Overslaan en naar de inhoud gaan

In welk land is de rechtbank bevoegd?

Flag of Germany
Duitsland
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
(in civil and commercial matters)

De internationale bevoegdheid van Duitse rechtbanken wordt in overeenstemming met de betrokken rechtshandelingen van de Europese Unie of via het autonome internationale burgerlijk procesrecht, inclusief internationale verdragen, vastgesteld. De vragenlijst gaat uitsluitend over zaken met betrekking de nationale bevoegdheid.

1 Moet ik mij wenden tot een gewone rechtbank of tot een gespecialiseerde rechtbank (bijvoorbeeld een arbeidsrechtbank)?

Voor civiele geschillen zijn er in Duitsland twee afzonderlijke rechtbanken: civiele rechtbanken, die deel uitmaken van de gewone rechtbanken, en arbeidsrechtbanken, die gespecialiseerde rechtbanken zijn.

De arbeidsrechtbanken zijn bevoegd voor alle burgerlijke geschillen tussen werknemers en werkgevers en voor geschillen tussen de sociale partners. In § 2 en § 3 van de Wet op de arbeidsrechtbanken (Arbeitsgerichtsgesetz, ArbGG) worden de overige bevoegdheden van de arbeidsrechtbanken vermeld. Op grond van § 5, lid 1, tweede volzin, van de Wet op de arbeidsrechtbanken zijn zij ook bevoegd voor geschillen tussen personen die zich in een vergelijkbare situatie als werknemers bevinden, en hun opdrachtgevers. De burgerlijke rechtbanken zijn bevoegd voor alle andere burgerlijke geschillen; 

2 Als de gewone rechtbanken bevoegd zijn (dus als dit de rechtbanken zijn die bevoegd zijn voor dergelijke zaken), hoe kan ik dan te weten komen welke van die rechtbanken bevoegd is voor mijn zaak?

2.1 Is er een onderscheid tussen lagere en hogere gewone burgerlijke rechtbanken (bijvoorbeeld districtsrechtbanken als lagere rechtbanken en regionale rechtbanken als hogere rechtbanken), en zo ja, welke is dan bevoegd voor mijn zaak?

De burgerlijke rechtbanken van eerste aanleg zijn de kantonrechtbanken (Amtsgerichte) en de arrondissementsrechtbanken (Landgerichte).

1. Voor burgerlijke geschillen zijn in beginsel de kantonrechtbanken bevoegd, voor zover de waarde van de vordering niet meer bedraagt dan 5 000 euro en de vordering niet tot de exclusieve materiële bevoegdheid van de arrondissementsrechtbank behoort (§ 23, punt 1, van de Wet op de gerechtelijke organisatie (Gerichtsverfassungsgesetz, GVG).

In de volgende gevallen hebben de kantonrechtbanken bovendien materiële bevoegdheid, ongeacht de waarde van het voorwerp van het geschil (zie § 23 en § 23 bis van de Wet op de gerechtelijke organisatie):

De kantonrechtbanken hebben exclusieve materiële bevoegdheid voor geschillen in verband met woninghuurovereenkomsten of het bestaan van een dergelijke overeenkomst (§ 23, lid 2, punt a, van de Wet op de gerechtelijke organisatie).

Voorts hebben de kantonrechtbanken exclusieve materiële bevoegdheid voor familiezaken en in het algemeen voor niet-contentieuze procedures (§ 23 bis, lid 1, eerste volzin, punten 1 en 2, van de Wet op de gerechtelijke organisatie).

Andere bevoegdheden van de kantonrechtbank, onafhankelijk van de waarde van het geschil, vloeien voort uit § 23, punten 2b tot en met 2d, en 2g van de Wet op de gerechtelijke organisatie (geschillen tussen reizigers en gastheren/‑vrouwen, koetsiers, schippers of agenten in de haven van inscheping, betreffende vergoedingen, de autokosten, de kosten van de overtocht, het vervoer van passagiers en hun goederen en het verlies daarvan en de schade daaraan, alsmede geschillen tussen reizigers en ambachtslieden die naar aanleiding de reis zijn ontstaan; geschillen als bedoeld in § 43, lid 2, van de Wet inzake mede-eigendom; deze bevoegdheid is exclusief; geschillen betreffende wildschade; rechten die voortvloeien uit een overeenkomst inzake een voorrecht, weduwengoed, pensionering of verhuizing in verband met de terbeschikkingstelling van een onroerend goed).

