Sluiten

BÈTAVERSIE VAN HET PORTAAL NU BESCHIKBAAR!

Bezoek de bètaversie van het Europees e-justitieportaal en vertel ons wat u ervan vindt!

 
 

Kruimelpad

menu starting dummy link

Page navigation

menu ending dummy link

Bewijsverkrijging - Litouwen

INHOUDSOPGAVE

1 De bewijslast

Partijen zijn verplicht de aan hun eis en verweer ten grondslag liggende feiten te bewijzen, behalve in gevallen waarin bewijs ervan niet nodig is (zie 1.2).

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

Ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Republiek Litouwen (Lietuvos Respublikos civilinio proceso kodeksas) ligt de bewijslast bij de partijen in een zaak. Zij zijn verplicht de aan hun eis en verweer ten grondslag liggende feiten te bewijzen, behalve in gevallen waarin bewijs ervan niet nodig is volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Alle gerechten behandelen civielrechtelijke zaken volgens het beginsel van hoor en wederhoor. Iedere partij is verplicht de aan haar eis en verweer ten grondslag liggende feiten te bewijzen, behalve in gevallen waarin bewijs ervan niet nodig is.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Ingevolge artikel 182 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldt voor de volgende soorten feiten vrijstelling van de bewijslast:

  • feiten die de rechter erkent als algemeen bekend;
  • feiten waarover reeds een oordeel is uitgesproken in andere civiel- of bestuursrechtelijke procedures waarbij dezelfde personen betrokken waren, tenzij een dergelijk oordeel juridische gevolgen heeft voor andere personen die niet bij die procedures betrokken waren (prejudiciële werking);
  • de gevolgen van persoonlijke strafbare feiten, indien de rechter een oordeel over die gevolgen heeft uitgesproken in een strafrechtelijke procedure (prejudiciële werking);
  • feiten die een rechtsvermoeden inhouden en in de hoofdprocedure niet worden betwist;
  • feiten die door de partijen zijn erkend.

Een partij heeft het recht om de aan de eis of het verweer van de wederpartij ten grondslag liggende feiten te erkennen. Een rechter kan een erkend feit als vastgesteld beschouwen als hij oordeelt dat de erkenning overeenstemt met de omstandigheden van het geval, geen misleiding, geweld of bedreiging beoogt en evenmin voortkomt uit een vergissing of de intentie de waarheid te verdoezelen.

Opgemerkt zij dat zulke omstandigheden kunnen worden betwist middels indiening van bewijs in het kader van de hoofdprocedure.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

Als de rechter op grond van het ingediende bewijs kan concluderen dat het waarschijnlijk is dat een bepaald feit zich inderdaad heeft voorgedaan, erkent hij dat feit als vastgesteld.

2 Het verkrijgen van bewijs

Bewijs in civiele procedures betekent alle feitelijke gegevens die de rechter als basis dienen om overeenkomstig de wettelijke procedure te bepalen of de aan de eis en het verweer van de partijen ten grondslag liggende feiten zich al dan niet hebben voorgedaan, evenals eventuele overige feiten die kunnen bijdragen tot een eerlijke en rechtvaardige beslissing in de zaak. Die gegevens kunnen op de volgende manieren worden verkregen: verklaringen van de partijen of derden (rechtstreeks of via een vertegenwoordiger), verklaringen van getuigen, schriftelijk bewijs, materieel bewijs, plaatsopnemingen, deskundigenrapporten, rechtmatig verkregen foto's, beeld- en geluidsopnamen en andere vormen van bewijs.

Een rechter kan ook een EU-lidstaat verzoeken bewijs te verzamelen of rechtstreeks een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, om de samenwerking tussen de gerechten op dat gebied te verbeteren, vereenvoudigen en bespoedigen.

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

Artikel 179 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat de partijen en andere deelnemers aan de procedure bewijs moeten indienen. Als het ingediende bewijs niet toereikend is, kan de rechter partijen en andere deelnemers aan de procedure vragen om ondersteunend bewijs en een termijn voor indiening daarvan stellen. Verder kan de rechter ambtshalve bewijs verzamelen, zij het alleen in situaties die bij wet zijn bepaald.

Ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechter op eigen initiatief bewijs verzamelen in familie- of arbeidszaken indien dit naar zijn mening essentieel is om tot een eerlijk oordeel in de zaak te komen (artikelen 376 en 414).

Artikel 476 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt voorts dat een rechter die zich voorbereidt op het horen van een zaak betreffende de ontvoogding van een minderjarige het volgende moet doen:

  • een rijksinrichting voor kinderbescherming in de woonplaats van de minderjarige verzoeken aan te geven in hoeverre zij de minderjarige in staat acht al zijn burgerrechten zelfstandig uit te oefenen of zijn plichten te vervullen;
  • nagaan of de minderjarige ooit is veroordeeld of een bestuursrechtelijke of andere wettelijke overtreding heeft begaan;
  • indien het nodig is het niveau van fysieke, morele, spirituele of geestelijke ontwikkeling van de minderjarige vast te stellen, een forensisch psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek gelasten en alle medische of andere documenten van de minderjarige opvragen die nodig zijn voor het onderzoek;
  • alle overige handelingen verrichten die noodzakelijk zijn ter voorbereiding van de zaak.

Verder bepaalt artikel 582 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat de rechter bij het horen van zaken betreffende het overdragen, verhypothekeren of op andere wijze bezwaren van familiebezit, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, de eiser kan verzoeken om bewijs van de financiële situatie van de familie (inkomsten, spaargelden, andere bezittingen, schulden), gegevens over het over te dragen familiebezit, gegevens van de dienst voor de bescherming van de rechten van het kind over de ouders van het kind, de voorafgaande voorwaarden en de mogelijkheden om de overdracht te realiseren, informatie over hoe de rechten van het kind kunnen worden beschermd indien de overdracht niet doorgaat, en overig bewijs.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

Om bewijs te verzamelen (overeenkomstig de artikelen 199 en 206 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) kan de rechter een rechtspersoon of natuurlijke persoon vragen opdragen schriftelijk of materieel bewijs te leveren, dat binnen een vaste termijn rechtstreeks bij de rechtbank moet worden ingediend. Als de natuurlijke persoon of rechtspersoon het vereiste schriftelijke of materiële bewijs niet of niet binnen de gestelde termijn kan overleggen, stelt hij de rechter daarvan in kennis, onder opgave van de redenen. Een rechter kan een persoon die een verzoek tot het leveren van schriftelijk of materieel bewijs heeft ingediend, een verklaring verstrekken waarin is bepaald dat hij het recht heeft om het te leveren bewijs te verkrijgen.

Tijdens de voorbereiding van een hoorzitting voert de rechter ook andere proceshandelingen uit die nodig zijn om de te behandelen zaak goed voor te bereiden (verkrijgen van bewijs dat niet door de belanghebbenden in de zaak kan worden verkregen, ambtshalve verzamelen van bewijs wanneer hij daartoe gerechtigd is volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, etc.).

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Een rechter kan een bewijsaanbod afwijzen in de volgende situaties:

  • als het niet toelaatbaar is;
  • als het bewijs voor de zaak relevante feiten bevestigt noch weerlegt (artikel 180 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering);
  • als het bewijs eerder had kunnen worden geleverd en de procedure wordt vertraagd door latere indiening ervan (artikel 181, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Alle bescheiden en andere bewijzen waarop de eiser zich baseert, bewijs dat proceskosten zijn betaald en alle verzoeken tot het leveren van bewijs dat de eiser niet kan leveren, met opgave van redenen waarom dat bewijs niet kan worden geleverd, kunnen slechts door de rechter worden geaccepteerd indien zij bij de vordering worden gevoegd (artikel 135 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Voorts zal het hof van beroep geen nieuw bewijs accepteren dat bij de rechtbank van eerste aanleg had kunnen worden ingediend, behalve als de rechtbank van eerste aanleg dat bewijs ten onrechte heeft geweigerd of als de noodzaak om dat bewijs te leveren pas later is ontstaan (artikel 314 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Zoals is vastgelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, betekent bewijs in civiele procedures alle feitelijke gegevens die de rechter als basis dienen om overeenkomstig de wettelijke procedure na te gaan of de aan de eis en het verweer van de partijen ten grondslag liggende feiten zich al dan niet hebben voorgedaan, evenals overige feiten die kunnen bijdragen tot een eerlijke en rechtvaardige beslissing in de zaak. Deze gegevens kunnen als volgt worden verkregen: verklaringen van de partijen of derden (rechtstreeks of bij gevolmachtigde), getuigenverklaringen, schriftelijk bewijs, materieel bewijs, plaatsopnemingen en deskundigenrapporten.

