Sluiten

BÈTAVERSIE VAN HET PORTAAL NU BESCHIKBAAR!

Bezoek de bètaversie van het Europees e-justitieportaal en vertel ons wat u ervan vindt!

 
 

Kruimelpad

menu starting dummy link

Page navigation

menu ending dummy link

Welk recht is van toepassing? - Cyprus

1 Bronnen van geldend recht

1.1 Regels van nationaal recht

Wanneer een grensoverschrijdende zaak voor de rechter wordt gebracht, zijn de regels die bepalen welk recht in Cyprus van toepassing is in de eerste plaats de regels van het EU-recht, met name Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) en Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II).

Voor het overige laten de Cypriotische rechtbanken zich leiden door hun eigen jurisprudentie, aangezien er geen relevante nationale wetten of gecodificeerde regels bestaan. Bij gebrek aan relevante Cypriotische jurisprudentie passen de rechtbanken het Engelse "common law" toe krachtens artikel 29, lid 1, onder c), van de wet op de rechtbanken (wet 14/60).

1.2 Geldende multilaterale verdragen

Het Verdrag van Den Haag van 1 juli 1985 inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts, zoals geratificeerd door de Republiek Cyprus bij ratificatiewet 15 (III) van 2017.

1.3 De belangrijkste bilaterale verdragen

Niet van toepassing.

2 Toepassing van de conflictregels

2.1 Ambtshalve toepassing van de conflictregels

De rechter is niet verplicht deze regels op eigen initiatief toe te passen. De kwestie mag alleen aan de orde worden gesteld door een partij in de zaak, die met succes moet bewijzen dat het recht van een andere staat in de plaats komt van het recht van Cyprus. Als de rechtbank niet overtuigd is, is de wetgeving van Cyprus van toepassing.

Aangezien bovengenoemde praktijk een kwestie van bewijs en procedure is, wordt ze niet beïnvloed door de bovengenoemde Verordeningen (EG) nr. 593/2008 en (EG) nr. 864/2007.

2.2 Renvoi (herverwijzing, verderverwijzing)

De Verordeningen (EG) nr. 593/2008 en (EG) nr. 864/2007 staan de toepassing van de verwijzingsregel ("terugverwijzing") niet toe. In gevallen die niet onder de verordeningen vallen, kan de verwijzingsregel evenwel op de onderstaande wijze worden toegepast.

De rechtbank die een zaak behandelt waarvoor is vastgesteld dat het recht van een andere staat moet worden toegepast, moet ofwel alleen de interne nationale regels van dat recht toepassen, ofwel dat recht in zijn geheel, met inbegrip van de internationale regels die krachtens dat recht van toepassing zijn.

De moeilijkheid in het laatste geval vloeit voort uit het feit dat de regels inzake het recht dat volgens het rechtsstelsel van de andere betrokken staat van toepassing is, de rechter kunnen verwijzen naar het recht van Cyprus, dat hij moet toepassen ("terugverwijzing "). In dat geval heeft de rechtbank twee mogelijkheden: ofwel aanvaardt ze de verwijzingsregel en past ze het recht van Cyprus toe ("gedeeltelijke terugverwijzing"), ofwel verwerpt ze de verwijzingsregel en past ze het recht van de andere staat in zijn geheel toe ("gehele terugverwijzing").

2.3 Wijziging aanknopingspunt

Om problemen te voorkomen die zich zouden kunnen voordoen als gevolg van een wijziging van het aanknopingspunt (bijvoorbeeld de woonplaats, de plaats waarnaar de roerende zaak of de trust is overgebracht enz.), wordt gewoonlijk de regel inzake toepasselijk recht gebruikt om de datum te bepalen waarop het aanknopingspunt wordt vastgesteld. Zie bijvoorbeeld artikel 7 van het Haags Trustverdrag van 1 juli 1985.

2.4 Niet-toepassing van conflictregels in uitzonderingsgevallen

Het recht van een andere staat mag niet worden toegepast, zelfs niet als de regels inzake toepasselijk recht voorschrijven dat het moet worden toegepast, indien de toepassing ervan onverenigbaar is met de openbare orde in de Republiek Cyprus. Volgens de jurisprudentie omvat "openbare orde" de essentiële beginselen van gerechtigheid, openbare zedelijkheid en ethiek (Pilavachi & Co Ltd tegen International Chemical Co Ltd (1965) 1 CLR 97).

Het recht van een andere staat mag ook niet worden toegepast op belastingen, heffingen en rechten.