2. De arrondissementsrechtbanken zijn in eerste aanleg bevoegd voor alle burgerlijke geschillen waarvoor de kantonrechtbanken niet bevoegd zijn (§ 71, lid 1, van de Wet op de gerechtelijke organisatie). Het gaat in de eerste plaats om geschillen waarbij de waarde van de vordering meer dan 5 000 euro bedraagt.

De exclusieve materiële bevoegdheid van de arrondissementsrechtbank, ongeacht de omvang van de geschillen, vloeit met name voort uit § 71, lid 2, van de Wet op de gerechtelijke organisatie. De arrondissementsrechtbanken hebben dus exclusieve materiële bevoegdheid:

  • voor vorderingen tot schadevergoedingen wegens dienstfouten,
  • voor schadevorderingen die zijn gebaseerd op onjuiste of weggelaten informatie over de kapitaalmarkt,
  • voor geschillen over het recht van de opdrachtgever om eenzijdig wijzigingen aan te brengen en het daaruit voortvloeiende recht van de aannemer op aanpassing van de vergoeding voor bouwcontracten in de zin van § 650 bis van het Duits Burgerlijk Wetboek (Bürgerliches Gesetzbuch).

Andere materiële exclusieve bevoegdheden van de arrondissementsrechtbanken vloeien voort uit andere bepalingen van het federale recht, zoals op het gebied van de industriële eigendom (zie bijvoorbeeld § 140, lid 1, van de merkenwet).

Arrondissementsrechtbanken kunnen bovendien kamers van koophandel hebben (§ 93 van de Wet op de gerechtelijke organisatie). Deze zijn functioneel bevoegd in handelszaken in de zin van § 95 van de Wet op de gerechtelijke organisatie. De zitting voor de kamer van koophandel moet worden aangevraagd door een van de partijen, § 96, lid 1, en § 98, lid 1, eerste volzin, van de Wet op de gerechtelijke organisatie.

Bovendien biedt de Wet inzake de versterking van de rechterlijke bevoegdheid (Staatsblad van de Bondsrepubliek Duitsland, 2024 I, nr. 302), die op 1 april 2025 in werking is getreden, de deelstaten de mogelijkheid om voor bepaalde in de wet bedoelde civiel-economische zaken de bevoegdheid in eerste aanleg van de hoogste rechterlijke instantie (Oberlandesgericht) vast te stellen (zie § 119 bis, lid 1, van de Wet op de gerechtelijke organisatie). In onderlinge overeenstemming tussen de partijen kan deze dan bevoegd zijn om vanaf een bepaalde waarde in eerste aanleg kennis te nemen van dergelijke geschillen.

2.2 Territoriale bevoegdheid (is de rechtbank van stad A of van stad B bevoegd voor mijn zaak?)

2.2.1 De basisregel voor de territoriale bevoegdheid

Volgens de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Zivilprozessordnung) (§ 12 tot en met § 18 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) wordt in Duitsland de territoriale bevoegdheid in beginsel bepaald door de woonplaats van de verweerder. Bij personen zonder woonplaats wordt de territoriale bevoegdheid bepaald door hun verblijfplaats in Duitsland, § 12 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Is die verblijfplaats niet bekend, dan wordt de territoriale bevoegdheid bepaald door hun laatste woonplaats (§ 16 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Bij rechtspersonen is de plaats van de zetel doorslaggevend (§ 17 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.2.2 Uitzonderingen op de basisregel

2.2.2.1 Wanneer mag ik kiezen tussen de rechtbank van de woonplaats van de verweerder (aangewezen door de basisregel) en een andere rechtbank?