Ook rechtmatig verkregen foto's en geluids- en beeldmateriaal kunnen als bewijsmiddel dienen.

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

De artikelen 192 tot en met 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevatten de hieronder beschreven voorschriften voor het verkrijgen van bewijs van getuigen en getuige-deskundigen.

De procedure voor het getuigenverhoor

Elke getuige wordt apart ter terechtzitting opgeroepen en gehoord. Getuigen die niet worden gehoord, mogen tijdens de zitting niet in de rechtszaal aanwezig zijn. Na te zijn gehoord, blijven de getuigen in de rechtszaal tot de hoorzitting is beëindigd. Als zij daarom vragen, kan de rechter de getuigen na hen te hebben gehoord toestemming geven de rechtszaal te verlaten, nadat de deelnemers aan de procedure hun verklaringen hebben afgelegd.

Een getuige kan ter plaatse worden gehoord indien hij niet ter terechtzitting kan verschijnen vanwege ziekte, hoge leeftijd, handicap of andere wettige reden en de deelnemer aan de procedure die de getuige heeft laten oproepen niet kan garanderen dat die getuige ter terechtzitting zal verschijnen.

De rechter stelt de identiteit van de getuige vast en wijst hem op zijn rechten en plichten alsmede op zijn aansprakelijkheid ten aanzien van meineed en het niet of niet naar behoren vervullen van zijn andere plichten.

Alvorens te worden gehoord, legt de getuige een eed af door een hand op de Grondwet van de Republiek Litouwen (Lietuvos Respublikos Konstitucija) te leggen en de volgende woorden uit te spreken: "Ik, (volledige naam), zweer naar eer en geweten dat ik de gehele waarheid zal spreken, zonder gegevens te verzwijgen, aan te vullen of te verdraaien". De getuige die de eed heeft afgelegd, dient deze te ondertekenen. De ondertekende eed wordt bij de dossierstukken gevoegd.

Na vaststelling van de relatie van de getuige met de partijen en derden en andere voor de beoordeling van zijn bewijs relevante omstandigheden (opleiding, beroep van de getuige enz.) verzoekt de rechter de getuige alles te vertellen wat hij weet over de zaak en geen informatie te verstrekken als hij de bron van die informatie niet kan opgeven.

Nadat de getuige zijn verklaring heeft afgelegd, kunnen hem vragen worden gesteld. De getuige wordt eerst verhoord door de persoon die hem heeft laten oproepen en door een vertegenwoordiger van die persoon. Vervolgens wordt de getuige verhoord door andere deelnemers aan de procedure. Een op initiatief van de rechter opgeroepen getuige wordt eerst gehoord door de eiser. De rechter neemt suggestieve en voor de zaak irrelevante vragen niet in aanmerking. De rechter kan tijdens het verhoor van de getuige op ieder moment vragen stellen.

Indien nodig kan de rechter op verzoek van een deelnemer aan de procedure of op eigen initiatief (ambtshalve) een getuige nog een keer horen tijdens dezelfde zitting, de gehoorde getuige oproepen voor een nieuwe zitting in dezelfde rechtbank of getuigen met elkaar confronteren.

In buitengewone gevallen waarin het onmogelijk of bezwaarlijk is een getuige ter zitting te horen, kan de behandelende rechter een schriftelijke getuigenverklaring in aanmerking nemen indien dat naar zijn oordeel, en rekening houdend met de identiteit van de getuige en de inhoud van de feiten waarover wordt getuigd, geen nadelige uitwerking heeft op de vaststelling van de belangrijkste feiten van de zaak. Op initiatief van de partijen kan een getuige worden opgeroepen voor een aanvullend verhoor in de rechtszaal, als dat nodig is voor een nadere vaststelling van de feiten van de zaak. Voorafgaand aan zijn verklaring ondertekent de getuige de eed waarvan de tekst is opgenomen in artikel 192, lid 4, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en wordt hij bij ondertekening daarvan gewaarschuwd dat het afleggen van een valse verklaring een strafbaar feit is. Een schriftelijke getuigenverklaring wordt afgelegd ten overstaan van een notaris en wordt gewaarmerkt door de notaris.