2.5 Vaststelling van de inhoud van buitenlands recht

De regel die is vastgesteld in de zaak Royal Bank of Scotland plc tegen Geodrill Co Ltd e.a. (1993) 1 JSC 753 is van toepassing, volgens welke een partij die aanvoert dat een buitenlandse wet op haar zaak van toepassing is, eerst deze claim moet indienen en er vervolgens ten genoegen van de rechter deskundigenbewijs voor moet leveren. Als de rechter niet door dat bewijs wordt overtuigd of als geen van de partijen een dergelijke claim indient, is het recht van Cyprus van toepassing.

3 De conflictregels

3.1 Contractuele verbintenissen en rechtshandelingen

Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I) is van toepassing op alle verbintenissen uit overeenkomst en rechtshandelingen wanneer de vraag aan de orde is welk recht er moet worden toegepast.

3.2 Niet-contractuele verbintenissen

Verordening (EG) nr. 864/2007 (Rome II) is in de meeste gevallen van toepassing. De algemene regel van die verordening is dat het toepasselijke recht moet worden bepaald op basis van de plaats waar de schade zich voordoet (lex loci damni), ongeacht het land of de landen waar de indirecte gevolgen zich kunnen voordoen. De verordening bevat ook specifieke regels voor de bepaling van het toepasselijke recht voor specifieke soorten niet‑contractuele verbintenissen, zoals oneerlijke concurrentie en productaansprakelijkheid.

Wat trusts betreft, is de (ratificatie)wet van 2017 die van toepassing is op trusts en op de erkenning ervan (wet 15(III)/2017), waarbij het Haags Trustverdrag 1985 werd geratificeerd, van toepassing. Volgens de ratificatiewet en het verdrag moet een trust worden beheerst door het door de trustee gekozen recht. Anders moet een trust worden beheerst door het recht waarmee hij het nauwst verbonden is.

3.3 De burgerlijke staat van personen (naam, woonplaats, handelingsbekwaamheid)

Naam

De wet op de relatie tussen ouders en kinderen (wet 216/90) is van toepassing op de bepaling van de naam. Volgens wet 216/90 wordt de naam van een kind bepaald door een gemeenschappelijke verklaring van zijn ouders binnen drie maanden na de geboortedatum. Als de ouders nalaten een dergelijke verklaring af te leggen, krijgt het kind de naam van de vader. De naam van de moeder moet worden gegeven aan een buitenechtelijk kind tenzij, of totdat, het kind door de vader wordt erkend.

Woonplaats

De woonplaats van een persoon wordt bepaald overeenkomstig hoofdstuk 195 van de wet inzake testamenten en erfenissen, waarin is vastgesteld dat elke persoon op elk moment hetzij de bij de geboorte verkregen woonplaats ("woonplaats van oorsprong") heeft, hetzij een woonplaats die hij op eigen initiatief heeft verkregen of behouden ("gekozen woonplaats").

In het geval van een wettig kind dat tijdens het leven van de vader is geboren, is de woonplaats van oorsprong van het kind vanaf de geboorte de woonplaats van de vader.

In het geval van een buitenechtelijk kind of een kind dat na het overlijden van de vader is geboren, is de woonplaats van oorsprong van het kind vanaf de geboorte de woonplaats van de moeder.

Bevoegdheid

De huwelijksbevoegdheid van een persoon is onderworpen aan de huwelijkswet (wet 104(I)/2013). In artikel 14 van die wet is bepaald dat een persoon niet huwelijksbevoegd is als hij jonger dan achttien jaar is of als hij op de datum waarop het huwelijk wordt gesloten niet in staat is om toestemming te geven als gevolg van een geestelijke stoornis of achterstand, of een hersenaandoening of -ziekte of een andere aandoening of ziekte, of een verslaving, waardoor hij niet in staat is te begrijpen en zich bewust te zijn van wat hij doet.

Zelfs als een van de partners of beide partners jonger dan achttien jaar is/zijn, worden de partners evenwel huwelijksbevoegd geacht indien zij ten minste zestien jaar oud zijn of indien hun voogden schriftelijk met het huwelijk hebben ingestemd of indien er ernstige redenen zijn die het huwelijk rechtvaardigen. Als bovengenoemde instemming wordt geweigerd of als er geen voogd is, moet de vraag of iemand huwelijksbevoegd is, worden beantwoord door de familierechtbank van het district waar de betrokkene woont.