Voor bepaalde soorten vorderingen heeft de eiser de mogelijkheid voor een andere rechtbank te kiezen dan die van de woonplaats van de verweerder (bijzondere, niet exclusieve bevoegdheid). Hieronder volgen enkele voorbeelden:

* Voor vorderingen die uit een contractuele verhouding voortvloeien, en geschillen over het bestaan van een dergelijke verhouding kan men zich ook wenden tot de rechtbank van de plaats waar de verbintenis moet worden uitgevoerd (zogenaamde “specifieke bevoegdheid voor de plaats van uitvoering”) (§ 29, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Een overeenkomst over de plaats van uitvoering is wat de procesvoering betreft slechts geldig wanneer de partijen bij de overeenkomst tot de groep personen behoren die volgens § 38, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een forumkeuzebeding mogen sluiten of indien de overeenkomst is gesloten nadat het geschil is ontstaan, zie punt 2.2.2.3.

Onder het begrip “contractuele verhouding” vallen alle overeenkomsten die verbintenissen in het leven roepen, ongeacht de aard van die verbintenissen. Deze bepaling is ook van toepassing wanneer de arbeidsrechtbanken bevoegd zijn, § 46, lid 2, van de Wet op de arbeidsrechtbanken.

* Voor vorderingen die uit een onrechtmatige daad voortvloeien, kan men zich ook wenden tot de rechtbank van de plaats waar de onrechtmatige daad is verricht (§ 32 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

* Volgens § 20 van de Wegenverkeerswet (Straßenverkehrsgesetz, StVG) is de rechtbank van de plaats waar het schadebrengende feit, dat wil zeggen het verkeersongeval, zich heeft voorgedaan, ook bevoegd voor vorderingen die op deze wet zijn gebaseerd.

* Het slachtoffer van een misdrijf kan in een strafrechtelijke procedure zijn geldelijke vordering die uit het misdrijf voortvloeit, instellen bij de rechtbank die de strafvordering behandelt (door zich aan te sluiten bij de strafprocedure volgens § 403 en § 404 van het Wetboek van Strafvordering (Strafprozessordnung, StPO)).

* In geval van procedures in verband met echtscheiding wordt de territoriale bevoegdheid geregeld in § 122 van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures (Gesetz über das Verfahren in Familiensachen und in den Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit, FamFG). Daarom is de territoriale bevoegdheid exclusief toegewezen aan de familierechtbank (Familiengericht, die een afdeling is van de kantonrechtbank) van de plaats waar een van de echtgenoten samen met al hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen zijn of haar gewone verblijfplaats heeft (daarmee wordt het werkelijke centrum van hun leven bedoeld). Bestaat bij het instellen van de vordering (dat wil zeggen bij de betekening van het verzoekschrift) niet een dergelijke gewone verblijfplaats in Duitsland samen met alle gemeenschappelijke minderjarige kinderen, dan is de bevoegdheid exclusief toegewezen aan de familierechtbank van de plaats waar een van de echtgenoten gewoonlijk met enkele van de gemeenschappelijke minderjarige kinderen verblijft, mits geen van de gemeenschappelijke kinderen gewoonlijk bij de andere echtgen(o)ot(e) verblijft.

Kan de bevoegdheid niet aan de hand van voorgaande regels worden bepaald, dan is de bevoegdheid exclusief toegewezen aan de familierechtbank van de plaats waar de echtgenoten voor het laatst hun gewone gemeenschappelijke verblijfplaats hadden, wanneer een van de echtgenoten bij het instellen van de vordering (zie hierboven) daar nog zijn of haar gewone verblijfplaats heeft. Is deze voorwaarde evenmin vervuld, dan geldt de basisregel van de gewone verblijfplaats van de tegenpartij, behoudens wanneer hij of zij geen gewone verblijfplaats in Duitsland heeft. In dat geval is de gewone verblijfplaats van de eiser doorslaggevend.

