Bewijsverkrijging

Indien u een gerechtelijke procedure inleidt, is het in de regel cruciaal om bij het gerecht bewijs in dienen ter staving van uw vordering.


Klik op een van de vlaggen voor landspecifieke informatie.

Bewijsverkrijging in burgerlijke procedures is niet beperkt tot het grondgebied van een lidstaat. Soms kan het noodzakelijk zijn om bewijs te verkrijgen in een andere lidstaat dan die waarvan u ingezetene bent. Het kan bijvoorbeeld nodig zijn om getuigen of deskundigen te horen in andere lidstaten, of het is mogelijk dat de rechter een plaatsopneming wil verrichten in een andere lidstaat. Wat de grensoverschrijdende bewijsverkrijging binnen de Europese Unie betreft, is de justitiële samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken geregeld in De link wordt in een nieuw venster geopend.Verordening (EG) nr. 1206/2001 van 28 mei 2001.

Links

Bewijsopname – kennisgevingen door de lidstaten en een zoekfunctie voor het vinden van de bevoegde (gerechtelijke) instantie(s)

Getuigenverhoor per videoconferentie

Praktische handleiding voor de toepassing van de verordening betreffende bewijsverkrijgingPDF(218 Kb)nl

Praktische gids voor het gebruik van videoconferenties om bewijs te verkrijgen in burgerlijke en handelszaken PDF(734 Kb)nl


Deze pagina wordt beheerd door de Europese Commissie. De informatie op deze pagina geeft niet noodzakelijk het officiële standpunt van de Europese Commissie weer. De Commissie aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens waarnaar in dit document wordt verwezen. Gelieve de juridische mededeling te raadplegen voor de auteursrechtelijke regeling voor Europese pagina's.

Laatste update: 21/01/2019

Bewijsverkrijging - België

Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Frans) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.
De volgende vertalingen zijn al beschikbaar: Engels

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

In het Belgische rechtssysteem maakt men het onderscheid tussen het burgerlijk recht en het handelsrecht. Het handelsrecht is bijzonder recht voor handelaars, het burgerlijk recht geldt als gemeen recht.

Het burgerrechtelijk bewijsrecht is terug te vinden in het Burgerlijk Wetboek (B.W.) vanaf art. 1315 B.W. Het is een gesloten systeem met strikt gereglementeerde bewijsmiddelen (zie onderdeel 5 a voor details).

Het commerciële bewijsrecht is opgenomen in het Wetboek van Koophandel (W.Kh.) in art. 25 W.Kh. Het belangrijkste kenmerk is de openheid van het systeem en de vrijheid van het bewijs in handelszaken. Art. 25 W.Kh. zegt letterlijk: „Behalve door de bewijsmiddelen die het burgerlijk recht toelaat, kunnen handelsverbintenissen ook worden bewezen door getuigen in alle gevallen waarin de rechtbank oordeelt dit te moeten toestaan, behoudens de uitzonderingen bepaald voor bijzondere gevallen. Koop en verkoop kan bewezen worden door middel van een aanvaarde factuur, onverminderd de andere bewijsmiddelen die door de wetten op de koophandel zijn toegelaten.”.

Procestechnische aspecten van het bewijs in burgerlijke en handelszaken worden geregeld in het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.) vanaf art. 870 Ger.W.. Art. 876 Ger.W. bepaalt dat de rechtbank het aanhangige geschil berecht volgens de bewijsregels die van toepassing zijn op de aard van het geschil. Dat geschil is dus hetzij burgerlijk, hetzij commercieel van aard.

Het bewijs van een feit, een stelling of een bewering moet geleverd worden door de partij die zich erop beroept. Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen. Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht (art. 1315 B.W.). In een rechtsgeding moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert (art. 870 Ger.W.: “actori incumbit probatio”). Het is dan aan de tegenpartij om de bewijswaarde van die feiten - indien mogelijk en toegestaan - te weerleggen.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Op voorwaarde dat de openbare orde en de nationale veiligheid er zich niet tegen verzetten, komen alle feiten in aanmerking om bewezen te worden. Er zijn wel drie beperkingen van het recht op bewijs tijdens een geding. Vooreerst moet het te bewijzen feit ter zake dienend zijn. Vervolgens moet het te bewijzen feit afdoend zijn, hetgeen betekent dat het de rechter moet kunnen overtuigen bij de definitieve beslechting van het geschil. Ten slotte moet het bewijzen van bepaalde feiten toelaatbaar zijn: de persoonlijke levenssfeer, het beroepsgeheim en het briefgeheim mogen dus niet worden geschonden.

Vermoedens zijn in beginsel weerlegbaar door de tegenpartij. Enkel de onweerlegbare vermoedens (“iure et de iure”) kunnen onmogelijk worden tegengesproken; er is zelfs een verbod op tegenbewijs. De weerlegbare vermoedens (“iuris tantum”) kunnen en mogen wel worden weerlegd met bewijsmiddelen: aan de hand van gereglementeerde technieken in het burgerlijk recht, vrij in het handelsrecht.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

De rechter moet overtuigd zijn van de door de partijen aangevoerde elementen. Het overtuigen van de rechter heeft te maken met de bewijswaarde of de geloofwaardigheid ervan. Als de rechter oordeelt dat het aangevoerde element het geschil kan helpen oplossen en als hij vindt dat het element een betrouwbare weergave van de realiteit is, kent hij bewijswaarde toe aan het element. Het is trouwens pas vanaf het moment dat de rechter aan iets een bewijswaarde heeft toegekend dat er van een bewijs kan worden gesproken.

Bewijswaarde is eerder subjectief, bewijskracht daarentegen is strikt objectief. De bewijskracht hangt af van de betrouwbaarheid die van een bewijsmiddel kan worden verwacht. De wet zal enkel bewijskracht toekennen aan bewijsmiddelen die een voldoende betrouwbaarheidsgraad bieden, want de rechter wordt immers zijn beoordelingsmacht ontnomen. Dit is het geval voor het schriftelijk bewijs. Indien de rechter de inhoud van een rechtmatig verkregen schriftelijk bewijs interpreteert op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, schendt hij de bewijskracht van akten. De benadeelde partij kan dit aanvoeren als middel voor het Hof van Cassatie.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Een partij die een bewering doet, moet deze kunnen bewijzen. In sommige gevallen kan de rechter een partij opdragen om een bewijsmiddel toe te passen, zoals bij de ambtshalve opgelegde eed (art. 1366 B.W.). De rechter kan onder strikte voorwaarden aan een partij de eed opleggen, hetzij om de beslissing van de zaak daarvan afhankelijk te maken, hetzij louter om het bedrag van de veroordeling te bepalen.

De rechter kan de partijen verhoren, en ambtshalve een getuigenverhoor bevelen, tenzij de wet hem dit verbiedt (art. 916 Ger.W.). Hij kan eveneens een deskundigenonderzoek gelasten om vaststellingen te laten doen of om een technisch advies te verkrijgen (art. 962 Ger.W.).

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

Onderzoeksmaatregelen moeten door een partij worden gevorderd in de vorm van een hoofdvordering of van een tussenvordering. Het daaropvolgende vonnis van de rechter kan de gevraagde onderzoeksmaatregelen gemotiveerd afwijzen of toestaan.

In geval van schriftonderzoek (art. 883 Ger.W.) of valsheidsonderzoek (art. 895 Ger.W.) beveelt de rechter de partijen voor hem te verschijnen (al dan niet bijgestaan door hun advocaten) en alle titels, documenten en stukken van vergelijking, respectievelijk het van valsheid betichte stuk, mee te brengen. De rechter kan de zaak onmiddellijk behandelen of laten neerleggen op de griffie waarna hij zelf onderzoeksmaatregelen kan treffen of laten treffen door een deskundige. Uiteindelijk doet de rechter uitspraak over het schriftonderzoek of het valsheidsonderzoek.

Indien een partij aanbiedt het bewijs te leveren door een of meerdere getuigen, kan de rechter die bewijslevering toestaan indien het bewijs toelaatbaar is (art. 915 Ger.W.). Indien de wet het hem niet verbiedt, kan de rechter een getuigenverhoor bevelen. De getuigen worden opgeroepen door de griffier ten minste acht dagen voor de dag van hun verhoor. Ze moeten de eed afleggen en worden afzonderlijk gehoord door de rechter. De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een partij vragen stellen aan de getuige. Het getuigenis wordt op schrift gesteld, voorgelezen, desgevallend verbeterd en aangevuld, waarna het getuigenverhoor wordt gesloten.

Het deskundigenonderzoek kan via een vonnis door de rechter worden gelast om een geschil op te lossen of te vermijden. Het onderzoek mag enkel vaststellingen of een technisch advies betreffen (art. 962 Ger.W.). De deskundige vervult zijn opdracht onder toezicht van de rechter. De partijen stellen aan de deskundige alle nuttige stukken ter beschikking en doen aan hem alle dienstige vorderingen. Het verslag moet worden ingediend binnen een door het vonnis bepaalde termijn. Indien het verslag strijdig is met zijn overtuiging, is de rechter niet verplicht het advies van de deskundige te volgen.

De rechter kan, op vraag van de partijen of ambtshalve, een plaatsopneming bevelen (art. 1007 Ger.W.). Deze geschiedt al dan niet in tegenwoordigheid van de partijen, hetzij door de rechter die de plaatsopneming heeft bevolen, hetzij door een aangewezen rechter, hetzij door een persoon met een ambtelijke opdracht. Van alle verrichtingen en bevindingen wordt een proces-verbaal opgemaakt dat ter kennis wordt gebracht van de partijen.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

De rechter is nooit verplicht om in te gaan op de vraag van een partij om onderzoeksmaatregelen te treffen. Indien daarentegen een ambtelijke opdracht wordt gericht aan een rechter, moet deze verplicht worden uitgevoerd (art. 873 Ger.W.). De ambtelijke opdracht van een vreemde rechterlijke macht mag enkel uitgevoerd worden na machtiging van de minister van Justitie, tenzij internationale verdragen anders bepalen (art. 873, tweede lid, Ger. W.).

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Er bestaan vijf soorten van bewijsmiddelen in het (gemene) burgerlijke recht: het schriftelijk bewijs, het bewijs door getuigen, de vermoedens, de bekentenis van partijen, en de eed (art. 1316 B.W.).

Het schriftelijk bewijs (art. 1317 B.W.) kan geleverd worden, hetzij via een authentieke akte, hetzij via een onderhandse akte. Een authentieke akte is een akte die in de wettelijke vorm is verleden door een bevoegde openbare ambtenaar (bijvoorbeeld een notaris of een ambtenaar van de burgerlijke stand) en levert tussen partijen en ten aanzien van derden een volledig bewijs op van de overeenkomst die erin is vervat. Een erkende onderhandse akte, ondertekend door alle betrokken partijen en opgesteld in evenveel exemplaren als er partijen zijn, levert tussen partijen een volledig bewijs op. Een schriftelijke akte moet worden opgesteld voor zaken die de som of de waarde van € 375 te boven gaan (art. 1341 B.W.).

Het bewijs door getuigen (art. 1341 B.W.) is niet toelaatbaar tegen en boven de inhoud van schriftelijke akten. Indien er slechts een begin van bewijs door geschrift is, of indien het onmogelijk was om een schriftelijk bewijs op te maken, wordt het getuigenbewijs toch aanvaard.

Vermoedens (art. 1349 B.W.) zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Vermoedens kunnen geen afbreuk doen aan de inhoud van schriftelijke akten, maar kunnen wel - zoals getuigenissen - een begin van bewijs door geschrift aanvullen en onmogelijk op te stellen schriftelijke akten vervangen.

De bekentenis van partijen (art. 1354 B.W.) is hetzij gerechtelijk, hetzij buitengerechtelijk. Een gerechtelijke bekentenis is een verklaring die in rechte wordt gedaan door een partij of door haar bijzonder gevol-machtigde en levert een volledig bewijs op tegen hem die de bekentenis heeft gedaan. Een buitengerechtelijke bekentenis daarentegen is aan geen enkele vormvereiste onderworpen.

De eed (art. 1357 B.W.) is ofwel door de ene aan de andere partij opgedragen (de beslissende eed), ofwel ambtshalve door de rechter opgelegd. In het geval van de beslissende eed levert de gedane eed alleen het bewijs op ten voordele van of tegen hem die de eed heeft opgedragen.

Het bewijs in handelszaken (art. 25 W.Kh.) is vrij en kent een bijzondere vorm van bewijs, namelijk de factuur bij koopcontracten. Met een geldige factuur kan een handelaar immers voor zichzelf een bewijsstuk creëren, terwijl andere geschreven akten moeten uitgaan van de tegenpartij om als bewijsmiddel te kunnen dienen.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Het getuigenbewijs is als zelfstandig bewijsmiddel geregeld in het Burgerlijk Wetboek; de procestechnische aspecten van het getuigenbewijs zijn opgenomen in het Gerechtelijk Wetboek. Het deskundigenonderzoek is louter een wijze van bewijsvoering en is geregeld in het Gerechtelijk Wetboek. De partijen kunnen de rechter vragen om getuigen op te roepen, maar ze mogen zelf geen deskundige aanstellen. Enkel de rechter kan dat doen.

Geschreven bewijsmiddelen hebben bewijskracht zodat de rechter de inhoud ervan moet respecteren, het deskundigenadvies of –verslag heeft dat niet. Indien het advies of verslag strijdig is met zijn overtuiging, is de rechter niet verplicht het te volgen (art. 986 Ger.W.).

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Er bestaat een hiërarchie in de gereglementeerde bewijstechnieken. De bekentenis en de eed zijn de opperste bewijsmiddelen. Een geschreven akte gaat steeds boven getuigen en vermoedens. Authentieke akten leveren een volledig bewijs op tussen partijen en ten aanzien van derden, terwijl erkende onderhandse akten een volledig bewijs opleveren tussen partijen. Getuigenissen en vermoedens mogen slechts ingeroepen worden indien er een onvolledig geschrift bestaat of indien het onmogelijk was om een geschrift op te stellen voor de te bewijzen verbintenis.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Naargelang het een burgerrechtelijk dan wel handelsrechtelijk te kwalificeren feit is, is men onderworpen aan het gereglementeerde dan wel het vrije bewijsrecht. In het burgerlijk recht moet voor alle zaken en transacties die de som of de waarde van € 375 te boven gaan, een authentieke of een onderhandse akte worden opgemaakt (art. 1341 B.W.). Enkel deze akte kan dienen als bewijsmiddel; getuigenissen en vermoedens worden niet toegelaten. In handelszaken daarentegen is bewijs via getuigenissen en vermoedens tegen of boven de inhoud van akten in beginsel wel toegelaten.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Neen, het getuigenverhoor gebeurt op voorstel van de partijen of wordt ambtshalve gelast door de rechter (art. 915-916 Ger.W.).

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Indien een getuige wordt opgeroepen die aanvoert dat hij een wettige reden heeft om geen getuigenis te moeten afleggen, beslist de rechter over dit tussengeschil. Onder andere het beroepsgeheim van de opgeroepen getuige wordt beschouwd als zo’n wettige reden (art. 929 Ger.W.).

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Een opgeroepen getuige is verplicht te verschijnen. Indien hij niet verschijnt, kan de rechter hem op verzoek van een partij laten dagvaarden bij deurwaardersexploot (art. 925 Ger.W.). Een gedagvaarde getuige die niet verschijnt wordt strafrechtelijk veroordeeld tot een geldboete (art. 926 Ger.W.).

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Het getuigenbewijs is nietig indien het uitgaat van een persoon die onbekwaam is om in rechte te getuigen (art. 961, eerste lid, Ger.W.).

Een minderjarige beneden vijftien jaar mag niet onder ede worden gehoord. Zijn verklaringen kunnen enkel als inlichtingen gelden (art. 931, eerste lid, Ger.W.).

Een minderjarige kan worden behoord door de rechter in materies die hem aanbelangen aangaandede uitoefening van het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling en het recht op het persoonlijk contact. Dit kan op verzoek van de minderjarige zelf of na een beslissing van de rechter, maar in dat gaval kan de minderjarige weigeren om gehoord te worden (art. 1004/1, §§1 tot 6 Ger. W.)

Bloedverwanten in nederdalende lijn mogen niet worden gehoord in zaken waarin hun bloedverwanten in opgaande lijn tegengestelde belangen hebben (art. 931, tweede lid, Ger.W.).

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

De partijen mogen de getuige niet rechtstreeks toespreken of onderbreken, maar moeten zich steeds richten tot de rechter (art. 936 Ger.W.). De rechter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een partij, aan de getuige alle vragen stellen waardoor het getuigenis kan worden verduidelijkt of aangevuld (art. 938 Ger.W.).

Een onrechtstreekse getuigenis is geldig. Geen enkele wetsbepaling of geen enkel rechtsbeginsel verzet zich daartegen. Bovendien maakt art. 924 Ger.W. het mogelijk dat een rechter beslist om bij getuigen die de onmogelijkheid aantonen om persoonlijk te verschijnen, ter plaatse het getuigenis af te nemen.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Bewijsmiddelen die onrechtmatig zijn verkregen, mogen niet gebruikt worden tijdens het proces. De rechter mag er dan ook geen rekening mee houden bij het vormen van zijn oordeel. Indien de persoonlijke levenssfeer, het beroepsgeheim of het briefgeheim zijn geschonden bij het verkrijgen van een bewijsmiddel, is het onrechtmatig en ontoelaatbaar.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Geschreven stukken die uitgaan van een partij zelf, kunnen niet gebruikt worden als bewijsmiddel ten voordele van die partij. Enkel in het handelsrecht geldt de (door de klant aanvaarde) factuur in koopovereenkomsten als bewijsmiddel waarmee de handelaar voor zichzelf kan bewijzen, hoewel de factuur een document is dat van hem uitgaat. Een regelmatig gevoerde boekhouding kan door de rechter aangenomen worden om tussen kooplieden als bewijs te dienen betreffende handelsverrichtingen.

De bekentenis van een partij is een verklaring die in rechte wordt gedaan door de partij zelf of door haar bijzonder gevolmachtigde. Deze verklaring levert een volledig bewijs op tegen hem die de bekentenis heeft gedaan (art. 1356 B. W.).


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 20/01/2016

Bewijsverkrijging - Bulgarije

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

Een bewering van een procespartij wordt door de rechter erkend als de partij die ernaar verwijst er enige vorm van wettelijk toelaatbaar bewijs voor aanvoert. Bijgevolg bestaan er procedurele handelingen van uiteenlopende aard die zijn gegroepeerd in diverse categorieën, naargelang het stadium van de gerechtelijke procedure.

Artikel 153 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (GPK) bepaalt dat alle betwistbare feiten die van belang zijn voor de beslechting van een geschil en voor de verbanden tussen de feiten, moeten worden bewezen; artikel 154 GPK bepaalt dat elke partij de feiten moet vaststellen waarop haar vorderingen en bezwaren zijn gebaseerd.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Volgens de huidige nationale wetgeving zijn feiten waarvoor in de wet een wettelijk vermoeden is vastgesteld, vrijgesteld van de bewijslast. Bewijs dat wordt aangevoerd om aan te tonen dat een bepaald wettelijk vermoeden niet geldig is, wordt altijd toegelaten, behalve indien het wettelijk verboden is (artikel 154, lid 2, GPK).

Daarnaast is vrijstelling van de bewijslast van toepassing op feiten die kennelijk bekend zijn bij het publiek en de rechter; de rechter wordt geacht de partijen daarvan ambtshalve in kennis te stellen (artikel 155 GPK).

In verband hiermee stelt de rechter bij aanvang van de procedure een lijst op met de te bewijzen feiten en vermeldt daarbij welke partijen die feiten moeten bewijzen en bij wie de bewijslast ligt. De rechter spreekt zich ook uit over de verzoeken tot levering van bewijs die worden ingediend door de partijen, en laat bewijs toe als het ter zake, ontvankelijk en nodig is (artikel 146 GPK).

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

De feiten die de partijen aanvoeren ter onderbouwing van hun vorderingen, moeten worden gestaafd met de wettelijk voorgeschreven relevante bewijsmiddelen. De rechter onderzoekt ieder bewijsstuk om het gewicht ervan te bepalen voor de zaak in kwestie (bv. het verschil tussen een authentieke akte en een onderhandse akte).

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Bewijs in een rechtszaak wordt verkregen op basis van een schriftelijk verzoek van de desbetreffende partij of een mondeling verzoek tijdens een hoorzitting volgens de voorschriften voor toepassing van het beginsel van vrije beschikking.

Als de rechter evenwel oordeelt dat bepaald bewijs van belang is voor een geschil, kan hij ambtshalve gelasten dat bewijs te vergaren.

In haar verzoek om bewijs te mogen leveren geeft de partij de feiten weer, evenals het bewijs waarmee zij die feiten wil staven.

In het verzoek om toestemming om een getuige te horen, vermeldt de partij de vragen die de getuige zullen worden gesteld, de volledige naam en de adresgegevens van de getuige, en de datum waarop de getuige volgens de partij zou moeten worden opgeroepen.

Het verzoek om de wederpartij vragen te stellen, bevat de vragen die aan die partij ter beantwoording zullen worden voorgelegd.

Het verzoek om toelating van een deskundigenverklaring vermeldt het desbetreffende expertisegebied, het onderwerp van het deskundigenoordeel en de taak van de getuige-deskundige.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

Als de rechter het mondelinge verzoek om bewijs toewijst, geeft hij een beslissing waarin een termijn voor bewijsverkrijging wordt gesteld. Die termijn vangt aan op de dag van de terechtzitting waarop de termijn is gesteld, ook voor een partij die niet is verschenen ondanks daartoe naar behoren te zijn opgeroepen.

Ingevolge artikel 131, lid 1, en artikel 127, lid 2, GPK geven de partijen een beschrijving van het bewijs en de specifieke feiten die met dat bewijs worden gestaafd, en verstrekken zij al het schriftelijke bewijs waarover zij beschikken bij indiening van het verzoek en bij ontvangst van het verweer van de wederpartij.

Als het vergaren van bepaalde bewijsstukken zorgt voor twijfels of een specifiek probleem oplevert, kan de rechter overeenkomstig artikel 158 GPK een termijn stellen voor het vergaren van bewijs en, als het niet binnen de vastgestelde termijn wordt verstrekt, de zaak behandelen zonder het desbetreffende bewijs. Het bewijs kan later in de procedure alsnog worden geleverd, mits de procedure daardoor niet onredelijk wordt vertraagd.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

De rechter kan bij speciale uitspraak een verzoek tot het verkrijgen van bewijs afwijzen, als de feiten die de partij wil aantonen niet in verband staan met de zaak en als het verzoek om bewijsverkrijging niet tijdig was ingediend. Als een partij vraagt diverse getuigen te verhoren om een feit vast te stellen, kan de rechter besluiten slechts enkele van de voorgestelde getuigen toe te laten. Als het betwiste feit niet is vastgesteld, worden de andere getuigen opgeroepen (artikel 159 GPK).

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vermeldt de volgende bewijsmiddelen:

  • getuigenverklaringen, die zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 163 tot en met 174;
  • toelichtingen van de partijen:
    • strekkende tot erkenning van een bepaald feit;
    • gegeven in antwoord op bepaalde vragen;
    • de verklaringen van de partijen zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 175 tot en met 177 GPK;
  • schriftelijk bewijs, dat is onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 178 tot en met 194 GPK:
    • authentieke akten;
    • onderhandse akten.

Schriftelijk bewijs kan worden ingediend door beide partijen, maar kan ook worden verlangd door de rechter. Schriftelijk bewijs kan worden ingediend op papier of in elektronische vorm. In laatstgenoemd geval kan de rechter tevens een uitdraai van het elektronische document verlangen. Van een partij die een afschrift van een document overlegt, kan worden verlangd dat zij ook het originele document verstrekt (artikel 183 GPK).

Documenten worden gewoonlijk ingediend in het Bulgaars. In een vreemde taal gestelde documenten moeten vergezeld gaan van een nauwkeurige vertaling in het Bulgaars die de partij heeft laten beëdigen.

Als de rechter gedrukt materiaal zonder moeite kan verkrijgen, volstaat overeenkomstig artikel 187 GPK een vermelding van de plaats waar het materiaal is gepubliceerd.

De rechter kan bevelen dat bepaald schriftelijk bewijs wordt verstrekt door de partijen of door derden die niet bij de zaak zijn betrokken. Overeenkomstig de artikelen 190 en 192 GPK kan elk der partijen daartoe een verzoek indienen bij de rechter, die beslist op grond van al het beschikbare bewijs. Voor de verkrijging van schriftelijk bewijs van een externe partij is een speciaal daartoe opgesteld schriftelijk verzoek aan de rechtbank nodig. Een afschrift van het verzoek wordt beschikbaar gesteld aan de betrokken derde.

Hoewel de partijen wettelijk verplicht zijn bewijs te verstrekken, kunnen zij dat weigeren als een document hun persoonlijk leven of dat van een familielid betreft, of als zij zichzelf daardoor in diskrediet zouden brengen of aan strafvervolging zouden blootstellen. In een dergelijk geval kan de rechter, onder bepaalde voorwaarden, de partij opdragen fragmenten uit het document in te dienen.

Krachtens nationaal recht kan een partij de echtheid van een door de wederpartij ingediend schriftelijk document betwisten, mits zij dat doet zodra een antwoord op haar indiening is ontvangen. In het geval van een tijdens de zitting aangevoerd document, moet betwisting plaatsvinden voor het eind van de zitting. Als de wederpartij het betwiste document wil gebruiken, gelast de rechter een onderzoek naar de echtheid ervan. De bewijslast ligt bij de partij die de echtheid van het document betwist. Als het betwiste document niet is ondertekend door de partij die de echtheid ervan betwist, ligt de bewijslast bij die partij die het document heeft ingediend. Na het betwiste document te hebben onderzocht op echtheid, beslist de rechter of het wel of niet echt is. De rechter kan deze bevinding opnemen in zijn uitspraak in de zaak (artikelen 193 en 194 GPK).

  • De voorschriften in verband met getuige-deskundigen zijn vervat in de artikelen 195 tot en met 203 GPK.

Getuige-deskundigen worden aangewezen op verzoek van de partijen of ambtshalve door de rechter. Getuige-deskundigen presenteren hun rapport uiterlijk één week voor de datum van de zitting waarin het rapport moet worden toegelaten.

Als de conclusie van de getuige-deskundige wordt betwist, kan de rechter een of meer andere getuige-deskundigen aanwijzen. De rechter kan de getuige-deskundige ook verzoeken zijn advies te herzien of een second opinion over de kwestie te verstrekken.

  • De voorschriften voor visuele inspectie en certificering zijn vervat in de artikelen 204 tot en met 206 GPK.

De rechter kan op verzoek van de partijen of ambtshalve gelasten dat roerend of onroerend goed visueel wordt geïnspecteerd of dat een persoon wordt gecertificeerd met of zonder tussenkomst van getuigen en door de rechtbank aangewezen deskundigen.

Visuele inspecties en certificering zijn methoden voor het vergaren en verifiëren van bewijs. Zij vallen onder de bevoegdheid van de gehele rechtbank en kunnen worden gedelegeerd aan een lid van de rechtbank of aan een andere rechtbank.

De rechter stelt de partijen in kennis van de datum en plaats van de visuele inspectie. Van de visuele inspectie wordt een rapport opgemaakt met daarin de bevindingen, de toelichting van de getuige-deskundigen en de verklaringen van de getuigen die zijn ondervraagd op de plaats van de inspectie.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Van getuigen wordt bewijs verkregen via verhoren. Schriftelijk ingediende getuigenverklaringen zijn niet ontvankelijk. De conclusies van getuige-deskundigen worden uiterlijk één week voor de datum van de zitting schriftelijk ingediend en vervolgens tijdens de zitting behandeld en als bewijs toegelaten. De rechter en de partijen kunnen vragen stellen aan de getuige-deskundigen.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Het nationale procesrecht kent niet meer gewicht toe aan sommige soorten bewijs dan aan andere. Bewijs wordt op zijn eigen merites en in zijn geheel beoordeeld zoals het aanwezig is op de datum van beoordeling van de vastgestelde feiten die aanleiding zijn voor de vordering.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

In bepaalde, uitdrukkelijk bij wet bepaalde gevallen - bijvoorbeeld de validatie van rechtshandelingen waarvoor een schriftelijke handeling is vereist - is alleen schriftelijk bewijs ontvankelijk. In de volgende gevallen zijn getuigenverklaringen niet ontvankelijk: weerlegging van de inhoud van een authentieke akte; vaststelling van omstandigheden waarvoor bewijs moet worden verstrekt in de vorm van een schriftelijke handeling; validering van overeenkomsten met een waarde van meer dan 5 000 BGN, tenzij het gaat om een overeenkomst tussen echtgenoten, rechtstreekse bloedverwanten in opgaande of neergaande lijn, familieleden tot en met de vierde graad van bloedverwantschap of aangehuwde familieleden tot en met de tweede graad van aanverwantschap; afwikkeling van geldelijke verplichtingen die zijn vastgesteld bij schriftelijke beslissing; validering van schriftelijke overeenkomsten waarbij de procespartij die verzoekt om toelating van een getuige partij is, of de wijziging of ontbinding van zulke overeenkomsten; weerlegging van de inhoud van een onderhandse akte die afkomstig is van de partij.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Personen mogen uitsluitend weigeren een getuigenverklaring af te leggen, als zij wettelijk uitdrukkelijk van die verplichting zijn ontheven.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Naast de advocaten van de partijen of de bemiddelaars in het geschil kunnen de volgende partijen weigeren te getuigen: de rechtstreekse verwanten in opgaande of neergaande lijn, hun (half-)broers en -zussen, verwanten in de eerste graad van aanverwantschap, echtgenoten, voormalige echtgenoten of geregistreerde partners (artikel 166 GPK). De rechter beoordeelt de getuigenverklaring in het licht van alle overige beschikbare informatie, rekening houdend met het eventuele belang van de getuige bij de zaak.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Overeenkomstig artikel 163 GPK zijn getuigen verplicht voor de rechter te verschijnen en een verklaring af te leggen. Getuigen met geldige redenen om geen verklaring af te leggen of bepaalde vragen niet te beantwoorden, maken die redenen schriftelijk kenbaar aan de rechter voorafgaand aan de zitting waarop zij hun verklaring zouden moeten afleggen, onder overlegging van het benodigde ondersteunende bewijs (artikel 167 GPK). Getuigen die zijn opgeroepen maar niet voor de rechter verschijnen, worden beboet; de rechter kan bovendien gelasten de getuige te laten ophalen door de gerechtelijke politie.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Bewijs kan worden verkregen van alle partijen behalve die genoemd in punt 6B, ook als zij onbekwaam zijn of een belang hebben bij de uitkomst van het geschil. In zijn beoordeling van getuigenverklaringen houdt de rechter rekening met de eventuele onbekwaamheid van de getuige of diens belangen bij de zaak.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Getuigen worden toegelaten op verzoek van de partijen of ambtshalve door de rechter. Een getuige ontvangt de oproep om te verschijnen op het adres dat is opgegeven door de partij die hem laat oproepen. Als het adres onjuist is, stelt de rechter een termijn waarbinnen die partij een nieuw adres moet opgeven.

Elke getuige die naar behoren is opgeroepen en ter zitting verschijnt, wordt apart gehoord in aanwezigheid van de partijen. Een getuige kan meerdere keren worden gehoord. De rechtbank beoordeelt de verklaring van de getuige in het licht van al het overige bewijs in de zaak. Overeenkomstig artikel 170 GPK wijst de rechter de getuige vooraf op de rechtsgevolgen van meineed en noteert hij de persoonsgegevens van de getuige. Als de rechter daarvoor een dwingende reden heeft, kan hij de getuige voor de datum van de hoorzitting horen of het onderzoek buitengerechtelijk uitvoeren. De partijen worden opgeroepen om aanwezig te zijn bij het onderzoek. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat geen bepalingen over getuigenverhoor via videoconferentie of langs andere technische weg. Als het nodig is bewijs te vergaren in een ander rechtsgebied, kan de rechter die taak delegeren aan de plaatselijke rechtbank (rayonen sad) (artikel 25 GPK).

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Onrechtmatig verkregen bewijs of bewijs waarvan na betwisting overeenkomstig de procedure voor het betwisten van schriftelijke documenten is aangetoond dat het vals is, blijft buiten beschouwing in de beraadslaging van de rechter. Dergelijk bewijs kan worden uitgesloten van de zaak. Dezelfde procedure is van toepassing op ingediend bewijs dat van geen belang voor het geschil blijkt te zijn.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Een verklaring van een partij kan worden toegelaten als bewijs, indien zij is afgelegd overeenkomstig de procedure beschreven in artikel 176 GPK, bv. als de rechter de partij heeft bevolen persoonlijk te verschijnen en een toelichting te geven op de omstandigheden van de zaak.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 18/12/2018

Bewijsverkrijging - Tsjechië

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

De bewijslast vloeit voort uit de "stelplicht", die in beginsel kan worden afgeleid uit de wettelijke bepaling op grond waarvan een recht in een gerechtelijke procedure kan worden afgedwongen. Meer in het bijzonder gaat het om het feitencomplex dat in een bepaald geding moet worden gesteld. Het Tsjechische Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat elke partij haar stellingen moet bewijzen door relevante bewijsmiddelen aan te dragen. Dit is de zogenoemde "bewijslast". In de regel berust de bewijslast voor een bepaald feit bij de partij die stelt dat het betreffende feit relevant is in een geding.

Alle partijen moeten de voor hun vordering relevante feiten stellen en bewijzen. Als de door een partij gestelde feiten en de aangedragen bewijsmiddelen onvolledig zijn, is de rechter gehouden de partij daarvan op de hoogte te stellen.

Als de rechter in een contentieuze procedure van oordeel is dat de door een partij gestelde feiten niet zijn bewezen, is hij verplicht die partij erop te wijzen dat zij bewijs moet leveren ter onderbouwing van al haar stellingen en dat zij in het ongelijk kan worden gesteld als zij niet aan deze verplichting voldoet. De rechter hoeft partijen hierop echter enkel tijdens zittingen te wijzen, niet in gerechtelijke stukken die aan de partijen worden toegezonden (bv. in een dagvaarding).

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Feiten van algemene bekendheid (feiten die een grote groep mensen op een bepaalde plek en een bepaald tijdstip bekend zijn) of feiten die de rechter uit hoofde van zijn functie kent en wetgeving die in het Tsjechische staatsblad (Sbírka zákonů) is gepubliceerd of bekendgemaakt, hoeven niet te worden bewezen. De rechter kan zich van buitenlands recht op de hoogte stellen door eigen onderzoek, via een verklaring van het ministerie van Justitie op verzoek van de rechter, via een deskundigenoordeel of door middel van een verzoek overeenkomstig internationale verdragen. Al deze feiten kunnen door tegenbewijs worden weerlegd.

Voor bepaalde categorieën feiten zijn in de wet vermoedens neergelegd. Bij weerlegbare vermoedens is tegenbewijs toegelaten. Onweerlegbare vermoedens kunnen niet worden weerlegd, maar deze categorie vermoedens vormt de uitzondering. De rechter acht een weerlegbaar vermoeden bewezen als geen van de partijen gedurende het proces bewijsmiddelen overlegt om het vermoeden te ontkrachten en zo bewijst dat de feiten in dit geval anders liggen. Bij sommige weerlegbare vermoedens kan tegenbewijs alleen binnen een wettelijke termijn worden geleverd.

De rechter is gebonden aan beslissingen van bevoegde organen dat een strafbaar feit is gepleegd of een bestuursrechtelijke bepaling is overtreden waarop een sanctie is gesteld ingevolge bijzondere bepalingen, en aan beslissingen over daderschap. Ook is de rechter gebonden aan beslissingen over de staat van personen. De rechter is echter niet gebonden aan een beslissing dat een strafbaar feit is gepleegd of over daderschap als deze beslissing in een spoedprocedure is genomen. Andere beslissingen in een strafprocedure of beslissingen over bestuurlijke overtredingen hebben geen gezag van gewijsde.

Een bijzonder soort weerlegbaar vermoeden geldt als een partij stelt dat zij, direct of indirect, het slachtoffer is geweest van discriminatie op grond van geslacht, ras, geloof of andere kenmerken. De bewijslast berust dan bij de wederpartij, die moet bewijzen dat de eiser niet is gediscrimineerd.

Akten die door een rechterlijke of andere overheidsinstantie in Tsjechië binnen het kader van haar bevoegdheden zijn afgegeven en akten die bij wet authentiek zijn verklaard, bevestigen dat het gaat om een voorschrift of verklaring van de instantie die de akte heeft afgegeven (behoudens tegenbewijs). Zij bevestigen tevens de juistheid van de daarin verklaarde of bevestigde feiten. Indien feiten worden bewezen door een authentieke akte, rust de bewijslast op de partij die de echtheid van de akte betwist. Gaat het echter om een onderhandse akte, dan rust de bewijslast op de partij die zich op de akte beroept. Als een partij haar stellingen onderbouwt met een onderhandse akte en de wederpartij de echtheid of juistheid van deze akte betwist, dan verschuift de bewijslast weer naar de partij in het geschil die dit bewijsmiddel heeft overgelegd. Zij moet het bewijs van haar stelling dan op een andere wijze leveren.

In de regel hoeven feiten die door geen der partijen worden betwist, niet te worden bewezen. De rechter beschouwt deze als zijn eigen overtuiging.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

In gerechtelijke procedures geldt het beginsel van de vrije waardering van het bewijs, dat wil zeggen dat de wet niet precies bepaalt wanneer een rechter een feit al dan niet als bewezen moet aanvaarden. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat "de rechter elk bewijsmiddel afzonderlijk en al het bewijsmateriaal in zijn onderlinge samenhang beoordeelt en waardeert, en dat de rechter alles wat tijdens de procedure naar voren is gekomen bij zijn beslissing betrekt, met inbegrip van de feiten die door de partijen zijn gesteld".

De rechter doet uitspraak op grond van zijn overtuiging. Overtuiging is een situatie waarin er geen redelijke of rechtmatige twijfels zijn.

Als de weging van de bewijsmiddelen tot de conclusie leidt dat de stellingen niet kunnen worden bewezen of weerlegd, zal in het algemeen de partij die de juistheid van haar stellingen moest bewijzen in het ongelijk worden gesteld.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

In contentieuze procedures neemt de rechter in beginsel alleen door partijen aangeboden bewijsmiddelen aan. De rechter kan echter beslissen dat bepaalde bewijsmiddelen niet worden toegelaten, in de regel als hij het feit in kwestie bewezen acht. De rechter kan ook andere dan de door partijen aangeboden bewijsmiddelen toelaten, wanneer de feiten moeten worden vastgesteld en als dat voortvloeit uit de inhoud van het dossier. Als de partijen niet aangeven welk bewijs nodig is om hun stellingen te onderbouwen, baseert de rechter zijn onderzoek van de feiten op het bewijs dat is verkregen. De rechter kan feiten die door geen der partijen worden betwist als zijn eigen overtuiging beschouwen.

