen optreden na een voorlopige maatregel die wordt opgelegd aan de andere partij van de procedure of een derde partij (die geen deel uitmaakt van de procedure met betrekking tot de voorlopige maatregel).

Artikel 12, lid 3 van wet nr. 292/2013 noemt een uitzondering op de verstrekking van een zekerheid krachtens deze wet.

Het veiligstellen van bewijsstukken:

Vóór aanvang van de bodemprocedure kan een bewijsstuk veilig worden gesteld als er vrees bestaat dat het bewijs later niet kan worden verkregen of alleen met veel moeite. Het bewijsstuk wordt niet veiliggesteld als zeker is dat dit geen belang heeft in de bodemprocedure. De rechter weigert om de verzochte veiligstelling uit te voeren als hij vermoedt dat de verzoeker, met zijn verzoek, doelen nastreeft die anders zijn dan die van het veiligstellen van bewijs (bijvoorbeeld informatie krijgen over de activiteiten van een andere persoon waar hij anders geen toegang toe heeft enz.).

Het verzoek ten aanzien van het veiligstellen van bewijs moet, naast de algemeen vereiste onderdelen, een beschrijving bevatten van de feiten die het doel zijn van het verkrijgen van bewijs. Daarnaast moet exact worden aangeduid welk bewijsmiddel veilig moet worden gesteld.

3 Het doel en de aard van dergelijke maatregelen

3.1 Welke goederen kunnen het voorwerp uitmaken van dergelijke maatregelen?

Voorlopige maatregelen:

In overeenstemming met artikel 76 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mag de rechter, door een voorlopige maatregel, een partij opdracht geven om zijn alimentatie te betalen, om gerechtelijk beslag te leggen op een geldbedrag of een voorwerp, om niet te beschikken over bepaalde voorwerpen of bepaalde rechten, om iets te doen, om iets te laten of om iets te aanvaarden. De maatregel kan betrekking hebben op ongeacht welke zaak die aan de desbetreffende eigenaar toebehoort.

Met een voorlopige maatregel kan de rechter aan een andere persoon dan de partijen een plicht opleggen als dit terecht kan worden geëist (bijvoorbeeld als iemand een onroerend goed koopt en heel goed weet dat hij van een eigenaar koopt die niet naar behoren zijn betalingsplichten tegenover zijn schuldeisers voldoet).

Bijzondere voorlopige maatregelen in overeenstemming met wet nr. 292/2013:

De bijzondere voorlopige maatregel ten aanzien van de situatie van een kind krachtens artikel 452 en volgende wordt toegepast als een minderjarig kind niet de juiste zorg krijgt, ongeacht het feit of er al dan niet iemand is die het recht heeft om voor het kind te zorgen, of als het leven van het kind, zijn normale ontwikkeling of een ander essentieel belang ernstig in gevaar worden gebracht of worden verstoord. Met de voorlopige maatregel regelt de rechter de situatie van het kind gedurende de tijd die strikt noodzakelijk is door te bevelen dat het kind in een geschikte omgeving wordt geplaatst die in zijn beslissing wordt vermeld.

Op grond van artikel 400 en volgende kan de verweerder opdracht krijgen om de gemeenschappelijke woning en zijn onmiddellijke omgeving te verlaten, niet meer in het gemeenschappelijke huishouden te blijven en zelfs om daar niet meer binnen te gaan; om zich ervan te onthouden om de verzoeker te zien of zich ervan te onthouden om de verzoeker op enigerlei wijze te volgen en lastig te vallen. Het verzoek moet de beschrijving van de feiten omvatten die aantonen dat het samenwonen van de verzoeker en de verweerder in een huis of appartement waar ze een huishouden voeren, onverdraaglijk wordt voor de verzoeker vanwege fysiek of psychisch geweld ten opzichte van de verzoeker of een andere persoon die daar leeft of de beschrijving van de feiten die getuigen van ongewenst volgen of lastig vallen van de verzoeker.

