Sluiten

BÈTAVERSIE VAN HET PORTAAL NU BESCHIKBAAR!

Bezoek de bètaversie van het Europees e-justitieportaal en vertel ons wat u ervan vindt!

 
 

Kruimelpad

menu starting dummy link

Page navigation

menu ending dummy link

Getuigenverhoor per videoconferentie - Oostenrijk

INHOUDSOPGAVE

1 Is bewijsverkrijging via videoconferentie mogelijk hetzij met de deelname van een gerecht in de verzoekende lidstaat, hetzij rechtstreeks door een gerecht van die lidstaat? Zo ja, wat zijn dan de toepasselijke nationale procedures of wetten?

Beide soorten bewijsverkrijging via videoconferentie zijn in Oostenrijk mogelijk en toegestaan. De civiele procedure wordt in Oostenrijk geregeld in het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Zivilprozessordnung, ZPO) voor contentieuze procedures en in de wet inzake de niet-contentieuze procedure (Außerstreitgesetz, AußStrG) voor niet-contentieuze procedures. De bepalingen met betrekking tot bewijsverkrijging staan in de artikelen 266 t/m 389 van het ZPO en in de artikelen 16, 20 en 31 t/m 35 van de AußStrG (met gedeeltelijke verwijzing naar het ZPO), en in de afzonderlijke bepalingen voor specifieke soorten procedures, zoals artikel 85 over bepaalde medewerkingsverplichtingen in het kader van afstammingsprocedures. Voor meer informatie raadpleegt u voor interne procedures en relevante juridische normen de onderstaande antwoorden en het informatieblad “Bewijsverkrijging - Oostenrijk”.

2 Gelden er beperkingen inzake het soort personen dat via videoconferentie kan worden verhoord – betreft het bijvoorbeeld enkel getuigen of kunnen ook andere personen zoals deskundigen of partijen eveneens op die manier worden verhoord?

Ingevolge artikel 277 van het ZPO (contentieuze procedures) of artikel 35 AußStrG juncto artikel 277 van het ZPO (niet-contentieuze procedures) kunnen de videoconferentietechnieken worden gebruikt voor bewijsverkrijging en dientengevolge voor het verhoren van de partijen en getuigen of de deskundigenanalyse met een gerechtelijk deskundige.

3 Welke eventuele beperkingen gelden er inzake het soort van bewijs dat via videoconferentie kan worden verkregen?

Ingevolge artikel 277 van het ZPO (contentieuze procedures) of artikel 35 AußStrG juncto artikel 277 van het ZPO (niet-contentieuze procedures) kunnen de videoconferentietechnieken worden gebruikt voor bewijsverkrijging. Uiteraard kunnen er zich tijdens een handeling tot het verkrijgen van bewijs problemen voordoen, zoals wanneer er documenten worden gebruikt of er een visuele inspectie moet worden verricht.

4 Gelden er beperkingen inzake de plaats waar de persoon via videoconferentie moet worden verhoord – d.w.z. moet dat een rechtbank zijn?

Iedereen kan worden gedagvaard om te verschijnen voor de bevoegde lokale rechtbank in zijn woonplaats en om daar via videoconferentie te worden verhoord. Iedere rechtbank, ieder openbaar ministerie en iedere penitentiaire inrichting in Oostenrijk is uitgerust met ten minste één videoconferentiesysteem. Bovendien is er in de Oostenrijkse wetgeving niet voorgeschreven dat videoconferenties op het gebied van handelingen tot het verkrijgen van bewijs alleen zijn toegestaan in een gerechtsgebouw.

5 Is het toegestaan verhoren per videoconferentie te registreren en zo ja, zijn de nodige voorzieningen beschikbaar?

Wat civiele zaken betreft, zijn er in het Oostenrijkse recht geen algemene juridische voorschriften inzake de gegevensbescherming op het gebied van de registratie van verhoren via videoconferentie. Dientengevolge is het noodzakelijk om de instemming van alle personen die betrokken zijn bij de videoconferentie te registreren. Dit heeft betrekking op de indirecte uitvoering van een handeling tot het verkrijgen van bewijs die conform artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1206/2001 betreffende bewijsverkrijging (hierna te noemen de “verordening”) dient te worden uitgevoerd overeenkomstig de wetgeving van de aangezochte staat.

De directe uitvoering van een verzoek om een handeling tot het verkrijgen van bewijs gebeurt overeenkomstig de wetgeving van de verzoekende staat (artikel 17, lid 6, van de verordening). Indien deze wetgeving zelfs registratie van een videoconferentie toestaat zonder instemming van de betrokken personen, is dit ook vanuit Oostenrijks oogpunt toegestaan.

