Sluiten

BÈTAVERSIE VAN HET PORTAAL NU BESCHIKBAAR!

Bezoek de bètaversie van het Europees e-justitieportaal en vertel ons wat u ervan vindt!

 
 

Kruimelpad

menu starting dummy link

Page navigation

menu ending dummy link

Procedures voor betalingsbevelen - Litouwen

1 Bestaan van een betalingsbevelprocedure

Verzoeken om een Europees betalingsbevel worden behandeld overeenkomstig de regels van hoofdstuk XXIII van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering van de Republiek Litouwen (Lietuvos Respubklikos civilinio proceso kodeksas), behoudens de daarin vastgestelde uitzonderingen.

1.1 Toepassingsgebied van de procedure

1.1.1 Welke zaken komen in aanmerking voor deze procedure (bijvoorbeeld alleen geldelijke vorderingen, alleen contractuele vorderingen, etc.)?

De procedure die is vastgesteld in hoofdstuk XXIII van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering is van toepassing op zaken waarin het verzoek van de schuldeiser betrekking heeft op geldvorderingen (die voortkomen uit een overeenkomst, een onrechtmatige daad, arbeidsverhoudingen, de toekenning van alimentatie enz.).

1.1.2 Bestaat er een maximumbedrag voor de waarde van de vordering?

Nee.

1.1.3 Is het gebruik van deze procedure facultatief of verplicht?

Zaken die worden behandeld op grond van hoofdstuk XXIII van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, kunnen naar keuze van de schuldeiser ook worden behandeld in een contentieuze of schriftelijke procedure.

1.1.4 Kan de procedure gebruikt worden als de schuldenaar in een andere lidstaat of buiten de EU woont?

Overeenkomstig hoofdstuk XXIII van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering worden verzoeken niet in behandeling genomen als de schuldenaar zijn woonplaats of hoofdvestiging in het buitenland heeft.

Als een zaak is aangespannen op grond van een vordering van een schuldeiser en na uitvaardiging van een rechterlijk bevel blijkt dat de woon- of werkplaats van de schuldenaar onbekend is, herroept het gerecht het bevel en blijft het verzoek van de schuldeiser onbeantwoord. Tegen een dergelijke rechterlijke uitspraak kan geen afzonderlijk beroep worden ingesteld. In een dergelijk geval kan de rechtbank het rechterlijk bevel echter slechts herroepen en het verzoek van de schuldeiser onbeantwoord laten indien zij vooraf een termijn had vastgesteld waarbinnen de schuldeiser de woon- of werkplaats van de schuldenaar moest meedelen of maatregelen moest nemen om de rechtbank in staat te stellen processtukken op een andere wijze te betekenen.

1.2 Bevoegde rechtbank

Verzoeken om een rechterlijk bevel worden behandeld door de districtsrechtbank van de woonplaats van de schuldenaar.

1.3 Vormvoorwaarden

Naast de algemene vereisten inzake de inhoud en vorm van processtukken moet in een verzoek om een rechterlijk bevel het volgende worden vermeld:

  1. de voornaam, de naam, de persoonlijke identificatiecode en het adres van de schuldeiser of, indien de schuldeiser een rechtspersoon is, de volledige naam, de hoofdvestiging, de identificatiecode en het rekeningnummer van de schuldeiser, de gegevens van de betrokken kredietinstelling en, indien het verzoek door een vertegenwoordiger wordt ingediend, de naam en het adres van de vertegenwoordiger van de schuldeiser;
  2. de naam, de naam, het persoonlijke identificatienummer (indien bekend), het adres en de werkplaats (indien bekend) van de schuldenaar en, indien de schuldenaar een rechtspersoon is, de volledige naam, de hoofdvestiging, de identificatiecode en het rekeningnummer (indien bekend) van de schuldenaar alsmede de gegevens van de betrokken kredietinstelling (indien bekend);
  3. het bedrag van de vordering;
  4. als een vordering betrekking heeft op de toekenning van rente of een vergoeding wegens te late betaling, het percentage, het bedrag en de berekeningsperiode van de rente of de vergoeding wegens te late betaling;
  5. de vordering, de feiten die eraan ten grondslag liggen en het bewijsmateriaal;
  6. een met redenen omkleed verzoek om voorlopige maatregelen tegen de schuldenaar indien er daar redenen voor zijn en er informatie beschikbaar is over het vermogen van de schuldenaar;
  7. de bevestiging van het ontbreken van de in artikel 431, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bedoelde gronden (op het ogenblik van de uitvaardiging van het rechterlijk bevel is de schuldeiser de verplichting waarvoor betaling wordt gevorderd (gedeeltelijk) niet nagekomen en de schuldenaar eist dat die verplichting wel wordt nagekomen; een deel van de verplichting kan niet worden nagekomen en de schuldeiser eist dat de verplichting wordt nagekomen; de schuldenaar heeft zijn woonplaats of hoofdvestiging in het buitenland; de woonplaats en werkplaats van de schuldenaar zijn onbekend);
  8. een lijst van de bij het verzoek gevoegde documenten.