Verhoor van deskundigen

Het deskundigenoordeel wordt voorgelezen tijdens de hoorzitting. Voordat het deskundigenoordeel wordt voorgelezen, wordt door de desbetreffende aan de zitting deelnemende deskundige(n) een eed afgelegd door een hand op de Grondwet van de Republiek Litouwen te leggen en de volgende woorden te spreken: "Ik, (volledige naam), zweer dat ik de plichten van een deskundige in de procedure eerlijk zal vervullen en een objectief en beredeneerd deskundigenoordeel op basis van mijn volledige expertise zal geven". Indien het deskundigenoordeel buiten een hoorzitting wordt uitgebracht, vormt de door de deskundige ondertekende eed een integraal onderdeel van het deskundigenrapport. Deskundigen op de Lijst van Gerechtsdeskundigen van de Republiek Litouwen (Lietuvos Respublikos teismo ekspertų sąrašas) die bij opname op die lijst al een eed hebben afgelegd, hoeven geen eed af te leggen in de rechtszaal en worden geacht te zijn gewezen op hun aansprakelijkheid voor een eventueel vals oordeel en valse verklaringen.

De rechter kan een deskundige aanbieden zijn oordeel mondeling toe te lichten. Een mondelinge toelichting op het oordeel van de deskundige wordt bij de notulen van de hoorzitting gevoegd.

Deskundigen kunnen vragen worden gesteld ter verduidelijking of ter aanvulling van hun oordeel. De persoon die om hun aanstelling heeft gevraagd, wordt als eerste in de gelegenheid gesteld vragen te stellen. Vervolgens kunnen andere deelnemers aan de procedure vragen stellen aan de deskundige. Als de rechter op eigen initiatief een deskundige aanstelt, wordt de eiser als eerste in de gelegenheid gesteld om de deskundige vragen te stellen.

De rechter kan tijdens het verhoor van de deskundige op ieder moment vragen stellen.

Een deskundigenoordeel wordt uitsluitend op verzoek van een rechter gegeven (en moet schriftelijk worden ingediend in de vorm van een deskundigenrapport). Een deskundigenrapport bevat een gedetailleerde beschrijving van het uitgevoerde onderzoek, de conclusies op basis van de bevindingen en beredeneerde antwoorden op de vragen van de rechter.

Als een rechter vraagt om een deskundigenoordeel zonder rapport, wordt dat oordeel beschouwd als schriftelijk bewijs ingediend door een deskundige (vergelijkbaar met andere deelnemers aan de procedure) of als door de rechter verzocht overeenkomstig de procedure van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat de volgende voorschriften voor het indienen van schriftelijk bewijs:

Schriftelijk bewijs kan worden ingediend door deelnemers aan de procedure of worden gevraagd door de rechter in overeenstemming met de in het wetboek neergelegde procedure.

Schriftelijk bewijs wordt ingediend in de door het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven vorm: een deelnemer aan de procedure die de inhoud van een processtuk staaft met schriftelijk bewijs, verstrekt de originelen of (digitale) afschriften daarvan, gewaarmerkt door een rechtbank, een notaris (of andere persoon met notariële bevoegdheden), een aan de procedure deelnemende advocaat of de afgever (ontvanger) van het stuk. Een rechter kan op eigen initiatief of op verzoek van een deelnemer aan de procedure verlangen dat de originele documenten worden ingediend. Een deelnemer aan de procedure die verzoekt om indiening van originele documenten, maakt dat verzoek kenbaar bij overlegging van zijn vordering, tegenvordering, verweer of andere processtukken. Een deelnemer aan de procedure kan een dergelijk verzoek op een latere datum kenbaar maken, als de rechter erkent dat er dwingende redenen waren waarom het niet eerder is ingediend, of als de beslissing in de zaak er niet door wordt vertraagd. Indien slechts een deel van een document verband houdt met de inhoud van processtukken, mogen alleen de relevante delen (fragmenten, uittreksels) worden voorgelegd aan de rechter.