In principe is de registratie van een verhoor via videoconferentie technisch mogelijk met ieder videoconferentiesysteem. In ruimtes waar doorgaans verhoren worden geregistreerd (in veel strafrechtbanken), is registratie van het verhoor via videoconferentie mogelijk met de beschikbare technische voorzieningen. Maar er kan eveneens een registratie worden gedaan in andere ruimtes door eenvoudigweg een geschikt registratiemiddel te installeren.

6 In welke taal moet het verhoor plaatsvinden: a) ingeval verzoeken worden gedaan krachtens de artikelen 10 tot 12; en b) ingeval het gaat om rechtstreekse bewijsverkrijging krachtens artikel 17?

(a) Krachtens artikel 10, lid 2, van de verordening dient de bewijsverkrijging plaats te vinden overeenkomstig de wetgeving van de aangezochte staat, hetgeen betekent dat het verhoor in het Duits dient te worden gehouden (in bepaalde Oostenrijkse rechtbanken zijn het Kroatisch, het Sloveens of het Hongaars eveneens toegestaan). De verzoekende rechtbank kan echter vragen om haar officiële taal (of iedere andere taal) te gebruiken als bijzondere vorm voor de uitvoering van haar verzoek om een handeling tot het verkrijgen van bewijs. De aangezochte rechtbank kan dit verzoek echter verwerpen indien grote praktische problemen de uitvoering onmogelijk maken (artikel 10, lid 3, van de verordening).

(b) Krachtens artikel 17, lid 6, van de verordening gaat de verzoekende rechtbank over tot de directe uitvoering van een handeling tot het verkrijgen van bewijs op basis van haar eigen wetgeving en dientengevolge in een van de officiële talen die krachtens deze wetgeving zijn toegestaan. Als aangezochte lidstaat kan Oostenrijk in overeenstemming met artikel 17, lid 4, het gebruik van haar taal als voorwaarde vaststellen voor de uitvoering van het verhoor.

7 Wie moet er, in voorkomend geval, voor beide soorten verhoren zorgen voor tolken en naar waar moeten deze zich begeven?

Voor de indirecte uitvoering van een handeling tot het verkrijgen van bewijs berust de verantwoordelijkheid voor het ter beschikking stellen van tolken in eerste instantie bij de aangezochte rechtbank, zonder afbreuk te doen aan een eventuele terugbetaling van de kosten of vergoedingen uit hoofde van artikel 18, lid 2, van de verordening. De betrokken rechtbanken wordt echter aanbevolen om constructief samen te werken (net als op andere gebieden).

In geval van directe uitvoering van een handeling tot het verkrijgen van bewijs krachtens artikel 17 van de verordening komt het ter beschikking stellen van tolken eveneens in eerste instantie toe aan de verzoekende rechtbank. In dit geval bevat artikel 17 niet uitdrukkelijk een voorschrift voor de verplichte assistentie door de aangezochte lidstaat, maar sluit dat artikel deze assistentie ook niet uit. De Oostenrijkse wet voorziet er in artikel 39a, lid 4, van de Oostenrijkse wet inzake de civiele procedure en de gerechtelijke organisatie (Jurisdiktionsnorm, JN) in dat de rechtbank die rechtshulp biedt op verzoek van de buitenlandse rechtbank tijdens de uitvoering van de handeling tot het verkrijgen van bewijs effectieve assistentie dient te verlenen, waaronder eveneens het ter beschikking stellen van een geschikte tolk.

Het besluit van de staat van herkomst om te kiezen voor tolken dient per geval te worden genomen afhankelijk van de behoeften.

8 Welke procedure is van toepassing op de regelingen voor het verhoor en om de te verhoren persoon op de hoogte te stellen van tijd en plaats? Hoeveel tijd op voorhand moet de persoon worden opgeroepen voor het verhoor?

Iedere kennisgeving voor een verhoor via videoconferentie op nationaal niveau dient tijdig te worden gedaan, zoals wanneer een te verhoren persoon wordt gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank waar de procedure loopt.

9 Welke kosten zijn van toepassing op het gebruik van videoconferenties en hoe moeten zij worden betaald?

Het gebruik van videoconferentie brengt in het kader van het internetprotocol (IP) geen kosten met zich mee. Het ISDN-netwerk brengt voor de gebruiker dezelfde kosten met zich mee als bij een telefoongesprek. Deze variëren echter afhankelijk van de plaats van de installatie van de gebelde ontvanger.

10 Welke eventuele vereisten zijn er om ervoor te zorgen dat de persoon die door het verzoekende gerecht rechtstreeks wordt verhoord, ervan op de hoogte werd gesteld dat het verhoor gebeurt op vrijwillige basis?

