Sluiten

BÈTAVERSIE VAN HET PORTAAL NU BESCHIKBAAR!

Bezoek de bètaversie van het Europees e-justitieportaal en vertel ons wat u ervan vindt!

 
 

Kruimelpad

menu starting dummy link

Page navigation

menu ending dummy link

Getuigenverhoor per videoconferentie - Estland

Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Ests) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.
De volgende vertalingen zijn al beschikbaar: Engels

INHOUDSOPGAVE

1 Is bewijsverkrijging via videoconferentie mogelijk hetzij met de deelname van een gerecht in de verzoekende lidstaat, hetzij rechtstreeks door een gerecht van die lidstaat? Zo ja, wat zijn dan de toepasselijke nationale procedures of wetten?

Ja, het is mogelijk om over te gaan tot een handeling voor het verkrijgen van bewijs via videoconferentie. Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken voorziet in artikel 10, lid 4, in de mogelijkheid om te verzoeken om gebruik te maken van een videoconferentie. Krachtens artikel 17 van de verordening is het ook mogelijk om videoconferenties te gebruiken voor handelingen voor het verkrijgen van bewijs. Het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit moedigt het gebruik aan van communicatietechnologieën, zoals video- en teleconferentie. De Estse rechtbanken beschikken over de apparatuur die nodig is om videoconferenties te houden. Ingevolge artikel 15, lid 6, van het Ests wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Tsiviilkohtumenetluse seadustik, WRv, De link wordt in een nieuw venster geopend.hier te raadplegen) zijn de bepalingen van het WRv van toepassing als de rechtbank van een lidstaat van de Europese Unie Estland om hulp vraagt voor het verkrijgen van bewijs, met uitzondering van bepalingen die strijdig zijn met Verordening (EG) nr. 1206/2001. Artikel 15, lid 5, van het WRv bepaalt dat een Estse rechtbank op verzoek van een buitenlandse rechtbank hulp biedt bij de uitvoering van een procedure, als de procedure krachtens de Estse wetgeving onder het rechtsgebied van de Estse rechtbank valt en dit niet wettelijk is verboden en voor zover de wet of een verdrag dat is gesloten met een ander land niet anders bepaalt. Het is ook mogelijk om een procedurehandeling uit te voeren krachtens de wet van een ander land indien dit nodig is voor de procedure in dat land en dit de belangen van de partijen bij de procedure niet schaadt. Zittingen in de vorm van een videoconferentie zijn geregeld in artikel 350 van het WRv. Er zijn geen speciale regels of beperkingen met betrekking tot de organisatie van een videoconferentie krachtens Verordening (EG) nr. 1206/2001, met inbegrip van een zitting door middel van een videoconferentie die direct wordt gehouden door de lidstaat die het verzoek indient krachtens artikel 17 van de verordening.

2 Gelden er beperkingen inzake het soort personen dat via videoconferentie kan worden verhoord – betreft het bijvoorbeeld enkel getuigen of kunnen ook andere personen zoals deskundigen of partijen eveneens op die manier worden verhoord?

Overeenkomstig artikel 350, lid 1, van het WRv, kan een partij tijdens een zitting in de vorm van een videoconferentie in real time procedurehandelingen uitvoeren, dat wil zeggen een verklaring onder ede afleggen of tijdens een procedure van vrijwillige rechtspraak een verklaring afleggen die niet onder ede is. Conform lid 2 is het ook mogelijk om een getuige of een deskundige te horen tijdens een zitting in de vorm van een videoconferentie.

Bovendien kan een partij bij de procedure door middel van een videoconferentie een verklaring onder ede afleggen of tijdens een procedure van vrijwillige rechtspraak een verklaring afleggen die niet onder ede is. Het is ook mogelijk om een getuige of deskundige via videoconferentie te horen.

3 Welke eventuele beperkingen gelden er inzake het soort van bewijs dat via videoconferentie kan worden verkregen?

Zie het antwoord op de vorige vraag.

4 Gelden er beperkingen inzake de plaats waar de persoon via videoconferentie moet worden verhoord – d.w.z. moet dat een rechtbank zijn?

Overeenkomstig artikel 350, lid 1, van het WRv kan de rechtbank de zitting in de vorm van een videoconferentie zodanig organiseren dat een partij bij de procedure of zijn vertegenwoordiger of adviseur zich tijdens de zitting op een andere plek kan bevinden en in real time procedurehandelingen kan uitvoeren op deze plek.

De rechtbank kan de zitting in de vorm van een videoconferentie derhalve zodanig organiseren dat de te horen persoon zich niet naar de rechtbank hoeft te begeven.