Wat betreft de bevoegdheid om rechtshandelingen te verrichten, is in artikel 11 van hoofdstuk 149 van de wet op de overeenkomsten bepaald dat een persoon bevoegd is om overeenkomsten te sluiten als hij geestelijk gezond is en deze bevoegdheid hem niet rechtens is ontnomen. De wet bepaalt dat een gehuwde persoon niet kan worden beschouwd als zijnde onbevoegd om een overeenkomst te sluiten om de enkele reden dat hij jonger dan achttien jaar is.

3.4 Afstamming en adoptie

3.4.1 Afstamming

De rechtsverhouding tussen een ouder en een kind, met inbegrip van ouderlijke verantwoordelijkheid, onderhoudsplicht en communicatie, wordt geregeld door het Cypriotische recht, met name de wet op de relatie tussen ouders en kinderen (wet 216/90).

Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel II bis) en Verordening (EG) nr. 4/2009, alsmede het Verdrag van 's-Gravenhage van 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, zijn ook van toepassing op de aangelegenheden waarop zij betrekking hebben.

3.4.2 Adoptie

Wanneer voor Cypriotische rechtbanken adoptieprocedures worden gevoerd, is het Cypriotische recht van toepassing, ongeacht of de adoptiezaak grensoverschrijdend is.

3.5 Huwelijk, ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap, echtscheiding, scheiding van tafel en bed, onderhoudsverplichtingen

3.5.1 Huwelijk

Aangelegenheden die verband houden met het sluiten en ontbinden van een huwelijk worden in Cyprus bij de huwelijkswet van 2003 (wet 104(I)/2003) geregeld. Zij vallen ook onder het VN-Verdrag inzake de huwelijkstoestemming, de minimumleeftijd waarop een huwelijk mag worden aangegaan en de registratie van huwelijken, zoals geratificeerd door de Republiek Cyprus bij wet 16(III)/2003.

3.5.2 Ongehuwd samenwonen en geregistreerd partnerschap

3.5.3 Echtscheiding en scheiding van tafel en bed

Aangelegenheden in verband met echtscheiding vallen onder artikel 111 van de grondwet en, wat religieuze huwelijken betreft, onder de wet van 1990 betreffende verzoeningspogingen en de geestelijke ontbinding van het huwelijk (wet 22/1990) alsook onder de huwelijkswet (wet 104(I)/2003).

Het Haags Verdrag van 1971 inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed, zoals geratificeerd door de Republiek Cyprus bij wet 14(III)/1983, is van toepassing op aangelegenheden die verband houden met de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed.

3.5.4 Onderhoudsverplichtingen

Onderhoudsverplichtingen

Krachtens de huwelijksvermogenswet (wet 232/1991), zoals gewijzigd, geldt het onderstaande.

Als de echtgenoten niet meer samenwonen, kan de rechter op verzoek van een echtgenoot de andere echtgenoot verplichten om aan de verzoekende echtgenoot alimentatie te betalen.

De onderhoudsverplichtingen tussen ex-echtgenoten zijn van toepassing wanneer een van hen niet in staat is om uit eigen inkomen of vermogen in zijn eigen onderhoud te voorzien en:

a) indien zijn leeftijd of gezondheidstoestand op het moment dat de echtscheiding definitief wordt of bij het verstrijken van de hieronder vermelde termijnen zodanig is dat hij geen beroep kan uitoefenen of voortzetten waarmee hij in zijn eigen onderhoud kan voorzien;

b) indien hij de zorg heeft voor een minderjarig of meerderjarig kind of een andere persoon ten laste die als gevolg van een lichamelijke of geestelijke handicap niet in staat is voor zichzelf te zorgen, waardoor de persoon die alimentatie vraagt geen passende baan kan vinden;

c) hij geen vaste en passende baan kan vinden of een beroepsopleiding nodig heeft gedurende ten hoogste drie jaar vanaf het moment dat de echtscheiding definitief is geworden;

d) in alle andere gevallen waarin de toekenning van alimentatie op het moment dat de echtscheiding definitief wordt, om billijkheidsredenen noodzakelijk is.

Alimentatie kan om belangrijke redenen worden geweigerd of beperkt, met name als het huwelijk van korte duur was of als de echtgenoot die recht zou kunnen hebben op alimentatie de echtscheiding of beëindiging van de samenwoning aan zichzelf heeft te wijten of zijn eigen armoede heeft veroorzaakt.

Daarnaast moet het recht op alimentatie vervallen of moet het bevel tot betaling van alimentatie dienovereenkomstig worden gewijzigd wanneer de omstandigheden dat vereisen.

