1 Wat zijn de voorwaarden voor een echtscheiding?
Volgens § 1564, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek (Bürgerliches Gesetzbuch), kunnen echtgenoten alleen door een uitspraak van de rechter van elkaar scheiden, op verzoek van één echtgeno(o)t(e) of beide echtgenoten.
Een echtscheiding is mogelijk als het huwelijk is ontwricht is (§ 1565, lid 1, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek). Van ontwrichting van het huwelijk is sprake als de echtgenoten niet meer als gehuwden samenwonen en niet te verwachten valt dat daar nog verandering in komt (§ 1565, lid 1, tweede volzin, van het Burgerlijk Wetboek). Het gaat daarbij om de huidige staat van het huwelijk en de prognose voor de toekomst. Wanneer de echtgenoten nog geen jaar uit elkaar zijn, kan het huwelijk slechts worden ontbonden indien voortzetting van het huwelijk voor de verzoeker van de echtscheiding onredelijk bezwarend zou zijn vanwege redenen die met de andere echtgeno(o)t(e) te maken hebben (§ 1565, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek). De wetgever heeft de volgende onweerlegbare aannamen voor de ontwrichting van het huwelijk geformuleerd:
- de echtgenoten zijn al een jaar uit elkaar en beide echtgenoten doen een verzoek om echtscheiding, of de verweerder stemt in met de echtscheiding (§ 1566, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek);
- de echtgenoten zijn al drie jaar uit elkaar (§ 1566, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek).
De echtgenoten zijn uit elkaar als ze geen gezamenlijke huishouding meer voeren en een echtgeno(o)t(e) ook duidelijk niet meer naar die situatie terug wil, omdat hij of zij niet langer met de ander als gehuwde wil samenwonen (§ 1567, lid 1, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek).
2 Welke echtscheidingsgronden bestaan er?
Ontwrichting van het huwelijk is de enige reden die in Duitsland als echtscheidingsgrond wordt erkend. Of een van de echtgenoten “schuldig” is aan de ontwrichting van het huwelijk, is niet relevant.
3 Wat zijn de juridische gevolgen van een echtscheiding als het gaat om:
3.1 de persoonlijke relatie tussen de echtgenoten (bijvoorbeeld de achternaam)?
De gescheiden echtgeno(o)t(e) houdt de na het huwelijk gevoerde naam aan (§ 1355, lid 5, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek). Ook kunnen zij door een verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand aangeven dat zij hun eigen naam of hun vóór het huwelijk gevoerde naam weer willen gebruiken. Zij kunnen hun eigen naam tevens voor of achter de naam plaatsen die zij tijdens hun huwelijk hadden (§ 1355, lid 5, tweede volzin, van het Burgerlijk Wetboek).
3.2 de verdeling van het vermogen van de echtgenoten?
3.2.1 Toewijzing van de woning en de inboedel:
In beginsel is op grond van § 1568a van het Burgerlijk Wetboek het volgende van toepassing als het gaat om de gemeenschappelijke woning na de echtscheiding: de echtgeno(o)t(e) die het meest op het gebruik van de woning is aangewezen, kan van de andere echtgeno(o)t(e) verlangen dat deze de woning aan hem of haar overlaat. In dit verband moet rekening worden gehouden met het belang van de kinderen die deel uitmaken van het huishouden en met de omstandigheden van beide echtgenoten; de toewijzing kan echter ook om andere redenen het billijkheidsbeginsel volgen.
In het geval van een huurwoning neemt de echtgeno(o)t(e) aan wie de woning is toegewezen de huurovereenkomst over die is aangegaan door de echtgeno(o)t(e) die verplicht is de woning aan de ander over te dragen, of wordt hij of zij alleen verantwoordelijk voor een huurovereenkomst die is aangegaan door beide echtgenoten (§ 1568a, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek).
In geval van woningbezit geldt het volgende:
- als slechts een van de echtgenoten, alleen of samen met een derde, eigenaar van de voormalige woning is, heeft de andere echtgeno(o)t(e) slechts in uitzonderlijke gevallen recht op toewijzing daarvan, met name wanneer het noodzakelijk is om onbillijk bezwarende omstandigheden te voorkomen (zie § 1568a, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek);
- als de woning gezamenlijk eigendom is van beide echtgenoten, zijn de aan het begin van § 1568a van het Burgerlijk Wetboek genoemde beginselen van toepassing.