Kan de bevoegdheid evenmin aan de hand daarvan worden bepaald, dan is de bevoegdheid exclusief toegewezen aan de familierechtbank van de kantonrechtbank Berlin-Schöneberg.

* De territoriale bevoegdheid inzake alimentatiezaken is geregeld in § 232 van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures. De rechtbank waar vorderingen over huwelijkszaken in eerste aanleg aanhangig zijn of waren, is exclusief bevoegd voor alimentatie voor echtgenoten en kinderen.

Indien een vordering over huwelijkszaken niet of niet langer aanhangig is, heeft de rechtbank in de plaats waar het kind of de ouder die namens het minderjarige kind mag handelen, zijn of haar gewone verblijfplaats heeft, exclusieve bevoegdheid als het gaat om alimentatiezaken voor een minderjarig of daaraan gelijkgesteld kind. Dit geldt niet wanneer het kind of de ouder zijn of haar gewone verblijfplaats in het buitenland heeft.

Voor alle andere alimentatiezaken (alimentatie voor echtgenoten of kinderen die niet onder de bovengenoemde bepalingen vallen, maar ook alimentatie voor kleinkinderen, ouders of alleenstaande moeders) blijft de algemene regel gelden, namelijk dat de gewone verblijfplaats van de tegenpartij voorrang heeft. Voor bepaalde specifieke gevallen is er ook de forumkeuze als bedoeld in § 232, lid 3, tweede volzin, van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures (punt 1: in geval van een vordering die door een ouder tegen de andere ouder wordt ingesteld op grond van een verplichting tot wettelijke alimentatie uit hoofde van het huwelijk of een verplichting uit hoofde van § 1615l van het Burgerlijk Wetboek, het gerecht waarbij de procedure betreffende de alimentatie van het kind in eerste aanleg aanhangig is gemaakt; punt 2: in geval van een verzoek van een kind dat elk van zijn ouders verzoekt hun alimentatieverplichtingen na te komen, het gerecht dat bevoegd is om kennis te nemen van het tegen een van de ouders ingestelde verzoek; het gerecht waar de eiser zijn gewone verblijfplaats heeft, indien de verweerder geen bevoegde rechtbank op het nationale grondgebied heeft).

* Met betrekking tot het ouderlijk gezag of het omgangsrecht, overeenkomstig § 152 van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures, d.w.z.: Indien een echtscheidingsprocedure aanhangig is, blijft die rechtbank bevoegd. Indien er geen procedure in verband met huwelijkszaken aanhangig is, is de gewone verblijfplaats van het kind doorslaggevend. Het tijdstip dat voor de bepaling van de bevoegdheid in aanmerking komt, is dat waarop de vordering bij de rechtbank wordt ingesteld.

* De territoriale bevoegdheid in niet-contentieuze procedures is zeer divers, aangezien deze zaken doorgaans niet worden gekenmerkt door vorderingen tussen partijen, maar veeleer betrekking hebben op rechtsbijstand.

Voor zover een zaak betrekking heeft op een natuurlijke persoon, is de gewone verblijfplaats van die persoon in het algemeen bepalend, tenzij uit de noodzaak om op te treden een ander territoriaal aanknopingspunt blijkt. Dit is in geval van curatorschap geregeld in § 272 van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures, in geval van plaatsing, in § 313 van die wet en, in geval van vrijheidsbeneming, in § 416 van die wet.

In het geval van rechtspersonen (bv. naamloze vennootschap, vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, geregistreerde vereniging) of verenigingen van personen die in het procesrecht als zodanig worden behandeld (bv. vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap), wordt de bevoegdheid bepaald door de zetel van de vereniging of vennootschap in een rechtsbijstandszaak, bijvoorbeeld in het kader van een registratieprocedure of een procedure op het gebied van ondernemingsrecht. Wanneer een natuurlijke persoon optreedt als individuele ondernemer, is de plaats van vestiging doorslaggevend. De regels voor territoriale bevoegdheid inzake registratie en procedures op het gebied van ondernemingsrecht zijn vastgelegd in § 376 en § 377 van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures, in voorkomend geval in samenhang met de bepalingen van het recht van de deelstaat.