5 Is het toegestaan verhoren per videoconferentie te registreren en zo ja, zijn de nodige voorzieningen beschikbaar?

Ja, de zittingen kunnen worden geregistreerd. De registratie geschiedt volgens de bepalingen van artikel 52 of artikel 42 van het WRv. Het materiaal voor verhoren op afstand dat de rechtbanken gebruiken, maakt het mogelijk om zittingen te registreren krachtens artikel 52 van het WRv, maar de rechtbanken hebben geen tools geïnstalleerd om deze registraties op te slaan, te bewerken en te archiveren. In de praktijk worden verhoren op afstand derhalve niet geregistreerd.

6 In welke taal moet het verhoor plaatsvinden: a) ingeval verzoeken worden gedaan krachtens de artikelen 10 tot 12; en b) ingeval het gaat om rechtstreekse bewijsverkrijging krachtens artikel 17?

Overeenkomstig artikel 32, lid 1, van het WRv is het Ests de taal voor de procedure en de werkzaamheden van de rechtbanken in Estland. Conform artikel 32, lid 2, van het WRv worden de processen-verbaal van de zittingen en de andere proceduredocumenten in het Ests opgesteld. In geval van verklaringen of uiteenzettingen in een andere taal kan de rechtbank deze in de originele taal toevoegen aan de processen-verbaal samen met de vertaling in het Ests, mits dit nodig is om de inhoud ervan precies weer te geven. Het WRv bevat geen bijzondere voorschriften met betrekking tot de taalkundige bepaling in verband met het indienen van verklaringen of uiteenzettingen naar aanleiding van het verzoek van een rechtbank van een andere lidstaat krachtens Verordening (EG) nr. 1206/2001, met inbegrip van de taalkundige bepaling in verband met de uitvoering van handelingen voor het verkrijgen van bewijs krachtens artikel 17.

7 Wie moet er, in voorkomend geval, voor beide soorten verhoren zorgen voor tolken en naar waar moeten deze zich begeven?

Krachtens artikel 34, lid 1, van het WRv kan de rechtbank, als een partij bij de procedure het Ests niet machtig is en tijdens de procedure geen vertegenwoordiger heeft, ofwel op verzoek van een partij bij de procedure ofwel op eigen initiatief een beroep doen op een tolk. De aanwezigheid van een tolk is niet verplicht als de verklaringen van de partij bij de procedure begrijpelijk zijn voor de rechtbank en voor de andere partijen. Indien de rechtbank er niet direct voor kan zorgen dat er een tolk aanwezig is, geeft zij een beschikking af waarin de partij bij de procedure die deze nodig heeft, wordt verzocht om binnen de termijn die de rechtbank voorschrijft een tolk of vertegenwoordiger te vinden die Ests spreekt (artikel 34, lid 2, van het WRv). Het WRv bevat geen bijzondere voorschriften met betrekking tot de plaats waar de tolk zich dient te bevinden tijdens de handeling voor het verkrijgen van bewijs krachtens de verordening.

8 Welke procedure is van toepassing op de regelingen voor het verhoor en om de te verhoren persoon op de hoogte te stellen van tijd en plaats? Hoeveel tijd op voorhand moet de persoon worden opgeroepen voor het verhoor?

Volgens artikel 343, lid 1, van het WRv betekent de rechtbank oproepen aan de partijen bij de procedure en aan de andere personen die dienen te verschijnen op de zitting om ze in kennis te stellen van de datum en de plaats van de zitting. Overeenkomstig artikel 343, lid 2, van het WRv dient er ten minste een periode van tien dagen te zitten tussen de datum waarop de oproep wordt betekend en de zittingsdatum. Indien de partijen bij de procedure hiermee instemmen, kan deze termijn echter worden ingekort.

9 Welke kosten zijn van toepassing op het gebruik van videoconferenties en hoe moeten zij worden betaald?

In Verordening (EG) nr. 1206/2001 wordt de verdeling van de kosten die voortvloeien uit de handeling voor het verkrijgen van bewijs geregeld in artikel 18 van die verordening. Artikel 15, lid 4, van het WRv bepaalt dat de verzoekende rechtbank de proceskosten niet hoeft te betalen. De rechtbank die de procedurehandeling heeft uitgevoerd, stelt de verzoekende rechtbank in kennis van de kosten, die worden geboekt als kosten in verband met de te beoordelen zaak. De kosten die als gerechtskosten voortvloeien uit de handeling voor het verkrijgen van bewijs worden verdeeld op grond van artikel 148, lid 1, van het WRv. Krachtens artikel 148, lid 1, van het WRv neemt de partij bij de procedure die het verzoek heeft ingediend dat aanleiding geeft tot de gerechtskosten deze voor haar rekening, tenzij de rechtbank anders beslist. Indien het verzoek door beide partijen wordt ingediend of indien er getuigen of deskundigen worden opgeroepen of indien het onderzoek op initiatief van de rechtbank wordt uitgevoerd, nemen de partijen de kosten in gelijke delen op zich. Daar de rechtbanken zijn uitgerust met videoconferentie-apparatuur, zijn er geen extra kosten.