In beide gevallen hebben zowel de echtgeno(o)t(e) die recht heeft op toewijzing van de woning als de persoon die recht heeft op overname van een huurovereenkomst, het recht om de totstandkoming van een huurovereenkomst tegen de lokaal gebruikelijke voorwaarden te eisen.
Wat betreft de inboedel wordt onderscheid gemaakt tussen huishoudelijke voorwerpen die het gemeenschappelijke eigendom van de echtgenoten zijn, en huishoudelijke voorwerpen die slechts aan een van hen toebehoren. Krachtens § 1568b van het Burgerlijk Wetboek kan de echtgeno(o)t(e) die het meest op het gebruik van de inboedel is aangewezen, van de andere echtgeno(o)t(e) verlangen dat deze de inboedel aan hem of haar toewijst en overdraagt. Net als in het geval van de gemeenschappelijke woning (§ 1568a van het Burgerlijk Wetboek) moet rekening worden gehouden met de belangen van de kinderen die deel uitmaken van het huishouden en met de omstandigheden van de echtgenoten, waarbij de toewijzing en overdracht ook om andere redenen het billijkheidsbeginsel kunnen volgen.
De rechtsgevolgen zijn als volgt:
- in geval van gezamenlijke inboedel kan de echtgeno(o)t(e) die de eigendom van inboedel overdraagt op grond van § 1568b, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek hiervoor een passende vergoeding eisen (§ 1568b, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek);
- in geval van huishoudelijke voorwerpen van een inboedel die het eigendom van één echtgeno(o)t(e) zijn, kan de andere echtgeno(o)t(e) daarop geen aanspraak maken.
3.2.2 Vereffening van de vermogensaanwas:
Naar Duits recht leven echtgenoten onder het vermogensstelsel van gemeenschap van vermogensaanwas, tenzij zij anders overeenkomen in huwelijkse voorwaarden (§ 1363, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek). De vermogensbestanddelen van de respectieve echtgenoten worden geen gemeenschappelijk vermogen. Krachtens § 1363, lid 2, tweede volzin, van het Burgerlijk Wetboek worden de gedurende het huwelijk door de echtgenoten verworven aanwinsten echter vereffend als de gemeenschap van vermogensaanwas eindigt.
In het geval van echtscheiding wordt de vermogensaanwas vereffend overeenkomstig §§ 1373 tot en met 1390 van het Burgerlijk Wetboek.
De “vermogensaanwas” is het verschil tussen de waarde van het eindvermogen van een echtgeno(o)t(e) en die van het aanvangsvermogen (§ 1373 van het Burgerlijk Wetboek).
Onder “aanvangsvermogen” wordt verstaan de vermogensbestanddelen die aan het begin van het vermogensstelsel aan een echtgenoot toebehoren, na aftrek van de passiva (§ 1374, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek). Overeenkomstig § 1374, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek omvat dit (na aftrek van de verplichtingen) de vermogensbestanddelen die een echtgenoot verwerft na aanvang van het vermogensstelsel en gedurende het huwelijk, als gevolg van overlijden of met betrekking tot een toekomstige aanspraak op een nalatenschap, door schenking of als voorschotten, voor zover deze in de gegeven omstandigheden niet als inkomsten moeten worden beschouwd (“preferent aanvangsvermogen”).
Onder “eindvermogen” wordt verstaan de vermogensbestanddelen die aan het einde van het vermogensstelsel aan een echtgenoot toebehoren, na aftrek van de verplichtingen (§ 1375, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek). Bij de berekening van het eindvermogen wordt geen rekening gehouden met “niet-loyale afbouw van de vermogensbestanddelen”. Dit betekent dat de uiteindelijke vermogensbestanddelen worden verhoogd met het bedrag waarmee de vermogensbestanddelen werden verminderd als gevolg van een dergelijke niet-loyale afbouw van de vermogensbestanddelen (§ 1375, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek). De relevante referentiedatum voor de berekening van het eindvermogen is de datum waarop het verzoek tot echtscheiding aanhangig wordt gemaakt bij de rechter (§ 1384 van het Burgerlijk Wetboek).