In niet-contentieuze (voluntaire) zaken daarentegen, dat wil zeggen in zaken die door de rechter ambtshalve kunnen worden ingeleid, en in bepaalde andere procedures is de rechter verplicht om ook andere dan de door partijen aangedragen bewijsmiddelen toe te laten om de feiten vast te stellen.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

De rechter verkrijgt bewijs tijdens de zitting. Als dat praktisch haalbaar is, kan een andere rechtbank, of de voorzitter in opdracht van de kamer, worden gevraagd het bewijs buiten de zitting om te verkrijgen (afhankelijk van onder meer het soort bewijs). De partijen hebben het recht om bij de bewijsvoering aanwezig te zijn. De uitkomst moet na afloop van de zitting altijd worden bekendgemaakt. De partijen hebben het recht opmerkingen te maken over elk bewijsstuk dat is verkregen.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Het is aan de rechter om te beslissen welke bewijsmiddelen worden toegelaten. De beslissing van de rechter om bepaalde aangedragen bewijsmiddelen niet toe te laten, moet naar behoren worden gemotiveerd. In het algemeen laat de rechter geen bewijsmiddelen toe als deze naar zijn mening de feiten niet kunnen verhelderen (om het onnodig leveren van bewijs te voorkomen), als de kosten van de verkrijging niet in verhouding staan tot het bedrag van de vordering die het voorwerp van het geding is of als het bedrag van de vordering in het geheel niet kan worden vastgesteld. Om ervoor te zorgen dat de rechter een duidelijk beeld krijgt van het te verkrijgen bewijs, moeten de partijen een specifiek bewijsaanbod doen. Dat wil zeggen dat zij de namen en andere identificatiegegevens van getuigen moeten opgeven en moeten aangeven over welke feiten de voorgestelde getuige een verklaring zal afleggen. Partijen zijn ook verplicht schriftelijk bewijs te specificeren en de reikwijdte aan te geven van een kwestie die een deskundige in een deskundigenoordeel kan verduidelijken.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Alle middelen die kunnen dienen om de feiten in een zaak vast te stellen, kunnen als bewijsmiddel worden gebruikt. Deze omvatten met name het ondervragen van getuigen, deskundigenoordelen, verslagen en verklaringen van autoriteiten en van natuurlijke en rechtspersonen, akten van notarissen en deurwaarders en andere akten, en het horen en ondervragen van partijen.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Elke natuurlijke persoon die geen partij is bij het geding en als getuige wordt opgeroepen, is verplicht te verschijnen en een verklaring af te leggen. Een getuige legt een verklaring af over wat hij zelf heeft ervaren of waargenomen. Hij moet de waarheid vertellen en mag niets verzwijgen. Getuigen kunnen zich uitsluitend op hun verschoningsrecht beroepen als zijzelf of hun naasten door het afleggen van een verklaring het risico van strafvervolging zouden lopen. De rechter beslist of de getuige terecht een verschoningsrecht inroept. Aan het begin van een verhoor moet de identiteit van de getuige worden vastgesteld en moet worden bepaald welke omstandigheden van invloed kunnen zijn op zijn geloofwaardigheid. Getuigen moeten ook op de hoogte worden gesteld van de betekenis van hun verklaring, hun rechten en plichten en van de strafrechtelijke gevolgen van een valse getuigenverklaring. De voorzitter vraagt de getuigen alles te beschrijven wat zij weten over het onderwerp van het verhoor. De rechter stelt vervolgens de nodige vragen om hun verklaring aan te vullen of te verduidelijken. Ook de leden van de rechtbank en, na toestemming van de voorzitter, partijen en deskundigen kunnen de getuigen vragen stellen.

De bewijslevering door middel van deskundigen verschilt hiervan hoofdzakelijk omdat deskundigen in de meeste gevallen een schriftelijk oordeel opstellen en daarop tijdens de zitting een mondelinge toelichting geven. Bewijs op basis van een deskundigenoordeel wordt verkregen in gevallen waarin omstandigheden moeten worden beoordeeld waarvoor de kennis van een deskundige nodig is. Een deskundigenoordeel bestaat uit drie delen: de bevindingen, waarin de deskundige de omstandigheden beschrijft die hij heeft onderzocht; het oordeel, met de beoordeling van de feiten door de deskundige (conclusie), en de deskundigenclausule. In de regel behandelen deskundigen specifieke vraagstukken die door de rechter zijn vastgesteld, tenzij voor een oordeel wettelijke eisen gelden (met name in het ondernemingsrecht). Deskundigen worden door de rechter benoemd en gekozen uit een lijst van geregistreerde deskundigen en tolken, die door de regionale gerechten wordt bijgehouden. Deskundigen hebben recht op een financiële vergoeding voor het opstellen van hun oordeel of advies als de toepasselijke wetgeving daarin voorziet.

De voorzitter kan een partij of een andere persoon gelasten om voor een deskundige te verschijnen, de nodige stukken aan hem over te leggen, hem de nodige toelichtingen te geven, een medisch onderzoek of een bloedproef te ondergaan, of iets te doen of te dulden als dat nodig is voor het indienen van een deskundigenoordeel.

Een deskundigenoordeel kan ook door een partij in de procedure worden ingediend. Als een door een procespartij ingediend deskundigenoordeel alle wettelijke elementen bevat en als er een clausule in is opgenomen waarin de deskundige verklaart dat hij zich bewust is van de gevolgen van een opzettelijk onjuist oordeel, wordt het bewijs verkregen alsof het oordeel op verzoek van de rechter is opgesteld. De rechter staat toe dat een deskundige die door een der partijen om een deskundigenoordeel is gevraagd, het dossier inziet of anderszins kennisneemt van de informatie die nodig is om het deskundigenoordeel op te stellen.

Getuigen leggen een verklaring af over feiten die zij uit eigen waarneming kennen, terwijl deskundigen enkel een oordeel geven op terreinen waar de beoordeling van de feiten afhankelijk is van specialistische kennis. De conclusies van een deskundige worden door de rechter niet op hun juistheid beoordeeld; de rechter beoordeelt de overtuigingskracht van het advies aan de hand van de volledigheid ervan met betrekking tot de gestelde eisen, interne samenhang en overeenstemming met ander geleverd bewijs.

Schriftelijk bewijs wordt verkregen door middel van voorlezing van het document of een deel ervan tijdens de zitting door de voorzitter of bekendmaking van de inhoud ervan. De voorzitter kan een partij die een bepaalde akte bezit die nodig is als bewijs, opdragen deze akte over te leggen of kan deze akte van een andere rechtbank, autoriteit of rechtspersoon verkrijgen.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Er is geen voorkeur voor een bepaalde bewijsmethode, hoewel sommige bewijsmiddelen enkel mogen worden toegelaten nadat de verkrijging van wettelijke bewijsmiddelen onmogelijk is geworden. Hierbij gaat het in de regel om akten die in de voorgeschreven schriftelijke vorm zijn opgemaakt: alleen als deze akten bijvoorbeeld verloren zijn gegaan, kan bewijs worden verkregen met andere middelen (bv. door het horen van getuigen). Het verkrijgen van bewijs door een partij te horen over haar stellingen, kan in contentieuze zaken alleen worden bevolen als het betwiste feit niet met andere middelen kan worden bewezen (anders dan via instemming met een verhoor). Andere bewijsmiddelen hebben dus voorrang.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

In sommige gevallen kan de wet voorschrijven welk bewijs moet worden verkregen, afhankelijk van het geschil. In een procedure tot verkrijging van toestemming voor een huwelijk moeten bijvoorbeeld beide aanstaande echtgenoten worden gehoord.

Bepaalde feiten kunnen alleen met bepaalde middelen worden bewezen. Een orderwissel of cheque kan bijvoorbeeld alleen worden afgegeven na overlegging van het originele papier, een aflossingspapier of andere akte; een bevelschrift kan enkel ten uitvoer worden gelegd op grond van een uitvoerbare beslissing of executoriale titel enz.

Voor het vaststellen van bepaalde verplichtingen of zakelijke rechten (vooral met betrekking tot onroerende zaken) vereist de wet een schriftelijke overeenkomst. In dat geval geldt uitsluitend deze overeenkomst als bewijsmiddel.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Ja, eenieder die als getuige wordt opgeroepen, is wettelijk verplicht te verschijnen en een verklaring af te leggen. Vertegenwoordiging is niet mogelijk. Getuigen die voldoen aan hun plicht een verklaring af te leggen, hebben recht op een "getuigenvergoeding" (vergoeding van kosten en gederfde inkomsten).

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Getuigen kunnen zich verschonen als zij zichzelf of hun naasten door het afleggen van een verklaring bloot zouden stellen aan het risico van strafvervolging. De rechter beslist of de getuige terecht een verschoningsrecht inroept. De rechter moet ook de wettelijke verplichting van getuigen eerbiedigen om de vertrouwelijkheid van door een bijzondere wet beschermde gerubriceerde gegevens te bewaren en andere wettelijke of door de staat erkende geheimhoudingsplichten in acht nemen (bv. feiten die onder het medisch beroepsgeheim of het bankgeheim vallen enz.). In deze gevallen mag iemand alleen worden gehoord als hij van die verplichting is vrijgesteld door de bevoegde autoriteit of door degene die belang heeft bij die verplichting.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

De naleving van de verplichting om te getuigen kan worden afgedwongen door de getuige door de Tsjechische politie te laten ophalen om voor de rechter te verschijnen of, in extreme gevallen, door een geldboete op te leggen.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

In het algemeen zijn er geen categorieën personen die niet kunnen worden verplicht om te getuigen. Er zijn echter wel soorten feiten waarover bepaalde personen geen getuigenverklaring mogen afleggen (zie vraag 2.9).

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Alleen een rechter (de voorzitter van de rechtbank) mag een getuige ondervragen. Hij leidt het verhoor. De overige leden van de rechtbank, partijen en deskundigen mogen een getuige alleen na toestemming van de voorzitter aanvullende vragen stellen. De voorzitter kan beletten dat een vraag wordt beantwoord, bijvoorbeeld een suggestieve vraag die bedoeld is om de getuige in de val te laten lopen, of een vraag die niet passend of ter zake dienend is.

Het gebruik van moderne technologieën (waaronder videoconferenties) waarmee verhoor op afstand mogelijk is, is momenteel toegestaan in rechtbanken die over de benodigde technische uitrusting beschikken.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Ja. Als een partij ter staving van haar stellingen bewijs aanbiedt dat zij in strijd met algemeen bindende wetgeving heeft verkregen en bij de verkrijging van het bewijs de rechten van een andere natuurlijke of rechtspersoon zijn geschonden, is dit bewijsmateriaal niet ontvankelijk en laat de rechter het derhalve niet toe.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

De rechter kan gelasten dat bewijs wordt verkregen door de partijen te horen als het betwiste feit niet op een andere manier kan worden bewezen en als de te horen partij daarmee instemt. Deze regel is niet van toepassing in niet-contentieuze zaken, dat wil zeggen in zaken die door de rechter ambtshalve kunnen worden ingeleid (zie punt 2.1), en in echtscheidingsprocedures of procedures tot ontbinding, nietigverklaring of nietigheid van een partnerschap. Enkel als een verhoor van partijen door de rechter afzonderlijk is bevolen als procedureel bewijs om gestelde feiten te bewijzen, wordt het als bewijsmiddel beschouwd.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 13/11/2018

Bewijsverkrijging - Ierland

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

De bewijslast betreffende een bepaalde vordering rust in het algemeen op de partij die de desbetreffende stelling of vordering aanvoert. Zo rust in een zaak met betrekking tot nalatigheid de bewijslast inzake de nalatigheid op de eiser en de bewijslast voor medeaansprakelijke nalatigheid op de verweerder. In het algemeen draagt de eiser de bewijslast betreffende de feiten die noodzakelijk zijn tot staving van zijn vordering, terwijl de verweerder in het algemeen zijn verweer tegen de vordering moet staven. Indien de verweerder een tegenvordering instelt, rust de bewijslast betreffende die tegenvordering op de verweerder. In de wetgeving wordt echter soms voorgeschreven dat de bewijslast op de verweerder rust. In zaken over onterecht ontslag rust de bewijslast op de verwerende werkgever, d.w.z. de werkgever moet aantonen dat er gegronde redenen waren voor het ontslag (zie de De link wordt in een nieuw venster geopend.Unfair Dismissals Act 1977, als gewijzigd).

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Erkende feiten hoeven niet te worden bewezen. Rechters kunnen zich ook baseren op algemene bekendheid of 'juridisch kennisnemen' van feiten die duidelijk vaststaan of algemeen bekend zijn; dergelijke feiten hoeven niet te worden bewezen. Er zijn ook verschillende wettelijke vermoedens die door tegenbewijs kunnen worden weerlegd. Het gaat onder meer om vermoedens inzake de wettigheid van kinderen, de geldigheid van huwelijken, de geestelijke gezondheid van volwassen personen en de dood van vermisten waarvan al meer dan zeven jaar niets is vernomen ondanks dat alle desbetreffende onderzoeken zijn gedaan. Het beginsel res ipsa loquitur ('de feiten spreken voor zich') is van toepassing indien er wordt uitgegaan van een vermoeden van nalatigheid in omstandigheden waarin is aangetoond dat de oorzaak van het ongeval op het moment van het ongeval onder de controle van de verweerder of diens personeelsleden of vertegenwoordigers stond en het ongeval van dien aard was dat het zich normaliter niet zou hebben voorgedaan als degenen die de controle hadden, voldoende zorgvuldig hadden gehandeld. Indien een beroep wordt gedaan op res ipsa loquitur, komt de bewijslast daardoor op de verweerder te rusten en moet hij vervolgens aantonen dat hij niet nalatig is geweest. De bewijslast inzake het aantonen van het oorzakelijke verband blijft echter op de eiser rusten. Van belang is het feit dat indien uit de feiten blijkt dat het beginsel res ipsa loquitur duidelijk van toepassing is, de eiser zich hierop tijdens de terechtzitting kan beroepen zelfs wanneer deze regel niet is aangevoerd of niet is opgenomen in de vordering van de eiser.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

In een burgerlijke zaak wordt een partij op een bepaald punt in het gelijk gesteld indien hij het gerecht op basis van een balance of probabilities ('afweging van waarschijnlijkheid') van dat punt weet te overtuigen. Dit betekent dat indien een partij er niet in slaagt het gerecht ervan te overtuigen dat zijn versie van de gebeurtenissen waarschijnlijker is dan de versie van de tegenpartij, eerstbedoelde partij in het ongelijk zal worden gesteld. Dit is een flexibele maatstaf en rechters eisen in het algemeen meer bewijzen in bepaalde zaken, zoals fraudezaken, vanwege de ernst van de betrokken beschuldiging.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

In burgerlijke procedures worden bewijzen verkregen door discovery (overlegging van informatie op verzoek van de andere partij), disclosure (overlegging van relevante documenten en informatie door de partijen) en verklaringen van getuigen en deskundigen.

Discovery: in procedures voor het High Court kan de ene partij de andere partij schriftelijk verzoeken om vrijwillig informatie over te leggen. Het gerecht zal alleen maar een bevel tot dergelijke overlegging van informatie (discovery) uitvaardigen indien de andere partij nalaat of weigert de informatie vrijwillig over te leggen of het verzoek om overlegging van informatie negeert (zie die De link wordt in een nieuw venster geopend.Rules of the Superior Courts, Ord. 31, r. 12, als gewijzigd). De informatie waar op deze wijze om wordt verzocht, moet relevant en noodzakelijk zijn voor de feiten die in het geding zijn. Het is ook mogelijk te verzoeken om overlegging van documenten van een derde die geen partij is in de procedure.

Disclosure: partijen in een procedure met betrekking tot een vordering wegens persoonlijk letsel moeten aan de andere partij, zonder dat daartoe een verzoek hoeft te worden ingediend bij het gerecht, alle medische dossiers ter inzage geven die zijn opgesteld door deskundigen die als getuigen zullen worden opgeroepen om ter terechtzitting een verklaring af te leggen (zie die De link wordt in een nieuw venster geopend.Rules of the Superior Courts, Ord. 39, r. 46, als gewijzigd). Beide partijen moeten ook lijsten uitwisselen met de namen en adressen van alle getuigen die zij willen oproepen. Bovendien moet de eiser een volledige staat overleggen van alle vergoedingen van bijzondere schade of directe contante uitgaven in verband met de schade die of het letsel dat het voorwerp is van de vordering.

Getuigen: het gebruik door partijen van getuigenbewijs in hun voordeel is niet afhankelijk van de toestemming van de rechter, met uitzondering van procedures van de Commercial List of the High Court, waarbij een partij die zich wil baseren op getuigenbewijs een door de getuige ondertekende getuigenverklaring moet verstrekken waarin dit getuigenbewijs is opgenomen en de getuige moet oproepen om ter terechtzitting een mondelinge verklaring af te leggen. Indien de partij vóór de terechtzitting in de High Court Commercial List geen getuigenverklaring verstrekt, mag de partij deze getuige niet zonder toestemming van het gerecht oproepen. Bovendien heeft het gerecht uitgebreide bevoegdheden om te controleren welke bewijselementen toelaatbaar zijn en kan het bewijzen die anders toelaatbaar zouden zijn, uitsluiten of beperkingen opleggen aan het kruisverhoor van getuigen. In bepaalde omstandigheden kan een partij ook verzoeken om een gerechtelijk bevel tot opname van getuigenbewijs in een beëdigde getuigenverklaring die vóór de terechtzitting wordt afgelegd voor een door het gerecht aangewezen onderzoeker. In het algemeen is het de taak van de rechter om kennis te nemen van alle door de partijen aangevoerde bewijzen en is het niet zijn taak om zelf de feiten vast te stellen. In het algemeen heeft de rechter niet het recht zonder instemming van de partijen een getuige op te roepen, hoewel hij dit wel mag doen in geval van belemmering van de rechtsgang of in bepaalde procedures die de zorg voor kinderen betreffen. Een rechter heeft ook de bevoegdheid een getuige die eerder door een partij is opgeroepen, opnieuw op te roepen.

Deskundigen: het gebruik door partijen van deskundigenbewijs in hun voordeel is in het algemeen niet afhankelijk van de toestemming van de rechter. Waar deskundigenbewijs dient te worden voorgelegd, dienen de partijen eventuele deskundigenverslagen voorafgaand aan de terechtzitting uit te wisselen. In procedures van de Commercial List of the High Court kan de rechter in het kader van de procedure voorafgaand aan de terechtzitting de deskundigen gelasten met elkaar in overleg te treden teneinde de punten vast te stellen waarover zij voornemens zijn een verklaring af te leggen en tot overeenstemming te komen over de verklaring die zij willen afleggen met betrekking tot die punten, waarbij zij rekening dienen te houden met eventuele zaken die de rechter hun ter overweging meegeeft. Het gerecht kan deze deskundigen gelasten een memorandum met het resultaat van hun bijeenkomsten en beraadslagingen op te stellen, dat door hen gezamenlijk aan de griffier en de partijen dient te worden overgelegd. Dit resultaat van de beraadslagingen van deskundigen is niet bindend voor de partijen (zie die De link wordt in een nieuw venster geopend.Rules of the Superior Courts, Ord. 63A, r. 6(1)(ix)).

Het gerecht kan zelf een deskundige als assessor (bijzitter) aanwijzen om het gerecht bij te staan in het geding. Het gerecht kan de assessor gelasten een verslag op te stellen (waarvan een kopie aan de partijen moet worden verstrekt) en het proces bij te wonen om het gerecht advies te verlenen of bij te staan.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

Discovery: het gerecht zal uitsluitend bevelen dat bepaalde informatie moet worden overgelegd (discovery) indien de partij die verzocht is dergelijke informatie over te leggen er niet in is geslaagd, heeft geweigerd of heeft nagelaten de gevraagde informatie vrijwillig over te leggen. Indien het gerecht overlegging van informatie (discovery) beveelt, zal het gerecht meestal beslissen dat de kosten van de partij die om de overlegging van die informatie heeft verzocht, moeten worden vergoed. Indien een partij in een procedure het bevel krijgt bepaalde documenten die hij in zijn bezit heeft of waarover hij beschikt over te leggen, dient de partij in kwestie kopieën van de desbetreffende documenten aan de andere partij ter beschikking te stellen. Aan een bevel tot overlegging van informatie (order for discovery) wordt voldaan door een beëdigde verklaring af te leggen waarin de desbetreffende documenten als bijlage bij de verklaring worden opgenomen. Teneinde zeker te stellen dat procespartijen voldoen aan bevelen tot overlegging van informatie, kan het verzuim om te voldoen aan een dergelijk bevel ertoe leiden dat de vordering niet ontvankelijk wordt verklaard of dat het verweer wordt geschrapt.

Getuigen: het gebruik door partijen van getuigenbewijs in hun voordeel is niet afhankelijk van de toestemming van de rechter. Indien het gerecht beveelt getuigenbewijs in een beëdigde getuigenverklaring op te nemen, zal de getuige zijn verklaring mondeling afleggen voor een door het gerecht aangewezen onderzoeker. Het getuigenverhoor verloopt dan op dezelfde wijze als op een terechtzitting met een onbeperkte mogelijkheid tot kruisverhoor; van dit getuigenverhoor wordt een transcriptie opgesteld.

Deskundigen: het gebruik door partijen van deskundigenbewijs in hun voordeel is in het algemeen niet afhankelijk van de toestemming van de rechter. Deskundigen kunnen schriftelijke verslagen opstellen waarin zij hun bevindingen noteren en hun onpartijdige advies als deskundige geven. Indien er deskundigenverslagen worden opgesteld, dienen deze voorafgaand aan de terechtzitting te worden uitgewisseld. De deskundige heeft in de eerste plaats een verplichting jegens het gerecht en niet jegens de partijen in de procedure, hoewel de deskundige wordt betaald door de partij die hem instructies geeft.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Het gerecht kan een verzoek van een partij tot verkrijging of overlegging van bepaald bewijs afwijzen indien het gerecht van oordeel is dat het bewijs in kwestie irrelevant, onbruikbaar of ontoelaatbaar is. Volgens de "best evidence rule" (regel van het beste bewijs), moet het beste en meest directe bewijs van een feit worden overgelegd of, indien het beste bewijs niet beschikbaar is, moet er verantwoording worden afgelegd van het ontbreken ervan. Zo is bijvoorbeeld het beste bewijs van de inhoud van een bepaalde brief overlegging van de brief op zich, in plaats van een mondelinge verklaring over de inhoud ervan. In het algemeen zijn alle bewijselementen die relevant zijn voor in het geding zijnde feiten toelaatbaar. Bepaalde bewijselementen zijn echter niet toelaatbaar, zoals vertrouwelijke communicatie (bijvoorbeeld bewijs betreffende vertrouwelijke communicatie tussen een cliënt en een advocaat). Derhalve beslist de rechter van geval tot geval over de toelaatbaarheid van bewijselementen.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Feiten kunnen worden aangetoond aan de hand van bewijzen, vermoedens en gevolgtrekkingen afgeleid uit bewijzen. Het gerecht kan ook 'juridisch kennisnemen' van feiten. In burgerlijke procedures kunnen getuigenbewijs, documenten en materiële bewijzen als bewijsmiddel worden gebruikt. Documenten kunnen papieren documenten, computerbestanden, foto’s, alsook video- en geluidsopnamen omvatten.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Getuigenverklaringen worden in beginsel mondeling ter terechtzitting afgelegd. Ter terechtzitting zal de getuige worden gevraagd de echtheid en de juistheid van zijn verklaring te bevestigen.

Deskundigenbewijs wordt in een schriftelijk verslag opgenomen, tenzij het gerecht anders beveelt. In een deskundigenverslag moeten de conclusies, de feiten, de aan het verslag ten grondslag liggende hypothesen en de essentie van de instructies voor de deskundige worden vermeld. Het gerecht beslist of het ook nodig is dat een deskundige de terechtzitting bijwoont om een mondelinge verklaring af te leggen.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Het gerecht heeft een ruime beoordelingsmarge met betrekking tot het gewicht of de geloofwaardigheid van elk bewijselement. Een bewijs van horen zeggen bijvoorbeeld kan weliswaar toelaatbaar zijn in burgerlijke procedures, maar zal evenwel vaak minder zwaar wegen dan een verklaring van een directe getuige, in het bijzonder wanneer de betrokkene ook als getuige had kunnen worden opgeroepen.

Bepaalde documenten en bescheiden worden als authentiek erkend. Zo wordt de authenticiteit van bescheiden van ondernemingen en overheidsinstanties erkend wanneer deze door een leidinggevende functionaris van de onderneming of van de overheidsinstantie als zodanig worden gewaarmerkt. Het bestaan van verschillende soorten officiële documenten (zoals wetgeving, secundaire wetgeving, besluiten, verdragen en gerechtelijke stukken) kan zonder verdere bewijsvoering worden aangetoond aan de hand van geprinte of gewaarmerkte kopieën.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Bepaalde transacties moeten schriftelijk worden vastgelegd en dienen dus te worden gestaafd aan de hand van documenten. Het gaat bijvoorbeeld om overeenkomsten inzake de verkoop van grond.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

In het algemeen kunnen getuigen die bewijs kunnen aanbrengen, worden verplicht ter terechtzitting getuigenis af te leggen. Een partij die zeker wil zijn dat een getuige op de terechtzitting verschijnt, stelt een oproep tot verschijnen op waarin de getuige wordt gelast op de zitting te verschijnen om bewijs aan te brengen. Nadat de oproep door het gerecht is afgegeven en op regelmatige wijze is betekend, is hij bindend voor de getuige en dient deze ter terechtzitting te verschijnen. Iemand die geen gehoor geeft aan een oproep om als getuige te verschijnen, is schuldig aan contempt of court (belemmering van de rechtsgang).

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

De algemene regel dat geschikte getuigen kunnen worden verplicht getuigenis af te leggen, geldt niet voor buitenlandse staatshoofden en hun familieleden, buitenlandse diplomaten en consulaire ambtenaren, vertegenwoordigers van bepaalde internationale organisaties en rechters en juryleden, voor activiteiten die verband houden met hun respectievelijke functies. In burgerlijke procedures kunnen echtgenoten en verwanten van de partijen worden verplicht getuigenis af te leggen. Een getuige is gehouden een vraag te beantwoorden tenzij hij daardoor de bescherming tegen zelfbeschuldiging zou verliezen. Met andere woorden, een getuige is gehouden een vraag te beantwoorden tenzij hij kan aantonen dat hij een reëel gevaar loopt zichzelf met het antwoord te beschuldigen.

Getuigen die in het algemeen gehouden zijn een getuigenis af te leggen, hebben niettemin het recht inzage in bepaalde documenten en beantwoording van bepaalde vragen te weigeren op basis van vrijstellingen (privileges). De belangrijkste soorten vrijstellingen zijn het wettelijke beroepsgeheim, de vrijstelling "onder voorbehoud van alle rechten" en, zoals hierboven vermeld, het recht om zichzelf niet te beschuldigen.

De overlegging van bewijs kan ook worden geweigerd wanneer dit in strijd zou zijn met het openbaar belang. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om bewijsmateriaal met betrekking tot de nationale veiligheid, diplomatieke betrekkingen, de werking van de staat, het welzijn van kinderen, strafrechtelijk onderzoek en de bescherming van informanten. Voorts zijn journalisten niet gehouden hun bronnen bekend te maken, tenzij bekendmaking noodzakelijk is in het belang van de rechtspleging of van de nationale veiligheid dan wel met het oog op het voorkomen van wanorde of van strafbare feiten.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Een gedagvaarde getuige die weigert getuigenis af te leggen kan wegens contempt of court (belemmering van de rechtsgang) worden veroordeeld tot een gevangenisstraf die duurt tot het moment waarop hij of zij die belemmering ongedaan maakt, of kan tot een geldboete worden veroordeeld. Het verzuim om gehoor te gegeven aan een oproep tot verschijnen als getuige is in feite een verzuim om gehoor te geven aan een gerechtelijk bevel, waardoor elke weigering getuigenis af te leggen als contempt of court kan worden aangemerkt.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

In burgerlijke procedures mogen volwassen personen geen getuigenverklaring afleggen wanneer zij niet in staat zijn de betekenis van de af te leggen eed te begrijpen of wanneer zij niet in staat zijn een rationele getuigenverklaring af te leggen. Wanneer de getuige een kind is, kan zijn getuigenverklaring alleen worden toegestaan mits de rechter in kwestie ervan overtuigd is dat dit kind begrijpt dat het de waarheid moet vertellen en mits het begripsvermogen van het kind rechtvaardigt dat zijn getuigenis wordt gehoord.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

In eerste instantie leggen getuigen ter terechtzitting een evidence-in-chief (hoofdverklaring) af en vervolgens kan de advocaat van de tegenpartij de getuige aan een kruisverhoor onderwerpen, waarbij hij de getuige suggestieve vragen kan stellen. Soms wordt de getuige na afloop van het kruisverhoor nogmaals gehoord door de partij die hem in eerste instantie heeft opgeroepen. Ook de rechter kan getuigen vragen stellen, gewoonlijk om opheldering te verkrijgen omtrent bepaalde zaken.

Het is mogelijk getuigen in bepaalde gevallen via een live televisieverbinding een verklaring te laten afleggen. In procedures die het welzijn van een kind (of een persoon met een verstandelijke beperking) betreffen, kan het gerecht een kind via een live televisieverbinding als getuige horen en kunnen er via een tussenpersoon vragen worden gesteld aan het kind. Er kan ook bewijs worden verkregen via een televisieverbinding wanneer de betrokken getuige niet in Ierland woont.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Onrechtmatig verkregen bewijs is niet per se ontoelaatbaar. Het is toelaatbaar als het relevant is, maar de rechter heeft de bevoegdheid het uit te sluiten. Indien de rechter van oordeel is dat het bewijsmateriaal in het belang van de openbare orde dient te worden uitgesloten, zal het, zelfs indien het relevant is voor de feiten in het geding, niet worden toegelaten.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Getuigenverklaringen door de partijen in het geding zijn in dezelfde mate toelaatbaar als verklaringen door derden.

Links

De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.courts.ie/


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 13/11/2018

Bewijsverkrijging - Griekenland

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

Ten aanzien van bewijskwesties geldt in het Griekse recht het beginsel van vervolging op initiatief van een partij (archí tis diáthesis). Dit betekent dat de rechter alleen handelt op verzoek van een partij en beslist op basis van de door de partijen gestelde en aangetoonde feiten en van de door hen ingediende verzoeken. Procedurele stappen worden genomen op verzoek van een partij, tenzij de wet anders bepaalt. Elke partij dient uitsluitend die feiten aan te tonen die relevant zijn voor de uitspraak in de zaak en die nodig zijn om haar vordering of tegenvordering te onderbouwen. Een verzoek dat niet wordt gestaafd, wordt afgewezen.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Wanneer in de wet is voorgeschreven dat een feit moet worden bewezen, is tegenbewijs toegestaan, tenzij een andersluidende regel van toepassing is. Feiten die zo bekend zijn dat er geen gerede twijfel over de juistheid ervan kan bestaan of die de rechter bekend zijn uit een andere gerechtelijke procedure, worden automatisch in aanmerking genomen en hoeven niet te worden bewezen. De rechter houdt automatisch rekening met de algemene ervaringsregels, zonder bewijs te verlangen. De rechter neemt ook de wetten, gewoonten en gebruiken van andere landen ambtshalve in aanmerking, hoewel hij bewijs kan verlangen als hij daar niet mee vertrouwd is.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

De rechter is vrij in zijn evaluatie van het bewijs en beslist ambtshalve of de afgelegde verklaringen juist zijn. In zijn beslissing zet de rechter uiteen welke redenen ten grondslag liggen aan zijn oordeel. Wanneer de wet bepaalt dat de feiten louter op basis van een waarschijnlijkheidsafweging kunnen worden beoordeeld, bijvoorbeeld bij een verzoek in kort geding (asfalistiká métra), is de rechter niet gebonden aan de bepalingen inzake het verkrijgen van bewijs, de toegelaten bewijsmiddelen en de bewijskracht van het ingediende bewijsmateriaal, maar kan hij rekening houden met alles wat hij passend acht om tot een oordeel over de feiten te komen.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Het uitgangspunt is dat het bewijs door de partijen wordt voorgesteld en aangedragen. De rechter kan echter eigener beweging bij wet toegestaan bewijs verlangen, ook als dat niet door een partij is aangevoerd.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

Nadat het bewijs is verkregen doet de rechter inhoudelijk uitspraak, tenzij hij van mening is dat het bewijs onvoldoende is. In dat geval kan hij nieuw, aanvullend bewijs verlangen.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Als hij van mening is dat het bestaande bewijs voldoende is of als de partij er niet in is geslaagd het bewijs binnen de wettelijke termijn in te dienen.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Bewijs omvat volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Kódika Politikís Dikonomías) bekentenissen, plaatsopnemingen, deskundigenrapporten, schriftelijk bewijs, het horen van partijen, getuigenverklaringen, feitelijke vermoedens en verklaringen onder ede.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Deskundigen (pragmatognómones) staan de rechter bij door een oordeel uit te brengen over vragen die de rechter aan hen heeft gesteld. Indien nodig gelast de rechter de deskundigen aanwezig te zijn bij alle of bepaalde stappen in de procedure. Elke rechtbank houdt een lijst van deskundigen bij. In beschikkingen die zijn afgegeven op voorstel van de minister van Justitie is vastgesteld hoe deze lijst wordt opgesteld en bijgehouden. De rechter die de zaak behandelt geeft de deskundigen de nodige instructies over de wijze waarop zij hun taken moeten uitvoeren en stelt met name vast a) of hij het nodig acht dat de deskundigen aanwezig zijn in elk stadium van de gerechtelijke procedure en b) of het oordeel voor de rechter moet worden gegeven dan wel alleen door de deskundigen wordt opgesteld. Tenzij anders is bepaald door de rechter die de zaak behandelt, kunnen dezelfde bevoegdheden worden uitgeoefend door een andere rechter die gevolg geeft aan een verzoek of verwijzing om een aantal stappen in de procedure te zetten met betrekking tot het deskundigenoordeel, of door een rechter-commissaris (entetalménos dikastís). Als opdracht tot een schriftelijk oordeel wordt gegeven, stelt de rechter een termijn vast waarbinnen de deskundigen hun oordeel moeten uitbrengen. De rechter, of in geval van een college van rechters de voorzitter van de rechtbank, kan die termijn verlengen op verzoek van de deskundigen en zonder dat de partijen eerder zijn opgeroepen, als de deskundigen van mening zijn dat de toegekende termijn niet toereikend is voor het opstellen van het oordeel. Als er meerdere deskundigen zijn, voeren zij alle werkzaamheden die nodig zijn voor het opstellen van een deskundigenrapport en van hun schriftelijke oordeel gezamenlijk uit. De deskundigen komen bijeen op uitnodiging van een van hen. In een schriftelijk oordeel moeten de door de deskundigen uitgevoerde werkzaamheden en de zienswijzen van elk van hen worden vermeld, met redenen omkleed, en het oordeel moet door hen worden ondertekend. Als een of meer deskundigen niet aanwezig zijn bij het opstellen van het oordeel, of weigeren het te ondertekenen, wordt dit in het oordeel vermeld. De deskundigen of een persoon die door hen daartoe gemachtigd is, dienen het schriftelijke oordeel in bij de griffie van de rechtbank die hen heeft aangewezen en dit wordt geregistreerd. Als het oordeel wordt ingediend bij de griffie van een rechtbank die gevolg geeft aan een verzoek of verwijzing van de rechtbank van de rechter-commissaris, wordt het rapport onmiddellijk doorgezonden naar de griffie van de rechtbank die de zaak behandelt. De rechter is altijd vrij in zijn evaluatie van het oordeel van de deskundigen.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Een mondelinge of schriftelijke bekentenis (omología) van een partij tegenover de rechter of de rechter-commissaris geldt als volledig bewijs tegen die partij; buitengerechtelijke bekentenissen worden net als ander bewijsmateriaal door de rechter vrijelijk geëvalueerd.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Overeenkomsten en onderlinge afspraken kunnen niet aan de hand van getuigenbewijs worden bewezen als de transactie een waarde heeft van meer dan 20 000 EUR en getuigenbewijs tegen de inhoud van bewijsstukken is niet toegestaan, ook niet wanneer de transactie een waarde heeft van minder dan 2 miljoen GRD of 20 000 EUR. Getuigenbewijs is wel toegestaan in de volgende gevallen: a) wanneer een begin van bewijs wordt geleverd door een document met bewijskracht dat het aannemelijk maakt dat de transactie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden (het "begin van schriftelijk bewijs", archí éngrafis apódeixis); b) indien het door fysieke of morele oorzaken niet mogelijk is om het document over te leggen; c) indien wordt aangetoond dat een document wel is opgesteld, maar onopzettelijk is zoekgeraakt; d) indien getuigenbewijs is gerechtvaardigd gelet op de aard van de transactie of de specifieke omstandigheden waaronder die is aangegaan, en met name indien het handelstransacties betreft.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Iedereen die als getuige wordt opgeroepen, is verplicht te verschijnen en datgene te verklaren wat hem bekend is. Als de opgeroepen getuige niet verschijnt en daarvoor geen geldige reden heeft, gelast de rechter hem de kosten te betalen die voortvloeien uit zijn afwezigheid. De rechter kan daarnaast een geldboete opleggen.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

De volgende personen hebben het recht te weigeren om als getuige te worden gehoord: 1) geestelijken, advocaten, notarissen, artsen, apothekers, verpleegkundigen, verloskundigen, hun assistenten en de raadslieden van de partij, ten aanzien van feiten waarvan zij kennis hebben genomen in de uitoefening van hun beroep; 2) personen die aan de partijen verwant zijn door bloed- of aanverwantschap of door adoptie tot en met de derde graad, in de rechte lijn of een zijlijn, tenzij zij op dezelfde wijze verwant zijn met alle partijen, en echtgenoten, voormalige echtgenoten, en verloofden. Verder is een getuige niet verplicht om te getuigen over 1) feiten die tot strafvervolging kunnen leiden voor een strafbaar feit dat is gepleegd door de getuige of door een persoon die met hem verwant is in de zin van artikel 401, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of die afbreuk kunnen doen aan de eer van de getuige of de eer van een dergelijke persoon, en 2) feiten die onder het beroepsgeheim vallen.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Een getuige die verschijnt maar weigert te getuigen, ook wanneer dat van hem wordt verlangd, kan door de rechter worden veroordeeld tot betaling van een geldboete.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

De volgende personen kunnen niet als getuige worden gehoord:

  1. priesters, over al hetgeen hun ter ore is gekomen en onder het biechtgeheim valt;
  2. degenen die ten tijde van de onderzochte gebeurtenissen geestelijk niet in staat waren de feiten te begrijpen of niet in staat zijn hun waarnemingen te communiceren;
  3. degenen die ten tijde van de onderzochte gebeurtenissen in een zodanige staat van geestelijke verwarring verkeerden dat hun wil en oordeel wezenlijk werden beperkt of die tijdens het verhoor in een dergelijke staat zouden verkeren;
  4. advocaten, notarissen, artsen, apothekers, verpleegkundigen, verloskundigen, hun assistenten en de raadslieden van de partij, over feiten die aan hen zijn toevertrouwd of waarvan zij kennis hebben genomen in de uitoefening van hun beroep en die zij gehouden zijn vertrouwelijk te behandelen, tenzij degene die deze feiten aan hen heeft toevertrouwd en tegenover wie zij tot vertrouwelijkheid gehouden zijn, hun toestemming geeft te getuigen;
  5. ambtenaren en actief militair personeel, over feiten die zij gehouden zijn vertrouwelijk te behandelen, tenzij de verantwoordelijke minister toestemming geeft voor hun verhoor;
  6. degenen die belang kunnen hebben bij de uitkomst van het proces.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Voordat een getuige wordt gehoord, wordt hij onder ede gesteld (door een eed of belofte af te leggen). Getuigen worden apart gehoord en een confrontatie met andere getuigen of met de partijen is slechts mogelijk indien dit van essentieel belang wordt geacht. Getuigen leveren mondeling bewijs. Getuigen moeten verklaren hoe zij kennis hebben genomen van datgene waarvan zij getuigen, en in geval van "bewijs van horen zeggen" moeten zij aangeven wie hun de informatie heeft verstrekt. De rechter kan vragen van partijen of hun raadslieden aan getuigen weigeren als zij duidelijk onnodig of irrelevant zijn, en verklaart het verhoor van een getuige voor beëindigd wanneer hij oordeelt dat de getuige alles heeft verklaard wat hem over de te bewijzen feiten bekend is. De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een partij beslissen dat in een specifiek geval een videoconferentie moet worden gehouden. De rechter beslist of hij een dergelijk verzoek al dan niet accepteert, nadat hij heeft bepaald of het gebruik van de technologie nodig is voor een effectief verloop van de procedure. Gelet op de omstandigheden van het geval kan de rechter een verzoek om een videoconferentie inwilligen en tevens aanvullende garanties voor een goed verloop van de procedure verlangen. De rechter, de griffier en de andere personen die aan de videoconferentie deelnemen, moeten in de desbetreffende ruimten aanwezig zijn vóór het geplande tijdstip waarop de verbinding tot stand wordt gebracht. De rechtbank beoordeelt per geval of op de locatie op afstand een rechter aanwezig moet zijn. De apparatuur wordt bediend door de rechter of gemachtigd rechtbankpersoneel. In geval van een consulaire autoriteit wordt de apparatuur bediend door een persoon die door het delegatiehoofd is gemachtigd. Een verhoor per videoconferentie wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering die van toepassing zijn op de betrokken stap in de procedure. De rechter bepaalt het aantal personen dat in de ruimten aanwezig mag zijn. Hij neemt het verhoor af en geeft de noodzakelijke aanwijzingen aan de personen die op beide locaties aanwezig zijn. Elk lid van het gerecht en elke deelnemer aan het proces heeft het recht om met toestemming van de rechter die het verhoor afneemt, vragen te stellen aan de aanwezige partijen, getuigen en deskundigen. Om de identiteit van de persoon op de locatie op afstand vast te stellen, wordt de rechter bijgestaan door de griffier of door een persoon op de locatie die door de consul is gemachtigd. De rechter die het verhoor afneemt, beslist wanneer de videoconferentie wordt beëindigd. Het verhoor van getuigen, deskundigen en partijen per videoconferentie wordt geacht voor de rechter plaats te vinden en heeft dezelfde bewijskracht als een verhoor in een openbare zitting.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

De rechter kan alleen rechtmatig bewijs in zijn overwegingen betrekken. Het begrip "rechtmatig" bewijs (nómima endeiktiká mésa) strekt zich tevens uit tot de wijze waarop het bewijs is verkregen. Onrechtmatig verkregen bewijs is niet rechtsgeldig en wordt niet in aanmerking genomen.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Ja, verklaringen van partijen gelden als bewijs.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 14/11/2018

Bewijsverkrijging - Frankrijk

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

Volgens het burgerlijk wetboek moet hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan daarvan bewijzen. Omgekeerd moet hij die stelt bevrijd te zijn, het bewijs leveren van het tenietgaan van zijn verbintenis.