Het veiligstellen van bewijsstukken:

Het verzoek moet tevens de rechtvaardiging bevatten waarmee de verzoeker uitlegt waarom hij verzoekt om het veiligstellen van een bewijsstuk. Alle middelen waarmee een situatie kan worden geconstateerd, kunnen als bewijs worden ingediend, vooral het horen van getuigen, een expertiserapport, rapporten en verklaringen van autoriteiten en rechtspersonen enz.

Een bijzondere manier om bewijsstukken veilig te stellen, is het veiligstellen van een bewijsmiddel in een zaak ten aanzien van intellectuele-eigendomsrechten (artikel 78b van wet nr. 99/1963). Degene die inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten heeft bewezen, mag optreden in de procedure. De bevoegde rechtsmacht is de regionale rechtbank in het rechtsgebied waar zich een veilig te stellen voorwerp bevindt. Het is mogelijk om de betrokken goederen, materialen en gereedschappen veilig te stellen, evenals stukken met betrekking tot de desbetreffende goederen.

3.2 Wat zijn de gevolgen van dergelijke maatregelen?

Voorlopige maatregelen:

De voorlopige maatregel is een beslissing van tijdelijke aard dat tot doel heeft om zijn verzoeker te beschermen. Het gaat om de bescherming van een recht waar inbreuk op is gemaakt of dat gevaar loopt. Door de voorlopige maatregel verkrijgt de verzoeker niet de rechten waar de rechtbanken in de toekomst uitspraak over doen. Het gaat ook niet om de regeling van een prejudiciële vraag. Ook mag het bestaan van een bevolen voorlopige maatregel geen invloed hebben op de gerechtelijke uitspraak in de bodemprocedure. De schuldenaar kan ook na toekenning van een voorlopige maatregel over zijn goederen blijven beschikken, maar moet zich wel gedragen in overeenstemming met de opgelegde maatregel.

De rechtbank kan een disciplinaire boete tot 50.000 CZK opleggen aan wie de gerechtelijke procedure overmatig belemmert door zonder geldige reden niet te verschijnen voor de rechtbank of door niet te gehoorzamen aan een bevel van de rechtbank. Indien de schuldenaar niet vrijwillig voldoet aan de plicht krachtens de beslissing tot een voorlopige maatregel, kan de rechtbank die beslissing laten uitvoeren. De opgelegde sancties in het geval van belemmering van de uitvoering van een officiële beslissing en uitzetting zijn ook opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (het betreft artikel 337, lid 2, van wet nr. 40/2009), net als het strafbare feit van belemmering van de uitvoering van een officiële beslissing en uitzetting.

3.3 Is de geldigheid van de maatregelen beperkt in de tijd?

Voorlopige maatregelen:

  • Voorlopige maatregelen met een bepaalde duur

De rechter kan in de beslissing met betrekking tot de voorlopige maatregel vastleggen dat deze alleen van toepassing is voor een bepaalde duur, ook als de verzoeker (de eisende partij) dit niet eist.

  • Opgelegde plicht om een verzoekschrift of een ander verzoek tot instelling van een procedure in te dienen

Indien de rechter een voorlopige maatregel oplegt, legt hij de verzoeker (de eisende partij) ook op dat hij een verzoek voor het instellen van een bodemprocedure (een verzoekschrift) indient bij de rechtbank binnen een termijn die eveneens door de rechter wordt bepaald.

De voorlopige maatregel blijft van kracht totdat deze vervalt of totdat de rechter deze nietig verklaart.

De voorlopige maatregel houdt op te bestaan als de verzoeker geen verzoek indient voor de instelling van een bodemprocedure binnen de door de rechter bepaalde termijn, als de rechtbank het verzoek in de bodemprocedure niet heeft ingewilligd, als de rechtbank het verzoek in de bodemprocedure inwilligt en als er vijftien dagen zijn verstreken na de datum van de uitvoerbaarheid van het besluit ten principale, of als de termijn die is vastgesteld voor de duur van de voorlopige maatregel is verstreken.