Volgens § 1378, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek is, indien de vermogensaanwas van de ene echtgeno(o)t(e) groter is dan de vermogensaanwas van de andere echtgeno(o)t(e), de helft van het verschil aan de andere echtgeno(o)t(e) verschuldigd als een vereffeningsvordering, met als doel dat een geldsom wordt betaald.
In uitzonderlijke gevallen en op verzoek van de schuldeiser kan de familierechter gelasten dat individuele vermogensbestanddelen worden overgedragen aan de echtgeno(o)t(e) die recht heeft op vereffening (§ 1383 van het Burgerlijk Wetboek). Dit is evenwel alleen mogelijk als:
- dit noodzakelijk is om ernstige mate van ongelijkheid te voorkomen voor de echtgeno(o)t(e) die recht heeft op vereffening; en
- dit redelijkerwijs van de persoon die de vereffeningsvordering moet voldoen, kan worden verlangd.
De waarde van deze overgedragen vermogensbestanddelen wordt met de vereffeningsvordening verrekend.
De bepalingen van §§ 1373 tot en met 1390 van het Burgerlijk Wetboek inzake de vereffening van de vermogensaanwas zijn niet van toepassing indien de echtgenoten bij notariële akte hebben gekozen voor een van de volgende vermogensstelsels (§ 1410 van het Burgerlijk Wetboek):
- scheiding van goederen (§ 1414 van het Burgerlijk Wetboek);
- gemeenschap van goederen (§§ 1415 tot en met 1518 van het Burgerlijk Wetboek);
- facultatief vermogensstelsel van de gemeenschap van vermogensaanwas (§ 1519 van het Burgerlijk Wetboek).
3.2.3 Gevolgen voor de pensioenen van de echtgenoten
Ook de rechten die de echtgenoten tijdens het huwelijk hebben opgebouwd (bv. in het kader van de wettelijke pensioenregeling, de pensioenregeling voor ambtenaren, een beroepspensioenregeling, bedrijfspensioenregeling of particuliere ouderdoms- en invaliditeitspensioenregeling), worden in het geval van een echtscheiding elk door middel van de verevening van de pensioenrechten voor de helft verdeeld. Dit zorgt ervoor dat beide echtgenoten de rechten die zij tijdens hun huwelijk hebben verkregen, gelijk onder elkaar verdelen en dat iedere echtgeno(o)t(e) eigen pensioenrechten ontvangt.
3.3 de minderjarige kinderen uit het huwelijk?
3.3.1 Ouderlijk gezag
Wanneer beide echtgenoten het ouderlijk gezag over hun kinderen hebben, blijft dit ook na een echtscheiding het geval. Het ouderlijk gezag van beide ouders kan alleen worden opgeheven als het welzijn van het kind in gevaar is of een van de ouders het ouderlijk gezag geheel of gedeeltelijk alleen wil uitoefenen en daartoe een verzoek bij de familierechter heeft ingediend. Een dergelijk verzoek moet worden ingewilligd indien de andere ouder daarmee instemt en het kind van ten minste 14 jaar geen bezwaar maakt of als aan te nemen valt dat het in het belang van het kind is wanneer het ouderlijk gezag niet langer door beide ouders, maar slechts door één ouder wordt uitgeoefend (zie § 1671, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek).
Het kind heeft een omgangsrecht; beide ouders hebben het recht en de plicht om contacten te onderhouden met het kind (§ 1684, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek). Het Duitse recht gaat er in het algemeen van uit dat het in het belang van het kind is om contacten te onderhouden met beide ouders. Dit geldt ongeacht op welke wijze het ouderlijk gezag is geregeld. Het omgangsrecht wordt doorgaans pas na echtscheiding of scheiding van tafel en bed door de rechter bepaald als een van de partijen bij de procedure daartoe een verzoek indient. Het gerecht kan echter ook ambtshalve omgangsregelingen vaststellen indien dit noodzakelijk is om redenen die verband houden met het welzijn van het kind.