Elk van de partijen moet dus in beginsel het bewijs van de gestelde feiten leveren. Zo wordt in artikel 9 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaald dat de partijen volgens de eisen van de wet de feiten moeten bewijzen waarop zij hun vordering doen steunen.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

In bepaalde gevallen bestaan er vermoedens; er wordt dan geen bewijs verlangd van feiten die niet of moeilijk kunnen worden bewezen.

De wettelijke vermoedens keren de bewijslast in zekere zin om voor de persoon die het gestelde feit moet bewijzen. In het algemeen gaat het om zogenaamde "weerlegbare" vermoedens, d.w.z. dat het tegendeel kan worden bewezen. Voorbeeld: het kind dat is geboren tijdens het huwelijk heeft de echtgenoot van de moeder tot vader, maar er kan wel een vordering tot betwisting van het vaderschap worden ingesteld.

In zeldzame gevallen gaat het om "onweerlegbare" vermoedens: er kan dan geen tegenbewijs worden geleverd.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

De rechter kan zijn beslissing alleen baseren op bewezen of niet-betwiste feiten.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

De rechter kan op verzoek van een partij een onderzoeksmaatregel gelasten, maar kan ook ambtshalve bewijs verkrijgen.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

Indien de rechter op verzoek van een partij een onderzoeksmaatregel gelast, deelt de betrokken griffie aan de aangewezen deskundige mee wat zijn taak is; deze deskundige nodigt de partijen uit om alle door hem verrichte onderzoekshandelingen bij te wonen. Een deskundigenonderzoek kan pas van start gaan nadat de partij conform de beslissing van de rechter en ter waarborging van de betaling van de deskundige een geldsom (deposito) heeft betaald. Alle onderzoeksmaatregelen worden verricht in aanwezigheid van de partijen.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

De rechter kan een verzoek om een onderzoeksmaatregel afwijzen wanneer hij van oordeel is dat deze maatregel ertoe zou leiden de nalatigheid van een partij bij de bewijsvoering te herstellen dan wel wanneer hij van mening is dat deze maatregel niet nodig is voor de bewijsvoering.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

In het Franse burgerlijk recht wordt het hieronder uiteengezette onderscheid gemaakt. Voor juridische feiten (bv. een ongeval) is het bewijs vrij en kan het dus op alle mogelijke manieren worden geleverd (documenten, getuigenissen enz.). Voor rechtshandelingen (overeenkomsten, schenkingen enz.) is in beginsel een schriftelijk bewijs vereist, maar de wet voorziet in uitzonderingen (bv. voor handelingen waarmee een bedrag is gemoeid dat een bepaalde, bij decreet vastgestelde drempel niet overschrijdt of wanneer er geen schriftelijk bewijs kan worden overgelegd). Er zij op gewezen dat tussen handelaren het beginsel van de vrijheid van bewijsvoering geldt, ook voor rechtshandelingen.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Van getuigen kan op twee verschillende wijzen bewijs worden verkregen: mondeling, in het kader van een onderzoeksprocedure, of schriftelijk, in de vorm van een verklaring waarbij aan bepaalde formele voorwaarden moet worden voldaan. In de schriftelijke verklaring moet met name de identiteit van de getuige worden vermeld en, in voorkomend geval, zijn bloed- of aanverwantschap, zijn band van ondergeschiktheid of samenwerking dan wel zijn gemeenschappelijke belangen met een van de partijen. In de verklaring wordt voorts vermeld dat zij is opgesteld met het oog op haar overlegging in rechte en dat de auteur op de hoogte is van het feit dat een valse verklaring kan leiden tot strafrechtelijke sancties. Het getuigenbewijs kan ook worden neergelegd in een akte van bekendheid (d.w.z. een door een rechter of openbare ambtenaar opgesteld document waarin de verklaringen van meerdere getuigen over de te bewijzen feiten zijn opgenomen).

Een deskundigenonderzoek verschilt van een getuigenverklaring omdat het daarbij gaat om een onderzoeksmaatregel waarbij een bijzonder bekwame persoon de opdracht krijgt om een louter technisch advies uit te brengen, nadat de partijen werd verzocht hun standpunt ter zake uiteen te zetten. Het deskundigenadvies wordt mondeling of schriftelijk gegeven. In dat laatste geval wordt het advies neergelegd in een verslag, dat onder meer schriftelijke opmerkingen van de partijen bevat. De rechter is niet gebonden door het advies van de deskundige.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Authentieke akten worden verleden door openbare ambtenaren (notarissen, gerechtsdeurwaarders) in de uitoefening van hun ambt. Zij leveren tussen partijen bewijs op, behoudens in het geval van betichting van valsheid.

Onderhandse akten worden zonder interventie van een openbare ambtenaar door de partijen zelf opgesteld en door hen ondertekend; zij leveren tussen partijen bewijs op, behoudens in het geval van tegenbewijs.

De beoordeling van het getuigenbewijs en van de andere bewijsmiddelen wordt aan de rechter overgelaten.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Er is een schriftelijk bewijs vereist voor alle rechtshandelingen die het drempelbedrag van 1 500 EUR overschrijden (zie ook punt 2.4). Het bewijs van een juridisch feit kan daarentegen door alle middelen worden geleverd.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Iedere persoon moet met het gerecht samenwerken met het oog op de waarheidsvinding.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Een persoon die in het bezit is van informatie die hij in het kader van de uitoefening van zijn beroep heeft verzameld en die onder het beroepsgeheim valt, moet weigeren te getuigen; een schending van deze regel kan strafrechtelijk worden vervolgd. Een persoon kan bovendien ook op ad hoc basis weigeren te getuigen, wanneer er sprake is van een wettige verhindering (voorbeelden: onmogelijkheid zich te verplaatsen, ziekte, beroepsredenen). De rechter zal beoordelen of deze verhindering wettig is.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Getuigen die niet verschijnen en getuigen die zonder wettige reden weigeren te getuigen of de eed af te leggen, kunnen worden veroordeeld tot een civiele geldboete van maximaal 3 000 EUR.

Bovendien kan ook meineed strafrechtelijk worden bestraft.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Iedere persoon kan als getuige worden gehoord, behalve personen die onbekwaam zijn om in rechte te getuigen, met inbegrip van handelingsonbekwame personen (minderjarigen en beschermde meerderjarigen) of bepaalde strafrechtelijk veroordeelde personen (verlies van burgerrechten). Ter informatie kan de rechter deze personen echter wel horen, zonder hen echter de eed te laten afleggen. In echtscheidingsprocedures of procedures inzake scheiding van tafel en bed kunnen de descendenten van de betrokken echtgenoten niet getuigen.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

De rechter heeft de leiding van het getuigenverhoor en stelt de vragen. Wanneer de partijen aanwezig zijn, mogen zij de getuige niet onderbreken en hem geen directe vragen stellen, teneinde deze getuige niet te beïnvloeden. De rechter stelt, indien hij dat nodig acht, de vragen die de partijen aan de getuige wensen te stellen.

Niets belet dat de rechter een geluids-, beeld- of audiovisuele opname laat maken van onderzoekshandelingen, wanneer de omstandigheden zulks vereisen (bv. geografische afstand).

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

De rechter houdt geen rekening met bewijs dat op frauduleuze wijze is verkregen (bv. met een verborgen camera, of opnames van telefoongesprekken zonder dat de betrokkene daarvan op de hoogte was) of waarbij de privacy is geschonden.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

De verklaringen van procespartijen gelden niet als bewijs.

Links

De link wordt in een nieuw venster geopend.De website Legifrance


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 14/11/2018

Bewijsverkrijging - Kroatië

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

De regels voor het verkrijgen van bewijsmateriaal en het overleggen, selecteren, verzamelen, onderzoeken en beoordelen van de bewijsmiddelen in burgerlijke zaken zijn vastgesteld in de artikelen 219 tot en met 276 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Zakon o parničnom postupku) (Narodne novine (NN — Staatsblad van de Republiek Kroatië) nrs. 53/91, 91/92, 112/99, 129/00, 88/01, 117/03, 88/05, 2/07, 96/08, 84/08, 123/08, 57/11, 25/13 en 89/14 (ZPP)).

De algemene regel is dat elke partij de feiten moet aanvoeren en het bewijsmateriaal moet aandragen waarop haar vordering is gebaseerd of op grond waarvan zij de verklaringen en het bewijsmateriaal van de wederpartij betwist. Dit betekent dat in het Kroatische (burgerlijke) procesrecht het beginsel van het recht om te worden gehoord, prevaleert bij het verzamelen van feiten en het overleggen van bewijsmateriaal.

Elke partij moet daarom het bewijs leveren van de juistheid van verklaringen inzake het bestaan van feiten die voor haar gunstig zijn en waarop haar vorderingen (en bezwaren) zijn gebaseerd, tenzij in de wet anders is bepaald.

In beginsel is de rechter bevoegd om alleen de feiten vast te stellen die door de partijen zijn aangevoerd en alleen het bewijs in aanmerking te nemen dat de partijen hebben aangedragen. Bij wijze van uitzondering is de rechter bevoegd (en verplicht) om feiten vast te stellen die de partijen niet hebben aangevoerd en om bewijs te verkrijgen dat de partijen niet hebben aangedragen, maar uitsluitend indien hij vermoedt dat de partijen vorderingen willen instellen die zij niet mogen instellen.

Indien de rechter op basis van het overgelegde bewijs (artikel 8 ZPP) een feit niet met zekerheid kan vaststellen, zal hij over het bestaan van dat feit beslissen door de regels inzake de bewijslast toe te passen.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Het te leveren bewijs heeft betrekking op alle feiten die van belang zijn om tot een beslissing te komen.

Het is niet nodig om de feiten te bewijzen die de partij in de loop van het geding voor de rechter heeft erkend, maar de rechter kan wel gelasten dat bewijs voor deze feiten wordt aangedragen indien hij van oordeel is dat door erkenning ervan de partij een vordering wil instellen die zij niet mag instellen (artikel 3, derde alinea, ZPP).

Bovendien hoeven rechtsregels niet te worden bewezen, omdat daarvoor de regel geldt dat de rechter wordt geacht het recht te kennen (iura novit curia).

Het is niet nodig om feiten te bewijzen die algemeen bekend zijn. Het is echter wel toegestaan om te bewijzen dat een bepaald feit niet algemeen bekend is.

Feiten waarvan het bestaan door de wet wordt verondersteld, hoeven niet te worden bewezen. Het niet-bestaan van een dergelijk feit mag echter wel worden bewezen, tenzij in de wet anders is bepaald. De regels inzake weerlegbare vermoedens (praesumptiones iuris) vergemakkelijken derhalve de bewijsvoering, omdat de partij die zich op een juridisch relevant feit beroept het bestaan van dat feit niet rechtstreeks hoeft te bewijzen. Het is voldoende om zich te beroepen op een algemene rechtsregel die besloten ligt in een weerlegbaar vermoeden, en een partij die stelt dat de algemene regel in het weerlegbaar vermoeden niet kan worden toegepast op een bepaald geval, moet dat bewijzen.

Er zijn echter gevallen waarin de wet niet de mogelijkheid biedt om het niet-bestaan van door de wet veronderstelde feiten te bewijzen (praesumptiones iuris et de iure); de rechter moet dan concluderen dat het betrokken juridisch relevante feit bestaat.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

Het is de taak van de rechter om zich ervan te vergewissen of de feiten waarop de toepassing van de wet is gebaseerd, al dan niet bestaan. Het ZPP bevat geen expliciete bepalingen over waarschijnlijkheid, maar de mate van waarschijnlijkheid moet in verhouding staan tot het belang van de te nemen maatregelen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de fase van de procedure waarin er wordt gediscussieerd en beslist over een bepaalde procedurele kwestie, en met de procedurele consequenties indien wordt vastgesteld dat bepaalde feiten al dan niet bestaan.

Conform de algemene regel betreffende de vrije waardering van het bewijs, beslist de rechter volgens zijn eigen overtuiging welke feiten hij bewezen acht, op basis van een nauwgezette en zorgvuldige beoordeling van alle bewijsmiddelen (zowel de afzonderlijke bewijsmiddelen als alle bewijsmiddelen samen). Daarbij houdt hij rekening met de resultaten van de volledige procedure.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Zoals hierboven vermeld, is het Kroatische (burgerlijke) procesrecht voornamelijk van contradictoire aard. Dit betekent dat de partijen uit eigener beweging feiten mogen verzamelen en bewijs mogen vergaren en dat de rechter uitsluitend feiten mag vaststellen die niet door de partijen zijn aangevoerd en bewijs mag verkrijgen indien hij vermoedt dat de partijen vorderingen willen instellen die zij niet mogen instellen (artikel 3, derde alinea, ZPP).

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

De rechter beslist welke overgelegde bewijsstukken in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van de doorslaggevende feiten.

Als de rechter het door de partij aangeboden bewijs heeft aanvaard, zal hij in de regel beginnen met het beoordelen van dat bewijs.

Bij geschillen die door een kamer (vijeće) worden behandeld, vindt de bewijsvoering plaats tijdens de hoofdzitting voor de kamer. De kamer kan echter om gewichtige redenen beslissen dat een bepaald deel van de bewijsvoering moet plaatsvinden voor de voorzitter van de kamer of de rechter van het aangezochte gerecht (de aangezochte rechter). In dat geval wordt het verkregen bewijs tijdens de hoofdzitting voorgelezen.

De alleensprekende rechter of de voorzitter van de kamer leidt de hoofdzitting, ondervraagt de partijen en verkrijgt het bewijsmateriaal. De rechter is echter niet gebonden aan de beslissing over de afwikkeling van de zitting, wat onder meer betekent dat hij niet gebonden is aan de beslissing om het door de partijen overgelegde bewijs te aanvaarden of af te wijzen.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Op grond van de bepalingen van het ZPP wijst de rechter overgelegd bewijs af dat hij niet relevant acht en motiveert hij de afwijzing in de beslissing.

Het ZPP bevat geen bijzondere bepalingen betreffende de mogelijkheid om bewijs af te wijzen dat niet toelaatbaar is of dat alleen tegen onevenredige kosten kan worden verkregen. In geschillen voor een gemeentelijke rechtbank (općinski sud) met een waarde van ten hoogste 10 000 Kroatische kuna en in geschillen voor een handelsrechtbank (trgovački sud) met een waarde van ten hoogste 50 000 Kroatische kuna kan de rechter evenwel, als hij van mening is dat het vaststellen van feiten die voor de beslechting van het geschil van belang zijn tot onevenredige problemen of kosten zou leiden, over het bestaan van deze feiten beslissen op basis van zijn eigen oordeel. Daarbij houdt hij rekening met de door de partijen overgelegde documenten en met hun verklaring indien hij bewijs heeft verkregen door de partijen te horen.

De bepalingen van het ZPP voorzien ook in een termijn waarbinnen de partijen alle feiten moeten aanvoeren en bewijsmateriaal moeten overleggen. In de loop van een gewone burgerrechtelijke procedure moet elke partij in haar verzoekschrift en haar reactie op het verzoekschrift uiterlijk tijdens de voorbereidende hoorzitting alle feiten ter onderbouwing van haar vordering aanvoeren, het bewijsmateriaal ter vaststelling van de door haar voorgelegde feiten overleggen en haar standpunt kenbaar maken over de vaststelling van de feiten en het door de wederpartij aangeboden bewijsmateriaal. Tijdens de hoofdzitting mogen de partijen alleen nieuwe feiten en bewijsmiddelen aandragen als zij deze buiten hun schuld niet konden verstrekken of overleggen voordat de eerdere procedures werden afgesloten.

De rechter houdt geen rekening met nieuwe feiten en bewijsmiddelen die de partijen door hun eigen schuld tijdens de hoofdzitting verstrekken of overleggen.

Zie voor meer informatie over bewijs en bewijsverkrijging in een procedure voor geringe vorderingen het inlichtingenblad Geringe vorderingen – Republiek Kroatië.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Het ZPP voorziet in de volgende bewijsmiddelen: gerechtelijke inspectie, schriftelijke bewijsmiddelen, getuigen, deskundigen en het horen van de partijen.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Een getuige is iedere natuurlijke persoon die informatie kan geven over de feiten die worden bewezen. Getuigen worden afzonderlijk gehoord zonder dat andere getuigen aanwezig zijn die later worden gehoord en zij moeten mondeling antwoorden.

De getuige wordt eerst gewezen op zijn verplichting de waarheid te spreken en geen informatie achter te houden. Vervolgens wordt de getuige gewaarschuwd voor de gevolgen van het afleggen van een valse verklaring. Bovendien wordt een getuige altijd gevraagd hoe hij de feiten kent waarover hij een verklaring aflegt.

Een getuige-deskundige moet over dezelfde kwaliteiten beschikken als een getuige. Met andere woorden, hij moet kunnen observeren, onthouden en vertellen wat hij weet en daarnaast moet hij specifieke beroepsdeskundigheid bezitten.

Bepaalde getuige-deskundigen die door de rechter worden opgeroepen, zijn verplicht gevolg te geven aan de oproeping en hun bevindingen en een oordeel te verstrekken.

Tot de taak van de getuige-deskundige behoort dan ook het opstellen van bevindingen en een oordeel. De rechter bepaalt of de getuige-deskundige zijn bevindingen en oordeel alleen mondeling tijdens de zitting presenteert of deze ook schriftelijk indient voor het begin van de zitting. De rechter stelt een termijn vast voor het indienen van schriftelijke bevindingen en een schriftelijk oordeel, die niet langer dan zestig dagen mag zijn.

De getuige-deskundige moet zijn oordeel altijd toelichten.

De rechter verstrekt de schriftelijke bevindingen en het schriftelijke oordeel aan de partijen uiterlijk 15 dagen vóór de terechtzitting waar zij worden gehoord.

In het ZPP wordt geen onderscheid gemaakt tussen de procedure voor het horen van getuigen en de procedure voor het horen van getuige-deskundigen en daarom zijn er ook geen bijzondere procedurele bepalingen vastgesteld.

Met betrekking tot schriftelijk bewijs moeten de partijen zelf het document waarop zij zich baseren, indienen als bewijs van hun verklaring.

Een document dat in de voorgeschreven vorm door een overheidsinstantie binnen haar bevoegdheidssfeer is afgegeven en een document dat in die vorm is afgegeven door een natuurlijke of rechtspersoon die optreedt in de uitoefening van de overheidsbevoegdheden die hem bij wet of op de wet gebaseerde regelgeving zijn toegekend (een authentieke akte), wordt geacht de juistheid te bewijzen van wat erin wordt verklaard of geregeld.

Andere documenten hebben dezelfde bewijskracht indien hun bewijskracht op grond van bijzondere regelgeving gelijkwaardig is aan de bewijskracht van authentieke akten.

Het is toegestaan om te bewijzen dat in authentieke akten vermelde feiten onjuist zijn of dat het document verkeerd is opgesteld.

Als de rechter twijfelt aan de authenticiteit van het document, kan hij daarover het oordeel vragen van de instantie waarvan het verondersteld wordt afkomstig te zijn.

Tenzij anders is bepaald in een internationale overeenkomst, hebben buitenlandse authentieke akten die naar behoren zijn gewaarmerkt, op voorwaarde van reciprociteit, dezelfde bewijskracht als binnenlandse authentieke akten.

Het ZPP bevat ook regels over de verplichting om documenten te verstrekken afhankelijk van de vraag of het document in het bezit is van de opgeroepen partij, de wederpartij, een overheidsinstantie of een organisatie met overheidsgezag, of een derde (natuurlijke of rechtspersoon).

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Volgens de algemene regel betreffende de vrije waardering van het bewijs die in het Kroatische (burgerlijke) procesrecht wordt toegepast, beslist de rechter volgens zijn eigen overtuiging welke feiten hij bewezen acht, op basis van een nauwgezette en zorgvuldige beoordeling van alle bewijsmiddelen, zowel afzonderlijk als in hun geheel overgelegd, en rekening houdend met de resultaten van de volledige procedure.

Er is dan ook geen regel dat bepaalde bewijsmiddelen zwaarder wegen of belangrijker zijn dan andere, hoewel in de praktijk documenten betrouwbaarder (maar niet belangrijker) worden geacht dan ander bewijs (getuigen, terechtzittingen).

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Nee, in het ZPP is niet voorgeschreven dat bepaalde bewijsmiddelen verplicht zijn om bepaalde feiten vast te stellen. Volgens het beginsel van een procedure op tegenspraak kunnen de partijen bewijsmateriaal overleggen en beoordeelt de rechter welke overgelegde bewijsmiddelen hij in aanmerking neemt om de relevante feiten vast te stellen.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Iedereen die als getuige wordt opgeroepen, is verplicht gevolg te geven aan de oproeping en een verklaring af te leggen, tenzij in het ZPP anders is bepaald. Het optreden als getuige, dat de verplichting inhoudt om ter zitting te verschijnen, een verklaring af te leggen en de waarheid te spreken, is dan ook een algemene verplichting die voor iedereen geldt. Getuigen die door ouderdom, ziekte of ernstige lichamelijke beperkingen geen gevolg kunnen geven aan de oproeping, worden in hun eigen woning gehoord.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Iemand die met zijn getuigenis de verplichting tot geheimhouding van militaire of staatsgeheimen zou schenden, mag pas als getuige worden gehoord nadat de bevoegde autoriteit hem van deze verplichting heeft ontslagen.

Een getuige mag weigeren een verklaring af te leggen:

• over iets wat de partij aan hem als gemachtigde heeft toevertrouwd;

• over iets wat de partij of iemand anders heeft bekend aan de getuige in diens hoedanigheid van religieuze biechtvader;

• over de feiten waarvan de getuige kennis heeft genomen als advocaat of arts, of in de uitoefening van een ander beroep of een andere activiteit in geval van een verplichting om geheimhouding te betrachten over alles waarvan hij kennis heeft genomen in de uitoefening van dat beroep of die activiteit.

De alleensprekende rechter of de voorzitter van de kamer wijst deze personen op de mogelijkheid om te weigeren een verklaring af te leggen.

Een getuige kan weigeren op individuele vragen te antwoorden wegens dringende redenen, en in het bijzonder indien de beantwoording ervan ernstige reputatieschade, aanzienlijke materiële schade of strafrechtelijke vervolging met zich mee zou brengen voor de getuige zelf, zijn rechtstreekse bloedverwanten in elke graad of aanverwanten tot in de derde graad, inclusief zijn echtgenoot of aanverwanten door huwelijk tot en met de tweede graad — ook als het huwelijk is ontbonden — en zijn voogd of pupil, adoptieouder of geadopteerd kind.

De alleensprekende rechter of de voorzitter van de kamer wijst de getuige erop dat hij

kan weigeren antwoord te geven op de gestelde vragen.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Ja, dat is mogelijk. Indien een naar behoren opgeroepen getuige niet verschijnt en daarvoor geen verklaring geeft of indien een dergelijke getuige de plaats waar hij gehoord wordt zonder toestemming of zonder geldige reden verlaat, kan de rechter hem onder dwang en op kosten van die getuige laten ophalen en kan hij hem ook een geldboete opleggen van 500 tot 10 000 Kroatische kuna.

Indien de getuige wel verschijnt, maar weigert om te getuigen of bepaalde vragen te beantwoorden nadat hij op de gevolgen daarvan is gewezen en de rechter de redenen van de getuige voor de weigering om te antwoorden niet gerechtvaardigd acht, kan de rechter een geldboete van 500 tot 10 000 Kroatische kuna opleggen. Weigert de getuige dan nog steeds om te getuigen, dan kan de rechter hem gijzelen. De getuige wordt gegijzeld totdat hij bereid is om te getuigen of totdat hij niet langer behoeft te worden gehoord. De duur van de gijzeling is echter ten hoogste één maand.

Indien de getuige vervolgens een verklaring voor zijn afwezigheid geeft, kan de rechter zijn beslissing tot het opleggen van de boete herroepen en de getuige geheel of gedeeltelijk ontheffen van het betalen van kosten. Ook kan de rechter kan zijn beslissing om een boete op te leggen, herroepen als de getuige vervolgens alsnog bereid is een getuigenverklaring af te leggen.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Voor informatie over vrijstelling van de algemene verplichting om te getuigen met betrekking tot militaire of staatsgeheimen, dat wil zeggen het recht van personen die specifieke activiteiten uitvoeren om te weigeren een getuigenverklaring af te leggen en het recht om te weigeren specifieke vragen te beantwoorden, wordt verwezen naar punt 9.

In de regel mogen alleen personen die informatie kunnen verschaffen over feiten die worden bewezen, als getuigen worden gehoord. De rechter beslist per geval of iemand in staat is om te getuigen.

Iemand kan geen getuige zijn als hij rechtstreeks betrokken is bij de procedure, als partij of als wettelijke vertegenwoordiger van een partij. Een gevolmachtigde van de partij mag daarentegen wel als getuige worden gehoord.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Iedere getuige moet individueel worden gehoord en daarbij mogen geen getuigen aanwezig zijn die nog gehoord moeten worden. De getuige is verplicht mondeling te antwoorden.

Een getuige wordt eerst gewezen op zijn verplichting de waarheid te spreken en geen informatie achter te houden. Vervolgens wordt de getuige gewaarschuwd voor de gevolgen van het afleggen van een valse verklaring.

De getuige wordt daarna gevraagd naar zijn voornaam, achternaam, persoonlijk identificatienummer, de voornaam van zijn vader, en zijn beroep, adres, geboorteplaats, leeftijd en relatie met de partij.

Na deze algemene vragen wordt de getuige gevraagd alles te vertellen wat hij weet over de feiten waarover hij een verklaring aflegt; daarna kunnen hem vragen worden gesteld om zijn verklaring te bevestigen, aan te vullen of toe te lichten. Het is niet toegestaan vragen te stellen waarin het antwoord al besloten ligt.

De getuige wordt altijd gevraagd hoe hij de feiten kent waarover hij een verklaring aflegt.

Getuigen wier verklaringen met elkaar in strijd zijn als het gaat om belangrijke feiten, kunnen met elkaar worden geconfronteerd. Zij worden individueel ondervraagd over elk punt waarop hun verklaringen elkaar tegenspreken en hun antwoorden worden vastgelegd in het proces‑verbaal.

De Republiek Kroatië kent geen bijzondere bepalingen inzake bewijsverkrijging via videoconferentie. De bepalingen van de artikelen 126a tot en met 126c ZPP bieden echter een basis voor een dergelijke verhoormethode. Met andere woorden, van een terechtzitting kunnen geluidsopnamen worden gemaakt. De beslissing om opnamen te maken, wordt door de rechter genomen op eigen initiatief of op verzoek van een partij. De methode van opslag en overdracht van een geluidsopname, de technische voorwaarden en de wijze van opnemen worden geregeld in het Reglement voor de procesvoering van het gerecht.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

In het ZPP zijn geen bijzondere bepalingen opgenomen over onrechtmatig verkregen bewijs. De juridische grondslag is echter opgenomen in artikel 29 van de Grondwet van de Republiek Kroatië (Ustav Republike Hrvatske) (NN-nrs. 56/90, 135/97, 8/98, 113/00, 124/00, 28/01, 41/01, 55/01, 76/10, 85/10, 05/14), die bepaalt dat onrechtmatig verkregen bewijs niet kan worden gebruikt in een gerechtelijke procedure.

In het ZPP wordt alleen bepaald dat de rechter geen rekening mag houden met verzoeken van de partijen die in strijd zijn met dwingende voorschriften en met de goede zeden.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

De partijen in een procedure kunnen niet als getuigen worden gehoord; de bepalingen van het ZPP voorzien echter wel in het horen van de partijen als een van de bewijsmiddelen bij gebreke van ander bewijs of wanneer, niettegenstaande de andere aangevoerde bewijsmiddelen, de rechter dit nodig acht om belangrijke feiten vast te stellen.

De bepalingen van het ZPP inzake het verkrijgen van bewijs van getuigen zijn van toepassing op het horen van de partijen, tenzij anders vermeld.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 19/12/2018

Bewijsverkrijging - Italië

Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Italiaans) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.
De volgende vertalingen zijn al beschikbaar: Engels

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

De regeling van de bewijslast is onderworpen aan artikel 2697 van het Italiaanse burgerlijk wetboek, waarin het volgende is vastgesteld: ‘Degenen die voornemens zijn om gerechtelijke stappen te ondernemen om hun rechten te doen gelden, moeten bewijsmateriaal tot staving van hun vordering overleggen. Een partij die de geldigheid van dit bewijsmateriaal betwist of beweert dat het recht is veranderd of uitgeput, moet bewijsmateriaal tot staving van deze bewering overleggen.’

Op grond van deze beginselen dient de verzoeker derhalve de feiten te bewijzen waarop zijn of haar vordering is gestoeld, d.w.z. de feiten die de beweerde rechtsgevolgen hebben. De verweerder moet op zijn of haar beurt bewijsmateriaal aandragen dat hem of haar ontheft van aansprakelijkheid of waaruit blijkt dat een recht zodanig is uitgeput of veranderd dat de vordering van de verzoeker dient te worden afgewezen.

Indien de verzoeker zijn of haar vordering niet kan staven, wordt het verzoek afgewezen, ongeacht of de verweerder zich verweert door het overleggen van argumenten en bewijsmateriaal.

Krachtens artikel 2698 van het Italiaanse burgerlijk wetboek zijn overeenkomsten tot de overdracht of wijziging van de bewijslast met betrekking tot een onvervreemdbaar recht of die het overmatig bezwaarlijk maken voor een van de partijen om hun rechten uit te oefenen, nietig.

Onvoldoende bewijs schaadt de zaak van de partij – hetzij de verzoeker hetzij de verweerder – die de feiten moet bewijzen of weerleggen, aangezien onvoldoende bewijs wordt geacht gelijk te staan aan geen bewijs.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

In de volgende gevallen is de bewijslast niet van toepassing:

  • In geval van vermoedens, d.w.z. wanneer de geldigheid van bepaalde feiten van rechtswege is vastgesteld of het gerecht uit een bekend feit gevolgtrekkingen afleidt over een onbekend feit (artikel 2727 van het Italiaanse burgerlijk wetboek).

    Vermoedens worden als volgt onderverdeeld:
  • wettelijke of rechtsvermoedens zijn bij wet vastgestelde vermoedens, die weerlegbaar zijn (juris tantum), hetgeen inhoudt dat zij kunnen worden weerlegd door bewijs van het tegendeel, of onweerlegbaar zijn (juris et de jure), hetgeen inhoudt dat zij niet kunnen worden weerlegd door bewijs van het tegendeel voor de rechtbank;
  • rechterlijke of feitelijke vermoedens, die de rechter naar eigen goeddunken moet beoordelen en waarbij de rechter uitsluitend zwaarwegende, nauwkeurige en consistente vermoedens aanvaardt; feitelijke vermoedens zijn niet toegelaten in verband met feiten waarvoor de wet geen getuigenbewijs toestaat (artikel 2729 van het Italiaanse burgerlijk wetboek);
  • bekende feiten (fatti notori), d.w.z. feiten van algemene bekendheid die ten tijde en ter plaatse van de uitspraak aan de meeste mensen bekend zijn, zodat deze niet in twijfel kunnen worden getrokken (artikel 115 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • onbetwiste of toegegeven feiten, d.w.z. feiten die door beide partijen zijn aangevoerd of zijn toegegeven – zelfs stilzwijgend – door de partij die er belang bij kan hebben deze te betwisten (artikel 115, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

De rechter moet zich bij het toewijzen van een vordering of bezwaren louter laten leiden door feiten die volledig zijn bewezen, hetzij rechtstreeks hetzij op basis van een vermoeden.

De rechter mag zich in zijn uitspraak niet laten leiden door onbewezen feiten, zelfs als deze mogelijk of zeer waarschijnlijk zijn (artikel 115, lid 1), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Volgens het Italiaanse recht wordt de bewijsgaring beheerst door het beginsel dat het toepassingsgebied van de procedure wordt bepaald door de partijen (principio dispositivo), als vastgesteld in artikel 115, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering: de rechter moet zich in zijn uitspraak baseren op het door de partijen overgelegde bewijs, ‘behalve in bij wet bepaalde gevallen’.

In de volgende artikelen van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering zijn echter bepaalde uitzonderingen op deze regel vastgesteld:

  • artikel 117: staat toe dat de partijen informeel worden gehoord;
  • artikel 118: staat toe dat nader onderzoek naar personen en voorwerpen wordt gelast;
  • artikelen 61 en 191: staan toe dat de rechter het advies van deskundigen inwint;
  • artikel 257: staat toe dat de rechter een getuige oproept die door een andere getuige is genoemd;
  • artikel 281 ter: staat toe dat de enkelvoudige kamer van een algemene rechtbank (tribunale) gelast om getuigenbewijs te verkrijgen indien in het feitenrelaas van de partijen personen worden genoemd die van de feiten op de hoogte lijken te zijn.

In arbeidsgeschillen wordt het beginsel dat het toepassingsgebied van de procedure wordt vastgesteld door de partijen vervangen door een systeem dat wordt gekenmerkt door inquisitoriale aspecten, met name krachtens de volgende bepalingen:

  • artikel 420: staat toe dat de rechter de partijen naar eigen inzicht hoort;
  • artikel 421: staat toe dat de rechter uit eigen beweging op enig moment de toelating gelast van andere soorten bewijs, die verder reiken dan de in het burgerlijke wetboek vastgestelde grenzen.

In echtscheidingsprocedures kan de rechter uit eigen beweging bewijslevering gelasten, maar alleen wat het onderzoek naar het inkomen en de levensstandaard betreft.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

Als een van de partijen om bewijslevering verzoekt, kan de wederpartij om levering van tegenbewijs verzoeken. De rechter willigt beide verzoeken in als uit de aangevoerde feiten blijkt dat deze kennelijk relevant zijn om tot een uitspraak te komen.

Indien de rechter het bewijs toelaat, zal hij vervolgens van dit bewijs kennisnemen.

Nadat het bewijs is verkregen, wordt over de zaak beraadslaagd.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

De rechter wijst verzoeken voor de verkrijging van bewijs af in gevallen waarin het bewijs op grond van de wet niet wordt toegelaten of geen enkele waarde vertegenwoordigt (bijv. een poging om aan de hand van getuigenverklaringen te bewijzen dat een onroerende zaak werd verkocht) of in gevallen waarin de feiten waarnaar het verzoekschrift verwijst, niet relevant zijn met het oog op de uitspraak (bijv. een getuigenverklaring met betrekking tot een feit dat geen verband houdt met het geschil).

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Het Italiaanse recht maakt onderscheid tussen schriftelijk en niet-schriftelijk bewijs.

Schriftelijk bewijs omvat:

  • officiële documenten (artikelen 2699 e.v. van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • particuliere documenten (artikelen 2702 e.v.);
  • telegrammen (artikelen 2705 e.v.);
  • huishoudelijke archieven en documenten (artikel 2707);
  • de financiële gegevens van bedrijven (artikel 2709);
  • mechanisch vervaardigde afschriften (artikel 2712);
  • afschriften van documenten en contracten (artikelen 2714 e.v.).

Niet-schriftelijk bewijs omvat:

  • getuigenbewijs (artikelen 2721 e.v. van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • bekentenissen (artikelen 2730 e.v.);
  • verklaringen onder ede (artikelen 2736 e.v.);
  • inspecties (artikelen 258 e.v.).

Tevens kunnen deskundigenrapporten worden opgevraagd indien het de rechter aan specifieke technische kennis ontbreekt.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Getuigenbewijs wordt toegelaten door de rechter (artikel 245 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Hij gelast de getuige te verschijnen om te getuigen op straffe van dwangmaatregelen en een boete indien de getuige niet verschijnt..

De rechter stelt de plaats, de tijd en de manier vast waarop het bewijs wordt geleverd. Op verzoek van de betrokken partij wordt de getuige door de gerechtsdeurwaarder gedagvaard. De getuige leest een verklaring op waarin hij of zij belooft de waarheid te zullen spreken en wordt vervolgens door de rechter ondervraagd — de partijen mogen niet rechtstreeks vragen stellen aan de getuige.

