Bewijsverkrijging - Griekenland

INHOUDSOPGAVE

1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

Ten aanzien van bewijskwesties geldt in het Griekse recht het beginsel van vervolging op initiatief van een partij (archí tis diáthesis). Dit betekent dat de rechter alleen handelt op verzoek van een partij en beslist op basis van de door de partijen gestelde en aangetoonde feiten en van de door hen ingediende verzoeken. Procedurele stappen worden genomen op verzoek van een partij, tenzij de wet anders bepaalt. Elke partij dient uitsluitend die feiten aan te tonen die relevant zijn voor de uitspraak in de zaak en die nodig zijn om haar vordering of tegenvordering te onderbouwen. Een verzoek dat niet wordt gestaafd, wordt afgewezen.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Wanneer in de wet is voorgeschreven dat een feit moet worden bewezen, is tegenbewijs toegestaan, tenzij een andersluidende regel van toepassing is. Feiten die zo bekend zijn dat er geen gerede twijfel over de juistheid ervan kan bestaan of die de rechter bekend zijn uit een andere gerechtelijke procedure, worden automatisch in aanmerking genomen en hoeven niet te worden bewezen. De rechter houdt automatisch rekening met de algemene ervaringsregels, zonder bewijs te verlangen. De rechter neemt ook de wetten, gewoonten en gebruiken van andere landen ambtshalve in aanmerking, hoewel hij bewijs kan verlangen als hij daar niet mee vertrouwd is.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

De rechter is vrij in zijn evaluatie van het bewijs en beslist ambtshalve of de afgelegde verklaringen juist zijn. In zijn beslissing zet de rechter uiteen welke redenen ten grondslag liggen aan zijn oordeel. Wanneer de wet bepaalt dat de feiten louter op basis van een waarschijnlijkheidsafweging kunnen worden beoordeeld, bijvoorbeeld bij een verzoek in kort geding (asfalistiká métra), is de rechter niet gebonden aan de bepalingen inzake het verkrijgen van bewijs, de toegelaten bewijsmiddelen en de bewijskracht van het ingediende bewijsmateriaal, maar kan hij rekening houden met alles wat hij passend acht om tot een oordeel over de feiten te komen.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Het uitgangspunt is dat het bewijs door de partijen wordt voorgesteld en aangedragen. De rechter kan echter eigener beweging bij wet toegestaan bewijs verlangen, ook als dat niet door een partij is aangevoerd.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

Nadat het bewijs is verkregen doet de rechter inhoudelijk uitspraak, tenzij hij van mening is dat het bewijs onvoldoende is. In dat geval kan hij nieuw, aanvullend bewijs verlangen.