De rechter verklaart een voorlopige maatregel nietig als de redenen waarom deze was opgelegd, zijn verdwenen.

Een voorlopige maatregel krachtens artikel 400 en volgende van wet nr. 292/2013 duurt een maand vanaf het moment waarop deze uitvoerbaar wordt (artikel 408) en zijn duur kan worden verlengd afhankelijk van wanneer de bodemprocedure wordt ingesteld.

Een voorlopige maatregel krachtens artikel 452 en volgende van wet nr. 292/2013 duurt een maand vanaf het moment waarop deze uitvoerbaar wordt (artikel 459) en zijn duur kan worden verlengd.

Het veiligstellen van bewijsstukken:

Bewijsstukken worden veiliggesteld gedurende de termijn die de rechter vaststelt of gedurende de kortst mogelijk termijn. De partijen in de procedure mogen aanwezig zijn bij het veiligstellen van bewijs, maar ze mogen er niet bij zijn indien wachten een gevaar inhoudt. Na aanvang van de bodemprocedure hebben de partijen het recht om hun mening te geven over alle voorstellen van bewijsstukken en over alle verkregen bewijsstukken. De partijen kunnen tevens worden gehoord.

4 Rechtsmiddelen tegen de maatregelen

Voorlopige maatregelen:

Voorlopige maatregelen worden opgelegd middels een beslissing. De beslissing die de voorlopige maatregel oplegt, wordt uitvoerbaar bij de uitspraak ervan. Indien deze niet wordt uitgesproken, wordt zij van kracht zodra zij is betekend aan degene aan wie zij een plicht oplegt. Een schriftelijk exemplaar van de voorlopige maatregel wordt betekend aan de partijen en aan de derden (indien hun een plicht is opgelegd) en als het gaat om een plicht om niet te beschikken over een onroerend goed, wordt er een exemplaar betekend aan het bevoegde kadaster. De beslissing ten aanzien van een voorlopige maatregel wordt uitvoerbaar door het uitspreken ervan, in voorkomende gevallen door de betekening ervan (artikel 76d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) en vormt de executoire titel voor de uitvoering van de beslissing.

Bezwaren tegen een beslissing inzake de voorlopige maatregel zijn ontvankelijk. Het bezwaar wordt aangetekend voor de rechtbank die de betwiste beslissing heeft gegeven, maar de rechtbanken van tweede aanleg (de regionale rechtbanken of de hogere rechtbanken) doen uitspraak over de beslissing. Het bezwaar moet worden aangetekend binnen vijftien dagen na betekening van een schriftelijk exemplaar van de beslissing.

Een bezwaar dat binnen de termijn wordt ingediend door een bevoegde persoon en dat ontvankelijk is, heeft tot gevolg dat de beslissing geen bindende kracht heeft zolang de definitieve beslissing van de rechtbank van beroep niet is gegeven. De beslissing ten aanzien van de voorlopige maatregel wordt echter uitvoerbaar (er wordt dienovereenkomstig gehandeld) na een uiterste termijn voor uitvoering daarvan, waarbij deze termijn ingaat op het moment van de betekening ervan en in voorkomende gevallen wordt de beslissing uitvoerbaar door betekening ervan als deze geen uitvoeringsplicht bevat. De rechtbank kan beslissen dat de beslissing ten aanzien van de voorlopige maatregel alleen uitvoerbaar wordt nadat de beslissing bindende kracht heeft gekregen, op voorwaarde dat de aard van de voorlopige maatregel zo'n beslissing niet in de weg staat of dat het doel ervan op die manier niet nietig wordt verklaard.

Artikel 409, en in voorkomende gevallen artikel 463, van wet nr. 292/20013 bevat de bepalingen over bezwaren in het geval van bijzondere voorlopige maatregelen die worden bevolen in overeenstemming met die wet.

Laatste update: 09/11/2020

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.