Krachtens een recente bepaling mag de rechter, met instemming van de partijen, schriftelijke bewijslevering toestaan (artikel 257 bis van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Technische deskundigen worden aangesteld door de rechter en beantwoorden de vragen die de rechter hun voorlegt. Zij verschijnen op de zitting en staan onder ede. In het algemeen stellen technische deskundigen op verzoek van de rechter schriftelijke rapporten op, maar de rechter kan hen ook vragen om tijdens een hoorzitting mondeling te getuigen (artikel 195 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Schriftelijk bewijs maakt deel uit van de procedure zodra het is opgenomen in het procesdossier van de partij, tijdens de eerste verschijning op de terechtzitting of later, afhankelijk van de wettelijke termijnen.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Het Italiaanse rechtssysteem hecht de meeste waarde aan officiële documenten en aan onweerlegbare vermoedens.

Officiële documenten (artikelen 2699 e.v. van het burgerlijk wetboek) zijn documenten die met inachtneming van de vereiste formaliteiten zijn opgesteld door een notaris (notaio) of een andere ambtenaar die bevoegd is om de officiële status ervan te bevestigen op de plaats waar het document werd opgesteld. Officiële documenten hebben volledige bewijswaarde, tenzij is aangetoond dat deze vals zijn. In alle andere gevallen vormen officiële documenten absoluut en onvoorwaardelijk bewijs.

Onweerlegbare vermoedens (artikel 2727 van het burgerlijk wetboek) zijn nog krachtiger, aangezien geen bewijs van het tegendeel is toegelaten.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

De wet vereist dat bepaalde feiten uitsluitend met bepaalde bewijsmiddelen kunnen worden bewezen, in sommige gevallen met officiële documenten en in andere met schriftelijke documenten (officieel of particulier).

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Getuigen zijn verplicht om te getuigen, tenzij de wet anders bepaalt. De wet voorziet in: onbekwaamheid om te getuigen; een verbod om te getuigen; en de keuze om zich te onthouden van het leveren van bewijs. De verplichting om te getuigen vloeit indirect voort uit de bevoegdheid die de rechter krachtens artikel 255 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering heeft om in het geval van verstek medebrenging van de getuige te gelasten en hem of haar een boete op te leggen.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

In de gevallen die worden bestreken door het wetboek van strafvordering, waarnaar wordt verwezen door het wetboek van burgerlijke rechtsvordering: het gaat hierbij om personen die mogen weigeren om te getuigen omdat zij zijn gebonden door beroepsgeheim, ambtsgeheim of staatsgeheim.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Krachtens artikel 256 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering wordt tegen getuigen die de terechtzitting bijwonen, maar zonder gegronde reden weigeren om te getuigen, of die de verdenking wekken dat zij valse getuigenis afleggen of bewijs achterhouden, door de rechter aangifte gedaan bij het openbaar ministerie door toezending van een afschrift van het proces-verbaal van de terechtzitting.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Personen die persoonlijk belang hebben bij de feiten van de zaak kunnen niet getuigen omdat zij op grond van hun belang mogelijk gerechtigd zijn om als partij aan de procedure deel te nemen (artikel 246 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Kinderen jonger dan 14 jaar mogen alleen worden gehoord indien hun getuigenis op grond van bijzondere omstandigheden is vereist (artikel 248 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

De rechter hoort de getuige door het stellen van directe vragen over de toegegeven feiten voor zover relevant voor de procedure, en eventuele vragen over dezelfde feiten die door de advocaten van de partijen tijdens het horen zijn ingebracht.

Het wetboek van burgerlijke rechtsvordering sluit niet uitdrukkelijk uit dat getuigenbewijs wordt verkregen met behulp van videoconferencing. Artikel 202 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat de rechter de tijd, de plaats en de manier dient vast te stellen waarop het bewijs wordt verkregen en dit laat toe dat een getuige via videoconferencing wordt gehoord.

Artikel 261 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt tevens dat de rechter opdracht kan geven tot het maken van een video-opname met gebruik van mechanische middelen, hulpmiddelen of procedures.

Videoconferencing is uitdrukkelijk toegestaan krachtens het wetboek van strafvordering (bijv. in artikel 205 ter).

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

De rechter neemt geen nota van bewijs dat niet formeel is verkregen en toegelaten.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Uw eigen verklaring telt niet mee als bewijs in uw voordeel. Uw verklaring kan echter wel gelden als bewijs tegen u als het een bekentenis betreft die u tijdens de formele ondervraging hebt afgelegd.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 22/01/2018

Bewijsverkrijging - Cyprus

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

In de regel rust de bewijslast in burgerlijke zaken op de partij die genoegdoening zoekt, dat wil zeggen, afhankelijk van de zaak, de eiser of de verzoeker.

In uitzonderlijke zaken kan de bewijslast op de gedaagde of verweerder rusten. Een klassiek voorbeeld is het geval waarin een zaak aanhangig wordt gemaakt vanwege nalatigheid, terwijl bewezen is dat de eiser niet weet en niet had kunnen weten hoe een ongeval zich heeft voorgedaan of hoe de schade is veroorzaakt door een gebeurtenis waarop uitsluitend de verweerder controle kon uitoefenen, en de schade verband houdt met het feit dat de verweerder verzuimd heeft een redelijke zorgvuldigheid in acht te nemen. In dit geval geldt het beginsel res ipsa loquitur (de zaak spreekt voor zich) en verschuift de bewijslast naar de verweerder.

Over het algemeen moet de eiser of verzoeker middels het aanleveren van relevante getuigenverklaringen alle feiten bewijzen die nodig zijn om zijn/haar vordering te ondersteunen of onderbouwen.

De rechtbank wordt geacht het bewijsmateriaal te beoordelen en een uitspraak te doen op basis van conclusies die uit de feiten van de zaak kunnen worden getrokken. Indien de rechtbank gezien de omstandigheden van het geval niet in staat is tot een conclusie te komen ten aanzien van enig feit dat van belang is voor de beoordeling van de vordering, wordt de vordering van de partij, voor zover gebaseerd op dat feit, afgewezen.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Er zijn bepaalde feiten die niet bewezen hoeven te worden. Het gaat dan onder andere om bepaalde feiten die onweerlegbaar en duidelijk zijn en waarvan de rechtbank wordt geacht 'ambtshalve' op de hoogte te zijn. Voorbeelden zijn onder andere feiten die verband houden met meeteenheden, monetaire kwesties, de kalender en het tijdsverschil tussen landen. Andere voorbeelden zijn feiten van algemene bekendheid en feiten die zijn gebaseerd op algemene ervaringsregels, zoals de toename van het aantal dodelijke verkeersongevallen, de problemen van een weduwe met minderjarige kinderen enzovoort. Ook voor historische, wetenschappelijke en geografische feiten die algemeen bekend zijn hoeft geen bewijs geleverd te worden.

Bovendien wordt in bepaalde gevallen gewerkt met vermoedens. Een vermoeden is een conclusie die kan of moet worden getrokken op basis van het feit dat bepaalde feiten bewezen zijn. Dergelijke vermoedens kunnen weerlegbaar of onweerlegbaar zijn.

Onweerlegbare vermoedens zijn vermoedens die wettelijk zijn vastgelegd en die niet weerlegd kunnen worden door bewijs te leveren waaruit het tegendeel blijkt. Onweerlegbare vermoedens komen zelden voor. Een voorbeeld is te vinden in artikel 14 van het wetboek van strafrecht, waarin vermeld staat dat kinderen jonger dan veertien geacht worden niet strafrechtelijk aansprakelijk te zijn voor hun handelen of nalaten. Weerlegbare vermoedens komen veel vaker voor. Deze kunnen worden weerlegd door bewijs te leveren waaruit het tegendeel blijkt. Zo wordt bijvoorbeeld het kind dat uit een wettig huwelijk wordt geboren, vermoed het kind van de echtgenoot te zijn, tenzij het tegendeel wordt bewezen.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

In burgerlijke zaken is de bewijsstandaard gebaseerd op een 'afweging van de waarschijnlijkheid'. Met andere woorden, de rechtbank acht een feit bewezen als zij er op basis van het bewijs van overtuigd is dat het waarschijnlijker is dat het betreffende feit zich heeft voorgedaan dan niet.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

In burgerlijke zaken kiezen de partijen wat voor soort getuigenverklaringen aan de rechtbank worden voorgelegd. Iedere partij roept de getuigen op die als nuttig voor haar zaak worden beschouwd. De rechtbank is niet bevoegd zonder instemming van de partijen uit eigen beweging getuigen op te roepen.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

De procedure is eenvoudig. De partij die een getuige wenst op te roepen, verzoekt de rechtbank om een dagvaarding. De rechtbank geeft de dagvaarding vervolgens af, die daarna aan de getuige moet worden betekend. Iedereen die een dergelijke dagvaarding ontvangt, is wettelijk verplicht op de in de dagvaarding vermelde tijd en datum voor de rechtbank te verschijnen.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

De dagvaarding waarom wordt verzocht door een der partijen, wordt in de meeste gevallen ook betekend. Een door een van de partijen ingediend verzoek tot dagvaarding kan in zeldzame en uitzonderlijke gevallen worden afgewezen als het verzoek aantoonbaar lichtzinnig en in strijd met de rechtelijke procedures is.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Er bestaan twee soorten bewijsmateriaal: mondelinge getuigenverklaringen die voor de rechtbank worden uitgesproken of schriftelijk bewijsmateriaal dat bij de rechtbank wordt ingediend.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Er bestaan geen vaste regels voor het verkrijgen van bewijsmateriaal van getuigen‑deskundigen. De partij die het bewijsmateriaal aanlevert, moet beslissen of de getuige‑deskundige zijn/haar getuigenis persoonlijk komt afleggen of dat het bewijsmateriaal in schriftelijke vorm wordt ingediend.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Er bestaat geen algemene regel die bepaalt dat een bepaald type getuigenverklaring beter, betrouwbaarder of overtuigender is dan andere soorten bewijsmateriaal. Al het bewijs dat gedurende de procedure wordt aangeleverd, wordt door de rechtbank beoordeeld in het licht van de specifieke omstandigheden van elk geval.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Nee, dergelijke regels bestaan niet.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Als iemand een dagvaarding heeft ontvangen waarin hij/zij wordt opgeroepen voor de rechtbank te verschijnen en te getuigen, dan is hij/zij wettelijk verplicht om hieraan gehoor aan te geven. Verzuimt of weigert de betrokkene te verschijnen, dan maakt hij zich schuldig aan minachting van het gerecht, hetgeen als een strafbaar feit zal worden behandeld.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Getuigen mogen niet weigeren een getuigenis af te leggen. Wel kunnen getuigen in uitzonderlijke gevallen weigeren op grond van hun verschoningsrecht zoals, bijvoorbeeld, een beroepsgeheim, vragen te beantwoorden of stukken over te leggen.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Zie het antwoord in de voorgaande alinea.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Iedereen kan een getuigenis afleggen in een burgerlijke zaak tenzij de rechtbank van oordeel is dat iemand – op grond van zijn/haar jeugdige leeftijd, verminderde geestvermogens of een andere soortgelijke reden – niet weet dat hij/zij verplicht is de waarheid te vertellen, of de vragen die hem/haar worden gesteld niet kan begrijpen of op dergelijke vragen geen logische antwoorden kan geven (overeenkomstig de bepalingen van artikel 13 van de wet inzake bewijs).

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Een getuige wordt tijdens het hoofdverhoor ondervraagd door de partij die hem/haar heeft opgeroepen. Nadat het rechtstreekse verhoor is afgelopen, wordt de getuige onderworpen aan een kruisverhoor door de wederpartij. Tot slot mag de rechtbank zelf vragen stellen over zaken die nadere toelichting behoeven.

Een getuige mag getuigen via teleconferentie of andere technische middelen als het voor hem/haar onmogelijk is fysiek voor de rechtbank te verschijnen, mits de rechtbank in staat is dergelijke technische middelen ter beschikking te stellen. Als er specifieke voorwaarden moeten worden opgelegd, wordt dit gedaan op basis van de specifieke omstandigheden van de betreffende rechtszaak.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Bewijs dat illegaal is verkregen in strijd met grondwettelijk beschermde rechten is uitgesloten van gebruik in gerechtelijke procedures, en de rechtbank mag haar oordeel daarop niet baseren. Een klassiek voorbeeld hiervan is het illegaal opnemen van persoonlijke gesprekken.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Een verklaring die is afgegeven door iemand die partij is bij de procedure, kan als bewijs worden gebruikt. Het feit dat een dergelijke verklaring is afgegeven door iemand die rechtstreeks belang heeft bij de uitkomst van de procedure, is slechts een van de vele aspecten die de rechtbank in overweging dient te nemen bij de beoordeling en waardering van het bewijs als geheel.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 13/05/2019

Bewijsverkrijging - Letland

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

Iedere partij moet het bewijs leveren van de feiten waarop haar vordering of verweer is gebaseerd. De eiser moet zijn vorderingen onderbouwen en de verweerder zijn verweer.

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

Bewijs wordt geleverd door de partijen in het geding en door andere belanghebbende partijen. Wanneer een partij in het geding of een andere belanghebbende partij niet in staat is bepaalde bewijselementen over te leggen en dienaangaande een gemotiveerd verzoek indient, kan de rechter verlangen dat de betrokken bewijselementen worden overgelegd.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Een feit dat volgens de rechtbank algemeen bekend is, hoeft niet te worden bewezen.

Feiten die bij een civielrechtelijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, bewezen zijn verklaard, hoeven in een ander burgerlijk geschil tussen dezelfde partijen niet opnieuw te worden bewezen.

Een in kracht van gewijsde gegane uitspraak in een strafzaak is slechts bindend voor een rechter in een civiele-aansprakelijkheidszaak betreffende de persoon waarop die strafzaak betrekking had voor zover het de vraag betreft of de handeling in kwestie strafbaar was of dat er sprake was van niet-handelen, en of ze door de persoon in kwestie is gepleegd of toegestaan.

Een feit dat voor de wet vaststaat, behoeft geen bewijs. Een dergelijk vermoeden kan via de gewone procedure worden weerlegd.

Ingevolge de wet op de burgerlijke rechtsvordering (WBRv) hoeft een partij geen feiten te bewijzen die niet door de wederpartij worden betwist.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

De rechter is vrij in de beoordeling van het bewijs. Hij doet dit op basis van een grondig, volledig en objectief onderzoek ter zitting, waarbij hij de regels der logica volgt en gebruik maakt van wetenschappelijke bevindingen en eigen alledaagse waarnemingen. De rechter motiveert in zijn uitspraak waarom een bepaald bewijs zwaarder weegt dan een ander en waarom bepaalde feiten wel en andere niet bewezen worden geacht. Geen enkel bewijs heeft vooraf vastgestelde bindende rechtsgevolgen voor de rechter.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Volgens de wet op de burgerlijke rechtsvordering is de hoofdregel dat de partijen verantwoordelijk zijn voor de bewijslevering. In bepaalde in diezelfde wet omschreven gevallen kan de rechter echter ambtshalve bewijs verlangen (bijvoorbeeld als de belangen van een kind in het geding zijn). Wanneer de rechter van oordeel is dat er met betrekking tot door een partij gestelde feiten die ten grondslag liggen aan een vordering of verweer geen bewijs is geleverd, stelt hij de partijen daarvan in kennis, zo nodig met vermelding van de termijn waarbinnen het bewijs moet worden geleverd.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

De partijen overleggen aan de rechter schriftelijk en materieel bewijs. Wanneer partijen verwijzen naar mondeling bewijs, worden de door partijen opgegeven getuigen door de rechter opgeroepen om ter zitting een verklaring af te leggen. Het bewijs wordt aan het procesdossier toegevoegd.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

De rechter staat alleen bewijsmiddelen toe waarin de wet voorziet en die voor de zaak van belang zijn. Tenzij de rechter een andere termijn heeft vastgesteld, kan bewijs dat later dan veertien dagen vóór de zitting wordt ingediend, worden afgewezen. Tijdens de behandeling van een zaak kan bewijs worden ingediend op een met redenen omkleed verzoek van een procespartij of andere belanghebbende partij, voor zover de behandeling van de zaak daardoor geen vertraging oploopt en de rechtbank van oordeel is dat er geldige redenen zijn voor het niet tijdig indienen van het bewijs, of voor zover het bewijs betrekking heeft op feiten die pas tijdens het proces bekend zijn geworden.

Getuigenverklaringen die zijn gebaseerd op informatie afkomstig van een onbekende bron of van andere personen, worden niet toegelaten als bewijs, tenzij die personen als getuige zijn gehoord.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Verklaringen van partijen in het geding en belanghebbende derden die informatie bevatten over feiten waarop hun vordering of verweer is gebaseerd, voor zover die verklaringen worden bevestigd door ander bewijs dat ter zitting is onderzocht en beoordeeld;

verklaringen van getuigen en getuige-deskundigen;

schriftelijk bewijs, bestaande uit documenten of andere teksten waarin informatie over voor de zaak relevante feiten is vastgelegd door middel van letters, cijfers of andere symbolen of met gebruikmaking van andere technische hulpmiddelen, en alle daarmee verband houdende opslagmedia (beeld- en geluidsbanden, diskettes enz.);

  • materieel bewijs;
  • deskundigenrapporten;
  • deskundigenverklaringen;
  • overheidsrapporten.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Er is geen wezenlijk verschil: de mondelinge verklaring van deskundigen en andere getuigen wordt als bewijs beschouwd, net als de schriftelijke verklaring van een deskundige. Een getuige of getuige-deskundige die daartoe door de rechtbank is opgeroepen, moet ter zitting verschijnen voor het afleggen van een waarheidsgetrouwe verklaring. In het geval van getuigen heeft die verklaring betrekking op aan hen bekende feiten en omstandigheden, in het geval van deskundigen wordt een objectief oordeel verwacht over door hen onderzochte wetenschappelijke, technische, artistieke of andere feiten.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Geen enkel bewijs heeft vooraf vastgestelde bindende rechtsgevolgen voor de rechter. Wel moet de rechter in de uitspraak uitleggen waarom een bepaald bewijs voor hem zwaarder weegt dan een ander bewijs en waarom hij bepaalde feiten wel en andere niet bewezen acht.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Ja. Feiten die krachtens de wet slechts met bepaalde bewijsmiddelen kunnen worden bewezen, kunnen niet met andere bewijsmiddelen worden bewezen.

De rechter staat alleen de in de wet vastgestelde bewijsmiddelen toe.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Personen die zijn opgeroepen om ter zitting te getuigen, mogen dit niet weigeren, uitgezonderd in bepaalde in de wet omschreven gevallen.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

De volgende personen kunnen weigeren om te getuigen:

  • bloedverwanten in rechte lijn of bloedverwanten in de zijlijn in de eerste of tweede graad, echtgenoten en hun aanverwanten in de eerste graad en gezinsleden van de partijen;
  • voogden van een van de partijen en personen die onder de voogdij van een van de partijen staan;
  • personen die met een van de partijen in een ander juridisch geschil zijn verwikkeld.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Een getuige van veertien jaar of ouder die weigert te getuigen om volgens de rechter ongeldige redenen, of die opzettelijk een valse verklaring aflegt, maakt zich schuldig aan een strafbaar feit.

Wanneer een getuige na een oproep van de rechter zonder geldige reden niet verschijnt, kan de rechter hem een boete van maximaal 60 EUR opleggen dan wel hem dwingen ter zitting te verschijnen.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Tevens hoeven niet te getuigen:

  • geestelijken met betrekking tot feiten waarvan ze kennis hebben gekregen bij het horen van een biecht, en personen aan wie het op grond van hun beroep of functie niet is toegestaan om informatie bekend te maken die hun in het kader van dat beroep of die functie is verstrekt;
  • minderjarigen met betrekking tot feiten die bewijs ten nadele van hun ouders, grootouders, broers of zusters vormen;
  • personen die als gevolg van een lichamelijke of geestelijke handicap niet in staat zijn om de voor de zaak relevante omstandigheden juist te beoordelen;
  • kinderen jonger dan zeven jaar.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Personen die als getuige zijn opgeroepen, moeten ter zitting verschijnen en een waarheidsgetrouwe verklaring afleggen over feiten en omstandigheden waarvan ze kennis hebben. Getuigen moeten antwoorden op vragen die hun door de rechter en partijen worden gesteld. De rechter kan een opgeroepen getuige in diens woonplaats horen als hij wegens ziekte, ouderdom, invaliditeit of een andere geldige reden niet in staat is om op de zitting te verschijnen. Afhankelijk van de verblijfplaats van de getuige, kan hij ook via videoconferencing worden gehoord, dan wel op een speciaal daarvoor uitgeruste plaats.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

De partijen in een geding kunnen de waarheid van schriftelijk bewijs betwisten.

Schriftelijk bewijs kan in principe niet worden betwist door de ondertekenaar van het stuk. Als de ondertekenaar dat wel wil doen, omdat de ondertekening onder dwang of bedreiging of op frauduleuze wijze is verkregen, moet hij een afzonderlijke vordering instellen. Als er sprake is van vermeende vervalsing kan een partij ook een met redenen omkleed verzoek om uitsluiting van het bewijs indienen. Indien de rechter vaststelt dat het bewijs is vervalst, wordt het bewijs uitgesloten en wordt er aangifte gedaan van de vervalsing. Voor de beoordeling van bovenbedoeld verzoek kan de rechter een deskundigenrapport gelasten of aanvullend bewijs verlangen. Wanneer de rechter van oordeel is dat het uitsluitingsverzoek ongegrond is, kan hij een boete opleggen.

Ingevolge de wet op de burgerlijke rechtsvordering moet een persoon die als getuige is opgeroepen, ter zitting verschijnen en een waarheidsgetrouwe verklaring afleggen over de feiten waarvan hij kennis heeft. Wanneer een partij bepaalde feiten of omstandigheden wil bewijzen door middel van een getuigenverklaring, moet in het verzoek aan de rechter tot ondervraging van de getuige worden aangegeven welke belangrijke elementen van de zaak de getuige kan bevestigen.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Verklaringen van procespartijen en derden die informatie bevatten over de feiten waarop hun vordering of verweer is gebaseerd, worden als bewijs toegelaten als ze worden bevestigd door ander bewijs dat door de rechter ter zitting is onderzocht en beoordeeld. Wanneer een partij een feit erkent waarop de wederpartij haar vordering of verweer baseert, kan de rechter dat feit bewezen achten als er geen enkele reden is om aan te nemen dat de erkentenis het resultaat is van fraude, geweld, bedreiging of vergissing of dat zij er is gekomen om de waarheid te verbergen.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 07/02/2019

Bewijsverkrijging - Litouwen

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

Partijen zijn verplicht de aan hun eis en verweer ten grondslag liggende feiten te bewijzen, behalve in gevallen waarin bewijs ervan niet nodig is (zie 1.2).

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

Ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Republiek Litouwen (Lietuvos Respublikos civilinio proceso kodeksas) ligt de bewijslast bij de partijen in een zaak. Zij zijn verplicht de aan hun eis en verweer ten grondslag liggende feiten te bewijzen, behalve in gevallen waarin bewijs ervan niet nodig is volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Alle gerechten behandelen civielrechtelijke zaken volgens het beginsel van hoor en wederhoor. Iedere partij is verplicht de aan haar eis en verweer ten grondslag liggende feiten te bewijzen, behalve in gevallen waarin bewijs ervan niet nodig is.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Ingevolge artikel 182 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldt voor de volgende soorten feiten vrijstelling van de bewijslast:

  • feiten die de rechter erkent als algemeen bekend;
  • feiten waarover reeds een oordeel is uitgesproken in andere civiel- of bestuursrechtelijke procedures waarbij dezelfde personen betrokken waren, tenzij een dergelijk oordeel juridische gevolgen heeft voor andere personen die niet bij die procedures betrokken waren (prejudiciële werking);
  • de gevolgen van persoonlijke strafbare feiten, indien de rechter een oordeel over die gevolgen heeft uitgesproken in een strafrechtelijke procedure (prejudiciële werking);
  • feiten die een rechtsvermoeden inhouden en in de hoofdprocedure niet worden betwist;
  • feiten die door de partijen zijn erkend.

Een partij heeft het recht om de aan de eis of het verweer van de wederpartij ten grondslag liggende feiten te erkennen. Een rechter kan een erkend feit als vastgesteld beschouwen als hij oordeelt dat de erkenning overeenstemt met de omstandigheden van het geval, geen misleiding, geweld of bedreiging beoogt en evenmin voortkomt uit een vergissing of de intentie de waarheid te verdoezelen.

Opgemerkt zij dat zulke omstandigheden kunnen worden betwist middels indiening van bewijs in het kader van de hoofdprocedure.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

Als de rechter op grond van het ingediende bewijs kan concluderen dat het waarschijnlijk is dat een bepaald feit zich inderdaad heeft voorgedaan, erkent hij dat feit als vastgesteld.

2 Het verkrijgen van bewijs

Bewijs in civiele procedures betekent alle feitelijke gegevens die de rechter als basis dienen om overeenkomstig de wettelijke procedure te bepalen of de aan de eis en het verweer van de partijen ten grondslag liggende feiten zich al dan niet hebben voorgedaan, evenals eventuele overige feiten die kunnen bijdragen tot een eerlijke en rechtvaardige beslissing in de zaak. Die gegevens kunnen op de volgende manieren worden verkregen: verklaringen van de partijen of derden (rechtstreeks of via een vertegenwoordiger), verklaringen van getuigen, schriftelijk bewijs, materieel bewijs, plaatsopnemingen, deskundigenrapporten, rechtmatig verkregen foto's, beeld- en geluidsopnamen en andere vormen van bewijs.

Een rechter kan ook een EU-lidstaat verzoeken bewijs te verzamelen of rechtstreeks een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, om de samenwerking tussen de gerechten op dat gebied te verbeteren, vereenvoudigen en bespoedigen.

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Artikel 179 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat de partijen en andere deelnemers aan de procedure bewijs moeten indienen. Als het ingediende bewijs niet toereikend is, kan de rechter partijen en andere deelnemers aan de procedure vragen om ondersteunend bewijs en een termijn voor indiening daarvan stellen. Verder kan de rechter ambtshalve bewijs verzamelen, zij het alleen in situaties die bij wet zijn bepaald.

Ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechter op eigen initiatief bewijs verzamelen in familie- of arbeidszaken indien dit naar zijn mening essentieel is om tot een eerlijk oordeel in de zaak te komen (artikelen 376 en 414).

Artikel 476 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt voorts dat een rechter die zich voorbereidt op het horen van een zaak betreffende de ontvoogding van een minderjarige het volgende moet doen:

  • een rijksinrichting voor kinderbescherming in de woonplaats van de minderjarige verzoeken aan te geven in hoeverre zij de minderjarige in staat acht al zijn burgerrechten zelfstandig uit te oefenen of zijn plichten te vervullen;
  • nagaan of de minderjarige ooit is veroordeeld of een bestuursrechtelijke of andere wettelijke overtreding heeft begaan;
  • indien het nodig is het niveau van fysieke, morele, spirituele of geestelijke ontwikkeling van de minderjarige vast te stellen, een forensisch psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek gelasten en alle medische of andere documenten van de minderjarige opvragen die nodig zijn voor het onderzoek;
  • alle overige handelingen verrichten die noodzakelijk zijn ter voorbereiding van de zaak.

Verder bepaalt artikel 582 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat de rechter bij het horen van zaken betreffende het overdragen, verhypothekeren of op andere wijze bezwaren van familiebezit, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, de eiser kan verzoeken om bewijs van de financiële situatie van de familie (inkomsten, spaargelden, andere bezittingen, schulden), gegevens over het over te dragen familiebezit, gegevens van de dienst voor de bescherming van de rechten van het kind over de ouders van het kind, de voorafgaande voorwaarden en de mogelijkheden om de overdracht te realiseren, informatie over hoe de rechten van het kind kunnen worden beschermd indien de overdracht niet doorgaat, en overig bewijs.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

Om bewijs te verzamelen (overeenkomstig de artikelen 199 en 206 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) kan de rechter een rechtspersoon of natuurlijke persoon vragen opdragen schriftelijk of materieel bewijs te leveren, dat binnen een vaste termijn rechtstreeks bij de rechtbank moet worden ingediend. Als de natuurlijke persoon of rechtspersoon het vereiste schriftelijke of materiële bewijs niet of niet binnen de gestelde termijn kan overleggen, stelt hij de rechter daarvan in kennis, onder opgave van de redenen. Een rechter kan een persoon die een verzoek tot het leveren van schriftelijk of materieel bewijs heeft ingediend, een verklaring verstrekken waarin is bepaald dat hij het recht heeft om het te leveren bewijs te verkrijgen.

Tijdens de voorbereiding van een hoorzitting voert de rechter ook andere proceshandelingen uit die nodig zijn om de te behandelen zaak goed voor te bereiden (verkrijgen van bewijs dat niet door de belanghebbenden in de zaak kan worden verkregen, ambtshalve verzamelen van bewijs wanneer hij daartoe gerechtigd is volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, etc.).

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Een rechter kan een bewijsaanbod afwijzen in de volgende situaties:

  • als het niet toelaatbaar is;
  • als het bewijs voor de zaak relevante feiten bevestigt noch weerlegt (artikel 180 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering);
  • als het bewijs eerder had kunnen worden geleverd en de procedure wordt vertraagd door latere indiening ervan (artikel 181, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Alle bescheiden en andere bewijzen waarop de eiser zich baseert, bewijs dat proceskosten zijn betaald en alle verzoeken tot het leveren van bewijs dat de eiser niet kan leveren, met opgave van redenen waarom dat bewijs niet kan worden geleverd, kunnen slechts door de rechter worden geaccepteerd indien zij bij de vordering worden gevoegd (artikel 135 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Voorts zal het hof van beroep geen nieuw bewijs accepteren dat bij de rechtbank van eerste aanleg had kunnen worden ingediend, behalve als de rechtbank van eerste aanleg dat bewijs ten onrechte heeft geweigerd of als de noodzaak om dat bewijs te leveren pas later is ontstaan (artikel 314 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Zoals is vastgelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, betekent bewijs in civiele procedures alle feitelijke gegevens die de rechter als basis dienen om overeenkomstig de wettelijke procedure na te gaan of de aan de eis en het verweer van de partijen ten grondslag liggende feiten zich al dan niet hebben voorgedaan, evenals overige feiten die kunnen bijdragen tot een eerlijke en rechtvaardige beslissing in de zaak. Deze gegevens kunnen als volgt worden verkregen: verklaringen van de partijen of derden (rechtstreeks of bij gevolmachtigde), getuigenverklaringen, schriftelijk bewijs, materieel bewijs, plaatsopnemingen en deskundigenrapporten.

Ook rechtmatig verkregen foto's en geluids- en beeldmateriaal kunnen als bewijsmiddel dienen.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

De artikelen 192 tot en met 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevatten de hieronder beschreven voorschriften voor het verkrijgen van bewijs van getuigen en getuige-deskundigen.

De procedure voor het getuigenverhoor

Elke getuige wordt apart ter terechtzitting opgeroepen en gehoord. Getuigen die niet worden gehoord, mogen tijdens de zitting niet in de rechtszaal aanwezig zijn. Na te zijn gehoord, blijven de getuigen in de rechtszaal tot de hoorzitting is beëindigd. Als zij daarom vragen, kan de rechter de getuigen na hen te hebben gehoord toestemming geven de rechtszaal te verlaten, nadat de deelnemers aan de procedure hun verklaringen hebben afgelegd.

Een getuige kan ter plaatse worden gehoord indien hij niet ter terechtzitting kan verschijnen vanwege ziekte, hoge leeftijd, handicap of andere wettige reden en de deelnemer aan de procedure die de getuige heeft laten oproepen niet kan garanderen dat die getuige ter terechtzitting zal verschijnen.

De rechter stelt de identiteit van de getuige vast en wijst hem op zijn rechten en plichten alsmede op zijn aansprakelijkheid ten aanzien van meineed en het niet of niet naar behoren vervullen van zijn andere plichten.

Alvorens te worden gehoord, legt de getuige een eed af door een hand op de Grondwet van de Republiek Litouwen (Lietuvos Respublikos Konstitucija) te leggen en de volgende woorden uit te spreken: "Ik, (volledige naam), zweer naar eer en geweten dat ik de gehele waarheid zal spreken, zonder gegevens te verzwijgen, aan te vullen of te verdraaien". De getuige die de eed heeft afgelegd, dient deze te ondertekenen. De ondertekende eed wordt bij de dossierstukken gevoegd.

Na vaststelling van de relatie van de getuige met de partijen en derden en andere voor de beoordeling van zijn bewijs relevante omstandigheden (opleiding, beroep van de getuige enz.) verzoekt de rechter de getuige alles te vertellen wat hij weet over de zaak en geen informatie te verstrekken als hij de bron van die informatie niet kan opgeven.

Nadat de getuige zijn verklaring heeft afgelegd, kunnen hem vragen worden gesteld. De getuige wordt eerst verhoord door de persoon die hem heeft laten oproepen en door een vertegenwoordiger van die persoon. Vervolgens wordt de getuige verhoord door andere deelnemers aan de procedure. Een op initiatief van de rechter opgeroepen getuige wordt eerst gehoord door de eiser. De rechter neemt suggestieve en voor de zaak irrelevante vragen niet in aanmerking. De rechter kan tijdens het verhoor van de getuige op ieder moment vragen stellen.

Indien nodig kan de rechter op verzoek van een deelnemer aan de procedure of op eigen initiatief (ambtshalve) een getuige nog een keer horen tijdens dezelfde zitting, de gehoorde getuige oproepen voor een nieuwe zitting in dezelfde rechtbank of getuigen met elkaar confronteren.

In buitengewone gevallen waarin het onmogelijk of bezwaarlijk is een getuige ter zitting te horen, kan de behandelende rechter een schriftelijke getuigenverklaring in aanmerking nemen indien dat naar zijn oordeel, en rekening houdend met de identiteit van de getuige en de inhoud van de feiten waarover wordt getuigd, geen nadelige uitwerking heeft op de vaststelling van de belangrijkste feiten van de zaak. Op initiatief van de partijen kan een getuige worden opgeroepen voor een aanvullend verhoor in de rechtszaal, als dat nodig is voor een nadere vaststelling van de feiten van de zaak. Voorafgaand aan zijn verklaring ondertekent de getuige de eed waarvan de tekst is opgenomen in artikel 192, lid 4, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en wordt hij bij ondertekening daarvan gewaarschuwd dat het afleggen van een valse verklaring een strafbaar feit is. Een schriftelijke getuigenverklaring wordt afgelegd ten overstaan van een notaris en wordt gewaarmerkt door de notaris.

Verhoor van deskundigen

Het deskundigenoordeel wordt voorgelezen tijdens de hoorzitting. Voordat het deskundigenoordeel wordt voorgelezen, wordt door de desbetreffende aan de zitting deelnemende deskundige(n) een eed afgelegd door een hand op de Grondwet van de Republiek Litouwen te leggen en de volgende woorden te spreken: "Ik, (volledige naam), zweer dat ik de plichten van een deskundige in de procedure eerlijk zal vervullen en een objectief en beredeneerd deskundigenoordeel op basis van mijn volledige expertise zal geven". Indien het deskundigenoordeel buiten een hoorzitting wordt uitgebracht, vormt de door de deskundige ondertekende eed een integraal onderdeel van het deskundigenrapport. Deskundigen op de Lijst van Gerechtsdeskundigen van de Republiek Litouwen (Lietuvos Respublikos teismo ekspertų sąrašas) die bij opname op die lijst al een eed hebben afgelegd, hoeven geen eed af te leggen in de rechtszaal en worden geacht te zijn gewezen op hun aansprakelijkheid voor een eventueel vals oordeel en valse verklaringen.

De rechter kan een deskundige aanbieden zijn oordeel mondeling toe te lichten. Een mondelinge toelichting op het oordeel van de deskundige wordt bij de notulen van de hoorzitting gevoegd.

Deskundigen kunnen vragen worden gesteld ter verduidelijking of ter aanvulling van hun oordeel. De persoon die om hun aanstelling heeft gevraagd, wordt als eerste in de gelegenheid gesteld vragen te stellen. Vervolgens kunnen andere deelnemers aan de procedure vragen stellen aan de deskundige. Als de rechter op eigen initiatief een deskundige aanstelt, wordt de eiser als eerste in de gelegenheid gesteld om de deskundige vragen te stellen.

De rechter kan tijdens het verhoor van de deskundige op ieder moment vragen stellen.

Een deskundigenoordeel wordt uitsluitend op verzoek van een rechter gegeven (en moet schriftelijk worden ingediend in de vorm van een deskundigenrapport). Een deskundigenrapport bevat een gedetailleerde beschrijving van het uitgevoerde onderzoek, de conclusies op basis van de bevindingen en beredeneerde antwoorden op de vragen van de rechter.

Als een rechter vraagt om een deskundigenoordeel zonder rapport, wordt dat oordeel beschouwd als schriftelijk bewijs ingediend door een deskundige (vergelijkbaar met andere deelnemers aan de procedure) of als door de rechter verzocht overeenkomstig de procedure van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat de volgende voorschriften voor het indienen van schriftelijk bewijs:

Schriftelijk bewijs kan worden ingediend door deelnemers aan de procedure of worden gevraagd door de rechter in overeenstemming met de in het wetboek neergelegde procedure.

Schriftelijk bewijs wordt ingediend in de door het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven vorm: een deelnemer aan de procedure die de inhoud van een processtuk staaft met schriftelijk bewijs, verstrekt de originelen of (digitale) afschriften daarvan, gewaarmerkt door een rechtbank, een notaris (of andere persoon met notariële bevoegdheden), een aan de procedure deelnemende advocaat of de afgever (ontvanger) van het stuk. Een rechter kan op eigen initiatief of op verzoek van een deelnemer aan de procedure verlangen dat de originele documenten worden ingediend. Een deelnemer aan de procedure die verzoekt om indiening van originele documenten, maakt dat verzoek kenbaar bij overlegging van zijn vordering, tegenvordering, verweer of andere processtukken. Een deelnemer aan de procedure kan een dergelijk verzoek op een latere datum kenbaar maken, als de rechter erkent dat er dwingende redenen waren waarom het niet eerder is ingediend, of als de beslissing in de zaak er niet door wordt vertraagd. Indien slechts een deel van een document verband houdt met de inhoud van processtukken, mogen alleen de relevante delen (fragmenten, uittreksels) worden voorgelegd aan de rechter.

Alle processtukken en bijbehorende aanhangsels worden ingediend bij de rechtbank in Litouwen, behalve in het geval van in de wet bepaalde uitzonderingen. Als deelnemers aan de procedure aan wie processtukken worden betekend het Litouws niet kunnen lezen, worden vertalingen van die stukken in een voor hen wel begrijpelijke taal ingediend bij de rechtbank. Als het wetboek een vertaling van de te verstrekken stukken naar een vreemde taal voorschrijft, dienen de deelnemers aan de procedure bij de rechtbank een beëdigde vertaling van die stukken in volgens de desbetreffende wettelijke procedure.