3.3.2 Onderhoudsvorderingen
Ouders zijn verplicht om in het levensonderhoud van hun kinderen te voorzien (§ 1601 van het Burgerlijk Wetboek). Kinderen hebben er recht op dat hun ouders in hun levensonderhoud voorzien als zij daar zelf niet toe in staat zijn (§ 1602 van het Burgerlijk Wetboek). De onderhoudsplicht is afhankelijk van de financiële mogelijkheden die de ouders hebben (§ 1603 van het Burgerlijk Wetboek). De onderhoudsplicht van de ouders met betrekking tot kinderen die deel uitmaken van het huishouden en die minderjarig zijn of jonger zijn dan 21 jaar, wordt echter ruim opgevat, d.w.z. wat de draagkracht betreft, wordt niet alleen rekening gehouden met het inkomen waarover de ouders daadwerkelijk beschikken, maar is vooral het inkomen waarover zij in theorie zouden kunnen beschikken maatgevend (§ 1603, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek). In beginsel moeten beide ouders naar draagkracht in de kosten van het levensonderhoud van de kinderen voorzien. Neemt een ouder de zorgtaak voor de kinderen op zich, dan voldoet hij of zij daarmee in de regel evenwel aan zijn of haar financiële verplichtingen wat betreft de zorg en opvoeding van het kind (§ 1606, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek). Na de echtscheiding van de ouders is dan ook doorgaans alleen de ouder bij wie het kind niet woont, verplicht om het kind financieel te onderhouden (§ 1612a, lid 1, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek).
De kosten van levensonderhoud omvatten alles wat het kind nodig heeft, ook de kosten voor een passende opleiding (§ 1610 van het Burgerlijk Wetboek).
3.4 de verplichting om alimentatie te betalen aan de andere echtgenoot?
Na een echtscheiding moet de ex-echtgeno(o)t(e) zelf in het eigen levensonderhoud voorzien (§ 1569 van het Burgerlijk Wetboek). Hieruit volgt dat zij passend betaald werk moeten hebben (§ 1574, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek). Om passend betaald werk te vinden, moeten zij verplicht een opleiding volgen of zich bij of om laten scholen. Daarbij moet er wel van kunnen worden uitgegaan dat de opleiding of cursus ook met succes zal kunnen worden afgerond (§ 1574, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek).
In de volgende gevallen moet evenwel alimentatie worden betaald:
- de ex-echtgeno(o)t(e) kan door de verzorging van de kinderen waarover zij het gezag gezamenlijk uitoefenen (§ 1570 van het Burgerlijk Wetboek) of door ziekte, lichamelijke gebreken of beperkte verstandelijke vermogens (§ 1572 van het Burgerlijk Wetboek) geen betaald werk verrichten;
- de ex-echtgeno(o)t(e) heeft op een bepaald moment een leeftijd bereikt waarop hij of zij geen betaald werk meer kan verrichten, in het bijzonder op het moment van de scheiding of wanneer hij of zij niet langer verantwoordelijk is voor de zorg voor of opvoeding van een gemeenschappelijk kind (§ 1571 van het Burgerlijk Wetboek);
- de ex-echtgeno(o)t(e) volgt een opleiding of laat zich om- of bijscholen omdat hij of zij daartoe tijdens het huwelijk niet in de gelegenheid was. Voorwaarde hiervoor is wel dat de ex-echtgeno(o)t(e) zo snel mogelijk met de opleiding of bij- en omscholing begint en het een en ander ook zo snel mogelijk afrondt om naar passend betaald werk te zoeken waarmee in het eigen levensonderhoud kan worden voorzien (§ 1575 van het Burgerlijk Wetboek);
- de ex-echtgeno(o)t(e) vindt na de echtscheiding geen passend betaald werk (§ 1573, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek);
- de ex-echtgeno(o)t(e) kan om andere zwaarwegende redenen geen betaald werk verrichten en het is ook in het licht van de belangen van de andere echtgeno(o)t(e) onredelijk om hem of haar geen alimentatie toe te kennen (§ 1576 van het Burgerlijk Wetboek);
- de ex-echtgeno(o)t(e) verdient ondanks passend betaald werk niet genoeg om in zijn of haar levensonderhoud te voorzien (§ 1573, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek).