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Als hij van mening is dat het bestaande bewijs voldoende is of als de partij er niet in is geslaagd het bewijs binnen de wettelijke termijn in te dienen.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Bewijs omvat volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Kódika Politikís Dikonomías) bekentenissen, plaatsopnemingen, deskundigenrapporten, schriftelijk bewijs, het horen van partijen, getuigenverklaringen, feitelijke vermoedens en verklaringen onder ede.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Deskundigen (pragmatognómones) staan de rechter bij door een oordeel uit te brengen over vragen die de rechter aan hen heeft gesteld. Indien nodig gelast de rechter de deskundigen aanwezig te zijn bij alle of bepaalde stappen in de procedure. Elke rechtbank houdt een lijst van deskundigen bij. In beschikkingen die zijn afgegeven op voorstel van de minister van Justitie is vastgesteld hoe deze lijst wordt opgesteld en bijgehouden. De rechter die de zaak behandelt geeft de deskundigen de nodige instructies over de wijze waarop zij hun taken moeten uitvoeren en stelt met name vast a) of hij het nodig acht dat de deskundigen aanwezig zijn in elk stadium van de gerechtelijke procedure en b) of het oordeel voor de rechter moet worden gegeven dan wel alleen door de deskundigen wordt opgesteld. Tenzij anders is bepaald door de rechter die de zaak behandelt, kunnen dezelfde bevoegdheden worden uitgeoefend door een andere rechter die gevolg geeft aan een verzoek of verwijzing om een aantal stappen in de procedure te zetten met betrekking tot het deskundigenoordeel, of door een rechter-commissaris (entetalménos dikastís). Als opdracht tot een schriftelijk oordeel wordt gegeven, stelt de rechter een termijn vast waarbinnen de deskundigen hun oordeel moeten uitbrengen. De rechter, of in geval van een college van rechters de voorzitter van de rechtbank, kan die termijn verlengen op verzoek van de deskundigen en zonder dat de partijen eerder zijn opgeroepen, als de deskundigen van mening zijn dat de toegekende termijn niet toereikend is voor het opstellen van het oordeel. Als er meerdere deskundigen zijn, voeren zij alle werkzaamheden die nodig zijn voor het opstellen van een deskundigenrapport en van hun schriftelijke oordeel gezamenlijk uit. De deskundigen komen bijeen op uitnodiging van een van hen. In een schriftelijk oordeel moeten de door de deskundigen uitgevoerde werkzaamheden en de zienswijzen van elk van hen worden vermeld, met redenen omkleed, en het oordeel moet door hen worden ondertekend. Als een of meer deskundigen niet aanwezig zijn bij het opstellen van het oordeel, of weigeren het te ondertekenen, wordt dit in het oordeel vermeld. De deskundigen of een persoon die door hen daartoe gemachtigd is, dienen het schriftelijke oordeel in bij de griffie van de rechtbank die hen heeft aangewezen en dit wordt geregistreerd. Als het oordeel wordt ingediend bij de griffie van een rechtbank die gevolg geeft aan een verzoek of verwijzing van de rechtbank van de rechter-commissaris, wordt het rapport onmiddellijk doorgezonden naar de griffie van de rechtbank die de zaak behandelt. De rechter is altijd vrij in zijn evaluatie van het oordeel van de deskundigen.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Een mondelinge of schriftelijke bekentenis (omología) van een partij tegenover de rechter of de rechter-commissaris geldt als volledig bewijs tegen die partij; buitengerechtelijke bekentenissen worden net als ander bewijsmateriaal door de rechter vrijelijk geëvalueerd.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Overeenkomsten en onderlinge afspraken kunnen niet aan de hand van getuigenbewijs worden bewezen als de transactie een waarde heeft van meer dan 20 000 EUR en getuigenbewijs tegen de inhoud van bewijsstukken is niet toegestaan, ook niet wanneer de transactie een waarde heeft van minder dan 2 miljoen GRD of 20 000 EUR. Getuigenbewijs is wel toegestaan in de volgende gevallen: a) wanneer een begin van bewijs wordt geleverd door een document met bewijskracht dat het aannemelijk maakt dat de transactie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden (het "begin van schriftelijk bewijs", archí éngrafis apódeixis); b) indien het door fysieke of morele oorzaken niet mogelijk is om het document over te leggen; c) indien wordt aangetoond dat een document wel is opgesteld, maar onopzettelijk is zoekgeraakt; d) indien getuigenbewijs is gerechtvaardigd gelet op de aard van de transactie of de specifieke omstandigheden waaronder die is aangegaan, en met name indien het handelstransacties betreft.

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Iedereen die als getuige wordt opgeroepen, is verplicht te verschijnen en datgene te verklaren wat hem bekend is. Als de opgeroepen getuige niet verschijnt en daarvoor geen geldige reden heeft, gelast de rechter hem de kosten te betalen die voortvloeien uit zijn afwezigheid. De rechter kan daarnaast een geldboete opleggen.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

De volgende personen hebben het recht te weigeren om als getuige te worden gehoord: 1) geestelijken, advocaten, notarissen, artsen, apothekers, verpleegkundigen, verloskundigen, hun assistenten en de raadslieden van de partij, ten aanzien van feiten waarvan zij kennis hebben genomen in de uitoefening van hun beroep; 2) personen die aan de partijen verwant zijn door bloed- of aanverwantschap of door adoptie tot en met de derde graad, in de rechte lijn of een zijlijn, tenzij zij op dezelfde wijze verwant zijn met alle partijen, en echtgenoten, voormalige echtgenoten, en verloofden. Verder is een getuige niet verplicht om te getuigen over 1) feiten die tot strafvervolging kunnen leiden voor een strafbaar feit dat is gepleegd door de getuige of door een persoon die met hem verwant is in de zin van artikel 401, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of die afbreuk kunnen doen aan de eer van de getuige of de eer van een dergelijke persoon, en 2) feiten die onder het beroepsgeheim vallen.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Een getuige die verschijnt maar weigert te getuigen, ook wanneer dat van hem wordt verlangd, kan door de rechter worden veroordeeld tot betaling van een geldboete.