Alle processtukken en bijbehorende aanhangsels worden ingediend bij de rechtbank in Litouwen, behalve in het geval van in de wet bepaalde uitzonderingen. Als deelnemers aan de procedure aan wie processtukken worden betekend het Litouws niet kunnen lezen, worden vertalingen van die stukken in een voor hen wel begrijpelijke taal ingediend bij de rechtbank. Als het wetboek een vertaling van de te verstrekken stukken naar een vreemde taal voorschrijft, dienen de deelnemers aan de procedure bij de rechtbank een beëdigde vertaling van die stukken in volgens de desbetreffende wettelijke procedure.

In een dossier opgenomen originelen kunnen op verzoek van de indiener worden geretourneerd. In dat geval worden in het dossier afschriften van de te retourneren documenten bewaard; de afschriften zijn gewaarmerkt volgens de in het wetboek vastgelegde procedure.

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Artikel 197 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat door nationale en lokale overheden afgegeven documenten die zijn goedgekeurd door personen die daartoe zijn geautoriseerd door de staat, binnen de grenzen van hun bevoegdheid en overeenkomstig de vormvereisten van bepaalde documenten, als officieel schriftelijk bewijs kunnen worden beschouwd en een grotere bewijskracht hebben. Feiten die in officieel schriftelijk bewijs staan vermeld, worden als volledig bewezen beschouwd totdat zij worden weerlegd door ander bewijs in de procedure, met uitzondering van getuigenbewijs. Een verbod op het gebruik van getuigenbewijs is niet van toepassing als dat verbod in strijd zou zijn met de beginselen van goede trouw, redelijkheid en billijkheid. De bewijskracht van officieel schriftelijk bewijs kan bij de wet ook worden toegekend aan andere documenten.

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

De feiten van een zaak die volgens de wet moeten worden bewezen met bepaalde bewijsmiddelen, kunnen niet worden bewezen met andere bewijsmiddelen (artikel 177, lid 4, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Een persoon die wordt opgeroepen als getuige, is verplicht voor de rechter te verschijnen en naar waarheid te getuigen. Een persoon die wordt opgeroepen als getuige is wettelijk aansprakelijk als hij zijn plichten als getuige verzuimt (artikel 191), in welk geval hij kan worden beboet.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Een getuige kan weigeren een verklaring af te leggen als die verklaring bewijs tegen hemzelf of familieleden of naaste verwanten zou vormen.

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Als getuigen, deskundigen of tolken niet ter zitting verschijnen, vraagt de rechter de personen die deelnemen aan de procedure of hun zaak kan worden behandeld in afwezigheid van getuigen, deskundigen of tolken en bepaalt hij of de zitting moet worden voortgezet of opgeschort. Een opgeroepen getuige, deskundige of tolk die zonder geldige reden niet ter zitting verschijnt, kan een boete worden opgelegd tot één duizend litas. Een getuige kan ook door de openbare macht voor de rechter worden gebracht op grond van een rechterlijke uitspraak (artikel 248 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

De volgende personen mogen niet worden gehoord als getuige;

  • vertegenwoordigers in civiel- en bestuursrechtelijke procedures of verdediging in strafrechtelijke procedures, over feiten waarvan zij kennis hebben genomen als vertegenwoordiger of advocaat;
  • personen die voor de zaak relevante feiten niet kunnen begrijpen of geen eerlijke verklaring kunnen afleggen wegens een lichamelijke of geestelijke handicap;
  • priesters, over feiten waarvan zij kennis hebben genomen tijdens de biecht;
  • medisch personeel, over feiten die vallen onder hun beroepsgeheim;
  • bemiddelaars, over feiten waarvan zij kennis hebben genomen tijdens een verzoenende bemiddelingsprocedure.

Andere personen kunnen ook bij wet worden vastgesteld.

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Na verduidelijking van de relatie van de getuige met de partijen, derden en andere voor de beoordeling van zijn getuigenbewijs relevante omstandigheden (opleiding, beroep enz. van de getuige) verzoekt de rechter de getuige alles te vertellen wat hij weet over de zaak en geen informatie te verstrekken als hij de bron daarvan niet kan opgeven.