In een verzoek om toekenning van alimentatie moet ook het volgende worden vermeld: de geboortedatum en -plaats van de alimentatieplichtige, de geboortedatum en -plaats van de rechthebbende (indien het verzoekschrift door een andere persoon dan de rechthebbende zelf wordt ingediend), het gevorderde bedrag van maandelijks alimentatie en de periode waarvoor om betaling wordt verzocht.

1.3.1 Is het gebruik van een standaardformulier verplicht? (Zo ja, waar kan dit formulier worden verkregen?)

Aanbevolen wordt het door de minister van Justitie goedgekeurde standaardformulier te gebruiken.

Het modelformulier voor een verzoek om een rechterlijk bevel is te vinden op het e‑dienstenportaal van de Litouwse gerechten De link wordt in een nieuw venster geopend.https://e.teismas.lt/lt/public/documentstemplates/

1.3.2 Moet ik worden vertegenwoordigd door een advocaat?

Nee.

1.3.3 Hoe gedetailleerd moet mijn beschrijving van de grondslag van de schuldvordering zijn?

Dit is niet geregeld.

1.3.4 Moet ik beschikken over geschreven bewijs omtrent de schuldvordering? Zo ja, welke documenten mag ik daarvoor gebruiken?

Een verzoek om een rechterlijk bevel hoeft niet vergezeld te gaan van bewijsstukken.

1.4 Afwijzing van het verzoek

De rechtbank zal een verzoek om een rechterlijk bevel in de volgende gevallen afwijzen:

– in de omstandigheden bedoeld in artikel 137, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (het geschil mag niet het voorwerp zijn van een civiele procedure bij een rechtbank; de vordering valt niet onder de bevoegdheid van de aangezochte rechtbank; de verzoeker heeft de voorafgaande buitengerechtelijke procedure die voor deze specifieke categorie van zaken bij wet is vastgesteld, niet doorlopen; er is een definitieve rechterlijke of arbitrale uitspraak over een geschil tussen dezelfde partijen met betrekking tot hetzelfde voorwerp en gebaseerd op dezelfde gronden, of er is een definitieve rechterlijke uitspraak waarbij wordt bevestigd dat de verzoeker afstand heeft gedaan van zijn vordering of waarbij een minnelijke schikking tussen de partijen wordt goedgekeurd; er is een zaak aanhangig bij de rechtbank in verband met een geschil tussen dezelfde partijen over hetzelfde voorwerp en op basis van dezelfde gronden; de partijen zijn overeengekomen om het geschil voor te leggen aan een arbiter; het verzoek is ingediend namens een persoon die niet handelingsbekwaam is; het verzoek is namens de belanghebbende ingediend door een persoon die daartoe niet gemachtigd is);

- het verzoek voldoet niet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 431, leden 1 en 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering of is kennelijk ongegrond.

1.5 Hoger beroep

Er kan een afzonderlijk beroep worden ingesteld tegen een uitspraak waarbij een verzoek niet‑ontvankelijk wordt verklaard.