In verband met artikel 17, lid 2, van de verordening dient de verzoekende rechtbank de betrokken persoon in principe in eerste instantie de uitnodiging tot deelname aan de videoconferentie ter kennis te brengen. Indien de Oostenrijkse centrale autoriteit of een Oostenrijkse rechtbank tijdens de voorbereiding of de directe uitvoering van een handeling tot het verkrijgen van bewijs vaststelt dat artikel 17, lid 2, van de verordening is geschonden, dient deze autoriteit of rechtbank samen met de verzoekende rechtbank op gepaste wijze toe te zien op de naleving van deze bepaling. De Oostenrijkse griffiers zijn opgeleid voor de toepassing van de Europese verordening betreffende bewijsverkrijging. Zij beschikken eveneens over de “Gids over videoconferenties in grensoverschrijdende gerechtelijke procedures” op de Intranet-applicatie van het gerechtelijk apparaat.

11 Hoe moet de identiteit van de te verhoren persoon worden gecontroleerd?

De identiteit wordt gecontroleerd door middel van een officieel identiteitsbewijs met een foto en deze identiteitscontrole is vereist voor gerechtelijke verhoren (artikel 340, lid 1, van het ZPO).

12 Welke vereisten inzake eedafneming zijn van toepassing en welke informatie moet het verzoekende gerecht verstrekken wanneer bij een rechtstreekse bewijsverkrijging krachtens artikel 17 een eed is vereist?

De regelgeving op het gebied van eedaflegging is wat betreft partijen neergelegd in de artikelen 377 en 379 van het ZPO en wat betreft getuigen in de artikelen 336 t/m 338 van het ZPO.

De eed is in principe verplicht voor zowel partijen als getuigen. Terwijl de eedaflegging door partijen niet kan worden afgedwongen, kan de eedaflegging door getuigen in geval van onrechtmatige weigering worden afgedwongen met dezelfde dwangmiddelen als die voor een getuigenis (de artikelen 325 en 326 van het ZPO; de dwangmiddelen kunnen de vorm aannemen van boetes en zelfs gevangenisstraffen tot zes weken).

Overeenkomstig artikel 288, lid 2, van het Oostenrijkse wetboek van Strafrecht (Strafgesetzbuch - StGB) wordt er een gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar opgelegd aan eenieder die onder ede een valse getuigenis aflegt of die een door een eed bekrachtigde valse getuigenis aflegt of die een valse eed aflegt.

De valse verklaring van een partij (die niet onder ede is afgelegd) is daarentegen niet strafbaar. Een getuige (die niet onder ede staat) die een valse verklaring aflegt, dient daarentegen te worden gestraft met een gevangenisstraf tot maximaal drie jaar (artikel 288, lid 1, van het wetboek van Strafrecht).

Krachtens artikel XL van de wet tot invoering van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Einführungsgesetz zur Zivilprozessordnung, EGZPO) dienen de bepalingen van de wet van 3 mei 1868 RGBl nr. 33 (formulering van de eed en andere formaliteiten) te worden nageleefd tijdens de eedaflegging (s. De link wordt in een nieuw venster geopend.http://alex.onb.ac.at/cgi-content/alex?aid=rgb&datum=18680004&seite=00000067).

Artikel 336, lid 1, en artikel 377, lid 1, van het ZPO: het is niet toegestaan dat personen die zijn veroordeeld wegens valse getuigenis of die op het moment van hun verhoor niet ouder waren dan veertien jaar de eed afleggen; dat geldt ook voor personen die de betekenis van de eed onvoldoende begrijpen vanwege een gebrek aan volwassenheid of een verstandelijke handicap.

In niet-contentieuze procedures is de toepassing van de bepalingen inzake verklaringen onder ede van een getuige of een partij uitgesloten (artikel 35 AußStrG).

13 Welke regelingen zijn er om ervoor te zorgen dat er een contactpersoon is op de plaats van de videoconferentie, met wie het verzoekende gerecht kan samenwerken alsook een persoon die op de dag van het verhoor de videoconferentievoorzieningen kan bedienen en eventuele technische problemen kan verhelpen?

In iedere plaats waar zich een videoconferentiesysteem bevindt, dient dit te worden toevertrouwd aan een medewerker die een supervisor is. Laatstbedoelde is in staat om het videoconferentiesysteem te gebruiken en eenvoudige registraties te maken. Ieder videoconferentiesysteem is verbonden met een centrale eenheid die ressorteert onder de IT‑administratie van het ministerie van Justitie. De IT-administratie kan nauwgezette registraties uitvoeren voor ieder videoconferentiesysteem in het hele land.

14 Wat indien eventueel aanvullende informatie van het verzoekende gerecht is vereist?

De volgende informatie dient te worden verstrekt aan de verzoekende rechtbank:

  • IP-adres en/of ISDN-nummer, inclusief sleutel
  • Naam, telefoonnummer en e-mailadres van een medewerker van de verzoekende rechtbank die de technische aspecten van het systeem van de correspondent kent en kan bedienen.

De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 02/06/2018