Het gerecht dat bevoegd is om kennis te nemen van een erfopvolging is in de regel het gerecht in het rechtsgebied waarvan de overledene zijn laatste gewone verblijfplaats had, § 343, lid 1, van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures. In bepaalde gevallen kunnen uit § 343, lid 2 of 3, of § 344 van die wet verschillende bevoegdheden voortvloeien. In dit verband moet met name worden verwezen naar § 344, lid 7, van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures, op grond waarvan een erfgenaam die niet zijn gewone verblijfplaats heeft in het rechtsgebied van het bevoegde gerecht van de erfopvolging, ook bij het gerecht van de erfopvolging in het rechtsgebied waarvan hij zijn gewone verblijfplaats heeft, de erfopvolging kan verwerpen of andere verklaringen betreffende het openen van een nalatenschap kan afleggen.

In kadastrale zaken is de kantonrechtbank bevoegd als kadastrale instantie in het rechtsgebied waar het betreffende onroerend goed is gelegen. De territoriale bevoegdheid voor kadastrale zaken wordt geregeld in § 1 van de Wet op grondbezit, in voorkomend geval in samenhang met de bepalingen van het recht van de deelstaat.

2.2.2.2 Wanneer moet ik kiezen voor een andere rechtbank dan die van de woonplaats van de verweerder (aangewezen door de basisregel)?

Wanneer een wet uitdrukkelijk exclusieve bevoegdheid aan een rechtbank toewijst, heeft die rechtbank voorrang boven alle andere rechtbanken, dat wil zeggen dat de vordering slechts bij die exclusief bevoegde rechtbank op ontvankelijke wijze kan worden ingesteld. Uitsluitende territoriale rechtsmacht wordt vastgelegd door het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, maar ook door bijzondere wetten, zoals de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures (zie bijvoorbeeld § 122 van die wet). Voorbeelden van uitsluitende territoriale rechtsmacht op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn:

Wanneer een vordering verband houdt met een onroerend goed of de rechten daarop (bijvoorbeeld pacht), heeft in bepaalde gevallen de rechtbank van de plaats waar het onroerend goed is gelegen, exclusieve territoriale bevoegdheid. Het gaat om vorderingen in verband met eigendom of onroerende lasten, geschillen over de vrijstelling van onroerende lasten, bezitsvorderingen en vorderingen in verband met afpaling of verdeling (§ 24 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

* De exclusieve territoriale bevoegdheid voor geschillen in verband met huur of pacht van onroerende goederen of over het bestaan van dergelijke overeenkomsten is toegewezen aan de rechtbank van de plaats waar het gehuurde of gepachte goed is gelegen (§ 29 bis, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Deze regel is niet van toepassing op de verhuring van woonruimten voor tijdelijk gebruik (vakantiewoningen, hotelkamers enz.), gemeubileerde ruimten voor één huurder en huizen en ruimten voor de uitvoering van publieke taken (§ 29 bis, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

* De exclusieve bevoegdheid voor vorderingen tot vergoeding van milieuschade tegen de eigenaar van een in Duitsland gevestigde installatie is toegewezen aan de rechtbank waar de door de installatie veroorzaakte milieuschade zich heeft voorgedaan (§ 32 bis, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

* In geval van schadevergoedingsprocedures vanwege onjuiste of misleidende openbare informatie over kapitaalmarkten of vanwege nalatigheid om zulke informatie aan het publiek bekend te maken, of vanwege de uitvoering van een contract op basis van inschrijvingen krachtens de Wet op de aankoop en overname van effecten (Wertpapiererwerbs- und Übernahmegesetz), is exclusief de rechtbank bevoegd die zich bevindt in de plaats van de zetel van de betrokken uitgevende instelling, of van de betrokken aanbieder van andere kapitaalinvesteringen, of van de doelvennootschap, wanneer deze zetel is gelegen in Duitsland en de vordering ten minste ook tegen de uitgevende instelling, de aanbieder of de beoogde onderneming is gericht (§ 32 ter, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