In een dossier opgenomen originelen kunnen op verzoek van de indiener worden geretourneerd. In dat geval worden in het dossier afschriften van de te retourneren documenten bewaard; de afschriften zijn gewaarmerkt volgens de in het wetboek vastgelegde procedure.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Artikel 197 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat door nationale en lokale overheden afgegeven documenten die zijn goedgekeurd door personen die daartoe zijn geautoriseerd door de staat, binnen de grenzen van hun bevoegdheid en overeenkomstig de vormvereisten van bepaalde documenten, als officieel schriftelijk bewijs kunnen worden beschouwd en een grotere bewijskracht hebben. Feiten die in officieel schriftelijk bewijs staan vermeld, worden als volledig bewezen beschouwd totdat zij worden weerlegd door ander bewijs in de procedure, met uitzondering van getuigenbewijs. Een verbod op het gebruik van getuigenbewijs is niet van toepassing als dat verbod in strijd zou zijn met de beginselen van goede trouw, redelijkheid en billijkheid. De bewijskracht van officieel schriftelijk bewijs kan bij de wet ook worden toegekend aan andere documenten.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

De feiten van een zaak die volgens de wet moeten worden bewezen met bepaalde bewijsmiddelen, kunnen niet worden bewezen met andere bewijsmiddelen (artikel 177, lid 4, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Een persoon die wordt opgeroepen als getuige, is verplicht voor de rechter te verschijnen en naar waarheid te getuigen. Een persoon die wordt opgeroepen als getuige is wettelijk aansprakelijk als hij zijn plichten als getuige verzuimt (artikel 191), in welk geval hij kan worden beboet.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Een getuige kan weigeren een verklaring af te leggen als die verklaring bewijs tegen hemzelf of familieleden of naaste verwanten zou vormen.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Als getuigen, deskundigen of tolken niet ter zitting verschijnen, vraagt de rechter de personen die deelnemen aan de procedure of hun zaak kan worden behandeld in afwezigheid van getuigen, deskundigen of tolken en bepaalt hij of de zitting moet worden voortgezet of opgeschort. Een opgeroepen getuige, deskundige of tolk die zonder geldige reden niet ter zitting verschijnt, kan een boete worden opgelegd tot één duizend litas. Een getuige kan ook door de openbare macht voor de rechter worden gebracht op grond van een rechterlijke uitspraak (artikel 248 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

De volgende personen mogen niet worden gehoord als getuige;

  • vertegenwoordigers in civiel- en bestuursrechtelijke procedures of verdediging in strafrechtelijke procedures, over feiten waarvan zij kennis hebben genomen als vertegenwoordiger of advocaat;
  • personen die voor de zaak relevante feiten niet kunnen begrijpen of geen eerlijke verklaring kunnen afleggen wegens een lichamelijke of geestelijke handicap;
  • priesters, over feiten waarvan zij kennis hebben genomen tijdens de biecht;
  • medisch personeel, over feiten die vallen onder hun beroepsgeheim;
  • bemiddelaars, over feiten waarvan zij kennis hebben genomen tijdens een verzoenende bemiddelingsprocedure.

Andere personen kunnen ook bij wet worden vastgesteld.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Na verduidelijking van de relatie van de getuige met de partijen, derden en andere voor de beoordeling van zijn getuigenbewijs relevante omstandigheden (opleiding, beroep enz. van de getuige) verzoekt de rechter de getuige alles te vertellen wat hij weet over de zaak en geen informatie te verstrekken als hij de bron daarvan niet kan opgeven.

Nadat de getuige zijn verklaring heeft afgelegd, kunnen hem vragen worden gesteld. Een getuige wordt eerst gehoord door de persoon die de getuige heeft laten oproepen en door een vertegenwoordiger van die persoon. Vervolgens wordt de getuige gehoord door andere deelnemers aan de procedure. Een op initiatief van de rechter opgeroepen getuige wordt eerst gehoord door de eiser. De rechter neemt suggestieve en voor de zaak irrelevante vragen niet in aanmerking. De rechter kan tijdens het verhoor van de getuige op ieder moment vragen stellen. Indien nodig kan de rechter op verzoek van een deelnemer aan de procedure of op eigen initiatief (ambtshalve) een getuige nog een keer horen tijdens dezelfde zitting, de gehoorde getuige oproepen voor een nieuwe zitting in dezelfde rechtbank of getuigen met elkaar confronteren.

In buitengewone gevallen waarin het niet of nauwelijks mogelijk is een getuige ter zitting te verhoren, kan de behandelende rechter een schriftelijke verklaring in aanmerking nemen indien dat naar zijn oordeel, en rekening houdend met de identiteit van de getuige en de inhoud van de feiten waarover wordt getuigd, geen nadelige uitwerking heeft op de vaststelling van de belangrijkste feiten van de zaak. Op initiatief van de partijen kan een getuige worden opgeroepen voor een aanvullend verhoor in de rechtszaal, als dat nodig is voor een nadere vaststelling van de feiten van de zaak. Voorafgaand aan zijn verklaring ondertekent de getuige de vooraf bepaalde tekst van de eed en wordt hij bij ondertekening daarvan gewaarschuwd dat het afleggen van een valse verklaring een strafbaar feit is. Een schriftelijke getuigenverklaring wordt afgelegd ten overstaan van een notaris en wordt gewaarmerkt door de notaris.

Personen en getuigen die niet in de rechtszaal aanwezig kunnen zijn, kunnen in staat worden gesteld deel te nemen aan de zitting met behulp van informatie- en elektronische communicatietechnologie (videoconferentie, teleconferentie enz.). Bij gebruik van zulke technologieën volgens de door het Ministerie van Justitie vastgestelde procedure, moet worden gewaarborgd dat de identiteit van de deelnemers aan de procedure op een betrouwbare manier wordt vastgesteld en dat de gegevens (bewijzen) objectief worden vastgelegd en ingediend.

Daarnaast is het gerechten in de Republiek Litouwen krachtens artikel 803 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toegestaan een rechter in een andere staat te verzoeken communicatietechnologie (videoconferentie, teleconferentie enz.) te gebruiken bij het verzamelen van bewijs.

3 De waardering van het bewijs

Een rechter beoordeelt het bewijs in een procedure naar eigen inzicht en overeenkomstig de wet op basis van zijn grondige, objectieve onderzoek van de feiten die in de procedure zijn gepresenteerd.

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Feitelijke gegevens worden op de volgende manieren verkregen: verklaringen van de partijen en derden (rechtstreeks of via een gevolmachtigde), getuigenverklaringen, schriftelijk bewijs, materieel bewijs, plaatsopneming, conclusies van deskundigen, rechtmatig verkregen foto's, beeld- en geluidsopnamen en andere vormen van bewijs. Feitelijke gegevens die een staats- of beroepsgeheim vormen, kunnen gewoonlijk pas als bewijs dienen in civiele procedures nadat zij gederubriceerd zijn overeenkomstig de wettelijke procedure. Tijdens een verzoenende bemiddelingsprocedure verkregen gegevens kunnen in een civiele procedure alleen als bewijs dienen in de gevallen die zijn vastgelegd in de Wet betreffende de verzoenende bemiddeling in civiele geschillen.

Verder zij opgemerkt dat ingevolge artikel 185 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een rechter geacht wordt het bewijs in een procedure naar eigen inzicht en overeenkomstig de wet te beoordelen op basis van zijn grondige, objectieve onderzoek van de feiten die in de procedure zijn gepresenteerd. Geen enkel bewijs mag een vooraf bepaalde uitwerking hebben op een rechter, behalve in gevallen die zijn vastgelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Ja (zie 2.4).


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 21/11/2018

Bewijsverkrijging - Luxemburg

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

Overeenkomstig het Luxemburgse recht is het basisbeginsel dat degene die de uitvoering van een verbintenis vordert het bestaan ervan moet bewijzen. Omgekeerd moet degene die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

In het Luxemburgse recht zijn voor sommige gevallen vermoedens opgenomen. Van de partij wordt dan geen bewijs verlangd van feiten die niet of moeilijk kunnen worden bewezen. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

In de wet wordt een onderscheid gemaakt tussen twee categorieën vermoedens. De wettelijke vermoedens zijn vermoedens die door een bijzondere wetsbepaling met bepaalde handelingen of met bepaalde feiten zijn verbonden. Daarnaast worden de niet bij wet ingestelde vermoedens overgelaten aan het oordeel van de rechter, die enkel gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zal aanvaarden.

In de regel kunnen vermoedens door bewijzen worden weerlegd. Een voorbeeld hiervan is het vermoeden van vaderschap: het kind dat is geboren tijdens het huwelijk heeft de echtgenoot van de moeder tot vader. Het vaderschap kan echter wel worden betwist.

In zeldzame gevallen kunnen vermoedens niet worden weerlegd; er kan dan geen tegenbewijs worden geleverd.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

De rechter is vrij bij de beoordeling van de feiten. In geval van twijfel gaat de rechter na of er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen zijn, en aanvaardt of verwerpt hij het bewijs afhankelijk van de graad van waarschijnlijkheid van de gestelde feiten.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

De rechter kan op verzoek van een partij een onderzoeksmaatregel gelasten. In sommige gevallen kan de rechter dat echter ook op eigen initiatief doen.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

De rechter deelt aan de aangewezen deskundige mee wat zijn taak is. De partijen en derden die hun medewerking aan de onderzoeksmaatregelen moeten verlenen, worden door de deskundige opgeroepen. Overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor worden de onderzoeksmaatregelen uitgevoerd in aanwezigheid van de partijen.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

De onderzoeksmaatregelen kunnen worden gelast telkens de rechter over onvoldoende gegevens beschikt om uitspraak te doen.

Een onderzoeksmaatregel met betrekking tot een feit kan alleen worden gelast indien de partij die dat feit aanvoert over onvoldoende gegevens beschikt om dat feit te bewijzen. In geen geval kan een onderzoeksmaatregel worden gelast om de nalatigheid van een partij bij de bewijsvoering te herstellen.

De rechter moet zich bij de keuze van de onderzoeksmaatregel beperken tot hetgeen voldoende is voor de beslechting van het geschil en moet de eenvoudigste en goedkoopste onderzoeksmaatregel kiezen.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

De bewijsmiddelen zijn: het schriftelijk bewijs, het bewijs door getuigen, de vermoedens, de bekentenis en de eed.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

  • De methoden om bewijs te verkrijgen van getuigen en van getuigen-deskundigen

Wanneer getuigenbewijs toelaatbaar is, kan de rechter rekening houden met verklaringen van derden die duidelijkheid verschaffen over de betwiste feiten waarvan die derden persoonlijk op de hoogte zijn. Deze verklaringen zijn opgenomen in een attest of worden afgenomen in het kader van een onderzoek, naargelang het gaat om schriftelijke dan wel mondelinge verklaringen.

De rechter kan om het even welke persoon aanstellen en hem vragen vaststellingen te verrichten, raad te geven of een deskundigenonderzoek uit te voeren betreffende bepaalde feiten die door een technicus moeten worden beoordeeld. Indien het niet nodig is het advies schriftelijk uiteen te zetten, kan de rechter toestaan dat de technicus zijn advies ter terechtzitting mondeling naar voren brengt; er wordt dan een proces-verbaal opgesteld, dat door de rechter en de griffier wordt ondertekend.

  • De regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenverslagen/-adviezen

Schriftelijk bewijs:

de partij die naar een stuk verwijst, is verplicht dat stuk te verstrekken aan elke andere procespartij. Dit geschiedt door verzending met ontvangstbevestiging of door neerlegging ter griffie. De mededeling van stukken moet op eigen initiatief geschieden.

Deskundigenverslagen/-adviezen:

de deskundige legt zijn verslag neer ter griffie van de betrokken rechterlijke instantie. Er wordt slechts een enkel verslag opgesteld, ook wanneer er meerdere deskundigen zijn; in geval van meningsverschillen, geeft iedere deskundige zijn standpunt. Indien de deskundige voor een ander specialisatiegebied dan het zijne, het advies heeft ingewonnen van een andere technicus, wordt dat advies, naargelang het geval, bij het proces-verbaal van de terechtzitting of het dossier gevoegd.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Bepaalde bewijsmiddelen hebben meer bewijskracht dan andere:

  • authentieke akten worden verleden door openbare ambtenaren (notarissen, gerechtsdeurwaarders) in de uitoefening van hun ambt. Zij leveren tussen partijen bewijs op, behoudens in geval van betichting van valsheid;
  • onderhandse akten worden zonder bemoeienis van een openbaar ambtenaar door de partijen zelf opgemaakt en door hen ondertekend. Zij leveren tussen partijen bewijs op, behoudens in geval van tegenbewijs;
  • de beoordeling van het getuigenbewijs en van de andere bewijsmiddelen wordt aan de rechter overgelaten.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Voor alle zaken die de som of de waarde van 2 500 EUR te boven gaan, moet een rechtsakte (contract) worden opgemaakt. Aan het bewijs van een rechtsfeit (ongeval enz.) worden daarentegen geen voorwaarden gesteld.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Krachtens de wet moeten getuigen met het gerecht samenwerken met het oog op de ontdekking van de waarheid.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Personen kunnen om een wettige reden worden ontslagen van het afleggen van een getuigenis. De ouders of verwanten in de rechte lijn van een van de partijen kunnen weigeren een getuigenis af te leggen, alsook de (ex-) echtgeno(o)t(e) van een van de partijen.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Getuigen die niet verschijnen, kunnen op hun kosten worden gedagvaard indien hun getuigenis noodzakelijk wordt geacht. Getuigen die niet verschijnen en getuigen die zonder wettige reden weigeren de eed af te leggen of te getuigen, kunnen worden veroordeeld tot een civiele geldboete van 50 EUR tot 2 500 EUR.

Getuigen die bewijzen dat zij niet op de gestelde dag konden verschijnen, kunnen van de opgelegde boete en de dagvaardingskosten worden ontheven.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Eenieder kan als getuige worden gehoord, behalve personen die onbekwaam zijn om in rechte te getuigen.

Personen die niet mogen getuigen kunnen echter onder dezelfde voorwaarden worden gehoord, zonder dat zij de eed afleggen. Descendenten mogen echter nooit worden gehoord over de grieven die echtgenoten aanvoeren tot staving van een vordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

  • De rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige

De rechter hoort de getuigen afzonderlijk en in de door hem bepaalde volgorde, mits de partijen aanwezig zijn of naar behoren zijn opgeroepen. Getuigen mogen geen geschreven verklaring voorlezen.

De rechter kan de getuigen horen of ondervragen met betrekking tot alle feiten waarvan het bewijs wettelijk is toegestaan, zelfs indien deze feiten niet zijn vermeld in de beschikking waarbij het onderzoek werd gelast. Hij kan getuigen opnieuw horen, ze met elkaar of met de partijen confronteren, en indien nodig overgaan tot het verhoor van getuigen in aanwezigheid van een technisch deskundige.

De partijen mogen de getuigen die een verklaring afleggen niet onderbreken, ondervragen, of trachten te beïnvloeden en evenmin mogen zij zich rechtstreeks tot de getuigen wenden, zulks op straffe van uitsluiting. De rechter stelt, indien hij dat nodig acht, de vragen die de partijen na het getuigenverhoor bij hem hebben ingediend.

  • Videoconferencing of andere technische middelen

Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken heeft tot doel de samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties op het gebied van de bewijsverkrijging en -voering te verbeteren, te vereenvoudigen en te bespoedigen. Het Luxemburgse recht bevat geen specifieke bepalingen inzake videoconferencing. De in het nieuwe wetboek van burgerlijke rechtsvordering opgenomen artikelen over het horen van getuigen, door de rechter uitgevoerde controles en verschijning van de partijen zijn van toepassing. De gerechten beschikken over het noodzakelijke technische materiaal. Op de dag van de videoconferentie zijn een rechter, een griffier, een tolk en een technicus aanwezig.

De rechter kan een geluids-, beeld- of audiovisuele opname laten maken van (alle) door hem gelaste onderzoekshandelingen. De opname wordt bewaard op de griffie van de betrokken rechterlijke instantie. Iedere partij kan verzoeken dat haar op haar kosten een exemplaar, een kopie of een transcriptie van de opname wordt verstrekt.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

De rechter houdt geen rekening met bewijs dat op illegale wijze is verkregen, bijvoorbeeld bewijs verkregen met behulp van een verborgen camera, of opnames van telefoongesprekken zonder dat de betrokkene daarvan op de hoogte was.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

De verklaringen van procespartijen gelden in principe niet als bewijs.

Links

De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.legilux.lu/


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 25/04/2019

Bewijsverkrijging - Malta

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

De bewijslast ligt bij de persoon die een beschuldiging uit, zoals blijkt uit afdeling 562 van het wetboek van organisatie en burgerlijke rechtsvordering: "De last moet namelijk in alle gevallen liggen bij de partij die deze beschuldiging uit".

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Ja, deze regels bestaan en zijn te vinden in afdelingen 627 en volgende van het wetboek van organisatie en burgerlijke rechtsvordering. In afdeling 627 worden de documenten genoemd waarvoor geen ander bewijs van authenticiteit vereist is dan wat wordt vermeld op de voorzijde van deze documenten, zoals:

  • de handelingen van de regering van Malta, die zijn ondertekend door de minister of door het hoofd van het betrokken ministerie, of, in zijn afwezigheid, door zijn of haar plaatsvervanger of medewerker, of door de ambtenaar die in rank op hem of haar volgt en die gemachtigd is om dergelijke handelingen te ondertekenen;
  • de registers van ongeacht welk ministerie van de regering van Malta;
  • alle openbare handelingen die zijn ondertekend door de bevoegde autoriteiten en zijn opgenomen in het staatsblad;
  • de handelingen van de regering van Malta die zijn gedrukt onder de bevoegdheid van de regering en naar behoren zijn gepubliceerd;
  • de handelingen en registers van de rechtbanken en de kerkelijke gerechtelijke instanties in Malta;
  • de certificaten die zijn afgegeven door het openbare register en het kadaster;
  • het zeeprotest dat is uitgevaardigd onder de bevoegdheid van de Eerste Kamer van de burgerlijke rechtbank;
  • andere in de koopvaardijwetgeving genoemde documenten (met inbegrip van registratiecertificaten die zijn ondertekend door de registratieambtenaar of een andere gemachtigde ambtenaar, en elke andere vermelding in het registratiecertificaat dat lijkt te zijn ondertekend door de registratieambtenaar of een andere gemachtigde ambtenaar).

Er zijn ook andere documenten die kunnen worden overgelegd en waarvan de inhoud is uitgezonderd van de bewijslast, ofschoon wel hun authenticiteit moet worden aangetoond. Daaronder vallen:

  • handelingen en registers van een bij wet of door de regering gemachtigde en erkende inrichting of overheidsinstantie;
  • parochiale handelingen en registers met betrekking tot geboorte, huwelijk en overlijden, en de overeenkomstig de wet in aanwezigheid van een pastoor getroffen beschikkingen;
  • handelingen en registers van notarissen in Malta;
  • overeenkomstig de wet gehouden boeken van handelaren, voor zover deze betrekking hebben op een overeenkomst of andere transactie van commerciële aard;
  • overeenkomstig de wet gehouden boeken van openbare makelaars voor zover deze betrekking hebben op voorvallen tussen contractsluitende partijen in commerciële aangelegenheden.

Er kan bewijsmateriaal worden overgelegd dat indruist tegen de inhoud van dit soort documenten.

Afgezien van deze documenten is er een andere veronderstelling die is geregeld bij hoofdstuk 16 van de Maltese wetgeving, het burgerlijk wetboek, namelijk dat een in een huwelijk geboren kind het kind van de echtgenoot van de vrouw is. Indien kan worden bewezen dat deze wettelijke veronderstelling niet langer geldig is, moet dit gebeuren door middel van een beëdigd verzoekschrift bij de burgerlijke rechtbank (sector familierecht) en door het overleggen van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het vermoeden niet geldig is.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

Om een uitspraak te kunnen doen in een civielrechtelijke zaak moet een rechtbank hebben vastgesteld dat er sprake is van voldoende bewijs ten aanzien van de mate van waarschijnlijkheid.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Elke partij in een rechtszaak kan ongeacht haar belangen getuigenis afleggen, ofwel op eigen verzoek, ofwel op verzoek van een andere partij in de zaak, ofwel wanneer zij daartoe ambtshalve wordt opgeroepen door de rechtbank. Wanneer de procedure wordt geïnitieerd door middel van een beëdigd verzoekschrift, moet een lijst van getuigen worden opgesteld. Hetzelfde geldt voor het beëdigde antwoord, dat eveneens een lijst van getuigen moet omvatten. Indien een partij een getuige wil produceren die niet op de lijst staat, moet daartoe een verzoekschrift worden ingediend.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

Indien een verzoekschrift voor het verkrijgen van bewijs is aanvaard, worden de getuigen opgeroepen te verschijnen door middel van een dwangbevel dat is uitgevaardigd nadat de partij die deze personen wil laten getuigen hiertoe een verzoekschrift heeft ingediend. De uitvaardiging van dwangbevelen kan mondeling worden aangevraagd bij de vredesrechter (Court of Magistrates, Qorti tal-Maġistrati) (Malta) en de vredesrechter in zijn lagere bevoegdheid (Gozo).

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Een rechtbank kan een verzoekschrift van een partij met betrekking tot het verkrijgen van bewijs verwerpen wanneer de opgeroepen persoon een advocaat, een procureur of een priester is. Bovendien is het in de regel niet mogelijk dat iemand die aanwezig is bij een zitting in diezelfde zaak als getuige optreedt. De rechtbank kan echter in bijzondere gevallen naar eigen goeddunken van deze regel afwijken indien daarvoor goede redenen zijn. Ook zijn er speciale wetten inzake officiële geheimhouding op grond waarvan openbaarmaking van geheime en vertrouwelijke informatie niet is toegestaan. Bovendien kan de vordering terzijde worden geschoven indien de rechtbank van mening is dat de getuigenis niet ter zake doet.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Er kunnen drie bewijsmiddelen worden geleverd: documenten, viva voce en affidavits.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Volgens de algemene regel worden getuigen tijdens de behandeling van zaken in het openbaar en viva voce gehoord. De wet voorziet echter ook in andere methoden die kunnen worden toegepast om bewijs te verkrijgen:

  • Voor zowel in Malta als in het buitenland woonachtige getuigen kan bewijs worden geleverd middels affidavits.
  • Ingeval van een persoon die Malta gaat verlaten, ziek of van hoge leeftijd is, of die waarschijnlijk zal sterven of invalide zal worden voordat de zaak wordt behandeld, of die niet in staat is op de zitting te verschijnen, kan de rechtbank een justitieel medewerker belasten met het horen van die persoon. In dat geval moeten de aan de getuige te stellen vragen samen met de antwoorden op schrift worden gesteld. De getuige moet het bewijsmateriaal ondertekenen of in plaats van zijn handtekening een kruisje zetten.
  • De rechtbank kan ook een aanvullende rechter benoemen om een getuige te horen die zijn of haar huis vanwege zijn of haar hoge leeftijd niet kan verlaten.
  • Indien een getuige in het buitenland woont, kan een advocaat door middel van een verzoekschrift vragen dat deze getuige via een rogatoire commissie wordt gehoord. De partij die de getuige wil horen moet schriftelijke vragen indienen en daarbij de naam en het adres van de persoon vermelden die namens haar bij het horen van de getuige aanwezig zal zijn;
  • Indien de rechtbank dit passend acht, kan zij toestaan dat een band- of video-opname wordt gemaakt van de getuigenis die de getuige moet afleggen;
  • De rechtbank kan scheidsrechters inschakelen en hun de bevoegdheid geven om getuigen te horen en de eed af te nemen.

Wanneer een scheidsrechter wordt ingeschakeld om bewijs te verkrijgen, heeft deze dezelfde middelen ter beschikking als een rechtbank.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Alle bewijsmiddelen worden geacht van hetzelfde belang te zijn.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Nee, maar altijd moet het beste bewijs worden geleverd.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Ja, de wet verplicht alle gedagvaarde getuigen om een getuigenverklaring af te leggen. Een getuige kan echter niet gedwongen worden om vragen te beantwoorden die ertoe kunnen leiden dat hij of zij strafrechtelijk wordt vervolgd.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

De echtgenoot of echtgenote van een partij in een rechtszaak is een bekwame getuige en kan op verzoek van een van de partijen gedwongen worden een getuigenverklaring af te leggen in een rechtszaak. De echtgenoot kan echter niet gedwongen worden iets openbaar te maken dat hem tijdens het huwelijk door zijn vrouw is toevertrouwd, en omgekeerd. Evenmin kan een echtgenoot gedwongen worden te antwoorden op vragen die ertoe kunnen leiden dat de andere echtgenoot strafrechtelijk wordt vervolgd.

Andere uitzonderingen worden gevormd door feiten die zijn toevertrouwd aan advocaten, procureurs of priesters. Indien echter een advocaat of procureur toestemming verkrijgt van zijn cliënt, of indien de priester toestemming verkrijgt van degene die bij hem heeft gebiecht, kunnen hun vragen worden gesteld over te hunner kennis gekomen zaken (mits daarvoor toestemming is verleend): de advocaat en de procureur antwoorden met betrekking tot hetgeen hun door de cliënt is toevertrouwd en de priester antwoordt met betrekking tot de feiten waarvan hij kennis heeft gekregen onder het zegel van de biecht of door een bekentenis.

Tenzij de rechtbank anders beschikt, kunnen accountants, artsen, maatschappelijke werkers, psychologen en huwelijksadviseurs niet gevraagd worden informatie prijs te geven die hun onder beroepsgeheim door hun klanten is gegeven, of indien zij in hun beroepshoedanigheid van die informatie kennis hebben gekregen. Ook tolken die zijn ingezet om dergelijke geheime informatie door te geven genieten dit voorrecht.

Een door het beroepsgeheim gebonden getuige mag geen geheime en vertrouwelijke informatie onthullen, tenzij er zich bijzondere omstandigheden voordoen, zoals bepaald in de op de zaak van toepassing zijnde wetgeving.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Indien een rechtmatig opgeroepen getuige niet verschijnt, maakt deze zich schuldig aan minachting van de rechtbank en wordt hij of zij onmiddellijk veroordeeld en beboet. De rechtbank kan deze getuige eveneens door middel van een bevel tot begeleiding of aanhouding dwingen om te verschijnen en een getuigenverklaring af te leggen op een volgende zitting. De rechtbank kan de opgelegde boete echter intrekken indien er goede redenen zijn waarom de getuige niet is verschenen.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Elke persoon die gezond van geest is, kan, indien er geen uitzonderingen zijn wat betreft zijn of haar bekwaamheid, als getuige optreden. Eenieder kan getuigen, ongeacht zijn of haar leeftijd, mits hij of zij zich bewust is van het feit dat het afleggen van vals bewijs verkeerd is.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Tijdens het horen of ondervragen kan de rechtbank de getuige elke vraag stellen die zij nodig of nuttig acht. Anderzijds kan elke partij in de zaak, ongeacht haar belang, op eigen verzoek, op verzoek van een andere partij in de zaak of wanneer zij daartoe van ambtswege wordt opgeroepen door de rechtbank, een getuigenverklaring afleggen.

In zaken waarbij minderjarigen zijn betrokken hoort de rechter de minderjarige achter gesloten deuren of wordt er een kinderadvocaat benoemd om de minderjarige te horen.

Buiten Malta woonachtige getuigen kunnen via een videoconferentie worden gehoord.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Indien bewijs niet met onrechtmatige middelen is verkregen, kan de rechtbank zonder enige belemmering uitspraak te doen. De enige uitzondering is dat de rechtbank in de regel geen kennis neemt van bewijsmateriaal met betrekking tot feiten waarvan de getuige kennis heeft gekregen via anderen, of met betrekking tot feiten die zijn genoemd door andere partijen, die bijgevolg gevraagd kunnen worden daarvan zelf getuigenis af te leggen.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Ja, door een partij in de zaak afgelegde verklaringen zijn ontvankelijk.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 22/03/2017

Bewijsverkrijging - Nederland

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

In het Nederlandse procesrecht wordt uitgegaan van de hoofdregel ‘wie stelt moet bewijzen’. Anders gezegd: de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten zal de bewijslast van die feiten of rechten dragen. Wel kan uit een bijzondere wettelijke regeling of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere bewijslastverdeling voortvloeien.

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

De wettelijke bewijsregels uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 149-207 Rv) gelden in dagvaardingsprocedures en zijn ook toepasselijk in verzoekschriftprocedures, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Zij gelden niet verplicht in kort geding procedures. Ook in arbitragezaken gelden de gewone bewijsregels niet. Partijen kunnen voor wat betreft arbitragezaken echter afspreken dat deze regels wel van toepassing zijn.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Feiten die door de ene partij zijn gesteld en niet (voldoende) worden tegengesproken door de andere partij moeten door de rechter als vaststaand worden beschouwd. Een uitzondering hierop is de situatie dat aanvaarding hiervan zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije beschikking staat van partijen. In dat geval kan de rechter wel bewijs verlangen.

Ook van feiten en omstandigheden van algemene bekendheid en van algemene ervaringsregels wordt geen bewijs verlangd. Deze mogen door de rechter ook worden gebruikt ongeacht of zij zijn gesteld. Met feiten of omstandigheden van algemene bekendheid worden feiten of omstandigheden bedoeld die ieder normaal ontwikkeld mens kent of kan kennen. Algemene ervaringsregels zijn op algemeen weten berustende gevolgtrekkingen. Eveneens hoeven feiten die de rechter zelf waarneemt tijdens het geding, de zogenaamde processuele feiten, niet bewezen te worden.

Soms is in de wet een vermoeden opgenomen. Sommige feiten en omstandigheden worden dan zo waarschijnlijk geacht dat degene die zich hierop beroept deze niet (verder) hoeft te bewijzen. Ook de rechter kan met behulp van de algemene ervaringsregels een vermoeden ontlenen omtrent het vaststaan van gestelde feiten. Dan staat wel de mogelijkheid van tegenbewijs open voor de wederpartij. Daarnaast gelden er een aantal bijzondere gevallen. Twee voorbeelden: in het wegenverkeersrecht geldt dat de automobilist die een fietser of voetganger aanrijdt de schade dient te vergoeden, tenzij hij bewijst dat het ongeluk aan overmacht valt toe te schrijven. Een ander voorbeeld is het geval waarbij een werknemer vergoeding van schade vordert waarvan vast staat dat zij is geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. In dat geval ontkomt de werkgever slechts aan de verplichting om deze schade te vergoeden aan de werknemer indien hij stelt en bewijst dat hij niet is tekort geschoten in de vereiste zorg of dat de werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan opzet of bewuste roekeloosheid.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

De rechter is vrij in de waardering van het bewijs, tenzij de wet anders bepaalt. Deze uitzondering betreft de regels over de dwingende bewijskracht van bewijsmiddelen. In het geval van dwingend bewijs is de rechter verplicht de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen of een bepaalde bewijskracht hieraan toe te kennen. Wel staat ook hier tegenbewijs open.

De rechter kan voorts alleen die feiten aan zijn beslissing ten grondslag leggen, die in voldoende mate overeenkomstig de regels van het bewijsrecht zijn komen vast te staan.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

In bepaalde gevallen (openlegging van boeken, getuigenverhoor) wordt door de rechter de bewijslevering op verzoek van één van de partijen opdragen aan de andere partij. De rechter kan dit ook ambtshalve opdragen, dat wil zeggen op eigen initiatief.

Eveneens kan op verzoek van een van de partijen of ambtshalve een deskundigenonderzoek of een plaatsopneming of bezichtiging door de rechter worden bevolen. Het is de rechter die de deskundige benoemt en aan wie door de deskundige verslag wordt gedaan en het is de rechter die een plaatselijke gesteldheid gaat opnemen. Aan een deskundigenonderzoek zijn partijen verplicht mee te werken.

Zowel bij een deskundigenonderzoek als bij een plaatsopneming worden partijen in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken of verzoeken te doen.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

Degene die door de rechter is toegelaten tot het leveren van bewijs of op wie de bewijslast is gelegd, heeft de verplichting om de aangevoerde feiten en/of omstandigheden te bewijzen. De wederpartij mag altijd tegenbewijs leveren, tenzij de wet dit niet toestaat.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

De rechter gaat aan een bewijsaanbod voorbij indien dit niet terzake dienend, onvoldoende gespecificeerd (te vaag), tardief (te laat) of niet serieus gemeend is. Een bewijsaanbod mag niet worden gepasseerd op grond van een prognose omtrent het resultaat van de bewijslevering.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

In Nederland geldt de vrije bewijsleer. Dit betekent dat bewijs in principe geleverd kan worden door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt. In de wet wordt ook een aantal bewijsmiddelen (niet limitatief) genoemd. Dit zijn:

  • akten en vonnissen;
  • openlegging van boeken, bescheiden en geschriften;
  • getuigenverhoor;
  • bericht of verhoor van deskundigen en
  • plaatsopneming en bezichtiging.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Bewijs door getuigen moet door de wet worden toegestaan en vindt plaats op verzoek van één van de partijen of wordt op initiatief door de rechter aan een van de partijen opgedragen. Ook partijen kunnen als getuige optreden (zie hierna ook onder 3). In het geval van een getuigenverhoor zijn het de partijen die de getuigen aanwijzen.

Bewijs door middel van getuigen vindt plaats in de vorm van een getuigenverhoor. Een getuigenverhoor vindt plaats ter terechtzitting en is mondeling. Een getuigenverklaring kan alleen tot bewijs dienen voor zover deze verklaring betrekking heeft op feiten die door de getuige zelf zijn waargenomen. Een partij die verzoekt getuigenbewijs te mogen leveren, zal daartoe worden toegelaten wanneer de feiten waarvoor het bewijs wordt aangeboden betwist zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden.

Op verzoek van één van de partijen of op initiatief van de rechter kan ook een deskundigenbericht of verhoor plaatsvinden (art. 194 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Het kan gaan om een schriftelijk bericht of een mondeling verslag. In het geval van een schriftelijk bericht wordt door de rechter een termijn bepaald waarbinnen het deskundigenbericht moet worden ingeleverd. In het geval het om een mondeling bericht gaat zal op de bepaalde dag van de terechtzitting door de deskundige mondeling verslag worden gedaan.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Er is een onderscheid in dwingend bewijs en niet-dwingend bewijs. Indien er sprake is van dwingend bewijs moet de rechter de inhoud van het bewijsmiddel voor waar aannemen dan wel de bewijskracht erkennen die de wet eraan verbindt. Tegenbewijs tegen dwingend bewijs is ook toegestaan, tenzij de wet dit uitsluit. Dwingend bewijs zijn bijvoorbeeld authentieke akten en strafvonnissen. Bij het niet-dwingende bewijs is de rechter vrij om hiervan zelf de bewijskracht vast te stellen.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

In bepaalde gevallen geldt een geschrift als uitsluitend bewijsmiddel. Soms geldt het geschrift ook als ontstaansvereiste voor het bestaan van een bepaald recht. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het bestaan van huwelijkse voorwaarden en testamenten. Het bestaan van huwelijkse voorwaarden en een door een notaris opgemaakt testament dient te worden bewezen door overlegging van een notariële akte. Ook een codicil kan als bewijsmiddel dienen. Een codicil is een handgeschreven, gedagtekend en ondertekend stuk waarin wensen van de erflater zijn opgenomen. Deze wensen kunnen betrekking hebben op het legateren van onder andere kleding, lijfstoebehoren, sieraden en bepaalde tot de inboedel behorende zaken en bepaalde boeken (artikel 97 Burgerlijk Wetboek). Een codicil hoeft niet door middel van een notariële akte te worden bekrachtigd.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Het uitgangspunt is dat een ieder die daartoe op wettige wijze is opgeroepen, verplicht is een getuigenis af te leggen. Dit houdt in dat de getuige verplicht is om te verschijnen ter terechtzitting en aldaar naar waarheid een verklaring af te leggen.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

In bepaalde gevallen kan een persoon zich verschonen van zijn getuigplicht.

Het verschoningsrecht aan personen die een nauwe persoonlijke relatie hebben met één van de partijen, het familiale verschoningsrecht. Hiertoe behoren de (ex-)echtgenoot of (ex-)geregistreerd partner van een partij, de bloed- of aanverwanten van een partij of van de echtgenoot of de geregistreerd partner van een partij tot de tweede graad ingesloten, zoals de ouder(s), kind(eren), grootouder(s), kleinkind(eren), broer(s), zus(sen).

De getuige kan zich ook beroepen op het verschoningsrecht voor wat betreft het beantwoorden van een specifieke vraag als hij door beantwoording zichzelf of een persoon, zijnde een bloed of aanverwant in de rechte lijn of zijlijn in de tweede of derde graad, of zijn (ex-)echtgenoot of (ex-)geregistreerd partner zou blootstellen aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling voor een misdrijf (art.165 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Daarnaast bestaat het functionele verschoningsrecht. Hierop kunnen personen een beroep doen die door hun ambt (zoals geestelijken, medici, advocaten en notarissen), beroep of betrekking verplicht zijn tot geheimhouding over wat hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Indien een getuige die per aangetekende brief is opgeroepen niet ter terechtzitting verschijnt, bepaalt de rechter op verzoek van de belanghebbende partij een dag waartegen de getuige per exploot (aanzegging door deurwaarder) kan worden opgeroepen. Wanneer de getuige dan nog niet verschijnt, kan rechter bevelen dat hij door de politie naar de zitting voor hem wordt gebracht. Indien een verschenen getuige weigert om een verklaring af te leggen, kan hij op verzoek van de belanghebbende partij door de rechter in gijzeling worden gesteld. De verzoekende partij zal dan wel ook de kosten van de gijzeling moeten betalen. De rechter zal een gijzeling alleen toelaten indien hij van mening is dat voor het vinden van de waarheid de gijzeling wordt gerechtvaardigd.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

In beginsel is niemand uitgesloten van de verplichting om te getuigen, met uitzondering van de personen die zich terecht kunnen beroepen op het verschoningsrecht (zie ook 2.9).

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Het is de rechter die de getuigen hoort. Hij hoort ieder van de getuigen buiten tegenwoordigheid van de eveneens ter terechtzitting verschenen getuigen die nog niet zijn gehoord, tenzij het gaat om een partijgetuige. Partijen en hun raadslieden kunnen voorts aan de getuigen vragen stellen. De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een partij getuigen tegenover elkaar of tegenover partijen stellen. De rechter kan naar aanleiding van de getuigenverklaring aan partijen vragen stellen en ook partijen kunnen elkaar vragen stellen.