1.6 Aanvechten van de vordering

De schuldenaar kan bij de rechtbank die het bevel heeft uitgevaardigd een bezwaar indienen tegen het verzoek van de schuldeiser of tegen een deel daarvan. Als de schuldenaar een deel van de vordering van de schuldeiser heeft voldaan of als hij de vordering niet heeft voldaan hoewel hij ze gedeeltelijk erkent, kan hij een bezwaar indienen tegen de geldigheid van het resterende deel van de vordering van de schuldeiser.

Het bezwaar van de schuldenaar tegen het verzoek van de schuldeiser moet schriftelijk worden ingediend binnen twintig dagen nadat het rechterlijk bevel aan de schuldenaar is betekend. De bezwaren moeten voldoen aan de algemene vereisten die zijn vastgesteld voor de inhoud en vorm van processtukken, met uitzondering van de verplichting om de gronden van het bezwaar aan te geven. Indien de schuldenaar zijn bezwaar om dwingende redenen pas na het verstrijken van de vastgestelde termijn heeft ingediend, kan de rechtbank op verzoek van de schuldenaar een nieuwe termijn toekennen voor het indienen van het bezwaar. Er kan een afzonderlijk beroep worden ingesteld tegen een uitspraak waarbij een dergelijk verzoek van de schuldenaar wordt afgewezen.

1.7 Gevolgen van de aanvechting van de vordering

Als de rechtbank een bezwaar van de schuldenaar ontvangt, moet de rechtbank de schuldeiser binnen drie werkdagen ervan in kennis stellen dat hij een vordering kan indienen overeenkomstig de algemene regels inzake contentieuze procedures (met inbegrip van de bevoegdheidsregels) en dat hij de desbetreffende extra gerechtskosten dient te betalen binnen veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving van de rechtbank. De door de rechtbank toegepaste voorlopige maatregelen kunnen niet worden opgeheven voordat de termijn voor het indienen van een dergelijke vordering is verstreken.

Als de schuldenaar een deel van de vorderingen van de schuldeiser voldoet zoals door de rechtbank is bevolen, of als de schuldenaar een deel van de vordering erkent maar niet voldoet en hij zich alleen tegen het resterende deel van de vordering van de schuldeiser verzet, zal de rechtbank overeenkomstig de regels van het desbetreffende hoofdstuk een nieuw bevel uitvaardigen waarin de vordering wordt toegewezen voor zover de schuldenaar er geen bezwaar tegen maakt. Als de schuldenaar alleen bezwaar maakt tegen dat deel van het rechterlijk bevel dat betrekking heeft op de verwijzing in de proceskosten, zal de rechtbank uitspraak doen over de vergoeding van deze kosten. De schuldeiser kan, overeenkomstig de procedure die in de desbetreffende wetsartikelen is vastgesteld, een rechtsvordering instellen voor het deel van zijn vorderingen dat niet is voldaan.

1.8 Wat als de schuldenaar de schuldvordering niet tijdig aanvecht?

Indien de schuldeiser nalaat om binnen veertien dagen een naar behoren opgestelde vordering bij de rechtbank in te dienen, wordt het verzoek van de schuldeiser geacht niet te zijn ingediend; het verzoek wordt dan in de vorm van een rechterlijke uitspraak aan de schuldeiser teruggezonden en het rechterlijk bevel en alle eventueel toegepaste voorlopige maatregelen worden herroepen. Er kan een afzonderlijk beroep worden ingesteld tegen deze uitspraak, hoewel dit de schuldeiser niet belet om een vordering in te dienen volgens de algemene procedure.

1.8.1 Wat moet men doen om een uitvoerbare beslissing te verkrijgen?

Een rechterlijk bevel wordt van kracht als de schuldenaar niet binnen twintig dagen een bezwaar indient tegen het verzoek van de schuldeiser. Een rechterlijk bevel mag niet met spoed ten uitvoer worden gelegd.

1.8.2 Is deze beslissing definitief of is er nog een beroepsmogelijkheid?

Er kan geen beroep of cassatieberoep worden ingesteld tegen een rechterlijk bevel.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 21/10/2019