* De exclusieve bevoegdheid voor schuldvorderingsprocedures in verband met het betalingsbevel (Mahnverfahren) is toegewezen aan de kantonrechtbank die de algemeen bevoegde rechtbank van de eiser is, doorgaans de kantonrechtbank van zijn woonplaats of, in geval van een rechtspersoon, de plaats van zijn zetel (§ 689, lid 2, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Indien er voor de eiser in Duitsland geen rechtbank algemeen bevoegd is, heeft de Wedding-kantonrechtbank in Berlijn exclusieve bevoegdheid. Dit geldt zelfs wanneer andere wetgeving in een andere exclusieve bevoegdheid voorziet.

* De exclusieve bevoegdheid in verband met gedwongen tenuitvoerlegging is toegewezen aan de kantonrechtbank van de plaats waar de gedwongen tenuitvoerlegging zal plaatsvinden of heeft plaatsgevonden (§ 764, lid 2, en § 802 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In geval van de tenuitvoerlegging van vorderingen en andere vermogensrechten is de kantonrechtbank van de verblijfplaats van de schuldenaar bevoegd (§ 828, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De exclusieve bevoegdheid in verband met de openbare verkoop van onroerende goederen of de aanwijzing van een sekwester is, in haar hoedanigheid van uitvoerende rechtbank, toegewezen aan de kantonrechtbank van de plaats waar het onroerend goed is gelegen (§ 1, lid 1, en § 146 van de Wet op de openbare verkoop en de aanwijzing van een sekwester (Gesetz über die Zwangsversteigerung und die Zwangsverwaltung, ZVG) en § 802 en § 869 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Indien een derde beweert dat het recht te hebben om te voorkomen dat een voorwerp waarop gedwongen tenuitvoerlegging van toepassing is, wordt verkocht, is de rechtbank van de plaats waar de gedwongen tenuitvoerlegging haar beslag krijgt, exclusief bevoegd (§ 771, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

* Wanneer een verbintenis alleen kan worden nagekomen door de partij op wie de verbintenis rust (het gaat om een unvertretbare Handlung), is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd voor de tenuitvoerlegging ervan, ongeacht of het gaat om een verbintenis om iets te doen, iets toe te staan of iets na te laten (§ 894, § 895, § 888 en § 890 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De rechtbank van eerste aanleg is ook bevoegd voor bezwaarschriften tegen een vordering waarvan de betwisting is geëindigd (§ 767, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

2.2.2.3 Mogen de partijen zelf een rechtbank aanwijzen die normaal gezien niet bevoegd zou zijn?

a) Overeenkomsten

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorziet in de mogelijkheid een forumkeuzebeding te sluiten. Krachtens § 38, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een rechtbank die normaal gezien niet materieel of territoriaal bevoegd zou zijn, door een uitdrukkelijk of stilzwijgend akkoord tussen de partijen bevoegd worden. Deze overeenkomst kan slechts gesloten worden tussen kooplieden, rechtspersonen van publiek recht of bijzondere fondsen van publiek recht. Een overeenkomst over de bevoegdheid van een rechtbank van eerste aanleg is ook mogelijk wanneer minstens een van de partijen bij de overeenkomst geen algemeen bevoegde rechtbank in Duitsland heeft (§ 38, lid 2, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In het laatste geval moet de overeenkomst schriftelijk worden gesloten of, indien zij mondeling werd gesloten, schriftelijk worden bevestigd. Heeft een van de partijen een algemeen bevoegde rechtbank in Duitsland, dan kan voor Duitsland slechts een rechtbank worden gekozen die voor die partij de algemeen bevoegde rechtbank is of waaraan een bijzondere bevoegdheid is toegewezen.