Onderhoudsverplichtingen voor een minderjarig kind

Krachtens de wet op de relatie tussen ouders en kinderen (wet 216/90) rusten de onderhoudsverplichtingen voor een minderjarig kind gezamenlijk op de ouders, waarbij wordt gekeken naar hun financiële middelen. Deze ouderlijke plicht kan zelfs nadat het kind de volwassen leeftijd heeft bereikt, worden gehandhaafd op grond van een beslissing en een gerechtelijke regeling indien dat door uitzonderlijke omstandigheden is gerechtvaardigd (bijvoorbeeld als het kind wilsonbekwaam is, gehandicapt is, in dienst is bij de nationale garde of les volgt in een onderwijsinstelling of een school voor beroepsonderwijs).

Ook een minderjarig kind dat over een vermogen beschikt, heeft recht op alimentatie van zijn ouders.

3.6 Huwelijksvermogensrecht

De algemene regel van artikel 13 van wet 232/1991 geldt: het huwelijk doet geen afbreuk aan de autonomie van de echtgenoten met betrekking tot het vermogen. Krachtens artikel 14 van wet 232/1991 mag een echtgenoot in geval van ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk echter aanspraak maken op het vermogen van de andere echtgenoot, mits de echtgenoot die de vordering heeft ingesteld op enigerlei wijze heeft bijgedragen tot de toename van het vermogen van de andere echtgenoot. Degene die de vordering instelt, kan de rechter verzoeken dat het gedeelte van de toename dat het resultaat is van zijn bijdrage, aan hem wordt betaald.

De bijdrage van een echtgenoot aan de toename van het vermogen van de andere echtgenoot wordt geacht gelijk te zijn aan een derde van de toename, tenzij een kleinere of grotere bijdrage wordt bewezen.

De toename van het vermogen van de echtgenoten omvat niet hetgeen zij op grond van een schenking, erfenis, legaat of andere donatie hebben verkregen.

3.7 Erfrecht

Erfopvolging en alle zaken die verband houden met erfenissen, met uitzondering van het formulier dat wordt gebruikt om een testament op te stellen en te herroepen, worden geregeld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 650/2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring.

Overeenkomstig artikel 22 van bovengenoemde verordening kan een persoon als het recht dat zijn erfopvolging beheerst, het recht kiezen van de staat waarvan hij op het moment van de rechtskeuze of bij overlijden de nationaliteit bezit. De rechtskeuze gebeurt door een expliciete verklaring.

Als er een testament bestaat, is het Haags Verdrag van 5 oktober 1961 inzake de wetsconflicten betreffende de vorm van testamentaire beschikkingen van toepassing. Overeenkomstig artikel 1 van dat verdrag is een testamentaire beschikking naar vorm geldig indien de vorm ervan in overeenstemming is met het interne recht:

a) van de plaats waar de erflater zijn testamentaire beschikking heeft gemaakt, of

b) van de staat waarvan de erflater de nationaliteit bezat op het moment dat hij zijn testamentaire beschikking maakte of op het moment van zijn overlijden, of

c) van de plaats waar de erflater zijn woonplaats of gewone verblijfplaats had op het moment dat hij zijn testamentaire beschikking maakte of op het moment van zijn overlijden, of

d) voor zover het om onroerende goederen gaat, van de plaats waar deze zich bevinden.

3.8 Goederenrecht

Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I), waarin is bepaald dat een overeenkomst wordt beheerst door het door de partijen gekozen recht, is van toepassing op relaties die verplichtingen scheppen die verband houden met onroerende goederen. Bij gebreke van een rechtskeuze is artikel 4 van de verordening van toepassing, waarin voor elk geval uitdrukkelijk wordt aangegeven welk recht van toepassing is.

Wat overeenkomsten inzake zakelijke rechten betreft, past de rechter overeenkomstig de jurisprudentie van de rechtbanken van Cyprus het recht toe van het land waar het onroerend goed is gelegen (lex situs).

3.9 Insolventie

Het toepasselijke recht wordt bepaald conform Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures. Het is het recht van de staat op het grondgebied waarvan een dergelijke procedure wordt gestart.


De verschillende taalversies van deze pagina worden bijgehouden door de betrokken EJN-contactpunten. De informatie wordt vertaald door de diensten van de Europese Commissie. Eventuele aanpassingen zijn daarom mogelijk nog niet verwerkt in de vertalingen. Het EJN en de Commissie aanvaarden geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor informatie of gegevens in dit document of waarnaar in dit document wordt verwezen. Zie de juridische mededeling voor auteursrechtelijke bepalingen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor deze pagina.

Laatste update: 18/04/2018