De Nederlandse bewijsregels bevatten geen afzonderlijke regeling over videoconferencing. Het Nederlandse recht sluit een dergelijke vorm niet uit en er bestaan in de praktijk geen moeilijkheden om videoconferentie te realiseren. Het is aan de rechter hier over te beslissen.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Onrechtmatig bewijs kan worden onderverdeeld in onrechtmatig verkregen bewijs en onrechtmatig gebruikt bewijs. Indien bewijs onrechtmatig verkregen is, wil dat niet zeggen dat het gebruik van het middel altijd onrechtmatig is. Het is steeds aan het oordeel van de rechter om te beslissen of al dan niet sprake is van een onrechtmatig bewijs.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Partijen kunnen worden gehoord als partij in een geding. In zo een geval zal de afgelegde verklaring geen bewijs in het voordeel van de als getuige gehoorde partij kunnen opleveren, tenzij de verklaring tot doel heeft onvolledig bewijs aan te vullen (art. 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 12/09/2018

Bewijsverkrijging - Oostenrijk

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

In beginsel moet iedere partij alle voor de onderbouwing van haar vordering noodzakelijke feiten aandragen (stelplicht – Behauptungslast) en deze feiten bewijzen (§ 226, lid 1, en § 239, lid 1 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (ZivilprozessordnungZPO)). Ook als de feiten van de zaak onduidelijk blijven (non liquet), moet de rechtbank een beslissing nemen. In geval van non liquet zijn de regels inzake de bewijslast van toepassing. Op iedere partij rust de bewijslast dat aan de voorwaarden voor de voor haar gunstige rechtsnorm is voldaan. Normaal gesproken moet de eiser de feiten stellen die zijn vordering onderbouwen en de gedaagde de feiten waarop zijn verweer steunt. Daarnaast rust op de eiser de bewijslast dat aan de procedurele voorschriften is voldaan.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Feiten die relevant zijn voor de beslissing moeten worden bewezen, tenzij die feiten geen bewijs behoeven. Geen bewijs behoeven erkende feiten (§ 266 en § 267 ZPO), notoire feiten (§ 269 ZPO) en wettelijke vermoedens (§ 270 ZPO).

Men spreekt van een erkend feit wanneer een partij heeft toegegeven dat een feitelijke bewering van de wederpartij juist is. De rechtbank moet erkende feiten in beginsel als waar aannemen en zonder verder onderzoek aan de beslissing ten grondslag leggen.

Een feit is notoir als het algemeen bekend is (d.w.z. het feit is bij een groot aantal mensen bekend of moeiteloos op ieder moment waarneembaar) of bekend bij de rechtbank (d.w.z. het feit is de behandelende rechter ambtshalve uit eigen waarneming bekend of blijkt duidelijk uit de stukken).

De rechtbank moet feiten van algemene bekendheid ambtshalve aan zijn beslissing ten grondslag leggen; ze hoeven noch te worden aangedragen noch te worden bewezen.

Een wettelijk vermoeden vloeit rechtstreeks voort uit de wet en leidt tot een omkering van de bewijslast: de wederpartij van de partij in wier voordeel het vermoeden is, moet het bewijs van het tegendeel leveren. Zij moet bewijzen dat ondanks het feit dat de basis van het wettelijk vermoeden aanwezig is, het vermoede feit of de vermoede rechtstoestand niet bestaat.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

Doel van de gerechtelijke procedure is om de rechter van een feit te overtuigen. In de regel moet sprake zijn van een "hoge graad van waarschijnlijkheid" en hoeft de rechter geen "absolute zekerheid" te hebben.

Zowel de wet als de jurisprudentie kennen gradaties van deze 'reguliere' bewijsnorm, variërend van "een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid" tot "een behoorlijke waarschijnlijkheid" (bijvoorbeeld § 138, lid 1, of § 163, lid 1, van het burgerlijk wetboek (Allgemeines Bürgerliches Gesetzbuch ABGB). In het laatste geval volstaat als bewijsnorm volgens het wetboek van burgerlijke rechtsvordering de aannemelijkheid (Glaubhaftmachung of Bescheinigung) (§ 274 ZPO). Ook het zogenoemde Anscheinsbeweis (prima facie-bewijs) leidt tot een verlaging van de bewijsnorm en speelt een rol bij moeilijk te bewijzen feiten in schadevergoedingsprocedures. Indien sprake is van een typisch verloop waarbij op grond van algemene ervaringsregels een bepaald causaal verband of een schuld kan worden aangenomen , dan wordt dat causaal verband of die schuld prima facie bewezen geacht.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Het verkrijgen van bewijs kan ambtshalve of op verzoek van een partij plaatsvinden. In een zuiver inquisitoire procedure (de rechtbank moet ambtshalve de relevante feiten vaststellen) hoeven partijen geen bewijsaanbod te doen. In de reguliere procedure van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan de rechter ambtshalve alle bewijs verzamelen waarvan hij verwacht dat het opheldering over de relevante feiten zal verschaffen (§ 183 ZPO). De rechter kan partijen opdragen schriftelijk bewijs te overleggen, een gerechtelijke plaatsopneming bevelen of een beoordeling door deskundigen of het verhoor van partijen gelasten. Het overleggen van schriftelijk bewijs kan echter alleen worden opgedragen wanneer ten minste een van de partijen zich daarop heeft beroepen. De rechter kan de partijen ook niet opdragen om schriftelijk of getuigenbewijs te leveren als beide partijen zich daartegen verzetten. In alle andere gevallen wordt bewijs verkregen op basis van het bewijsaanbod van een partij.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

De bewijsverkrijging gebeurt in beginsel tijdens de mondelinge behandeling. Tijdens de inleidende zitting (vorbereitende Tagsatzung) (§ 258 ZPO) stellen de rechter en de partijen en/of hun vertegenwoordigers samen een tijdschema voor het proces op, dat ook een tijdschema voor de bewijsverkrijging bevat. Zo nodig kan echter te allen tijde een volgende bespreking aan het verdere procesverloop worden gewijd. Nadat het bewijs is verkregen, wordt het resultaat met de partijen besproken (§ 278 ZPO). Het bewijs dient in beginsel rechtstreeks te worden verkregen door de rechter die de beslissing in de zaak zal nemen. In de gevallen die door de wet uitdrukkelijk zijn geregeld, is bewijsverkrijging ook via een rogatoire commissie mogelijk. De partijen moeten voor de bewijsverkrijging worden opgeroepen en hebben verschillende rechten om aan de bewijsverkrijging mee te werken, zoals het recht om vragen te stellen aan getuigen of deskundigen. De bewijsverkrijging geschiedt altijd op eigen initiatief en vindt in principe ook plaats wanneer de partijen, ondanks dagvaarding, niet aanwezig zijn.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Een bewijsaanbod wordt afgewezen wanneer de rechter het irrelevant acht (§ 275, lid 1 ZPO) of wanneer het is bedoeld om het proces te vertragen (§ 178, lid 2, § 179 en § 275, lid 2 ZPO). Voorts bestaat de mogelijkheid om de bewijsverkrijging aan een termijn te binden wanneer het zich laat aanzien dat het proces erdoor wordt vertraagd (§ 279, lid 1 ZPO). Nadat die termijn is verstreken, kan het bewijsaanbod worden afgewezen. Het bewijsaanbod kan ook worden afgewezen wanneer het bewijs niet noodzakelijk is omdat de rechter reeds overtuigd is of het feit geen bewijs behoeft. Het kan ook worden afgewezen omdat er een verbod op bewijsverkrijging bestaat. Wanneer het verkrijgen van bewijs kosten meebrengt (bijvoorbeeld een deskundigenbewijs), wordt van de verzoekende partij een voorschot verlangd. Wanneer dit voorschot niet binnen de gestelde termijn wordt voldaan, kan het bewijs alleen op een later tijdstip alsnog worden geleverd als dat niet leidt tot een vertraging van het proces.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Het wetboek van burgerlijke rechtsvordering voorziet in de volgende vijf 'klassieke' bewijsmiddelen: schriftelijk bewijs (§ 292 tot en met § 319), getuigenbewijs (§ 320 tot en met § 350), deskundigenbewijs (§ 351 tot en met § 367), gerechtelijke plaatsopneming (§ 368 tot en met § 370) en het horen van de partijen (§ 371 tot en met § 383). In beginsel kunnen alle kennisbronnen als bewijsmiddel worden toegelaten. Al naar gelang de vorm ervan gelden hiervoor de bepalingen met betrekking tot een van de genoemde bewijsmiddelen.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Getuigen worden individueel en buiten tegenwoordigheid van de later te horen getuigen gehoord. Dat voorkomt onderlinge beïnvloeding. Getuigen die tegenstrijdige verklaringen afleggen, kunnen tegenover elkaar worden gesteld. Het getuigenverhoor begint met algemene vragen om vast te stellen of de getuige onbekwaam is om te getuigen (Zeugnisunfähig), het recht heeft om zich daarvan te verschonen of dat er belemmeringen zijn voor het afleggen van de eed. Nadat de getuige erop is gewezen dat hij de waarheid moet spreken en is gewezen op de strafrechtelijke gevolgen van een valse verklaring, begint het eigenlijke verhoor met vragen over zijn persoonsgegevens. Daarna volgen vragen over de zaak zelf. Partijen kunnen aan het getuigenverhoor deelnemen en met toestemming van de rechter vragen stellen aan de getuige. De rechter kan ongepaste vragen afwijzen. Getuigen dienen in beginsel direct door de rechtsprekende rechter te worden gehoord. Onder bepaalde omstandigheden is echter ook een rogatoir verhoor mogelijk (§ 328 ZPO).

De getuigendeskundige 'helpt' de rechter. Terwijl de getuige een verklaring aflegt over hetgeen door hem is waargenomen, verschaft de deskundige de rechter specialistische kennis die hij niet kan bezitten. Het deskundigenbewijs dient in beginsel direct door de beslissende rechter te worden verkregen. Raadpleging van een deskundige kan zonder voorbehoud ook op eigen initiatief geschieden. De deskundige is verplicht om verslag uit te brengen van zijn bevindingen. Een mondeling verslag moet tijdens de mondelinge behandeling worden gedaan. Schriftelijke verslagen moeten op verzoek van de partijen tijdens de mondelinge behandeling door de deskundige worden toegelicht. Het verslag en de bevindingen moeten worden onderbouwd. Verslagen die in opdracht van een partij zijn opgesteld (private Gutachten) zijn geen deskundigenrapporten in de zin van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering maar hebben de status van onderhandse akte.

Een volledig schriftelijke procedure is volgens het Oostenrijkse recht niet toegestaan. Aangezien de bewijsmiddelen echter op geen enkele wijze aan beperkingen onderhevig zijn, is het op zich mogelijk om een getuigenverklaring schriftelijk voor te leggen. Een dergelijk bewijsmiddel moet echter als schriftelijk bewijs worden aangemerkt en de waardering ervan is aan het oordeel van de rechter overgelaten. Wanneer de rechter het noodzakelijk acht, moet de getuige voor hem verschijnen, tenzij beide partijen zich tegen het horen van de getuige verzetten.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Uitgangspunt is het beginsel van de "vrije bewijswaardering" (§ 272 ZPO). Onder bewijswaardering wordt het beoordelen door de rechter van de resultaten van de bewijsverkrijging verstaan. Bij deze beoordeling is de rechter aan geen enkele bewijsregel gebonden. Hij beoordeelt naar eigen inzicht of de partij in het bewijs is geslaagd of niet. Er bestaat geen hiërarchie tussen de bewijsmiddelen. Schriftelijke bewijzen vallen onder het begrip Urkundsbeweis, tenzij het om een deskundigenrapport gaat. Authentieke akten die in Oostenrijk zijn verleden, hebben het vermoeden van echtheid, dat wil zeggen: het vermoeden dat ze daadwerkelijk afkomstig zijn van degene die in de akte als ondertekenaar staat vermeld. Ze leveren ook volledig bewijs op van de juistheid van de inhoud. Ook onderhandse akten leveren, mits ondertekend, volledig bewijs op van het feit dat de daarin opgenomen verklaringen afkomstig zijn van degene die de handtekening heeft geplaatst. Maar wat de inhoudelijke juistheid van onderhandse akten betreft, geldt de vrije bewijswaardering door de rechter.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Het wetboek van burgerlijke rechtsvordering noemt geen gevallen waarin een bepaald bewijsmiddel verplicht is. De keuze van het bewijsmiddel staat los van de hoogte van de vordering.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Getuigen zijn verplicht om voor de rechtbank te verschijnen en, desgevraagd onder ede, een verklaring af te leggen. Wanneer een behoorlijk opgeroepen getuige zonder opgave van een geldige reden niet op de terechtzitting verschijnt, kan de rechter hem een boete opleggen. Als hij daarna weer niet verschijnt, kan de rechter hem onder dwang doen verschijnen. Indien hij zonder opgave van een geldige reden weigert om te getuigen, kan hij daartoe worden gedwongen. Wie voor de rechtbank een valse verklaring aflegt, wordt strafrechtelijk vervolgd.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Indien een grond voor verschoning aanwezig is (§ 321 ZPO), heeft de getuige het recht een vraag of bepaalde vragen niet te beantwoorden. Er is geen volledig verschoningsrecht. Gronden voor verschoning zijn oneer of de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging voor de getuige zelf of diens verwanten of van directe financiële schade voor dezelfde personen, een van staatswege erkende plicht tot geheimhouding, de mogelijke onthulling van een vak- of bedrijfsgeheim (Kunst- oder Geschäftsgeheimnisse) en de uitoefening van een door de wet erkend geheim kies- of stemrecht. De rechtbank moet de getuige vóór het verhoor over deze gronden informeren. Indien de getuige zich op een verschoningsrecht wil beroepen, moet hij de redenen daarvoor aangeven.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

De rechtbank beslist of de weigering om te getuigen rechtmatig is. Indien de getuige zonder opgave van redenen of om redenen die door de rechtbank als ongegrond worden aangemerkt, weigert te getuigen, kan hij daartoe worden gedwongen (§ 354 Exekutionsordnung – wet inzake de tenuitvoerlegging van door gewone rechterlijke instanties gegeven beslissingen). Als dwangmiddelen komen geldboeten en in beperkte mate vrijheidsstraffen in aanmerking. De getuige kan voorts door de partijen aansprakelijk worden gesteld voor alle door de ongerechtvaardigde weigering veroorzaakte schade.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Personen die niet in staat waren of zijn om de te bewijzen feiten waar te nemen of hun waarnemingen mee te delen, kunnen niet als getuige optreden. Men spreekt hierbij van een 'absoluut' fysiek onvermogen om te getuigen (§ 320, lid 1 ZPO). Bij minderjarigen en geesteszieken moet per geval worden beslist of sprake is van een onvermogen om te getuigen. Voorts zijn er drie categorieën personen met een 'relatief' onvermogen om te getuigen (§ 320, leden 2 tot en met 4 ZPO): geestelijken met betrekking tot wat hun in de biecht of in het kader van hun ambtsuitoefening is toevertrouwd, overheidsambtenaren met betrekking tot vertrouwelijke informatie die ze bij de uitoefening van hun functie hebben ontvangen, tenzij ze worden vrijgesteld van de plicht tot geheimhouding, en mediators met betrekking tot wat hun tijdens de mediation is toevertrouwd of anderszins ter kennis is gekomen.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

De rechter dient de getuige passende vragen te stellen over de feiten die door zijn verklaring moeten worden bewezen en de omstandigheden waaronder hij zijn kennis heeft verkregen. De partijen kunnen aan het getuigenverhoor deelnemen en met toestemming van de rechter de getuige vragen stellen ter verduidelijking of completering van diens verklaring. De rechter kan ongepaste vragen afwijzen. Van de verklaring van de getuige wordt een proces-verbaal opgemaakt, waarin de essentie van de verklaring wordt vervat of, indien nodig, de verklaring letterlijk wordt weergegeven. Beeld- en geluidsdragers en de daarop opgeslagen gegevens worden in de regel gezien als objecten voor plaatsopneming. Het verkrijgen van bewijs door plaatsopneming geschiedt doordat de rechter zich via directe zintuiglijke waarneming op de hoogte stelt van de eigenschappen of toestand van een zaak. Vanwege het beginsel van materiële onmiddellijkheid bij bewijsverkrijging is dergelijk bewijs echter alleen toegelaten wanneer geen direct bewijs, bijvoorbeeld een getuige, beschikbaar is. Het horen van een getuige met gebruikmaking van videotechnologie is in beginsel mogelijk en heeft om redenen van proceseconomie de voorkeur boven een rogatoir verhoor. Sinds 2011 zijn alle rechtbanken uitgerust met faciliteiten voor televergaderen.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Handelt een partij bij het verkrijgen van bewijs in strijd met een contractuele verplichting, een privaatrechtelijke bepaling of de goede zeden, dan kan de rechter het bewijs desalniettemin toelaten en gebruiken. De partij is hoogstens verplicht tot het betalen van schadevergoeding. Handelt de partij bij het verkrijgen van bewijs in strijd met een strafrechtelijke bepaling die de kern van grondwettelijk beschermde grond- of vrijheidsrechten beschermt (bijvoorbeeld het toebrengen van lichamelijk letsel, ontvoering of bedreiging van een getuige om hem tot een verklaring te dwingen), dan is het aldus verkregen bewijs niet toelaatbaar en mag het door de rechter niet worden aanvaard. Wanneer onduidelijk is of sprake is van een strafbaar feit, kan de rechter de civiele procedure opschorten totdat het vonnis in het strafproces kracht van gewijsde heeft. Wanneer bij de verkrijging van bewijs een strafbaar feit is gepleegd waarmee niet de kern van een grondwettelijk beschermd grond- of vrijheidsrecht is aangetast, dan is de partij die het bewijs aanvoert weliswaar strafrechtelijk aansprakelijk maar het bewijs niet ontoelaatbaar. Aldus verkregen bewijs is alleen ontoelaatbaar wanneer het de waarheidsvinding heeft belemmerd en daardoor afbreuk heeft gedaan aan de garantie van een juist vonnis.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Ook het verhoor van partijen is een bewijsmiddel. Net als de getuige heeft ook de partij de plicht om voor de rechtbank te verschijnen en een verklaring (onder ede) af te leggen. Een partij kan echter niet worden gedwongen om voor de rechtbank te verschijnen of een verklaring af te leggen. Het feit dat een partij niet verschijnt of weigert een verklaring af te leggen zonder daarvoor een geldige reden aan te voeren, moet door de rechter met inachtneming van alle omstandigheden worden beoordeeld. Alleen in een procedure voor de vaststelling van ouderschap of afstamming of een echtscheidingsprocedure is de toepassing van dwangmiddelen mogelijk om partijen voor de rechter te doen verschijnen. Wanneer een partij niet de waarheid spreekt, is dat (anders dan bij een getuige) geen strafbaar feit, tenzij onder ede een valse verklaring wordt afgelegd. Het verhoor van partijen kan ambtshalve worden gelast.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 02/06/2018

Bewijsverkrijging - Polen

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

Kwesties in verband met bewijs en bewijsverkrijging zijn geregeld in artikel 6 Burgerlijk Wetboek (kodeks cywilny) en in de artikelen 227 tot en met 315 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (kodeks postępowania cywilnego).

Volgens artikel 6 Burgerlijk Wetboek ligt de bewijslast voor een feit bij de persoon die betoogt dat het te bewijzen feit rechtsgevolgen heeft. De bewijslast voor bepaalde feiten berust bij de eiser, terwijl die voor bepaalde andere feiten berust bij de verweerder.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Uitzonderingen op de regel dat de bewijslast voor een feit ligt bij de persoon die betoogt dat het te bewijzen feit rechtsgevolgen heeft, moeten rechtstreeks voortvloeien uit de wet.

In bepaalde, specifieke gevallen is het mogelijk de bewijslast bij de wederpartij te leggen, d.w.z. de bewijslast om te keren. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als er bewijs is vernietigd of als de bewijsverkrijging wordt belemmerd. In de jurisprudentie is het standpunt ingenomen dat, als een partij het met haar gedrag voor de partij bij wie de bewijslast ligt, volledig of in ernstige mate onmogelijk maakt feiten te bewijzen, het aan die eerste partij is te bewijzen dat die feiten zich niet hebben voorgedaan.

De kwestie van de bewijslast hangt nauw samen met de instelling van rechtsvermoedens. Ingevolge artikel 234 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een rechtsvermoeden bindend voor de rechter. In beginsel is weerlegging van een rechtsvermoeden aanvaardbaar.

Voorbeelden van rechtsvermoedens die aanleiding zijn voor andere voorschriften omtrent bewijsvoering, zijn goede en kwade trouw (artikel 7 Burgerlijk Wetboek), de aanname van levende geboorte (artikel 9 Burgerlijk Wetboek), onrechtmatigheid (artikel 24, lid 1, Burgerlijk Wetboek), de gelijkheid van aandelen van mede-eigenaars (artikel 197 Burgerlijk Wetboek), handelingen van de schuldenaar die nadelig zijn voor de schuldeisers (artikel 527, lid 3, en artikel 529 Burgerlijk Wetboek) en de gelijke waarde van de aandelen van deelnemers aan een maatschap (artikel 826, lid 2, Burgerlijk Wetboek).

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

Overeenkomstig het beginsel van de vrije toetsing van het bewijs (artikel 233 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) beoordeelt de rechter naar eigen inzicht hoe betrouwbaar en sterk het bewijs is, op grond van een uitgebreid onderzoek van het verzamelde bewijs.

De rechter mag zijn overtuiging slechts baseren op naar behoren verkregen bewijs, overeenkomstig de vereisten gesteld aan de bronnen van bewijs en het beginsel van directe bewijslevering.

Deskundigenoordelen worden eveneens vrij beoordeeld door de rechter.

Daarnaast is bij artikel 243 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de mogelijkheid van bewijs van aannemelijkheid geregeld. Bewijs van aannemelijkheid is een alternatieve maatstaf voor bewijs in strikte zin en biedt geen zekerheid, maar maakt een verklaring over een feit alleen aannemelijk. Terwijl formele bewijsverkrijging de regel is, is bewijs van aannemelijkheid een uitzondering ten gunste van de partij die een bepaald feit aanvoert. In kwesties die bijkomend van aard zijn en in zaken die uitdrukkelijk zijn beschreven in de wetgeving, volstaat het bewijs van aannemelijkheid.

2 Het verkrijgen van bewijs

Iedere verklaring die door de eiser of door de verweerder wordt afgelegd, moet zijn gegrond op bewijs.

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

De rechter kan bewijs toelaten dat niet is aangevoerd door een partij, maar dat bewijs mag alleen betrekking hebben op de verklaringen van die partij over concrete en betwiste feiten indien het in de loop van de zaak verzamelde bewijs naar het oordeel van de rechter niet volstaat om een uitspraak te kunnen doen (artikel 232 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

In beginsel laat de rechter bewijs toe op verzoek van de partijen, die immers verplicht zijn bewijs aan te dragen om tot een uitspraak te komen. De rechter onderzoekt echter of toelating van het door de partijen verstrekte bewijs nuttig of noodzakelijk is (artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij iedere bewijsverkrijging doet de rechter uitspraak over de toelating van dat bewijs, ook als hij bewijs ambtshalve toelaat.

In zijn afweging omtrent het wel of niet toelaten van bewijs dat is ingediend door een partij bij de procedure, gaat de rechter na:

  • of een gegeven feit relevant is voor de zaak (artikel 227 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering);
  • of het feit moet worden bewezen - het kan bijvoorbeeld gaan om iets wat algemeen bekend is (artikel 228, lid 1, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) of iets wat de partijen hebben erkend (artikel 229 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering);
  • of bepaald bewijs niet is uitgesloten in het desbetreffende geval (bv. artikelen 246 en 247 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering);
  • of het te staven feit niet al voldoende is toegelicht dan wel of het bewijs niet wordt aangevoerd met als doel de procedure te vertragen (artikel 217, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

De rechter verwerpt het verzoek van een partij tot het leveren van bewijs als het feiten betreft die niet van belang zijn voor de zaak (artikel 227 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), feiten die algemeen bekend zijn, en feiten die in de loop van de procedure zijn erkend door de wederpartij en die erkenning geen twijfels doet rijzen, evenals feiten die de rechter ambtshalve bekend zijn, zij het dat de rechter in dat geval de partijen op die feiten moeten wijzen tijdens de zitting (artikelen 228 en 229 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

De rechter kan voor een beslissing in de zaak relevante feiten als vastgesteld beschouwen als die conclusie kan worden getrokken uit andere vastgestelde feiten (vermoeden van feiten, artikel 231 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

  • documenten (artikelen 244 tot en met 257 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

Documenten zijn schriftelijke verklaringen en kunnen authentieke of onderhandse akten zijn. In het geval van authentieke akten die in de geëigende vorm zijn opgesteld door bevoegde overheidsinstanties, wordt aangenomen dat de officieel gewaarmerkte inhoud ervan juist is en dat zij inderdaad zijn afgegeven door de desbetreffende instantie.

  • getuigenverklaringen (artikelen 258 tot en met 277 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

Niemand kan weigeren te verklaren als getuige, behalve de echtgenoten van de partijen, hun bloedverwanten in opgaande en neergaande lijn, (half)broers en -zussen en aangehuwde familieleden in dezelfde lijn en van dezelfde graad, evenals hun adoptieouders of -kinderen. Het recht om te weigeren een getuigenverklaring af te leggen duurt voort na beëindiging van het huwelijk of de adoptierelatie.

  • deskundigenoordeel (artikelen 278 tot en met 291 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

Een deskundigenoordeel is een op bepaalde specialistische kennis gebaseerd oordeel over feiten, situaties en gebeurtenissen in de vorm van een onderzoek en toelichting waarmee de rechter beter in staat is de feiten goed te beoordelen en te beslissen over een bepaalde zaak.

  • plaatsopneming en bezichtiging (artikelen 292 tot en met 298 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

Bij plaatsopneming en bezichtiging onderzoekt de rechter het bezit of de gesteldheid van personen, een plaats of een voorwerp rechtstreeks met behulp van zijn zintuigen.

  • verhoor van partijen (artikelen 299 tot en met 304 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)

Als er na bestudering van al het bewijs of bij gebrek aan bewijs nog onverklaarde feiten zijn die van belang zijn voor de zaak, beveelt de rechter het verhoor van de partijen om die feiten op te helderen.

Als een partij een rechtspersoon is, verhoort de rechter personen uit een orgaan dat gemachtigd is die partij te vertegenwoordigen.

Verder kan de rechter bewijs toelaten in de vorm van de uitslag van een bloedgroeptest, videobeelden, televisiebeelden, fotokopieën, foto's, plattegronden, tekeningen, geluidsopnamen op schijf of band en andere middelen voor de opname en opslag van beeld en geluid.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Ingevolge artikel 266 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de getuige voorafgaand aan het verhoor gewezen op zijn recht om niet te getuigen en op de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor valse getuigenis. De getuige legt vooraf een eed af tegenover de rechter.

Ingevolge artikel 271, lid 1, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de getuigenverklaring mondeling. De verklaring wordt voorgelezen aan de getuige en, indien van toepassing, aangevuld met zijn opmerkingen.

In de regel kunnen getuigen die nog niet zijn gehoord, niet aanwezig zijn bij het verhoor van andere getuigen (artikel 264 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering); getuigen die tegenstrijdige verklaringen afleggen, kunnen met elkaar worden geconfronteerd (artikel 272 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

De rechter kan een of meer deskundigen oproepen om hun oordeel te geven, en laat daarbij weten of een mondeling of schriftelijk oordeel is gewenst (artikel 278 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De deskundige kan weigeren te getuigen, om dezelfde redenen als getuigen (artikelen 280 en 261 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Ook de deskundige legt een eed af, tenzij de partijen hem ontheffen van die plicht. Een oordeel bevat altijd een motivering (artikel 285 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Deskundigen kunnen een vergoeding vragen voor hun werk (artikel 288 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Er zijn geen gronden voor aanvaarding van een formele hiërarchie van bewijsmiddelen ten aanzien van hun betrouwbaarheid en kracht bij beschouwing los van de feiten van een bepaalde zaak. Doorgaans beoordeelt de rechter het bewijs naar eigen inzicht (artikel 233 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In zijn beoordeling neemt de rechter het beginsel van de artikelen 246 en 247 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in acht; volgens dat beginsel gaan bewijsstukken boven verklaringen van getuigen of partijen.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Voor sommige rechtshandelingen bestaan specifieke vormvoorschriften en de eis om die voorschriften na te leven kan zijn vastgesteld in de wetgeving of een overeenkomst tussen de partijen. Schriftelijk bewijs volgens artikel 74, lid 1, Burgerlijk Wetboek (ad probationem) heeft als doel dat bij niet-nakoming van de eisen van de wetgeving of de overeenkomst, de persoon die een handeling niet overeenkomstig de desbetreffende vormvoorschriften heeft verricht, nadelige procedurele gevolgen daarvan ondervindt, aangezien zijn mogelijkheden voor bewijsverkrijging dan worden beperkt.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

In beginsel is het niemand toegestaan te weigeren te verklaren als getuige. Getuigen is zelfs een wettelijke verplichting. Die verplichting behelst drie vereisten:

  • op een bepaald tijdstip voor de rechter verschijnen;
  • getuigen;
  • een eed afleggen.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

In artikel 261 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn echter bepaalde uitzonderingen vastgesteld op de regel dat niemand mag weigeren te getuigen; ingevolge dat artikel is weigering wel toegestaan voor de echtgenoten van de partijen, hun bloedverwanten in de opgaande en de neergaande lijn, (half)broers en -zussen en aangehuwde familieleden in dezelfde lijn en van dezelfde graad, evenals hun adoptieouders of -kinderen. Het recht om te weigeren een verklaring af te leggen duurt voort na beëindiging van het huwelijk of de adoptierelatie.

In zaken die de gezinsstatus betreffen, is het niet toegestaan te weigeren een verklaring af te leggen, behalve bij echtscheiding.

Voorafgaand aan het verhoor informeert de rechter de getuige over diens recht te weigeren een verklaring af te leggen en vragen te beantwoorden. De redenen voor de weigering (schriftelijk ingediend of mondeling gegeven, onder verwijzing naar wettelijke redenen) worden door de rechter geverifieerd.

Een getuige kan zijn weigering een verklaring af te leggen intrekken. Als een getuige echter eenmaal bewijs heeft gegeven, kan hij het recht op weigering niet meer uitoefenen, tenzij hem niet vooraf was gewezen op dat recht.

Verder mag de getuige weigeren vragen te beantwoorden als hij met zijn antwoorden zichzelf of zijn verwanten (echtgenoten, verwanten in de opgaande en de neergaande lijn, (half)broers en -zussen en aangehuwde familieleden in dezelfde lijn en van dezelfde graad, evenals hun adoptieouders of -kinderen) zou kunnen blootstellen aan strafrechtelijke aansprakelijkheid, reputatieschade of ernstige en directe financiële schade, of als hij er een materieel bedrijfsgeheim mee zou schenden.

Volgens de heersende opvatting strekt de term "verwanten" zich niet uit tot personen die in feite als stel samenleven (samenwoning).

Een priester kan weigeren te getuigen over feiten die hem in de biecht zijn toevertrouwd.

Op bevel van de rechter is eenieder verplicht tot indiening, op de vermelde tijd en plaats, van een document dat in zijn bezit is en dat een relevant feit in de zaak bewijst, tenzij dat document vertrouwelijke informatie bevat. Alleen personen die met betrekking tot de in dat document besproken feiten zouden kunnen weigeren te getuigen of die het document in bezit hebben namens een derde die om dezelfde redenen bezwaar zou kunnen maken tegen indiening van het document, kunnen aan bovenstaande verplichting ontkomen. Weigering tot indiening van het document is in dat geval echter ook onaanvaardbaar als de persoon die het in bezit heeft of de derde daartoe gehouden zijn jegens ten minste een van de partijen of als het document is afgegeven in het belang van de partij die om de bewijsverkrijging verzoekt. Een partij kan indiening van een document evenmin weigeren als de schade waaraan die partij zich bij indiening ervan zou blootstellen bestaat in het verliezen van de zaak (artikel 248 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Als de rechter, na alle aanwezige partijen daartoe te hebben gehoord, concludeert dat een getuige ten onrechte weigert een verklaring of de eed af te leggen, legt hij hem een boete op (artikel 274 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Ongeacht deze boete kan de rechter de getuige voor de duur van ten hoogste één week in gijzeling stellen. De rechter beëindigt de gijzeling van de getuige als de getuige zijn verklaring of eed aflegt of als de zaak is beslecht voor een rechtbank waar de verklaring van die getuige werd toegelaten (artikel 276 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

De rechtbank vermijdt ambtshalve het afnemen van een verklaring van personen die niet in staat zijn waar te nemen of te laten weten wat zij waarnemen. Als de oorzaken van dat onvermogen ophouden te bestaan, kan het verbod op het afnemen van een verklaring worden opgeheven. Psychiatrische behandeling of onvermogen op zich maken een getuigenverklaring niet onbetrouwbaar (artikel 259 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

In de wet is niet bepaald boven welke leeftijd een kind wordt geacht in staat te zijn waar te nemen en te laten weten wat het waarneemt. Of een kind kan worden gehoord, hangt daarom af van zijn vermogens en mate van ontwikkeling. Met betrekking tot huwelijkszaken zijn in de wet beperkingen opgenomen voor het verhoor van minderjarigen jonger dan 13 jaar en verwanten van de partijen in neergaande lijn jonger dan 17 jaar (artikel 430 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Uit artikel 259 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de algemene regel naar voren dat niemand in dezelfde zaak als getuige én als partij kan worden gehoord. De wettelijke vertegenwoordiger van een partij kan derhalve worden gehoord bij het verhoor van de partijen. De advocaat van een partij kan weliswaar als getuige worden gehoord, maar doet dan afstand van zijn volmacht.

Ook een interveniënt kan geen getuige zijn (artikel 81 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Militair personeel en ambtenaren die niet zijn ontheven van hun geheimhoudingsplicht ten aanzien van als "gerubriceerd" of "vertrouwelijk" bestempelde informatie, zijn niet gehouden tot het afleggen van een verklaring als zij die plicht daarmee zouden schenden.

Een bemiddelaar kan geen getuige zijn voor feiten die hem ter kennis zijn gekomen in het kader van de bemiddeling, tenzij de partijen hem ontheffen van zijn geheimhoudingsplicht als bemiddelaar (artikel 2591 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Een getuige wordt gehoord door de rechter. In sommige gevallen kan de rechter het verhoor toevertrouwen aan een aangewezen rechter (artikel 235 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Als de aard van het bewijs dat niet belet, kan de behandelende rechter beslissen het verhoor te laten plaatsvinden met technische middelen waarmee verhoor op afstand mogelijk is.

De partijen hebben het recht aanwezig te zijn tijdens het verhoor van getuigen en hun vragen voor te leggen.

De getuigen kunnen worden gehoord met behulp van video- en teleconferentie (artikel 10, lid 4, Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken).

3 De waardering van het bewijs

In beginsel kan alles wat dient om voor de zaak relevante feiten vast te stellen, bewijs vormen. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat geen algemeen verbod op het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in civiele procedures. Een analyse van de bepalingen van de Grondwet, van de diverse bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de bescherming van gerubriceerde informatie en van door Polen geratificeerde internationale verdragen sterkt echter de stelling dat het in civiele procedures onaanvaardbaar is gebruik te maken van onrechtmatig verkregen bewijs.

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

In civiele procedures is het niet toelaatbaar gebruik te maken van bewijs dat is verkregen op een manier die heeft geleid tot schending, en daarmee ontneming, van iemands rechten op vrijheid van gedachte, vrijheid van meningsuiting, intimiteit en persoonlijke vrijheid. Bewijs verkregen door middel van misleiding of een belofte bij nakoming waarvan de wet zou worden overtreden, bv. het aanbieden van geldelijk voordeel voor het aftappen van communicatie, wordt als onrechtmatig beschouwd.

Artikel 403, leden 1 en 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat een door middel van misdaad tot stand gekomen uitspraak kan worden herzien. Het verzoek bedoeld in artikel 403, leden 1 en 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is slechts mogelijk als inwilliging ervan wordt bevestigd door een definitieve veroordeling. De uitspraak moet in kracht van gewijsde zijn gegaan om ervoor te zorgen dat de gronden voor herziening blijven bestaan. Een verzoek om herziening van een uitspraak gaat vergezeld van een afschrift van die uitspraak.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Als er na bestudering van al het bewijs of bij gebrek aan bewijs nog onverklaarde feiten zijn die van belang zijn voor de zaak, kan de rechter de partijen verhoren (artikel 299 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 26/11/2018

Bewijsverkrijging - Portugal

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

De regel met betrekking tot de bewijslast is dat de partij waarop de bewijslast rust, moet aantonen dat de beweerde feiten waar zijn, zodat de geldigheid van het bij het gerecht aangevoerde argument kan worden beoordeeld.

Wat betreft de toewijzing van de bewijslast, d.w.z. welke partij de bewijslast moet dragen, is in artikel 342 van het burgerlijk wetboek een basisregel vastgelegd. Krachtens dat artikel moet de persoon die zich op een recht beroept, de feiten aantonen die bewijzen dat het recht bestaat en moet de tegenpartij de feiten aantonen die in de weg staan aan dat recht of waardoor het wordt gewijzigd of beëindigd. Feiten die het recht in de weg staan, zijn feiten die een obstakel vormen voor de daadwerkelijke vestiging van het recht. Feiten waardoor het recht wordt gewijzigd, zijn feiten die de reikwijdte veranderen van het recht dat is aangevoerd. Feiten waardoor een recht wordt beëindigd, zijn feiten die, nadat is vastgesteld dat een recht een geldig recht is, ertoe leiden dat dit niet langer het geval is. Bij twijfel moeten de feiten als constitutief worden beschouwd.

In het geval van een negatieve beoordelingsprocedure, waarbij de ene partij niet naar een beslissing tegen de andere partij streeft, maar slechts wenst dat het gerecht vaststelt dat een recht of feit niet bestaat, is het aan de verweerder (de partij tegen wie het geding is ingesteld) de elementen te bewijzen die het geclaimde recht vormen.

In gerechtelijke procedures die moeten worden ingesteld binnen een bepaalde termijn na de datum waarop de eiser (de partij die de procedure inleidt) zich bewust is geworden van een bepaald feit, is het aan de verweerder om te bewijzen dat de termijn al verstreken is, tenzij er bij wet speciaal een andere oplossing is vastgesteld.

Indien er voor het recht waarop de eiser zich beroept, een ontbindende voorwaarde (een onzekere gebeurtenis die zich in de toekomst moet voordoen om de gevolgen van de rechtshandeling tussen partijen in te laten treden) of een aanvankelijke termijn (tijdsmoment waarna het recht kan ontstaan) geldt, is het aan de verzoeker te bewijzen dat aan de voorwaarde is voldaan of dat de aanvankelijke termijn is verstreken. Indien er voor het recht een beëindigende voorwaarde (een onzekere gebeurtenis die zich in de toekomst moet voordoen om de gevolgen van de rechtshandeling tussen partijen te laten eindigen) of een eindtermijn (tijdsmoment waarna het recht eindigt) geldt, is het aan de verweerder te bewijzen dat aan de voorwaarde is voldaan of dat de eindtermijn is verstreken.

De hierboven genoemde regels worden omgekeerd als er sprake is van een rechtsvermoeden (gevolg dat, of conclusie die, de wet aan een bekend feit ontleent om een onbekend feit vast te stellen), vrijstelling van of ontslag uit de bewijslast of een geldige overeenkomst daarover, en, in het algemeen, alle gevallen waarin dit wettelijk zo is vastgesteld. De bewijslast wordt ook omgekeerd indien de tegenpartij het opzettelijk onmogelijk maakt dat het bewijs overgelegd kan worden door de partij die het moet verstrekken.

Een overeenkomst over het omkeren van de bewijslast is ongeldig indien het een onvervreemdbaar recht betreft (een recht waarvan een partij niet zomaar mag afzien door te verklaren dat men ervan wil afzien) of indien het door zo’n overeenkomst voor een van de partijen buitensporig moeilijk wordt het recht uit te oefenen. Ook een overeenkomst tot uitsluiting van bepaalde wettelijke bewijsmiddelen of tot het toestaan van een ander bewijsmiddel dan bij wet is vastgesteld, is ongeldig. Indien de uit het recht of de wet voortkomende beslissingen in verband met het bewijs gebaseerd zijn op redenen van openbaar beleid, zijn de desbetreffende overeenkomsten onder alle omstandigheden ongeldig.