Krachtens § 38, lid 3, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een forumkeuzebeding in andere gevallen slechts toelaatbaar wanneer het uitdrukkelijk en schriftelijk gesloten is nadat het geschil is gerezen of, wanneer het gesloten is voor het geval dat de toekomstige verweerder na het sluiten van de overeenkomst zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in het buitenland zal vestigen of dat zijn woonplaats of gewone verblijfplaats bij het instellen van de vordering niet bekend is.

Voor een forumkeuzebeding is steeds vereist dat het betrekking heeft op een bepaalde rechtsverhouding en de geschillen die daaruit kunnen voortvloeien; zo niet, dan kan het niet worden toegepast (§ 40, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Een forumkeuzebeding kan evenmin worden toegepast wanneer het betrekking heeft op andere dan vermogensrechtelijke vorderingen waarvoor de kantonrechtbank bevoegd is, ongeacht de waarde van de vordering (§ 40, lid 2, punt 1,van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Een forumkeuzebeding is evenmin mogelijk wanneer bij wet exclusieve bevoegdheid aan een rechtbank is toegewezen (§ 40, lid 2, punt 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Een geldig forumkeuzebeding is bindend voor de rechtbanken. Het antwoord op de vraag of is overeengekomen dat de rechtbank exclusief bevoegd is, hangt af van de inhoud van de overeenkomst.

b) Zitting waarbij geen exceptie van onbevoegdheid wordt opgeworpen

De bevoegdheid van een rechtbank van eerste aanleg kan voorts gebaseerd zijn op het feit dat de verweerder zich mondeling verweert in verband met de grond van de zaak, zonder een exceptie van onbevoegdheid op te werpen (§ 39 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Bij procedures voor de kantonrechtbanken ontstaat dit rechtsgevolg pas wanneer de kantonrechtbank hierop heeft gewezen (§ 504 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

De bevoegdheid kan echter niet worden gebaseerd op het feit dat de verweerder zich verweert in verband met de grond van de zaak zonder een exceptie van onbevoegdheid op te werpen, in die gevallen waarin een forumkeuzebeding niet kon worden toegepast, § 40, lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (zie hierboven; namelijk andere dan vermogensrechtelijke vorderingen en exclusieve bevoegdheden).

3 Als een gespecialiseerde rechtbank bevoegd is, hoe kan ik dan te weten komen tot welke rechtbank ik mij moet wenden?

De bijzondere bevoegdheid van de arbeidsrechtbank bestaat niet uitsluitend ten aanzien van de materiële bevoegdheid krachtens § 2 en § 3 van de Wet op de arbeidsrechtbanken.

Ook ten aanzien van de territoriale bevoegdheid geldt die bijzondere bevoegdheid. Voor gerechtelijke procedures in de zin van § 2 van de Wet op de arbeidsrechtbanken verwijzen wij in de eerste plaats naar de algemene regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, namelijk § 46, lid 2, eerste volzin, van de Wet op de arbeidsrechtbanken. De regels inzake territoriale bevoegdheid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn derhalve van toepassing. In § 48, lid 1, punt a, van de Wet op de arbeidsrechtbanken is echter een bijzondere bevoegdheid vastgelegd voor de rechtbank van plaats van arbeid, waar de zaak aanhangig kan worden gemaakt. De algemene regels (zie punt 2.2.2.3) hebben betrekking op forumkeuzebedingen. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat voor bepaalde geschillen de sociale partners op grond van § 48, lid 2, van de Wet op de arbeidsrechtbanken, het recht hebben om de bevoegdheid van een rechtbank die op zich niet territoriaal bevoegd is, vast te stellen zonder § 38 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in acht te nemen.

Voor procedures die leiden tot een bevel in de zin van § 2 bis van de Wet op de arbeidsrechtbanken, wordt in § 82, lid 1, van deze wet bepaald dat de rechtbank van de plaats of de zetel van de onderneming exclusief bevoegd is.

Een technisch/inhoudelijk probleem melden of feedback geven op deze pagina