Nadat de getuige zijn verklaring heeft afgelegd, kunnen hem vragen worden gesteld. Een getuige wordt eerst gehoord door de persoon die de getuige heeft laten oproepen en door een vertegenwoordiger van die persoon. Vervolgens wordt de getuige gehoord door andere deelnemers aan de procedure. Een op initiatief van de rechter opgeroepen getuige wordt eerst gehoord door de eiser. De rechter neemt suggestieve en voor de zaak irrelevante vragen niet in aanmerking. De rechter kan tijdens het verhoor van de getuige op ieder moment vragen stellen. Indien nodig kan de rechter op verzoek van een deelnemer aan de procedure of op eigen initiatief (ambtshalve) een getuige nog een keer horen tijdens dezelfde zitting, de gehoorde getuige oproepen voor een nieuwe zitting in dezelfde rechtbank of getuigen met elkaar confronteren.

In buitengewone gevallen waarin het niet of nauwelijks mogelijk is een getuige ter zitting te verhoren, kan de behandelende rechter een schriftelijke verklaring in aanmerking nemen indien dat naar zijn oordeel, en rekening houdend met de identiteit van de getuige en de inhoud van de feiten waarover wordt getuigd, geen nadelige uitwerking heeft op de vaststelling van de belangrijkste feiten van de zaak. Op initiatief van de partijen kan een getuige worden opgeroepen voor een aanvullend verhoor in de rechtszaal, als dat nodig is voor een nadere vaststelling van de feiten van de zaak. Voorafgaand aan zijn verklaring ondertekent de getuige de vooraf bepaalde tekst van de eed en wordt hij bij ondertekening daarvan gewaarschuwd dat het afleggen van een valse verklaring een strafbaar feit is. Een schriftelijke getuigenverklaring wordt afgelegd ten overstaan van een notaris en wordt gewaarmerkt door de notaris.

Personen en getuigen die niet in de rechtszaal aanwezig kunnen zijn, kunnen in staat worden gesteld deel te nemen aan de zitting met behulp van informatie- en elektronische communicatietechnologie (videoconferentie, teleconferentie enz.). Bij gebruik van zulke technologieën volgens de door het Ministerie van Justitie vastgestelde procedure, moet worden gewaarborgd dat de identiteit van de deelnemers aan de procedure op een betrouwbare manier wordt vastgesteld en dat de gegevens (bewijzen) objectief worden vastgelegd en ingediend.

Daarnaast is het gerechten in de Republiek Litouwen krachtens artikel 803 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toegestaan een rechter in een andere staat te verzoeken communicatietechnologie (videoconferentie, teleconferentie enz.) te gebruiken bij het verzamelen van bewijs.

3 De waardering van het bewijs

Een rechter beoordeelt het bewijs in een procedure naar eigen inzicht en overeenkomstig de wet op basis van zijn grondige, objectieve onderzoek van de feiten die in de procedure zijn gepresenteerd.

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Feitelijke gegevens worden op de volgende manieren verkregen: verklaringen van de partijen en derden (rechtstreeks of via een gevolmachtigde), getuigenverklaringen, schriftelijk bewijs, materieel bewijs, plaatsopneming, conclusies van deskundigen, rechtmatig verkregen foto's, beeld- en geluidsopnamen en andere vormen van bewijs. Feitelijke gegevens die een staats- of beroepsgeheim vormen, kunnen gewoonlijk pas als bewijs dienen in civiele procedures nadat zij gederubriceerd zijn overeenkomstig de wettelijke procedure. Tijdens een verzoenende bemiddelingsprocedure verkregen gegevens kunnen in een civiele procedure alleen als bewijs dienen in de gevallen die zijn vastgelegd in de Wet betreffende de verzoenende bemiddeling in civiele geschillen.

Verder zij opgemerkt dat ingevolge artikel 185 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een rechter geacht wordt het bewijs in een procedure naar eigen inzicht en overeenkomstig de wet te beoordelen op basis van zijn grondige, objectieve onderzoek van de feiten die in de procedure zijn gepresenteerd. Geen enkel bewijs mag een vooraf bepaalde uitwerking hebben op een rechter, behalve in gevallen die zijn vastgelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

Ja (zie 2.4).


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 21/11/2018