Bij de berekening van de alimentatie wordt uitgegaan van de levensomstandigheden tijdens het huwelijk. Premies voor een normale ziektekosten-, en zorgverzekering, en in bepaalde omstandigheden ook voor een ouderdoms- en arbeidsongeschiktheidsverzekering, vallen onder de alimentatieplicht (§ 1578 van het Burgerlijk Wetboek). Indien de onderhoudsplichtige echtgeno(o)t(e) ook nog andere financiële verplichtingen heeft en met zijn of haar inkomen en vermogen door de te betalen alimentatie niet meer in het eigen levensonderhoud kan voorzien, hoeft alleen zoveel te worden betaald als in het licht van de behoeften, het inkomen en het vermogen van de ex-echtgenoten billijk is (§ 1581, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek). In ieder geval moet geen afbreuk worden gedaan aan de behoeften van de echtgeno(o)t(e) die onderhoudsplichtig is, waarbij deze behoeften gebaseerd zijn op de levensomstandigheden tijdens het huwelijk.
De alimentatie kan worden verminderd en/of worden verkort wanneer onbeperkte doorbetaling van alimentatie onbillijk zou zijn (§ 1578b van het Burgerlijk Wetboek). De mogelijkheid van een beperking/verkorting op grond van § 1578b van het Burgerlijk Wetboek heeft in het bijzonder betrekking op §§ 1570 tot en met 1573 van het Burgerlijk Wetboek; volgens § 1570 van het Burgerlijk Wetboek leiden de overwegingen van billijkheid die nodig zijn om de alimentatie voor de verzorging van het kind na diens derde verjaardag — vanwege redenen die met het kind of de ouders te maken hebben — te verlengen, tot een speciale verkortingsregeling.
De belangen van het kind van de echtgenoten dat is toevertrouwd aan de echtgeno(o)t(e) die recht heeft op alimentatie voor zorg of opvoeding, moeten bij de afweging krachtens § 1578b van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking worden genomen. Daarnaast moet worden bekeken in hoeverre een echtgeno(o)t(e) als gevolg van het huwelijk minder goed in zijn of haar onderhoud kan voorzien. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inkomen van de echtgeno(o)t(e) die recht op alimentatie heeft, lager is dan het zou zijn geweest als hij of zij niet in het huwelijk was getreden. Volgens § 1578b, lid 1, derde volzin, van het Burgerlijk Wetboek kan een dergelijk lager inkomen het gevolg zijn van de zorg voor een kind en van het combineren van huishoudelijke taken en betaald werk. Bij het beoordelen van al deze nadelen die door het huwelijk zijn veroorzaakt, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het specifieke individuele geval, waaronder de duur van het huwelijk.
4 Wat betekent "scheiding van tafel en bed” in de praktijk?
“Scheiding van tafel en bed” is niet aan formaliteiten gebonden. In §§ 1361 tot en met 1361b van het Burgerlijk Wetboek zijn specifieke regels opgenomen over de duur van het uit elkaar zijn (zie vraag 6).
5 Wat zijn de gronden voor een “scheiding van tafel en bed”?
Voorwaarde is dat de echtgenoten uit elkaar zijn. De echtgenoten zijn uit elkaar als zij geen gezamenlijke huishouding meer voeren en een van hen ook duidelijk niet meer naar die situatie terug wil, omdat hij of zij niet langer met de ander als gehuwde wil samenwonen. De echtelijke relatie bestaat ook niet meer als de echtgenoten gescheiden wonen in de echtelijke woning (§ 1567, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek).
6 Wat zijn de juridische gevolgen van een “scheiding van tafel en bed”?
Wanneer het echtpaar uit elkaar is of uit elkaar wil gaan, kan een van beide echtgenoten eisen dat de andere echtgeno(o)t(e) de echtelijke woning, of een deel daarvan voor uitsluitend gebruik toewijst, als het verlaten van de woning onredelijk bezwarend zou zijn (§ 1361b van het Burgerlijk Wetboek). Indien de echtgeno(o)t(e) die dit verzoek ontvangt, op onrechtmatige en opzettelijke wijze de andere echtgeno(o)t(e) fysiek letsel, schade aan de gezondheid of vrijheidsbeneming berokkent, dan wel op onwettige wijze dreigt met dergelijk letsel of dergelijke schade of vrijheidsbeneming, of de andere echtgenoot met de dood bedreigt, wordt de gezamenlijke woning in het algemeen voor uitsluitend gebruik toegewezen.