Indien het bewijs wordt overgelegd door de partij waarop de bewijslast voor een bepaald feit rust, kan de tegenpartij tegenbewijs overleggen om voor twijfel te zorgen. Bij voldoende twijfel moet in het nadeel worden beslist van de partij die de verplichting had het feit in kwestie te bewijzen.

Tegen volledig wettelijk bewijs kan alleen bewijs worden ingebracht waaruit blijkt dat het feit dat er aanleiding toe gaf, niet waar is, onder voorbehoud van verdere restricties die specifiek bij wet zijn vastgesteld.

Eenieder die zich op gewoonte-, lokaal of buitenlands recht beroept, is ervoor verantwoordelijk te bewijzen dat dit recht bestaat en wat de inhoud ervan is, maar het gerecht moet ernaar streven de desbetreffende kennis ambtshalve te verkrijgen. Het gerecht is ook verantwoordelijk voor ambtshalve kennis telkens als het gerecht op basis van gewoonte-, lokaal of buitenlands recht moet beslissen en geen van de partijen zich erop beroepen heeft, of de tegenpartij het bestaan en de inhoud ervan heeft erkend of hiertegen geen verweer heeft ingesteld. Als het niet mogelijk is de inhoud van het toepasselijk recht te bepalen, past het gerecht de regels van het reguliere Portugese recht toe.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Ja, dergelijke regels bestaan.

Er is geen bewijs vereist voor bekende feiten, met andere woorden feiten die algemeen bekend zijn.

Er is ook geen bewijs vereist voor feiten waarmee het gerecht bekend is vanwege de uitoefening van de functies van het gerecht; indien het gerecht deze feiten wil gebruiken, moet er schriftelijk bewijs van de feiten aan de zaak worden gehecht.

Zo hoeft ook een partij met een rechtsvermoeden (zoals hierboven gedefinieerd) in haar voordeel het veronderstelde feit niet te bewijzen.

Tegen rechtsvermoedens kan tegenbewijs worden overgelegd, met uitzondering van gevallen waarin de wet zulks niet toestaat.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

Het gerecht beoordeelt het bewijs geheel naar eigen oordeel en de rechter neemt zijn beslissing op basis van zijn zorgvuldige overtuiging met betrekking tot elk feit.

De vrije beoordeling van bewijs betreft geen feiten waarvoor de wet speciale formaliteiten vereist om ze te bewijzen of die slechts kunnen worden bewezen aan de hand van documenten of die volledig zijn bewezen, hetzij door documenten, hetzij door instemming of een bekentenis van de partijen.

Het gerecht moet al het bewijs in overweging nemen, ongeacht of dit afkomstig is van de partij die het zou moeten leveren, en onder voorbehoud van bepalingen die stellen dat bewijs van een feit irrelevant is indien het niet door bepaalde belanghebbenden wordt overgelegd.

Elke twijfel over de waarheid van een feit of de bewijslast is in het nadeel van de partij die voordeel zou halen uit het feit.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

De wet maakt het mogelijk de taak van bewijsverkrijging op initiatief van de rechter uit te voeren.

Het is de verantwoordelijkheid van de rechter om alle maatregelen te treffen of te bevelen, ook ambtshalve, die nodig zijn om de waarheid en de ware aard van het geschil aan het licht te brengen met betrekking tot de feiten die bekend moeten zijn.

De rechter kan in elke fase van het proces de partijen oproepen persoonlijk te verschijnen om een verklaring af te leggen met betrekking tot de feiten die van belang zijn voor de beslissing in kwestie.

Het is de verantwoordelijkheid van het gerecht om, ambtshalve of op verzoek van de partijen, om informatie, technische rapporten, plannen, foto’s, tekeningen, voorwerpen of andere documenten te verzoeken die nodig zijn om de waarheid aan het licht te brengen. Dergelijke verzoeken kunnen worden gericht tot overheidsinstanties, de procespartijen of derde partijen.

Als het gerecht dit gepast acht, kan het op eigen initiatief of op verzoek van een partij, zaken of personen onderzoeken. Dit moet zodanig gebeuren dat de integriteit van het privé- en gezinsleven en de menselijke waardigheid wordt veiliggesteld en het moet gericht zijn op het ophelderen van feiten die relevant zijn voor de beslissing in kwestie. Het gerecht kan een schouwing ter plaatse uitvoeren of een reconstructie van de gebeurtenissen laten uitvoeren als het dit nodig acht.

Als er tijdens het verloop van een rechtszaak redenen zijn om aan te nemen dat een persoon die niet als getuige is opgeroepen kennis heeft van feiten die belangrijk zijn voor het treffen van een juiste beslissing in de zaak, dient de rechter te gelasten dat die persoon gedagvaard wordt om voor de rechter bewijs te komen leveren.

De rechter mag ambtshalve deskundigen oproepen om verklaringen voor de rechter af te leggen.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

In het algemeen wordt bewijs aangeboden in combinatie met schriftelijke uiteenzettingen van de feiten van de zaak. Aan het eind van het verzoekschrift moet de verzoeker de lijst van getuigen opnemen en om andere vormen van bewijs verzoeken; indien de verweerder verweer instelt, moet de verweerder samen met het verweerschrift een lijst met getuigen indienen en om andere vormen van bewijs verzoeken. Het is de verzoeker toegestaan zijn/haar oorspronkelijke verzoekschrift te veranderen om bewijs te verkrijgen, en de verzoeker kan dit doen in zijn/haar reactie, indien van toepassing, of binnen 10 dagen na op de hoogte te zijn gesteld van het verweer. Indien de verweerder een tegenvordering instelt en de verzoeker hierop reageert, is het de verweerder toegestaan zijn/haar oorspronkelijke verzoekschrift aan te passen om bewijs te verkrijgen; dit kan binnen 10 dagen na ontvangst van de kennisgeving van de reactie worden gedaan.

In het algemeen vindt de bewijsverkrijging plaats tijdens de definitieve behandeling. Bij uitzondering kan er al eerder bewijs worden aangedragen. Bewijs kan de vorm aannemen van de getuigenis van personen, een deskundigenverklaring of bewijs dat is verzameld via gerechtelijk onderzoek. Om dergelijk bewijs al vroeg te laten leveren, moet er sprake zijn van gefundeerde vrees dat het onmogelijk of zeer moeilijk zou kunnen zijn om een getuigenis van bepaalde personen te verkrijgen tijdens de feitelijke behandeling bij de rechter of om bepaalde feiten door middel van expertise of inspectie te verifiëren.

Nadat verzoekschriften tot het verkrijgen van bewijs tijdens de voorbereidende behandeling ontvankelijk zijn verklaard, en dan ook nog aangepast kunnen worden, of indien dit niet van toepassing is op het bevoegde bevel, wordt de definitieve behandeling op de rol geplaatst nadat de wettelijke vertegenwoordigers zijn gehoord.

De lijst met getuigen mag ook worden aangevuld of gewijzigd tot twintig dagen voor de datum waarop de definitieve behandeling plaatsvindt en de tegenpartij wordt in kennis gesteld om desgewenst binnen vijf dagen van deze mogelijkheid gebruik te maken.

Behalve in gevallen waarin de omstandigheden rechtvaardigen dat de rechter de volgorde van rechtsgebeurtenissen wijzigt, start de bewijsgaring tijdens de definitieve behandeling met de partijen die hun verklaringen afleggen.

Vervolgens worden eventuele film- of geluidsopnames die deel uitmaken van het bewijs vertoond of ten gehore gebracht.

Dit kan worden gevolgd door mondelinge toelichtingen van deskundigen die op verzoek van een van de partijen of het gerecht zelf zijn opgeroepen om in het gerecht te verschijnen. Daarna worden de getuigen verhoord.

Na de bewijsgaring worden de feiten van de zaak besproken. Hierbij stellen de advocaten de conclusies vast, zowel feitelijk als rechtens, die zij hebben getrokken uit het overgelegde bewijs; elke advocaat mag één keer reageren.

Na afsluiting van de definitieve behandeling wordt de zaak aan de rechter voorgelegd. Deze geeft binnen 30 dagen een beslissing. Indien het gerecht van mening is niet voldoende geïnformeerd te zijn, kan het naar de rechtszaal terugkeren om de personen te horen die het wil horen en om de noodzakelijke stappen te gelasten die moeten worden genomen om zaken op te helderen waarover twijfel bestaat.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Het verzoekschrift om bewijs te verkrijgen kan worden afgewezen indien het wordt ingediend buiten de termijn die wettelijk voor dit doel is vastgesteld.

Een verzoekschrift tot het verkrijgen van bewijs kan in de volgende omstandigheden geheel of gedeeltelijk worden afgewezen, zelfs als het tijdig is ingediend: het aantal getuigen voor een bepaalde soort procedure wordt overschreden (de getuigen waardoor de limiet wordt overschreden moeten worden afgewezen); de rechter acht een verzoekschrift voor deskundigenbewijs irrelevant of vertragend; iemand die als partij zou kunnen getuigen is als getuige op de lijst geplaatst; er wordt om door een partij afgelegde verklaringen gevraagd die oneerlijke of strafbare feiten betreffen waarvan de partij in kwestie wordt beschuldigd; of de partij wordt gevraagd om te getuigen over feiten die geen bekentenis betreffen. Ander bewijs dat niet toelaatbaar is, is bewijs waarvoor het staats- of beroepsgeheim geschonden wordt of moet worden waaraan ambtenaren zich moeten houden. Deze geheimhoudingsplicht mag echter krachtens de wettelijk vastgestelde voorwaarden worden opgeheven.

Daarna, gedurende de definitieve behandeling en nadat de getuige de eed heeft afgelegd, voert de rechter een voorbereidend verhoor waarmee hij tracht de identiteit van de getuige vast te stellen en te bepalen of de getuige een verwant, vriend of vijand van een van de partijen is, een afhankelijkheidsrelatie met partijen heeft, of een direct of indirect belang in de zaak heeft. Indien uit de antwoorden blijkt dat de partij die een verklaring aflegt, niet in staat is als getuige op te treden of niet de persoon is die is voorgesteld, staat de rechter die persoon niet toe te getuigen. Alleen wie niet aan een psychische stoornis leidt en fysiek en mentaal in staat is om een getuigenis af te leggen met betrekking tot de feiten die bewezen moeten worden, is bekwaam om een getuigenverklaring af te leggen, en de rechter is ervoor verantwoordelijk de natuurlijke bekwaamheid te beoordelen van personen die als getuigen op een lijst zijn geplaatst teneinde te bepalen of hun bewijs toelaatbaar en geloofwaardig is.

Bewijs in de vorm van een getuigenis wordt niet toegelaten indien bij wet of door de partijen is vastgesteld dat de zakelijke verklaring op schrift moet zijn gesteld of schriftelijk moet worden bewezen. Bewijs in de vorm van een getuigenis wordt ook niet toegelaten als de gebeurtenis volledig bewezen is door documenten of door andere middelen met volledige bewijskracht. Bewijs in de vorm van een getuigenis mag niet worden toegelaten indien het gebaseerd is op overeenkomsten die indruisen tegen of aanvullend zijn op de inhoud van authentieke of onderhandse documenten met volledige bewijskracht, ongeacht of de overeenkomsten eerder dan, tegelijkertijd met of na het opstellen van het document tot stand zijn gekomen.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

De volgende bewijsmiddelen bestaan:

a)      Documenten;

b)      Bewijs door een bekentenis;

c)      De verklaringen van de partijen bij het geding;

d)     Deskundigenverslagen;

e)      Gerechtelijk onderzoek;

f)       De verklaringen van getuigen;

g)      Bewijs via de productie van voorwerpen;

h)      Aannames.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

De verschillen in de mate waarin bewijsmiddelen iets aantonen zijn niet afhankelijk van of het bewijs mondeling of schriftelijk wordt gegeven.

Het gerecht wordt alleen gebonden door bewijs met wettelijk vooraf vastgestelde bewijskracht en krachtens de gestelde voorwaarden en limieten: bewijs door authentieke of onderhandse documenten waarvan de authenticiteit met erkende middelen wordt vastgesteld (zie de artikelen 362 tot en met 387 van het burgerlijk wetboek), bekentenis (zie de artikelen 352 tot en met 360 van het burgerlijk wetboek) en rechtsvermoedens (de artikelen 349 tot en met 350 van het burgerlijk wetboek).

Het overige bewijs wordt beoordeeld volgens het beginsel van vrije beoordeling van bewijs zonder dat hiervoor regels gelden behalve de ervaringsregels, d.w.z. de algemene en abstracte beslissingen van causale gevolgen. Bewijs wordt beoordeeld overeenkomstig de overtuiging die de rechter met inachtneming van deze regels over de feiten heeft gevormd.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

De wet kent inderdaad een verschillende mate van bewijskracht toe aan de verschillende bewijsmiddelen.

Indien de wet een specifieke mate van belang toekent aan bepaalde bewijsmiddelen of indien de wet een bepaalde speciale formaliteit vereist voor het bestaan of bewijs van een rechtsfeit, wordt de vrije beoordeling van bewijs terzijde geschoven en krijgen bepaalde bewijsmiddelen voorrang op andere. In gevallen van negatief wettelijk bewijs verbiedt de wet het gebruik van bepaalde soorten bewijs door de rechter om tot een beslissing te komen.

Wat betreft bewijsgaring door het vergaren van verklaringen van getuigen, het mondeling horen van deskundigen (als algemene regel worden deskundigen alleen maar tijdens de definitieve behandeling gehoord indien het nodig is mondelinge toelichting te geven, aangezien de resultaten van hun onderzoeken in schriftelijke verslagen worden opgenomen), gerechtelijke onderzoeken, onderzoeksverslagen en documenten waarvan bij wet niet is bepaald dat ze een speciale betekenis hebben, beoordeelt het gerecht al dergelijke bewijzen geheel naar eigen inzicht.

De bewijskracht van verklaringen van getuigen wordt geheel naar eigen inzicht door de rechter beoordeeld. De verklaring van een getuige kan echter niet worden gebruikt ter vervanging van een document dat krachtens de wet vereist is, noch om de inhoud van bepaalde documenten te weerleggen of aan te vullen.

De kracht van het bewijs dat wordt gegeven in de antwoorden van deskundigen wordt geheel naar eigen inzicht door het gerecht beoordeeld en hetzelfde is van toepassing wat betreft de resultaten van gerechtelijk onderzoek.

Authentieke documenten (dat wil zeggen documenten die op schrift zijn gesteld door een bevoegde openbare instantie of ambtenaar tijdens de uitoefening van zijn/haar bevoegdheden) worden beschouwd als volledig bewijs van het feit dat de feiten waarnaar ze verwijzen zijn uitgevoerd door de desbetreffende personen en dat de entiteit die het document opstelt de betreffende feiten op basis van haar inzicht als bewezen acht (dat wil zeggen dat dergelijke documenten een blijk van bewijs vertegenwoordigen waartegen alleen bewijs van het tegendeel kan worden aangevoerd). Onderhandse documenten met handtekeningen of een handschrift, of alleen een handtekening, die worden erkend of niet worden tegengesproken door de partij tegen wie het document wordt aangevoerd, of waarvan die persoon verklaart niet te weten of de handtekening en het handschrift van hem of haar zijn, ondanks dat ze aan die persoon zijn toegeschreven, of onderhandse documenten die geacht worden zowel wettelijk als justitieel authentiek te zijn, en onderhandse documenten met handtekeningen of handschrift die door een notaris officieel zijn bekrachtigd, kunnen worden gebruikt als bewijs van verklaringen die worden toegeschreven aan de schrijver ervan. Dit staat echter niet in de weg aan de mogelijkheid argumenten of bewijs van valsheid aan te voeren tegen dergelijke documenten. De feiten die in de verklaring worden opgenomen worden als bewezen beschouwd voor zover zij indruisen tegen de belangen van de partij die de verklaring aflegt. De verklaring moet echter in haar geheel in aanmerking worden genomen. Onderhandse documenten die notarieel zijn bekrachtigd hebben de bewijskracht van authentieke documenten, maar vervangen deze niet als de wet dergelijke documenten vereist om een handeling geldig te laten zijn.

Een schriftelijke gerechtelijke bekentenis heeft volledige bewijskracht tegen de persoon die de bekentenis aflegt. Een niet-gerechtelijke bekentenis, in de vorm van een authentiek of onderhands document, wordt als bewezen beschouwd krachtens de voorwaarden die van toepassing zijn op deze documenten en heeft, indien de bekentenis is afgelegd aan de andere partij of haar vertegenwoordiger, volledige bewijskracht.

Een niet-gerechtelijke bekentenis anders dan in de vorm van een document mag niet worden bewezen door getuigen in gevallen waarin bewijs in de vorm van een getuigenis niet wordt toegelaten; indien dit wel wordt toegelaten beoordeelt het gerecht de bewijskracht ervan geheel naar eigen oordeel.

Niet-schriftelijke gerechtelijke bekentenissen en niet-gerechtelijke bekentenissen die worden afgelegd aan een derde of in een testament zijn vervat, kunnen door het gerecht geheel naar eigen oordeel in overweging worden genomen.

Een bekentenis is geen bewijs tegen de persoon die bekent: a) indien bij wet wordt gesteld dat de bekentenis onvoldoende is of indien de bekentenis gebaseerd is op feiten die bij wet niet mogen worden erkend of onderzocht; b) indien de bekentenis gebaseerd is op feiten met betrekking tot onvervreemdbare rechten; c) indien het feit dat bekend wordt onmogelijk is of duidelijk niet bestaat.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Ja, dit is het geval in Portugees recht.

Als de wet een document met een bepaald formeel karakter als zakelijke verklaring vereist, kan dit document niet worden vervangen door andere bewijsmiddelen of door een ander document, tenzij het vervangende bewijsmiddel of document grotere bewijskracht heeft.

Als de wet een speciale formaliteit vereist voor het bestaan of het bewijs van een rechtsfeit, dan moet aan deze formaliteit worden voldaan.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Alle personen, ongeacht of ze al dan niet partij zijn bij de zaak, dienen mee te werken aan het achterhalen van de waarheid. Ze moeten antwoorden op vragen, zich aan het nodige onderzoek onderwerpen, verstrekken wat er van hen verlangd wordt en de handelingen verrichten waartoe wordt besloten.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

De volgende getuigen hebben het recht te weigeren te getuigen, tenzij het een procedure voor het vaststellen van de geboorte of het overlijden van een kind betreft:

  • Bloedverwanten in de opgaande lijn in zaken die afstammelingen betreffen en adoptief ouders in zaken die geadopteerde kinderen betreffen en andersom;
  • Een schoonvader of -moeder in zaken die hun schoonzoon of -dochter betreffen en andersom;
  • Een echtgeno(o)t(e) of ex-echtgeno(o)t(e) in zaken waar een van de partijen de andere (ex-)echtgeno(o)t(e) is;
  • Wie met een van de partijen in een huwelijk volgens gewoonterecht leeft of heeft geleefd in omstandigheden vergelijkbaar met die van echtgenoten.

Het is de verantwoordelijkheid van de rechter de bovengenoemde personen te wijzen op hun recht te weigeren te getuigen.

Getuigen die gebonden zijn door beroepsgeheim, ambtsgeheim of staatsgeheim hebben het legitieme recht te weigeren te getuigen in verband met feiten waarop die geheimhouding van toepassing is.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Overeenkomstig het antwoord op de vorige vraag wordt aan personen die weigeren te getuigen geen sanctie opgelegd, noch wordt er van hen verlangd met het gerecht mee te werken, aangezien dit hun wettelijk recht is.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Ja, er zijn personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen.

Dit zijn personen die niet in staat zijn tot getuigen, vanwege een psychische stoornis en personen die lichamelijk of geestelijk niet bekwaam zijn om te getuigen inzake de te bewijzen feiten.

Het is de verantwoordelijkheid van de rechter om te bepalen of personen die als getuigen zijn opgeroepen bekwaam zijn.

Het is personen die als partij in de zaak een getuigenis mogen afleggen niet toegestaan als getuige een verklaring af te leggen.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Getuigen leggen tijdens de definitieve behandeling persoonlijk of via een videoconferentie getuigenis af, behalve in de volgende omstandigheden:

  • Als het bewijs in een eerder stadium wordt verkregen (dit kan gedaan worden als er sprake is van gefundeerde vrees dat het onmogelijk of zeer lastig kan zijn om een getuigenis te verkrijgen van een bepaalde persoon);
  • Als bewijs wordt vergaard op basis van een rechtshulpverzoek dat aan een Portugees consulaat wordt gestuurd;
  • Als bewijs wordt verkregen in de woonplaats of op het hoofdkantoor van de dienst waar een persoon werkt (een voorrecht dat op basis van wederkerigheid wordt verleend aan de president van de republiek en aan buitenlandse diplomaten);
  • Als het onmogelijk voor de getuige is om in het gerecht te verschijnen;
  • Als er gebruik wordt gemaakt van het voorrecht om schriftelijk getuigenis af te leggen.

De getuige moet nauwkeurig getuigenis afleggen en daarbij de reden en omstandigheden aangeven die zijn kennis van de feiten onderbouwen; voor zover mogelijk wordt de reden waarop men zich beroept voor de kennis in detail beschreven en goed gemotiveerd.

De advocaat van de partij die de getuige heeft opgeroepen, ondervraagt de getuige. De advocaat van de andere partij kan, ten aanzien van de feiten die in de getuigenis aan de orde komen, aan de getuige vragen stellen om de getuigenis aan te vullen of te verhelderen.

De rechter moet voorkomen dat de advocaten onbeleefd zijn ten opzichte van de getuigen en dat ze vragen stellen of zaken aanvoeren die irrelevant, suggestief, bedrieglijk of beledigend zijn.

Verhoren en kruisverhoren worden uitgevoerd door vertegenwoordigers van de partijen, zonder afbreuk te doen aan de informatie waarom de rechter verzoekt of het recht van de rechter om vragen te stellen waarvan de rechter denkt dat die passend zijn om de waarheid te kunnen achterhalen.

De rechter verhoort zelf indien dit nodig is om te zorgen dat de getuige zijn rust bewaart en om een einde te maken aan een ongepast kruisverhoor.

Voordat de getuige antwoord geeft op de gestelde vragen kan de getuige de zaak inzien, vragen om bepaalde documenten te mogen inzien die deel uitmaken van de zaak, of documenten overleggen die zijn getuigenis moeten staven; alleen documenten die de desbetreffende partij niet had kunnen aanbieden worden in ontvangst genomen en in het dossier opgenomen.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Onwettig verkregen bewijs mag door het gerecht niet in aanmerking worden genomen.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Ja, in aanvulling op de getuigenis van de partij zoals hierboven bedoeld, biedt het Portugese procesrecht de partijen de optie om verklaringen af te leggen.

De partijen mogen inderdaad, tot aan het begin van de mondelinge pleidooien in eerste aanleg, toestemming vragen om verklaringen af te leggen over feiten waarbij ze persoonlijk betrokken zijn geweest of waarover ze directe kennis hebben.

Het gerecht beoordeelt de verklaringen van de partijen geheel naar eigen oordeel, tenzij het een bekentenis betreft.

Zie in dit opzicht ook het antwoord op vraag 2.6

Aanvullende informatie

Wetgeving die van toepassing is

De link wordt in een nieuw venster geopend.Burgerlijk wetboek

De link wordt in een nieuw venster geopend.Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

Aanvullende informatie

De link wordt in een nieuw venster geopend.Ministerie van Justitie

De link wordt in een nieuw venster geopend.Parket van de procureur-generaal

De link wordt in een nieuw venster geopend.Staatsblad

De link wordt in een nieuw venster geopend.Database van juridische documenten


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 30/04/2018

Bewijsverkrijging - Roemenië

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

De belangrijkste rechtsgrondslag: de artikelen 249 tot en met 365 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Codul de procedură civilă).

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

Een bewering in de loop van de procedure moet worden bewezen door de bewerende partij, behalve in bepaalde gevallen die uitdrukkelijk zijn vastgesteld in de wet. Een eiser moet zijn stellingen bewijzen. De bewijslast voor bezwaren van de verweerder ligt bij de verweerder. Als er echter sprake is van een vermoeden, kan de bewijslast overgaan van de partij bij wie hij anders lag, op de wederpartij.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Van niemand wordt verlangd dat te bewijzen wat de rechter noodzakelijkerwijs moet weten.

De rechter wordt verondersteld de vigerende wetgeving in Roemenië te kennen. Daarentegen moeten wetten die niet via het Roemeense Staatsblad (Monitorul Oficial) of langs andere weg worden gepubliceerd, internationale conventies, verdragen en overeenkomsten die van toepassing zijn in Roemenië maar niet zijn omgezet in nationale wetgeving, evenals het internationale gewoonterecht, worden bewezen door de belanghebbende partij. Voorschriften in gerubriceerde documenten kunnen alleen worden bewezen en geraadpleegd met inachtneming van de wettelijke voorwaarden. De rechter kan ambtshalve het recht van een andere staat in aanmerking nemen, mits het is aangehaald in zijn aanwezigheid. Buitenlands recht moet worden bewezen overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (Codul civil) betreffende de inhoud van buitenlands recht.

Als een feit algemeen bekend is of niet wordt betwist, kan de rechter beslissen dat het in het kader van de zaak geen bewijs behoeft. Tussen de partijen gevestigde gebruiken, gedragsregels en praktijken moeten worden bewezen door de partij die zich erop beroept. Plaatselijke wet- en regelgeving moet alleen als de rechter dat vraagt worden bewezen door de partij die zich erop beroept.

Een vermoeden is een conclusie die de wet of de rechter trekt uit een bekend feit om een onbekend feit vast te stellen. Een rechtsvermoeden (prezumţiă legală) ontheft de persoon die het ten voordeel strekt van de bewijslast voor een feit dat de wet als bewezen beschouwt. Een rechtsvermoeden kan worden weerlegd met bewijs van het tegendeel, tenzij de wet anders bepaalt.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

Het bewijs moet toelaatbaar en relevant voor de uitkomst van de procedure zijn. Na toelating van bewijs voor bepaalde feiten beslist de rechter vrijelijk en naar eigen inzicht over de vraag of die feiten zijn aangetoond, tenzij de wet anders bepaalt.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

De eiser moet bewijs aandragen in zijn aanvraag en de verweerder moet bewijs aandragen in zijn verweer, tenzij de wet anders bepaalt; als zij verzuimen dit te doen, kan het bewijs worden uitgesloten. Als het aangevoerde bewijs niet volstaat om de zaak volledig te beslechten, beveelt de rechter de partijen het bewijs aan te vullen. De rechter kan ambtshalve de aandacht van de partijen vestigen op de behoefte aan nader bewijs en kan de verkrijging van nader bewijs gelasten, ook al zijn de partijen het daar niet mee eens.

De partijen kunnen verzoeken tot het leveren van de volgende bewijzen: documenten, deskundigenrapporten, getuigenverklaringen, plaatsopneming en bezichtiging, en ondervraging van een partij als de wederpartij een verzoek indient om die partij op te roepen als getuige. Het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering regelt ook fysiek bewijs; dat kan van belang zijn in bepaalde categorieën civiele procedures (bv. over echtscheiding).

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

De rechter beoordeelt eerst of het door de partijen aangevoerde bewijs toelaatbaar is en doet vervolgens uitspraak over de te bewijzen feiten, het toegelaten bewijs en de verplichtingen van de partijen ten aanzien van het leveren van bewijs. Voor zover mogelijk wordt het bewijs geleverd tijdens dezelfde zitting als die waarop het ontvankelijk wordt verklaard.

Voor de bewijsverkrijging gelden enkele essentiële voorschriften: het bewijs wordt verkregen in de door de rechter bepaalde volgorde; voor zover mogelijk wordt bewijs op dezelfde zitting verkregen; bewijs wordt verkregen voorafgaand aan de beoordeling op gegrondheid; bewijs en tegenbewijs worden voor zover mogelijk tegelijk verkregen.

Bewijs wordt verkregen in raadkamer (în camera de consiliu), in de rechtbank waar de zaak aanhangig is, tenzij de wet anders bepaalt. Als het bewijs om objectieve redenen alleen in een andere plaats kan worden verkregen, kan het worden verkregen via rogatoire commissie door een gerecht van hetzelfde niveau, of een gerecht van een lager niveau als er in die plaats geen gerecht van vergelijkbaar niveau is.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Bewijs kan alleen worden gebruikt als het voldoet aan bepaalde voorwaarden betreffende de rechtmatigheid (legalitate), aannemelijkheid (verosimilitate), relevantie (pertinenţă) en overtuigingskracht (concludenţă) ervan. Op het punt van rechtmatigheid geldt als voorwaarde dat het aangevoerde bewijs bij wet moet zijn toegestaan. Ten aanzien van aannemelijkheid mag het verzochte bewijs niet in strijd zijn met de algemeen erkende natuurwetten. Aan de eis van relevantie wordt voldaan, als het bewijs samenhangt met het voorwerp van de procedure, d.w.z. met feiten die moeten worden aangetoond om de vordering of het verweer van de partijen te ondersteunen. Om te kunnen worden toegelaten, moet het bewijs ook aannemelijk zijn en dienstig aan een oplossing in het geschil.

De rechter verwerpt een verzoek om indiening van een document als dat document strikt persoonlijke aangelegenheden in verband met iemands waardigheid of persoonlijke levenssfeer betreft; als met indiening een geheimhoudingsplicht zou worden geschonden; of als indiening zou leiden tot een strafrechtelijke procedure tegen die partij, diens echtgenoot of een of meer bloedverwanten of aangehuwde familieleden tot en met de derde graad van verwantschap.

Getuigenbewijs is niet toelaatbaar voor het bewijzen van rechtshandelingen met een waarde van meer dan 250 RON, waarvoor bij wet schriftelijk bewijs vereist is. Getuigenbewijs dat in strijd is met de inhoud van een officieel document, is evenmin toelaatbaar.

Het bewijs wordt ingediend bij de vordering door de eiser en bij het verweer door de verweerder. De rechter kan verzoeken om bewijs dat niet op deze manier wordt aangevoerd, of dergelijk bewijs toelaten, wanneer: de behoefte aan bewijs het gevolg is van een wijziging van de vordering; de behoefte aan bewijs ontstaat in de loop van de procedure, en de partij kan dat niet hebben voorzien; de partij de rechter overtuigt dat er een gegronde reden is waarom zij het verzochte bewijs niet binnen de toegestane termijn kon indienen; de bewijsverkrijging niet leidt tot uitstel van het proces; en alle partijen er uitdrukkelijk mee hebben ingestemd.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Een rechtshandeling of een feit kan worden bewezen met documenten, getuigen, vermoedens, een erkenning door een partij (uit eigener beweging of in antwoord op de voorgelegde vragen), deskundigenrapporten, fysiek bewijs, plaatsopneming en bezichtiging of een andere bij wet toegestane vorm van bewijs.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Getuigen worden voorgesteld door de partijen, hetzij door de eiser in de vordering of door de verweerder in het verweer. Na toelating van het getuigenbewijs roept de rechter de getuigen op voor verhoor.

Als de rechter het raadzaam acht deskundigen naar hun oordeel te vragen om de feiten te verduidelijken, op verzoek van de partijen of ambtshalve, wijst hij een of drie deskundigen aan en geeft hij een beschikking met een beschrijving van de aspecten waarover zij hun oordeel moeten geven en de termijn waarbinnen dat moet gebeuren. De conclusies van de deskundigen worden opgenomen in een deskundigenrapport. Onder opgave van redenen kunnen de partijen of de rechter een andere deskundige vragen om een nieuw rapport.

Wat schriftelijk bewijs betreft, kan iedere partij de documenten indienen die zij wil gebruiken tijdens het proces, mits elk exemplaar naar behoren is gewaarmerkt. De partij moet tevens de originelen bij zich hebben en die desgevraagd kunnen tonen tijdens de zitting, op straffe van terzijdelating van het betrokken document. De rechter kan een partij gelasten een document dat in haar bezit is over te leggen, als de wederpartij het document ook heeft of kent, als de partij er zelf naar heeft verwezen tijdens het proces, of als de partij verplicht is het te verstrekken. Als een partij een document in bezit heeft maar het niet ter zitting over kan leggen, kunnen de partijen het document in aanwezigheid van een daartoe gedelegeerde rechter onderzoeken op de plaats waar het zich bevindt. Als een document in bezit van een derde is, kan die partij als getuige worden opgeroepen en worden verzocht het document mee te nemen.

Het bewijs wordt door de bevoegde rechter in raadkamer verkregen. Wanneer het bewijs elders moet worden geleverd, wordt het verkregen door een gedelegeerd gerecht van hetzelfde niveau, of door een gerecht van een lager niveau als er in de betreffende plaats geen gerecht van hetzelfde niveau is. Als het bewijsmiddel daarvoor geschikt is en de partijen ermee instemmen, kan het gerecht dat het bewijs verkrijgt, afzien van het oproepen van de partijen.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

De bewijsmiddelen zijn van gelijke kracht, behalve in de gevallen die uitdrukkelijk bij wet zijn bepaald.

Authentieke akten (forma autentică) worden veelal aanvaard door de partijen vanwege de voordelen ervan, zoals het vermoeden van echtheid, wat inhoudt dat de partij die een dergelijk document aanvoert, ontheven is van de bewijslast.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Rechtshandelingen met een waarde van meer dan 250 RON kunnen alleen met schriftelijk bewijs worden bewezen, al zijn er bepaalde uitzonderingen waarbij ook getuigenbewijs wordt aanvaard.

Zolang het niet vals wordt verklaard, vormt een authentieke akte voor handelingen met iedere persoon afdoend bewijs van de feiten die zijn vastgesteld door de persoon die de akte overeenkomstig de wet heeft gewaarmerkt. Verklaringen die zijn afgelegd door de partijen en opgetekend in een authentieke akte, vormen echter slechts bewijs tot het tegendeel is bewezen.

In geval van vermoedens ter beoordeling door de rechter, kan hij zich uitsluitend op die vermoedens verlaten als zij zo zwaarwegend en sterk zijn dat het aangevoerde feit er waarschijnlijk door wordt; zulke vermoedens mogen alleen worden aanvaard als getuigenbewijs bij wet is toegestaan.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Zie het antwoord op vraag 2.11.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet bepaald op welke gronden een getuige zou kunnen weigeren te getuigen, maar is slechts gespecificeerd welke personen niet als getuige kunnen worden gehoord en welke personen zijn ontheven van de plicht ter zitting te getuigen. Zie het antwoord op vraag 2.11.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

De rechter legt een getuige die niet verschijnt of die weigert te getuigen, een boete op. Als een getuige niet verschijnt na de eerste oproep, kan de rechter een bevel uitvaardigen om de getuige voor het gerecht te brengen (mandat de aducere). In dringende zaken kan de rechter een dergelijk bevel zelfs al voor de eerste zitting uitvaardigen.

Als een persoon niet verschijnt of weigert vragen te beantwoorden, kan de rechter dat opvatten als volledige erkenning of slechts als eerste bewijs ten gunste van de partij die de getuige wilde laten oproepen.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

De volgende personen kunnen geen getuige zijn: bloedverwanten en aangehuwde familieleden tot en met de derde graad van verwantschap; echtgenoten, voormalige echtgenoten, verloofden of samenwonende partners van een partij; personen die vijandig staan tegenover, of belang hebben bij een partij; personen aan wie bij rechterlijke beslissing het recht op het beheer van het eigen bezit is ontzegd (sub interdicţie judecătorească); en personen die zijn veroordeeld wegens meineed. In rechtszaken over afstamming, echtscheiding en andere familierelaties kan de rechter bloedverwanten en aangehuwde familieleden verhoren, met uitzondering van die in neergaande lijn.

De volgende personen zijn ontheven van de plicht als getuige te verschijnen:

  • geestelijken, zorgverleners, apothekers, advocaten, notarissen, deurwaarders, bemiddelaars, verloskundigen en verplegers, en alle andere beroepsbeoefenaars die wettelijk gebonden zijn door vertrouwelijkheid of beroepsgeheim ten aanzien van feiten die hun ter kennis komen in de uitvoering van hun taken of uitoefening van hun beroep, ook als zij niet langer als zodanig actief zijn;
  • rechters, aanklagers en overheidsfunctionarissen, ook nadat zij hun taken hebben neergelegd, ten aanzien van vertrouwelijke omstandigheden die hun ter kennis komen tijdens hun ambtstermijn;
  • personen die door hun antwoorden zichzelf, hun verwanten, hun echtgenoot, hun voormalige echtgenoot enz. aan strafrechtelijke vervolging of publieke minachting zouden blootstellen.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

De rechtbank roept getuigen op en bepaalt de volgorde waarin zij worden gehoord. Voorafgaand aan het verhoor wordt de identiteit van de getuige vastgesteld en wordt hem de eed afgenomen. Elke getuige wordt apart gehoord. De getuige beantwoordt eerst vragen van de voorzitter van de rechtbank en vervolgens, na toestemming van de voorzitter, vragen van de partij die hem heeft voorgesteld en van de wederpartij. Een getuige die niet voor de rechter kan verschijnen, kan worden gehoord op de plaats waar hij zich bevindt.

Er zijn geen wettelijke bepalingen over beeld- en geluidsopnamen van getuigenverklaringen, maar zulke opnamen zijn toelaatbaar. Als een belanghebbende daartoe een rechtsgeldig verzoek indient, kunnen de opnamen naderhand worden getranscribeerd.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Als de partij die een document heeft ingediend aandringt op gebruik ervan, ook al is beweerd dat het vals is en die bewering niet is ingetrokken, en als er een aanwijzing is betreffende de dader van de vervalsing of een medeplichtige, kan de rechter de rechtszaak opschorten en het vermeende valse document rechtstreeks doorsturen naar de verantwoordelijke openbare aanklager, samen met een daartoe opgesteld rapport, om de vervalsing te laten onderzoeken. Als een strafrechtelijke procedure niet kan worden ingesteld of voortgezet, wordt het onderzoek naar de vervalsing verricht door de burgerlijke rechter zelf.

Anderzijds zal de rechter een boete opleggen aan de partij die de inhoud of ondertekening van een document of de echtheid van een beeld- of geluidsopname te kwader trouw betwist.

Bij het beoordelen van getuigenverklaringen houdt de rechter rekening met de oprechtheid van de getuigen en de omstandigheden waaronder zij kennis hebben gekregen van de feiten die aan hun verklaringen ten grondslag liggen. Als bij de rechter in de loop van de procedure het vermoeden ontstaat dat een getuige meineed heeft gepleegd of is omgekocht, stelt de rechter een rapport op en verwijst hij de zaak naar de verantwoordelijke openbare aanklager.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Als een partij een feit erkent dat de wederpartij heeft gebruikt als grond voor haar vordering of verweer, geldt de erkenning als bewijs. Een erkenning tijdens een zitting is volledig bewijs tegen de erkennende persoon; de rechter neemt de volledige erkenning in acht en kan die niet in delen opsplitsen, tenzij die delen betrekking hebben op aparte feiten zonder onderlinge samenhang. Buitengerechtelijke erkenningen kunnen vrijelijk worden beoordeeld door de rechter. Voor dit soort erkenningen gelden voorwaarden ten aanzien van de toelaatbaarheid en bewijsverkrijging die ingevolge de wetgeving van toepassing zijn op ander bewijs.