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

De volgende personen kunnen niet als getuige worden gehoord:

  1. priesters, over al hetgeen hun ter ore is gekomen en onder het biechtgeheim valt;
  2. degenen die ten tijde van de onderzochte gebeurtenissen geestelijk niet in staat waren de feiten te begrijpen of niet in staat zijn hun waarnemingen te communiceren;
  3. degenen die ten tijde van de onderzochte gebeurtenissen in een zodanige staat van geestelijke verwarring verkeerden dat hun wil en oordeel wezenlijk werden beperkt of die tijdens het verhoor in een dergelijke staat zouden verkeren;
  4. advocaten, notarissen, artsen, apothekers, verpleegkundigen, verloskundigen, hun assistenten en de raadslieden van de partij, over feiten die aan hen zijn toevertrouwd of waarvan zij kennis hebben genomen in de uitoefening van hun beroep en die zij gehouden zijn vertrouwelijk te behandelen, tenzij degene die deze feiten aan hen heeft toevertrouwd en tegenover wie zij tot vertrouwelijkheid gehouden zijn, hun toestemming geeft te getuigen;
  5. ambtenaren en actief militair personeel, over feiten die zij gehouden zijn vertrouwelijk te behandelen, tenzij de verantwoordelijke minister toestemming geeft voor hun verhoor;
  6. degenen die belang kunnen hebben bij de uitkomst van het proces.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Voordat een getuige wordt gehoord, wordt hij onder ede gesteld (door een eed of belofte af te leggen). Getuigen worden apart gehoord en een confrontatie met andere getuigen of met de partijen is slechts mogelijk indien dit van essentieel belang wordt geacht. Getuigen leveren mondeling bewijs. Getuigen moeten verklaren hoe zij kennis hebben genomen van datgene waarvan zij getuigen, en in geval van "bewijs van horen zeggen" moeten zij aangeven wie hun de informatie heeft verstrekt. De rechter kan vragen van partijen of hun raadslieden aan getuigen weigeren als zij duidelijk onnodig of irrelevant zijn, en verklaart het verhoor van een getuige voor beëindigd wanneer hij oordeelt dat de getuige alles heeft verklaard wat hem over de te bewijzen feiten bekend is. De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een partij beslissen dat in een specifiek geval een videoconferentie moet worden gehouden. De rechter beslist of hij een dergelijk verzoek al dan niet accepteert, nadat hij heeft bepaald of het gebruik van de technologie nodig is voor een effectief verloop van de procedure. Gelet op de omstandigheden van het geval kan de rechter een verzoek om een videoconferentie inwilligen en tevens aanvullende garanties voor een goed verloop van de procedure verlangen. De rechter, de griffier en de andere personen die aan de videoconferentie deelnemen, moeten in de desbetreffende ruimten aanwezig zijn vóór het geplande tijdstip waarop de verbinding tot stand wordt gebracht. De rechtbank beoordeelt per geval of op de locatie op afstand een rechter aanwezig moet zijn. De apparatuur wordt bediend door de rechter of gemachtigd rechtbankpersoneel. In geval van een consulaire autoriteit wordt de apparatuur bediend door een persoon die door het delegatiehoofd is gemachtigd. Een verhoor per videoconferentie wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering die van toepassing zijn op de betrokken stap in de procedure. De rechter bepaalt het aantal personen dat in de ruimten aanwezig mag zijn. Hij neemt het verhoor af en geeft de noodzakelijke aanwijzingen aan de personen die op beide locaties aanwezig zijn. Elk lid van het gerecht en elke deelnemer aan het proces heeft het recht om met toestemming van de rechter die het verhoor afneemt, vragen te stellen aan de aanwezige partijen, getuigen en deskundigen. Om de identiteit van de persoon op de locatie op afstand vast te stellen, wordt de rechter bijgestaan door de griffier of door een persoon op de locatie die door de consul is gemachtigd. De rechter die het verhoor afneemt, beslist wanneer de videoconferentie wordt beëindigd. Het verhoor van getuigen, deskundigen en partijen per videoconferentie wordt geacht voor de rechter plaats te vinden en heeft dezelfde bewijskracht als een verhoor in een openbare zitting.

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

De rechter kan alleen rechtmatig bewijs in zijn overwegingen betrekken. Het begrip "rechtmatig" bewijs (nómima endeiktiká mésa) strekt zich tevens uit tot de wijze waarop het bewijs is verkregen. Onrechtmatig verkregen bewijs is niet rechtsgeldig en wordt niet in aanmerking genomen.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Ja, verklaringen van partijen gelden als bewijs.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 14/11/2018