De toewijzing van inboedel kan ook worden geregeld wanneer echtgenoten gescheiden leven (§ 1361b van het Burgerlijk Wetboek). Elk van beide echtgenoten kan van de ander verlangen dat deze de inboedel overhandigt die aan hem/haar toebehoort. Wanneer de andere echtgeno(o)t(e) deze voorwerpen evenwel voor zijn of haar nieuwe afzonderlijke huishouding nodig heeft en het in deze specifieke situatie billijk is dat zij daar blijven (bv. overdracht van de wasmachine aan de echtgeno(o)t(e) bij wie de kinderen wonen), moeten worden toegestaan dat de andere echtgeno(o)t(e) deze gebruikt. Voorwerpen die tot de inboedel behoren die gezamenlijk eigendom zijn van de echtgenoten worden onder hen verdeeld in overeenstemming met de billijkheidsbeginselen. Tenzij door de echtgenoten anders is overeengekomen, laat dit evenwel de eigendom van de inboedel onverlet.
Bovendien geldt dat wanneer de echtgenoten uit elkaar zijn, de ene echtgeno(o)t(e) van de andere mag verlangen dat hij of zij alimentatie betaalt die past bij de levensstandaard en de inkomens- en vermogenssituatie van de echtgenoten, in overeenstemming met § 1361 van het Burgerlijk Wetboek. In een dergelijk geval is er sprake van huwelijkse solidariteit die ervoor moet zorgen dat echtgenoten als gevolg van een scheiding van tafel en bed niet op hulp raken aangewezen. Daarbij biedt dit de echtgenoten ook de mogelijkheid om weer als gehuwden samen te leven, ongeacht economische beperkingen. De echtgenoten zijn dus nog steeds in relatief grote mate voor elkaar verantwoordelijk en daarom bestaan er slechts beperkte vereisten voor economische zelfstandigheid en de verplichting om zelf de kost te verdienen. Een echtgeno(o)t(e) die apart woont, heeft recht op alimentatie als deze persoon niet via zijn of haar inkomen en vermogen in zijn of haar behoeften kan voorzien.
7 Wat betekent “nietigverklaring van het huwelijk" in het huwelijk in de praktijk?
Er bestaat binnen het Duitse huwelijksvermogensrecht geen “nietigverklaring van het huwelijk”.
Volgens § 1303, tweede volzin, van het Burgerlijk Wetboek kan een huwelijk echter niet effectief worden aangegaan met een persoon die de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt. In dergelijke gevallen kan de familierechter de ongeldigheid van het huwelijk vaststellen.
Een huwelijk kan wel op verzoek bij een rechterlijke beslissing worden opgeheven (§§ 1313 e.v. van het Burgerlijk Wetboek).
Procedures die gericht zijn op het opheffen van een huwelijk of de vaststelling dat een huwelijk ongeldig is, komen in de praktijk zelden voor.
8 Wat zijn de gronden voor nietigverklaring van het huwelijk?
Een huwelijk kan worden opgeheven vanwege schendingen van het recht of wilsgebrek bij de huwelijkssluiting. Een uitputtende lijst van gronden is vermeld in § 1314 van het Burgerlijk Wetboek.
9 Wat zijn de juridische gevolgen van de nietigverklaring van het huwelijk?
Een huwelijk wordt ontbonden wanneer de desbetreffende beslissing definitief en bindend wordt (§ 1313, tweede volzin, van het Burgerlijk Wetboek). De gevolgen van het opheffen van het huwelijk worden slechts ten dele bepaald door de bepalingen inzake echtscheiding (in de gevallen bedoeld in § 1318 van het Burgerlijk Wetboek).
10 Bestaan er alternatieve mogelijkheden om problemen die samenhangen met een echtscheiding op te lossen, zonder dat de rechter wordt ingeschakeld?
In het geval van een echtscheiding kunnen ouders bij de bureaus voor kinder- en jeugdzorg (Jugendamt) aankloppen. Ouders die uit elkaar zijn of een echtscheiding achter de rug hebben, krijgen hier advies over de manier waarop verder goed voor de kinderen kan worden gezorgd. In gezamenlijk overleg met de ouders wordt een plan voor de uitoefening van het ouderlijk gezag uitgewerkt. De kinderen zelf worden hierbij zoveel mogelijk betrokken. Een databank met alle adviescentra is te vinden onder https://www.dajeb.de/. Daarnaast kan de hulp worden ingeroepen van een bemiddelaar om eventuele conflicten in der minne te schikken. Meer informatie over echtscheidingsbemiddeling (“mediation”) is te vinden onder https://www.bafm-mediation.de/.