De rechter kan ermee instemmen elk der partijen op te roepen voor ondervraging over hun eigen handelen, als dat van belang is voor een beslissing in de zaak.

Relevante links

De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.just.ro/


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 27/11/2018

Bewijsverkrijging - Slovenië

Let op: de oorspronkelijke versie van deze pagina (Sloveens) is onlangs gewijzigd. Aan de vertaling in het Nederlands wordt momenteel gewerkt.
De volgende vertalingen zijn al beschikbaar: Engels

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

De regelgeving voor het vergaren en aanleveren van bewijsmateriaal en de methoden voor het aanleveren van bewijzen in civiele procedures zijn neergelegd in de wet betreffende het burgerlijk procesrecht (Zakon o pravdnem postopku, ZPP).

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

De algemene regel is dat partijen alle feiten moeten vermelden die aan hun vorderingen en bezwaren ten grondslag liggen en deze feiten moeten bewijzen (artikelen 7 en 212 ZPP).

Eisers moeten de feiten bewijzen die aan hun vorderingen ten grondslag liggen en verweerders moeten de feiten bewijzen die aan hun bezwaren ten grondslag liggen. Het materieel recht bepaalt welke partij een bepaald feit dient te stellen en te bewijzen. De gevolgen van een niet bewezen feit komen ten laste van die partij die volgens de normen van het materieel recht het feit dient te stellen en ook te bewijzen (artikelen 7 en 215 ZPP).

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

De procedure voor het vergaren van bewijs geldt voor de feiten waarop de vorderingen en bezwaren zijn gegrond, voor wetenschappelijke en beroepsregels en voor ervaringsregels. De juridische normen hoeven niet te worden bewezen aangezien de desbetreffende regel inhoudt dat de rechtbank daarvan ambtshalve (iura novit curia) op de hoogte moet zijn.

Voor feiten van algemene bekendheid is door partijen geen bewijs nodig tijdens de gerechtelijke procedure. Een rechtbank kan vereisen dat feiten van algemene bekendheid worden bewezen als zij van mening is dat een partij dit feit heeft aangevoerd met de bedoeling een vordering te staven die zij niet kan staven (artikel 3, lid 3, ZZP).

Feiten die door een partij niet worden ontkend of worden ontkend zonder opgaaf van reden, worden gezien als algemeen bekend, tenzij het doel van de ontkenning van deze feiten voortvloeit uit andere verklaringen van de partij. Een partij mag het effect van deze aanname van bekendheid ook voorkomen door te verklaren dat zij deze feiten niet erkent. Dit is echter alleen van toepassing op feiten die niet gerelateerd zijn aan de houding van deze partij of haar waarneming.

Voor feiten van algemene bekendheid is geen bewijs nodig (ZPP artikel 214, leden 1 en 6, ZPP).

De rechter gebruikt een feit van algemene bekendheid zonder het waarheidsgehalte te onderzoeken (artikel 214, lid 1, ZPP), tenzij hij oordeelt dat de partij dit feit heeft aangevoerd met de bedoeling een vordering te staven die zij niet kan staven (artikel 3, lid 3, ZPP).

Er zijn feiten waarvoor er vanuit juridisch oogpunt wordt verondersteld dat er geen bewijs nodig is. Er kan echter worden bewezen dat deze feiten niet bestaan, tenzij in de wet anders wordt bepaald (artikel 214, lid 5, ZPP).

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

Om een beslissing te nemen over de vordering van de eiser is een hoge mate van waarheid (materieel bewijs) vereist, dat wil zeggen dat de rechtbank ervan overtuigd moet zijn dat er sprake is van relevante rechtsfeiten.

Om te komen tot een rechterlijke uitspraak volstaat het in sommige gevallen dat de waarschijnlijkheid van feiten wordt aangetoond, in het bijzonder bij bepaalde tussenuitspraken die het proces niet tot een eind brengen en waarbij de rechter een voorlopige uitspraak doet over procedurele kwesties. Als de rechter een bepaalde procesregel toepast, dient de waarschijnlijkheid van de relevante rechtsfeiten te zijn aangetoond. Het is echter niet noodzakelijk dat de rechter van hun bestaan overtuigd is. In het ZPP is niet bepaald voor welke feiten het voldoende is dat de waarschijnlijkheid ervan kan worden aangetoond om een bepaalde regel te kunnen toepassen.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Conform het geldende beginsel van tegenspraak moeten de partijen doorgaans zelf verzoeken om de verkrijging van bewijs.

De rechtbank kan ook ambtshalve bewijs verkrijgen (artikel 7, lid 2, ZPP) als zij oordeelt dat de partijen voornemens zijn op ontoelaatbare wijze gebruik te maken van hun vorderingen. (artikel 3, lid 3, ZPP).

De rechtbank verkrijgt ambtshalve bewijs in geschillen tussen ouders, waarbij zij niet is gebonden aan de vordering en er zelfs bewijs kan worden verkregen als er geen vordering is ingediend. De rechtbank kan ook bewijs verkrijgen als geen van beide partijen bewijs heeft ingediend en als het noodzakelijk is om de belangen van kinderen te behartigen (artikel 408 ZPP).

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

De rechter beslist welk bewijs moet worden verkregen voor de vaststelling van doorslaggevende feiten (artikel 213, lid 2, en artikel 287 ZPP). Hij besluit op grond van het bewijs door de verzoeken van partijen te aanvaarden of te verwerpen en hij kan ook ambtshalve bepaald bewijs verkrijgen.

Als het verzoek tot bewijslevering van een partij bij rechterlijke beslissing wordt toegewezen, wordt dit bewijs vervolgens daadwerkelijk verkregen. De rechter is niet gebonden aan zijn besluit over bewijslevering. Hij kan in de loop van het proces zijn standpunt wijzigen en bewijs verkrijgen over datgene wat hij bij een vorig verzoek heeft afgewezen en hij kan ook nieuw bewijs verkrijgen (artikel 287, lid 4, ZPP).

Doorgaans vindt de bewijsverkrijging plaats tijdens de behandeling ter zitting ten overstaan van de rechter die de einduitspraak zal doen (artikel 217, lid 1, ZZP). Als daarvoor geldige redenen zijn, kan op verzoek bewijs worden verkregen ten overstaan van een daartoe aangewezen rechter (artikel 217, lid 1, ZPP). In uitzonderlijke gevallen is het ook mogelijk om bewijs te verkrijgen nadat de zitting is voltooid, als de meervoudige kamer oordeelt dat de voltooide hoofdzitting moet worden heropend. Dit gebeurt, indien vereist, om de procedure aan te vullen of om specifieke belangrijke onderdelen te verhelderen (artikel 292 ZPP).

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Het ZPP bepaalt in het bijzonder dat de bewijsverkrijging uitsluitend kan worden afgewezen wanneer het bewijs niet relevant is voor de uitspraak (artikel 287 ZPP), dat wil zeggen, dat het bewijs niet dienstig is voor de vaststelling van de wettelijk relevante feiten. Het ZPP bevat echter geen specifieke bepalingen over mogelijkheden voor het afwijzen van ontoelaatbaar bewijs of bewijs dat slechts tegen hoge kosten of moeilijk te verkrijgen is.

Een partij moet uiterlijk op de eerste zitting alle feiten vermelden die nodig zijn voor de ondersteuning van haar moties, het bewijs aanvoeren dat vereist is voor het vaststellen van de waarheid van haar verklaringen, en haar positie vermelden met betrekking tot de verklaringen en het bewijs dat door de tegenpartij wordt aangevoerd. Dit betekent dat de rechtbank geen rekening houdt met bewijs dat te laat wordt aangevoerd door een partij. De partij wordt voor een dergelijk verzoek in het algemeen uitgesloten (artikel 286 ZPP). De enige uitzondering betreft gevallen waarbij een partij kan bewijzen dat het voor haar niet mogelijk was bewijs aan te voeren tijdens de eerste zitting om redenen die buiten haar macht lagen (artikel 286, lid 4, ZPP).

Wat betreft ontoelaatbaar bewijs en bewijs waarvan de verkrijging moeilijk haalbaar is, bepaalt artikel 3, lid 3, ZPP dat de rechter verzoeken van partijen afwijst die in strijd zijn met bindende regels of met de goede zeden.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Het ZPP erkent plaatsopneming, documenten (akten), getuigenverhoor, deskundigenonderzoek en het horen van partijen.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Getuigen: eenieder die is opgeroepen als getuige is verplicht om te verschijnen en om getuigenis af te leggen, tenzij de wet anders bepaalt (artikel 229, lid 1, ZPP). Getuigen worden gehoord op verzoek van een partij die moet aangeven waarover de getuige wordt gehoord en die de personalia van die getuige dient te verstrekken (artikel 236 ZPP). Getuigen worden opgeroepen voor een zitting via een bijzondere dagvaarding. Hierin worden zij gewezen op hun verplichting getuigenis af te leggen, op de gevolgen wanneer zij ongerechtvaardigd verstek laten gaan en op hun recht op kostenvergoeding (artikel 237 ZPP).

Getuigen worden op de hoofdzitting gehoord. Getuigen die vanwege hun leeftijd, ziekte of ernstige invaliditeit niet in staat zijn aan de dagvaarding gevolg te geven, kunnen in hun verblijfplaats worden gehoord (artikel 237, lid 2, ZPP). Elke getuige wordt afzonderlijk gehoord en niet in tegenwoordigheid van andere getuigen die later getuigenis afleggen (artikel 238, lid 1, ZPP). De rechter wijst getuigen op hun verplichting de waarheid te spreken en niets weg te laten. Hij waarschuwt ze ook voor de gevolgen van het afleggen van een valse getuigenis. De getuige verklaart eerst wat hij over de zaak weet. De voorzitter of de leden van de rechtbank en de partijen en hun vertegenwoordigers en gemachtigden stellen vervolgens vragen om de getuigenverklaring te toetsen, aan te vullen of te verhelderen. Als getuigen inconsistente verklaringen afleggen, kunnen zij hiermee worden geconfronteerd (artikel 239, lid 3, ZPP). Het ZPP kent geen eedaflegging (meer) door getuigen.

Het ZPP maakt geen onderscheid tussen de procedure voor het horen van gewone getuigen en getuige-deskundigen en kent in dat opzicht geen bijzondere bepalingen. Er is geen verschil tussen de procedures voor het horen van getuigen en getuige-deskundigen.

Documenten: hoewel het ZPP geen rangorde aanbrengt in de verschillende bewijsmiddelen, worden documenten (akten) als het betrouwbaarst beschouwd. Deze worden onderscheiden in authentieke akten en onderhandse akten. Authentieke akten zijn die documenten welke in een voorgeschreven vorm zijn afgegeven door een overheidsinstelling die handelt binnen haar bevoegdheid of documenten die in een dergelijke officiële vorm worden verstrekt door een lokale autonome overheid, een vereniging of een andere organisatie of individu in de uitoefening van overheidsgezag dat bij wet is toegekend (artikel 224, lid 1, ZPP). Onderhandse akten zijn alle documenten die geen authentieke akten zijn. In een onderhandse akte kan een ondertekening worden gewaarmerkt door een bevoegde overheidsinstelling of een rechts- of natuurlijk persoon met overheidsgezag (bijvoorbeeld een notaris). Dergelijke gewaarmerkte zinnen of clausules in onderhandse akten hebben een maatschappelijk belang en dat deel van het document kan ook als een authentieke akte worden beschouwd. De bewijskracht van authentieke akten wordt afzonderlijk geregeld in het ZPP. Een authentieke akte bewijst de waarheid van de daarin opgenomen of vermelde feiten (artikel 224, lid 1, ZPP). Hoewel het ZPP uitgaat van de aanname dat de inhoud van een authentieke akte op waarheid berust, is het echter toegestaan om te bewijzen dat de feiten in een authentieke akte onjuist zijn weergegeven of dat een authentieke akte onjuist is opgesteld (artikel 224, lid 4, ZPP). Dat is de enige bewijsregel in de Sloveense civiele procedure.

Buitenlandse authentieke akten die zijn gelegaliseerd conform de desbetreffende voorschriften hebben dezelfde bewijskracht als Sloveense documenten, mits wederkerige regelingen gelden en tenzij bij internationaal verdrag anders is bepaald (artikel 225 ZPP).

Het ZPP bevat ook regels voor het aanleveren van documenten (de verstrekking van documenten) al naar gelang het document zich bevindt bij de partij die ernaar verwijst, bij de wederpartij, bij een overheidsinstelling of organisatie met overheidsgezag of bij een derde (natuurlijke of rechtspersoon).

Getuige-deskundigen: de rechter verkrijgt bewijs van een getuige-deskundige wanneer technische kennis is vereist om een bepaald feit vast te stellen of te verhelderen en deze kennis niet bij het gerecht beschikbaar is (artikel 243 ZPP). De civiele rechtbank wijst de getuige-deskundige bij afzonderlijk besluit aan en zij hoort de partijen ter zake voorafgaand aan deze aanstelling. Een getuige-deskundige kan ook worden aangesteld door de voorzittende rechter of door een daartoe speciaal aangezochte rechter als deze is gemachtigd dergelijk bewijs te verkrijgen (artikel 244 ZPP). Getuige-deskundigen worden doorgaans aangesteld uit een bijzondere, door het gerecht opgestelde lijst. De taak kan ook worden toevertrouwd aan een gespecialiseerde instelling. Alleen natuurlijke personen kunnen optreden als getuige-deskundige. Getuige-deskundigen zijn gehouden hun taken te vervullen en hun bevindingen en oordeel te geven (artikel 246, lid 1, ZPP). De rechtbank kan een getuige-deskundige beboeten als deze niet ter zitting verschijnt ondanks daartoe op correcte wijze te zijn gedagvaard; zij mag een getuige-deskundige ook een boete opleggen indien deze zonder gerechtvaardigde reden weigert zijn taken uit te voeren (artikel 248, lid 1, ZPP). Een getuige-deskundige kan op eigen verzoek door de rechter van zijn taak worden ontheven, maar uitsluitend in de gevallen waarin hij mag weigeren te getuigen of te antwoorden op een afzonderlijke vraag. De rechter kan een getuige-deskundige, op zijn eigen verzoek, ook van zijn taak ontheffen vanwege andere gerechtvaardigde redenen (bijvoorbeeld een bovenmatige werkbelasting). Om vrijstelling vanwege deze reden kan ook worden verzocht door een gemachtigde werknemer van een instelling of organisatie waarbij de getuige-deskundige werkzaam is (artikel 246, leden 2 en 3, ZPP). Een getuige-deskundige kan worden uitgesloten om dezelfde redenen als een rechter; de enige uitzondering hierop is dat een persoon die al eerder is gehoord als getuige kan optreden als getuige-deskundige (artikel 247, lid 1, ZPP).

De werkzaamheden van een getuige-deskundige behelzen bevindingen en een oordeel. De rechter kan ook besluiten of een getuige-deskundige zijn bevindingen en oordelen alleen mondeling op de zitting geeft of deze eveneens schriftelijk overlegt vóór de zitting. De rechtbank legt ook de termijn vast waarvóór een getuige-deskundige zijn bevindingen en oordeel moet geven. Als meer dan een getuige-deskundige wordt aangesteld, mogen zij hun bevindingen en oordelen samen geven als ze het daarover eens zijn. Als zij het niet met elkaar eens zijn, geeft elke getuige-deskundige zijn bevindingen afzonderlijk (artikel 254 ZPP). Als er fundamentele verschillen zijn in de informatie van de getuige-deskundigen of als de bevindingen van een of meer getuige-deskundigen onduidelijk, onvolledig of tegenstrijdig zijn of de onderzochte omstandigheden weerspreken, en zulke onregelmatigheden niet in een nieuw verhoor van de getuige-deskundigen worden rechtgezet, wordt opnieuw bewijs verkregen van dezelfde of een andere getuige-deskundige (artikel 254, lid 2, ZPP). Als de oordelen van een of meer getuige-deskundigen echter tegenstrijdigheden bevatten of als hierin onregelmatigheden voorkomen of als gerede twijfel rijst over de juistheid van het gegeven oordeel, wordt het oordeel van andere getuige-deskundigen gevraagd (artikel 254, lid 3, ZPP). Getuige-deskundigen hebben recht op vergoeding van de kosten en recht op schadeloosstelling voor hun werkzaamheden (artikel 249, lid 1, ZPP).

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Voor bewijs geldt het beginsel dat de rechter het vrijelijk kan beoordelen. De rechter handelt op grond van zijn eigen overtuiging en besluit welke feiten hij acht te zijn bewezen, op basis van een grondige en zorgvuldige beoordeling van elk afzonderlijk onderdeel van het bewijs en van al het bewijs bij elkaar en op basis van het slagen van het proces als geheel (artikel 8 ZPP). De Sloveense civiele procedure kent daarom geen 'bewijsregels' waarbij de wetgever van tevoren in abstracto de waarde van bepaalde categorieën van bewijs aangeeft. De enige uitzondering hierop is de regel inzake de waardering van authentieke akten (zie punt 2.5).

In de praktijk wordt echter als regel toegepast dat bijvoorbeeld schriftelijk bewijs betrouwbaarder is (maar niet zwaarder weegt) dan ander bewijs, zoals verklaringen van getuigen of partijen.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Het ZPP kent geen bepalingen over de kwestie of bepaalde zaken of bewijsmiddelen verplicht zijn voor de vaststelling van het bestaan van bepaalde feiten.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Ja. Eenieder die is opgeroepen als getuige is verplicht om te verschijnen en om getuigenis af te leggen, tenzij de wet anders bepaalt (artikel 229, lid 1, ZPP).

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Iemand kan niet als getuige worden gehoord indien hij met zijn getuigenis een ambts- of militair geheim zou schenden, tenzij het bevoegd gezag hem van die geheimhoudingsverplichting ontslaat (artikel 230 ZPP).

Getuigen kunnen weigeren een verklaring af te leggen (artikel 231 ZPP):

  • in aangelegenheden die aan hen als gevolmachtigd vertegenwoordiger door een partij zijn toevertrouwd;
  • over feiten die de partij of iemand anders aan hen heeft bekend in hun hoedanigheid van religieuze biechtvader;
  • over feiten die zij als advocaat of dokter te weten zijn gekomen of in de uitoefening van enig ander beroep of enige andere activiteit met geheimhoudingsplicht over enig feit dat zij in de uitoefening van dat beroep of die activiteit te weten zijn gekomen.

Getuigen kunnen op individuele vragen weigeren te antwoorden als zij daarvoor goede redenen hebben. Dit is in het bijzonder het geval als de beantwoording ervan ernstige schande, aanzienlijke financiële schade of strafrechtelijke vervolging zou meebrengen, voor henzelf of voor rechtstreekse bloedverwanten in enige graad of aanverwanten tot in de derde graad. Dit is eveneens het geval als de beantwoording ernstige schande, aanzienlijke financiële schade of strafrechtelijke vervolging zou meebrengen voor hun echtgeno(o)t(e) of een aanverwant door huwelijk tot en met de tweede graad (zelfs als het huwelijk reeds ontbonden is) of voor hun voogd of pupil, of voor hun adoptieouder of geadopteerd kind (artikel 233, lid 1, ZPP).

De kans om financiële schade te veroorzaken kan echter niet als reden worden gebruikt voor een weigering om te getuigen over rechtshandelingen waarbij een persoon als getuige aanwezig is geweest, over handelingen die zijn verricht als rechtmatige voorganger of vertegenwoordiger van een van de partijen aangaande een geschil, over feiten die betrekking hebben op eigendomszaken in verband met familie- of huwelijksbanden, over feiten die betrekking hebben op geboorte, huwelijk of overlijden, of indien zij, overeenkomstig bijzondere voorschriften, een verzoekschrift moeten indienen of een verklaring moeten afleggen (artikel 234 ZPP). Een getuige kan ook niet weigeren om te getuigen op basis van de bescherming van een bedrijfsgeheim, als de openbaarmaking van bepaalde feiten noodzakelijk is voor het algemeen belang of voor het belang van een specifiek persoon, mits een dergelijk belang opweegt tegen de schade die wordt veroorzaakt door de openbaarmaking van het geheim (artikel 232 ZPP).

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Ja. Als een getuige die op correcte wijze is gedagvaard niet verschijnt en zijn afwezigheid niet gerechtvaardigd is of als hij zonder toestemming de plaats waar hij gehoord zou worden, heeft verlaten, kan de rechter hem onder dwang, op eigen kosten voor hem doen verschijnen en kan hij hem ook een boete opleggen van maximaal 1 300 EUR. De rechter kan een dergelijke boete ook opleggen aan een getuige die wel verschenen is, maar die nadat hij voor de gevolgen is gewaarschuwd, weigert te getuigen of bepaalde vragen weigert te beantwoorden om redenen die de rechter niet gerechtvaardigd acht. In het laatste geval kan de rechter een onwillige getuige in bewaring stellen totdat deze bereid is te getuigen of totdat deze niet langer behoeft te worden gehoord. De duur van deze bewaring is echter ten hoogste één maand (artikel 241, leden 1 en 2, ZPP).

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Een getuige is eenieder die in staat is inlichtingen te verstrekken over de te bewijzen feiten (artikel 229, lid 2, ZPP). De geschiktheid om als getuige op te treden hangt niet af van iemands handelingsbekwaamheid. Een kind of iemand die geheel of gedeeltelijk handelingsonbekwaam verklaard is, kan als getuige optreden als hij daadwerkelijk in staat is inlichtingen te verschaffen over relevante rechtsfeiten. De vraag of een getuige al dan niet in staat is te getuigen, wordt door de rechter van geval tot geval beoordeeld.

Een partij of een wettelijke vertegenwoordiger van een partij kan niet als getuige optreden, maar een gewone vertegenwoordiger (pooblaščenec) of een gevoegde belanghebbende (stranski intervenient) kan wel als getuige optreden.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Raadpleeg het antwoord hierboven met betrekking tot het horen van getuigen.

Videoconferencing wordt geregeld conform artikel 114 bis ZPP, waarin wordt bepaald dat een rechtbank, met toestemming van de partijen, de partijen en hun vertegenwoordigers kan toestaan tijdens de hoorzitting op een andere locatie te zijn en vanaf die locatie procedurele handelingen uit te voeren indien vanuit de locatie waar de hoorzitting plaatsvindt het verzenden van geluid en videobeelden mogelijk is naar de locatie of de locaties waar de partijen en/of vertegenwoordigers zich bevinden. Dezelfde voorwaarden zijn van toepassing op het verkrijgen van bewijs door het horen van partijen, getuigen en getuige-deskundigen.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Doorgaans mag bewijs dat op illegale wijze is verkregen (bijvoorbeeld door het illegaal afluisteren van telefoons) niet worden gebruikt in civiele procedures. In uitzonderingsgevallen staat de jurisprudentie het echter toe om dergelijk bewijs te gebruiken als er redenen zijn die dit gebruik staven of als het aanvoeren van bewijs van speciaal belang is voor de tenuitvoerlegging van een door de grondwet beschermd recht. In dit geval wordt, naast het feit dat enkele bewijsstukken mogelijk illegaal zijn verkregen, de doorslaggevende rol gespeeld door het feit of het bewijs dat in civiele procedures wordt geboden zou leiden tot het opnieuw schenden van mensenrechten.

Wat betreft ontoelaatbaar bewijs en bewijs waarvan de verkrijging moeilijk haalbaar is, bepaalt artikel 3 ZPP dat de rechter de verzoeken van partijen afwijst wanneer die in strijd zijn met bindende regels of met de goede zeden.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Als de verklaring deel uitmaakt van de vordering of van een verzoekschrift, geldt die verklaring niet als bewijs maar heeft zij de status van een stelling van de partij waarvoor de partij ook geschikt bewijs dient aan te dragen. Als de verklaring is opgenomen in een document dat is ingediend als bewijs voor de stelling van een partij, heeft die verklaring de status van een document (akte).

Een verklaring die een partij heeft afgelegd tijdens de hoorzitting, geldt ook als bewijs, aangezien het ZPP ook het horen van partijen als bewijs erkent (artikel 257 ZPP).

Links

De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.pisrs.si/Pis.web/

De link wordt in een nieuw venster geopend.https://www.uradni-list.si/

De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.dz-rs.si/wps/portal/Home/deloDZ/zakonodaja/preciscenaBesedilaZakonov

De link wordt in een nieuw venster geopend.http://www.sodisce.si/


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 23/11/2015

Bewijsverkrijging - Finland

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

De eiser moet de feiten bewijzen die noodzakelijk zijn om de vordering te staven, terwijl de verweerder de last draagt om aan te tonen dat de vordering ongegrond is. Een partij die verzuimt om bewijs aan te dragen loopt het risico dat zal worden verklaard dat de feiten van zijn of haar vordering niet‑bewezen zijn.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Toegegeven feiten hoeven niet te worden bewezen. Ook algemeen bekende feiten en feiten die ambtshalve (ex officio) bekend zijn bij de rechtbank hoeven niet te worden bewezen. Uiteraard kunnen tegenbewijzen worden ingediend.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

In dit verband bevat de wet alleen een bepaling dat de rechtbank, na alle feiten zorgvuldig tegen elkaar te hebben afgewogen, moet beslissen wat als de waarheid in de zaak moet worden beschouwd. Finland past het beginsel van de "vrije evaluatie van bewijs" toe, zodat het zaak is toereikend bewijs over te leggen aan de rechtbank.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

In de praktijk moeten belanghebbende partijen zelf het bewijs verkrijgen waarop ze zich willen baseren. Volgens de wet kan de rechtbank besluiten om op eigen initiatief bewijsstukken te verzamelen. Als de zaak in kwestie vatbaar is voor buitengerechtelijke schikking, kan de rechtbank echter niet op eigen initiatief en tegen de wil van beide belanghebbende partijen verordenen dat een nieuwe getuige moet worden gehoord of dat een bepaald document moet worden ingediend.

In bepaalde zaken, zoals zaken over vaderschap, is het ook een taak van de rechtbank om ervoor te zorgen dat al het noodzakelijke bewijs wordt verzameld.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

De bewijsverkrijging vindt plaats tijdens de rechtszitting.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

De rechtbank kan bewijsmiddelen afwijzen, bijvoorbeeld als het bewijs irrelevant is of als het desbetreffende aspect van de zaak reeds is bewezen. Een bewijsmiddel kan ook worden afgewezen als het in een te late fase wordt ingediend.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Verschillende bewijsmiddelen omvatten het horen van de belanghebbende partijen, getuigen en deskundigen, de presentatie van schriftelijk bewijs en deskundigenverklaringen, alsmede de beoordeling daarvan.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Mondelinge getuigen- en deskundigenverklaringen en schriftelijke deskundigenverklaringen worden op dezelfde wijze beoordeeld. Rechtbanken aanvaarden echter geen schriftelijke verklaringen van getuigen.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Nee. De rechtbank is vrij om het bewijs naar eigen inzicht te beoordelen.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Nee.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

De algemene regel is dat de getuige niet mag weigeren om te getuigen.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

De echteno(o)t(e), de verloofde en de directe verwanten in opgaande of neergaande lijn van een belanghebbende partij en de broers en/of zussen van de belanghebbende partij en hun echtgenoten of de adoptieouders of adoptiekinderen van een belanghebbende partij hebben het recht om te weigeren een getuigenverklaring af te leggen. Daarnaast voorziet de wet in verschillende andere situaties waarin een getuige het recht of de verplichting heeft om te weigeren een getuigenverklaring af te leggen.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Een getuige die zonder rechtmatige reden weigert te getuigen kan op straffe van een boete worden verplicht om zijn of haar verplichting te vervullen. Als de getuige nog steeds weigert om te getuigen, kan de rechtbank bevelen de getuige in hechtenis te nemen totdat hij of zij ermee instemt om te getuigen.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Het is aan de rechtbank om te beslissen of bijvoorbeeld een persoon van 15 jaar of een persoon met een geestelijke stoornis als getuige kan worden gehoord.

Bepaalde groepen van personen, zoals artsen en advocaten, kunnen getuigen in zaken die betrekking hebben op hun vertrouwenspositie.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

De algemene regel is dat de partij die een getuige oproept de getuige als eerste verhoort. Vervolgens heeft de andere partij het recht om de getuige een kruisverhoor af te nemen. Na het kruisverhoor kunnen de rechtbank en de belanghebbende partijen aanvullende vragen aan de getuige stellen.

Indien de rechtbank dat passend acht, kan een getuige worden gehoord via een videoverbinding of met behulp van een andere geschikte telecommunicatietechnologie waarmee een audiovisuele verbinding tussen de deelnemers aan het verhoor tot stand kan worden gebracht. Deze procedure kan bijvoorbeeld worden gebruikt als een getuige is verhinderd om persoonlijk in de rechtbank te verschijnen, als de aanwezigheid van een getuige in onredelijke kosten resulteert of als de getuige jonger dan 15 jaar is. In bepaalde situaties kan een getuige ook telefonisch worden gehoord.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

De wet voorziet niet in specifieke instructies voor dergelijke omstandigheden. De rechtbank moet naar eigen inzicht beslissen welk belang zij aan het bewijs wil hechten.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Ja. Belanghebbende partijen kunnen vrijelijk worden gehoord, en in civiele zaken kunnen ze onder ede worden verhoord ten aanzien van feiten die van bijzonder belang voor het beslechten van de zaak zijn. Een verklaring van een belanghebbende partij en een verklaring van een getuige zullen op basis van dezelfde criteria worden geëvalueerd.

Links

De link wordt in een nieuw venster geopend.Bewijsverkrijging (ministerie van Justitie, Finland)

Brochure: De link wordt in een nieuw venster geopend.Een getuigenverklaring afleggen in de rechtbank (ministerie van Justitie, Finland)


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 26/09/2017

Bewijsverkrijging - Zweden

INHOUDSOPGAVE


1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

Het Zweedse recht is gebaseerd op de beginselen van bewijsvoering en toelaatbaarheid van bewijs. Na een gedetailleerde beoordeling van alles wat tijdens de zaak naar voren is gebracht, moet de rechtbank beslissen welke waarde aan het bewijs moet worden toegekend.

In de jurisprudentie zijn bepaalde regels inzake de toelaatbaarheid van bewijs vastgesteld, onder meer in verband met de vraag bij wie de bewijslast ligt. Een sterk vereenvoudigde weergave van een hoofdregel, waarop een groot aantal uitzonderingen bestaat, is dat eenieder die iets beweert, dat ook moet bewijzen. Als één partij het gemakkelijker heeft gevonden om bewijs voor een bepaald feit te verzamelen, wordt de bewijslast vaak bij hem of haar gelegd. Als een partij het moeilijk heeft gevonden om bewijs voor een bepaalde omstandigheid over te leggen, kan ook dit van belang zijn voor het antwoord op de vraag bij wie de bewijslast moet komen te liggen. Als iemand bijvoorbeeld de betaling van een schuld eist, moet hij of zij bewijzen dat hij of zij een vordering op de wederpartij heeft. Als de wederpartij aanvoert dat de betaling reeds is verricht, ligt de last om te bewijzen dat dit het geval is bij die partij. In gevallen van aansprakelijkheid voor schade ligt de bewijslast normaliter bij de partij die beweert schade te hebben geleden. Ook kan het gebeuren dat de bewijslast voor een bepaald feit wordt omgekeerd.

Indien het overgelegde bewijs niet stevig genoeg is, kan de rechtbank de omstandigheid in kwestie niet gebruiken als basis voor haar onderzoek. In zaken waarin de omvang van geleden schade moet worden geschat, is er een uitzondering die inhoudt dat de rechtbank, indien het niet mogelijk of bijzonder moeilijk is om bewijs voor de hoogte van de schade over te leggen, een redelijk bedrag voor de omvang van de schade kan vaststellen.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Zie het antwoord op vraag 1.1.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

De vereisten voor de weging van bewijs zijn afhankelijk van het type zaak. In civielrechtelijke zaken is het normale vereiste dat het betrokken feit moet worden bevestigd. In bepaalde civielrechtelijke zaken kan een lager bewijsniveau van toepassing zijn. Een voorbeeld daarvan betreft zaken over verzekeringspolissen van consumenten, waarin het voldoende wordt geacht dat het waarschijnlijker lijkt dat de verzekerde gebeurtenis heeft plaatsgevonden dan dat deze niet heeft plaatsgevonden.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

De partijen zijn zelf verantwoordelijk voor het overleggen van bewijs. In zaken die betrekking hebben op geschillen waarover de partijen geen overeenstemming kunnen bereiken, heeft de rechtbank de mogelijkheid om bewijs te presenteren zonder dat een van de partijen daarom heeft verzocht. In zaken over voogdij of bezoekregelingen kan de rechtbank derhalve beslissen dat er aanvullend bewijs moet worden overgelegd. In civielrechtelijke zaken waarin de partijen erin slagen om tot een schikking te komen, mag de rechtbank niet uit eigen beweging nieuw bewijs in de zaak overleggen.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

Het bewijs wordt tijdens de hoofdzitting behandeld.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

De rechtbank kan het bewijs verwerpen indien wat de partij wil bewijzen niet relevant is voor de zaak. Dit geldt ook als er geen bewijs is vereist of als het bewijs duidelijk geen rechtsgevolgen zou hebben. Daarnaast zijn er regels die inhouden dat schriftelijke getuigenverklaringen alleen in bijzondere, uitzonderlijke omstandigheden mogen worden toegelaten.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

In Zweden zijn er in beginsel vijf verschillende vormen van bewijs (bewijsmiddelen). Deze zijn:

  • schriftelijk bewijs;
  • verhoor van getuigen;
  • verhoor van een partij;
  • verhoor van een deskundige;
  • inspectie.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Een getuige wordt in de regel mondeling en ten overstaan van de rechtbank gehoord. Er mag niet naar schriftelijke getuigenverklaringen worden verwezen. Met toestemming van de rechtbank mag de getuige echter aantekeningen gebruiken om zijn of haar geheugen op te frissen. De partij die de getuige heeft opgeroepen, begint met de ondervraging (“rechtstreeks verhoor”), tenzij de rechtbank anders bepaalt. Daarna krijgt de wederpartij de mogelijkheid om de getuige te ondervragen (“kruisverhoor”).

Bij het verkrijgen van bewijs van een deskundige is de hoofdregel daarentegen dat de deskundige een schriftelijke verklaring overlegt. Indien een van de partijen hierom verzoekt en het duidelijk niet irrelevant is, moet de deskundige ook mondeling tijdens de terechtzitting worden gehoord. Ook moet een mondeling verhoor plaatsvinden als het van essentieel belang is dat de deskundige rechtstreeks ten overstaan van de rechtbank wordt gehoord.

Indien pas na de hoofdzitting – bijvoorbeeld om de getuige te kunnen horen – een beslissing in de zaak zal worden genomen, moeten schriftelijke bewijsstukken en deskundigenverklaringen in principe hardop worden voorgelezen tijdens de terechtzitting om de rechtbank het materiaal in aanmerking te kunnen laten nemen in haar uitspraak. De rechtbank kan echter besluiten dat schriftelijk bewijs geacht wordt te zijn behandeld tijdens de hoofdzitting zonder dat dit bewijs hardop is voorgelezen.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

In het Zweedse recht is het beginsel van toelaatbaarheid van bewijs van toepassing. Dit houdt onder meer in dat er wettelijk geen beginselen inzake de weging van verschillend bewijs zijn vastgelegd. In plaats daarvan voert de rechtbank een onafhankelijke beoordeling uit van alles wat naar voren wordt gebracht en besluit ze vervolgens wat in de zaak als bewijs kan dienen.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Het beginsel van toelaatbaarheid van bewijs betekent dat er geen regels zijn die specificeren dat bepaalde omstandigheden bepaalde soorten bewijs vereisen om te worden bevestigd. In plaats daarvan maakt de rechtbank in het kader van haar onderzoek naar wat al dan niet is bewezen een algemene beoordeling van de omstandigheden van de zaak.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Het Zweedse recht kent een algemene plicht om te getuigen. Dit houdt voornamelijk in dat iemand die als getuige wordt opgeroepen, verplicht is om te getuigen.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Een persoon is niet verplicht om te getuigen in een zaak waarin een naast familielid partij is. Ook mag een getuige weigeren iets te zeggen over een bepaald feit indien hij of zij daardoor zou worden gedwongen te onthullen dat hij of zij een delict heeft gepleegd of een onbetamelijke handeling heeft verricht. Voorts mag een getuige in bepaalde omstandigheden weigeren om handelsgeheimen bekend te maken. In het geval van enkele categorieën beroepsgroepen, zoals personeel in de gezondheidszorg, zijn er bepaalde beperkingen op de plicht om te getuigen.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Een persoon die moet worden gehoord als getuige, ontvangt een dagvaarding om ter zitting te verschijnen op straffe van een boete. Als de getuige niet verschijnt, wordt de boete opgelegd indien hij of zij voor het niet-verschijnen geen geldig excuus heeft, zoals ziekte. Als de getuige niet verschijnt, kan de rechtbank ook beslissen dat de getuige door de politie moet worden opgehaald. In laatste instantie heeft de rechtbank de mogelijkheid om een persoon die zonder geldige reden weigert te getuigen in hechtenis te nemen wegens weigering om vragen te beantwoorden.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Indien de persoon die wordt opgeroepen om te getuigen jonger dan 15 jaar is of een verstandelijke handicap heeft, zal de rechtbank beoordelen of hij of zij kan worden gehoord als getuige, rekening houdend met de omstandigheden. Zie ook punt 2.9.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Het verhoor van een getuige wordt normaliter begonnen door de persoon die de getuige heeft opgeroepen (“rechtstreeks verhoor”). Daarna heeft de wederpartij de mogelijkheid om vragen te stellen (“kruisverhoor”). Na het kruisverhoor kunnen de persoon die de getuige heeft opgeroepen en de rechtbank aanvullende vragen stellen. De rechtbank zal vragen die duidelijk niets met de zaak te maken hebben of die anderszins verwarrend of ongepast zijn, niet toelaten.

Partijen, getuigen en anderen die worden geacht aan een terechtzitting deel te nemen, moeten dit op afstand via een videoverbinding kunnen doen indien dat niet ongepast is. De hoofdregel blijft echter dat personen die aan de zitting deelnemen persoonlijk voor de rechtbank moeten verschijnen.

Een getuige kan telefonisch worden verhoord indien dit passend is, rekening houdend met de kosten die verbonden zouden zijn aan het verschijnen van de getuige voor de rechtbank en het belang dat ermee gemoeid is om de getuige fysiek ter terechtzitting te laten getuigen.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Het beginsel van toelaatbaarheid van bewijs betekent dat het alleen in zeldzame uitzonderingsgevallen verboden is om bepaalde soorten bewijs te gebruiken. Het feit dat bewijs op ongeoorloofde wijze is verkregen vormt derhalve in beginsel geen beletsel om dat bewijs tijdens de rechtszaak te gebruiken. Wel kan dit relevant zijn als bij de weging van bewijs weinig bewijskracht aan het desbetreffende bewijs wordt toegekend.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Een partij kan niet getuigen, maar wordt in plaats daarvan onder ede verhoord, waarbij de partij strafrechtelijk aansprakelijk is voor de juistheid van de informatie die hij of zij verstrekt.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 05/11/2015