10 Welke eventuele vereisten zijn er om ervoor te zorgen dat de persoon die door het verzoekende gerecht rechtstreeks wordt verhoord, ervan op de hoogte werd gesteld dat het verhoor gebeurt op vrijwillige basis?

Op grond van artikel 17, lid 2, van de verordening wordt de betrokken persoon ervan in kennis gesteld dat hij rechtstreeks en op vrijwillige basis wordt gehoord door de verzoekende rechtbank.

11 Hoe moet de identiteit van de te verhoren persoon worden gecontroleerd?

Overeenkomstig artikel 347, lid 2, punt 1, van het WRv gaat de rechtbank aan het begin van een verhoor na welke opgeroepen personen er aanwezig zijn en controleert zij hun identiteit. Het WRv voorziet niet in nadere bepalingen om de identiteit van personen te controleren tijdens een zitting. De rechtbank dient de identiteit van de opgeroepen personen te controleren. Hiertoe controleert de rechtbank bijvoorbeeld een identiteitsbewijs met een foto van de opgeroepen persoon.

12 Welke vereisten inzake eedafneming zijn van toepassing en welke informatie moet het verzoekende gerecht verstrekken wanneer bij een rechtstreekse bewijsverkrijging krachtens artikel 17 een eed is vereist?

Overeenkomstig artikel 269, lid 2, van WRv dienen partijen bij de procedure de eed af te leggen voordat ze een verklaring kunnen doen:

“Ik, ondergetekende, bevestig naar eer en geweten dat ik met betrekking tot deze zaak de gehele waarheid zal spreken, zonder zaken te verzwijgen, toe te voegen of aan te passen.” De partijen bij de procedure leggen mondeling de eed af en ondertekenen een kopie van de eed.

Conform artikel 36, lid 1, van het WRv leggen personen die het Ests niet machtig zijn de eed af in een taal die zij beheersen. Krachtens lid 2 dient de handtekening te worden aangebracht op de Estse tekst van de eed, die hierbij wordt vertaald voor de desbetreffende persoon.

Overeenkomstig artikel 262, lid 1, tweede zin, van het WRv licht de rechtbank de inhoud van de artikelen 256 t/m 259 van het WRv toe ten behoeve van de getuige, voordat deze verklaringen doet. Ingevolge artikel 303, lid 5, van het WRv zijn de bepalingen die van toepassing zijn op het verhoren van getuigen eveneens van toepassing op deskundigen. Deskundigen die niet zijn erkend door een rechtbank of door de staat worden er voor het indienen van hun deskundigenadvies van in kennis gesteld dat zij verantwoordelijk zijn als zij opzettelijk een fout advies geven. Deskundigen dienen het proces-verbaal van de zitting of een kopie van de waarschuwing te ondertekenen. De ondertekende waarschuwing wordt samen met het deskundigenadvies overgelegd aan de rechtbank.

13 Welke regelingen zijn er om ervoor te zorgen dat er een contactpersoon is op de plaats van de videoconferentie, met wie het verzoekende gerecht kan samenwerken alsook een persoon die op de dag van het verhoor de videoconferentievoorzieningen kan bedienen en eventuele technische problemen kan verhelpen?

Krachtens artikel 350, lid 3, van het WRv dienen de rechten van alle partijen bij de procedure om verklaringen af te leggen en verzoeken in te dienen, evenals het geven van hun standpunt over verklaringen en verzoeken van andere partijen technisch te worden gewaarborgd, evenals de andere omstandigheden in verband met de zitting voor de goede overbrenging van beeld en geluid van de plaats waar de partij zich bevindt naar de rechtbank en omgekeerd.

Bij iedere rechtbank is er een werknemer van het centrum van registers en informatiesystemen (Registrite ja Infosüsteemide Keskus) als lokale IT-specialist, die ervoor zorgt dat de videoconferentie-apparatuur goed werkt en dat technische problemen worden opgelost.

14 Wat indien eventueel aanvullende informatie van het verzoekende gerecht is vereist?

Op de verzoekformulieren staat welke informatie er dient te worden verstrekt. De aard van aanvullende informatie waar om wordt gevraagd, hangt af van de omstandigheden van de zaak.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 25/07/2019