11 Waar moet het verzoek tot echtscheiding/scheiding van tafel en bed/nietigverklaring van het huwelijk worden ingediend? Aan welke formaliteiten moet worden voldaan en welke documenten moeten bij het verzoek worden gevoegd?
Het Duitse recht kent enkel de mogelijkheden van ontbinding van een huwelijk (echtscheiding), opheffing van een huwelijk of vaststelling van het bestaan of niet-bestaan van een huwelijk (§ 121 van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures (Gesetz über das Verfahren in Familiensachen und in den Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit).
Verzoeken in huwelijkszaken moeten in het algemeen worden ingediend bij de afdelingen familierecht van de plaatselijke rechtbanken (familierechtbanken) (§ 23b van de Wet inzake oprichting van de rechtbanken (Gerichtsverfassungsgesetz), § 111, lid 1, en § 121 van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures). De geografische bevoegdheid is gebaseerd op § 122 van deze wet. De echtgenoten zijn verplicht zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat (§ 114 van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures).
12 Kan ik in aanmerking komen voor rechtsbijstand om de kosten van de procedure te dekken?
U kunt voor een zaak voor de familierechtbank rechtsbijstand krijgen wanneer u in een zodanige persoonlijke of financiële situatie verkeert dat u de proceskosten niet, slechts ten dele of alleen in termijnen kunt opbrengen. Voorwaarde hiervoor is wel dat u een goede kans van slagen met het proces en geen kwaadaardige bedoelingen hebt. Ook mensen met lage inkomens kunnen dankzij deze gratis rechtsbijstand naar de rechter stappen. Al naargelang de hoogte van het inkomen of vermogen, worden de door de partij zelf te betalen proceskosten geheel of gedeeltelijk overgenomen. Als de rechter u een advocaat toewijst, worden de kosten van de wettelijke vertegenwoordiging ook via de rechtsbijstand gedekt. Nadere informatie kunt u vinden in de brochure over rechtsbijstand en juridisch advies “Beratungshilfe und Prozesskostenhilfe” op de website van het federale ministerie van Justitie: https://www.bmjv.de.
13 Kan beroep worden ingesteld tegen een beslissing over de echtscheiding/scheiding van tafel en bed/nietigverklaring van het huwelijk?
Er kan beroep worden ingesteld tegen de beslissing over de echtscheiding of de opheffing van het huwelijk op grond van §§ 58 e.v. van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures. Over het beroep wordt door de hoogste rechterlijke instantie van de Duitse deelstaten (Oberlandesgericht) beslist. Vertegenwoordiging door een advocaat is opnieuw verplicht.
14 Wat moet ik doen om een door een rechtbank in een andere lidstaat gewezen beslissing over echtscheiding/scheiding van tafel en bed/nietigverklaring van het huwelijk in deze lidstaat te laten erkennen?
Voor beslissingen in gerechtelijke procedures die vóór 1 augustus 2022 aanhangig zijn gemaakt, geldt het volgende:
uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 (“de Brussel II bis-verordening”) worden dergelijke beslissingen automatisch en zonder enige procedure erkend, tenzij de beslissing is gegeven in Denemarken. Volgens de Brussel II bis-verordening moet de echtscheidingsprocedure of procedure tot scheiding van tafel en bed, opheffing of nietigverklaring van het huwelijk in beginsel na 1 maart 2001 bij de rechtbank aanhangig zijn gemaakt (zie artikel 64 van Brussel II bis voor de uitzonderingen hierop). Op oude zaken is vooral de voorloper van de Brussel II bis-verordening, namelijk de Brussel II-verordening, van toepassing.
Beslissingen uit Denemarken worden gewoonlijk nog steeds alleen erkend na een specifieke procedure op grond van § 107 van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures.
Voor beslissingen in gerechtelijke procedures die op of na 1 augustus 2022 aanhangig zijn gemaakt, geldt het volgende:
uit hoofde van Verordening (EU) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (“de Brussel II ter-verordening”) worden dergelijke beslissingen automatisch en zonder enige procedure erkend, tenzij de beslissing is gegeven in Denemarken.
Opgemerkt zij dat authentieke akten die op of na 1 augustus 2022 formeel zijn verleden of geregistreerd en overeenkomsten die op of na 1 augustus 2022 zijn geregistreerd op het gebied van echtscheiding en scheiding van tafel en bed en die in de oorspronkelijke lidstaat juridisch bindend zijn, op grond van de Brussel II ter-verordening ook automatisch worden erkend.
15 Tot welk gerecht moet ik mij wenden om bezwaar te maken tegen de erkenning van een door een rechtbank in een andere lidstaat gewezen beslissing over echtscheiding/scheiding van tafel en bed/nietigverklaring van het huwelijk? Welke procedure is in dit geval van toepassing?
Voor beslissingen in gerechtelijke procedures die vóór 1 augustus 2022 aanhangig zijn gemaakt, geldt het volgende:
op grond van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 ligt de bevoegdheid voor niet-erkenning van dergelijke beslissingen in beginsel bij de kantonrechtbank (familierechtbank) die valt onder de geografische bevoegdheid van de hogere rechterlijke instantie van de deelstaat waar:
- de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft; of
- indien deze rechtbank niet bevoegd is, bij de familierechtbank van de plaats waar een uitspraak van bijzonder belang is of waar zorg nodig is;
- of in alle andere gevallen de familierechtbank van Pankow.
Hierop wordt een uitzondering gemaakt in Niedersachsen, waar de bevoegdheid voor alle drie hogere regionale rechterlijke instanties van de deelstaten is gecentraliseerd en de kantonrechtbank van Celle bevoegd is.
De procedurele vereisten van de bepalingen van de Wet op de procedure in het internationaal familierecht in de versie die op 31 juli 2022 van toepassing was, in samenhang met de bepalingen van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zijn van toepassing.
Opgemerkt zij dat dezelfde procedure in het algemeen ook geldt voor verzoeken om niet-erkenning van een formeel verleden of geregistreerde authentieke akte of om niet-erkenning van een geregistreerde overeenkomst op het gebied van echtscheiding en scheiding van tafel en bed.
Voor beslissingen in gerechtelijke procedures die op of na 1 augustus 2022 aanhangig zijn gemaakt, geldt het volgende:
op grond van Verordening (EU) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 ligt de bevoegdheid voor het behandelen van verzoeken om niet-erkenning van dergelijke beslissingen in beginsel bij de kantonrechtbank (familierechtbank) die valt onder de geografische bevoegdheid van de hogere rechterlijke instantie van de deelstaat waar:
- de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip waarop de procedure wordt ingeleid; of
- indien deze rechtbank niet bevoegd is, bij de familierechtbank van de plaats waar een uitspraak van bijzonder belang is of waar zorg nodig is;
- of in alle andere gevallen de familierechtbank van Pankow.
Hierop wordt een uitzondering gemaakt in Niedersachsen, waar de bevoegdheid voor alle drie hogere regionale rechterlijke instanties van de deelstaten is gecentraliseerd en de kantonrechtbank van Celle bevoegd is.
De procedurele vereisten van de bepalingen van de Wet op de procedure in het internationaal familierecht in de versie, in samenhang met de bepalingen van de Wet inzake procedures in familiezaken en niet-contentieuze procedures en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zijn van toepassing.
16 Wat is het toepasselijk recht in een echtscheidingsproces tussen echtgenoten die niet in deze lidstaat wonen of een verschillende nationaliteit hebben?
In Duitsland en inmiddels 16 andere lidstaten van de Europese Unie wordt de wet die van toepassing is op echtscheiding in situaties waarin sprake is van een wetsconflict, beheerst door de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1259/2010 van de Raad van 20 december 2010 (“Rome III-verordening”) tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed. Het op grond van de Rome III-verordening aangewezen recht moet ook worden toegepast wanneer het toepasbare recht niet het recht van een deelnemende lidstaat is.
Deze webpagina maakt deel uit van de website Uw Europa.
Al uw feedback over de verstrekte informatie is welkom.