Overslaan en naar de inhoud gaan

Bewijsverkrijging

Flag of Poland
Polen
Inhoud aangereikt door
European Judicial Network
(in civil and commercial matters)

1 De bewijslast

1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?

Kwesties in verband met bewijs en bewijsverkrijging zijn voornamelijk geregeld in artikel 6 van de wet van 23 april 1964 – het Burgerlijk Wetboek (ustawa z dnia 23 kwietnia 1964 r. – Kodeks cywilny; hierna “Burgerlijk Wetboek” genoemd) en in de artikelen 227 tot en met 315 van de wet van 17 november 1964 – wetboek van burgerlijke rechtsvordering (ustawa z dnia 17 listopada 1964 r. – Kodeks postępowania cywilnego; hierna “wetboek van burgerlijke rechtsvordering” genoemd).

Volgens artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek ligt de bewijslast bij de persoon die zich beroept op de rechtsgevolgen van een feit. De bewijslast voor bepaalde feiten berust bij de eiser, terwijl die voor bepaalde andere feiten bij de verweerder berust.

1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?

Overeenkomstig artikel 228 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering hoeft voor algemeen bekende feiten geen bewijs te worden geleverd. Feiten waarover iedereen informatie kan krijgen, en feiten die de rechter ambtshalve bekend zijn, hoeven niet te worden bewezen. In dat geval moet de rechter de partijen echter wel wijzen op die feiten. Ook hoeft er geen bewijs te worden geleverd voor feiten die de wederpartij in de loop van de procedure heeft erkend, mits er geen twijfels bestaan over deze erkenning (artikel 229 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Als een partij niet reageert op de beweringen van de wederpartij, kan de rechter, mede op grond van de resultaten van het onderzoek ter terechtzitting, de gestelde feiten als erkend beschouwen (artikel 230 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Overeenkomstig artikel 231 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan de rechter voor een beslissing in de zaak relevante feiten als vastgesteld beschouwen als die conclusie kan worden getrokken uit andere vastgestelde feiten (vermoeden van feiten).

In de wet vastgestelde vermoedens (rechtsvermoedens) zijn bindend voor de rechter. Weerlegging van rechtsvermoedens is mogelijk voor zover dat niet bij de wet is uitgesloten (artikel 234 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

In het Poolse recht bestaan er op dit moment geen onweerlegbare vermoedens, dat wil zeggen vermoedens die niet betwist kunnen worden. Bepaalde rechtsvermoedens kunnen echter alleen weerlegd worden in een afzonderlijke procedure, bijvoorbeeld: het vermoeden dat een persoon is overleden op de in de overlijdensaangifte genoemde datum, het vermoeden dat een kind de zoon of dochter is van de echtgenoot van de moeder, of het vermoeden dat de persoon die een erfenis heeft ontvangen, inderdaad de erfgenaam is. Zo kan een definitief strafvonnis met betrekking tot een gepleegd strafbaar feit alleen worden betwist in een specifieke procedure die daarvoor is bedoeld.

De overige rechtsvermoedens kunnen in dezelfde procedure met tegenbewijs worden weerlegd. Voorbeelden daarvan zijn: het vermoeden van goede trouw, dat een kind levend is geboren, dat handelingen die de persoonlijkheidsrechten bedreigen onrechtmatig zijn, dat mede-eigenaren een gelijk aandeel hebben in een gemeenschappelijk eigendom, dat een schuldenaar wist dat hij handelde in het nadeel van zijn schuldeisers, dat de inbreng van de vennoten in een maatschap gelijk is, dat informatie die in een officieel document voor echt is verklaard, waar is.

Overeenkomstig artikel 233, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, beoordeelt de rechter naar eigen inzicht en op grond van een uitgebreid onderzoek van het verzamelde bewijs welk belang hij toekent aan het feit dat een partij weigert bewijs aan te leveren of de bewijsverkrijging belemmert in strijd met de beslissing van de rechter. De rechter kan in de praktijk beslissen dat de bewijslast overgaat op de partij die door zijn gedrag het verzamelen van bewijs over een bepaald feit bemoeilijkt. Als gevolg van deze omkering van de bewijslast, moet die partij aantonen dat het betreffende feit niet heeft bestaan.

1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?

In civiele procedures geldt het beginsel van de vrije toetsing van het bewijs (artikel 233 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Volgens dit beginsel beoordeelt de rechter naar eigen inzicht en op grond van een uitgebreid onderzoek van het verzamelde bewijs, hoe betrouwbaar en sterk het bewijs is. Om uitspraak te kunnen doen over het bestaan van een feit, moet de rechter er dus van overtuigd zijn dat het feit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

In civiele procedures kan bij wijze van uitzondering worden volstaan met de overtuiging dat het feit zich waarschijnlijk heeft voorgedaan. Dit kan in de gevallen waarin volgens de wet het feit niet hoeft te worden bewezen, maar alleen de waarschijnlijkheid van het feit moet worden aangetoond (artikel 243 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Dans les procédures civiles, la vraisemblance est considérée comme suffisante pour décider, par exemple, de l’octroi d’une sûreté, de l’entrée d’un intervenant à titre accessoire dans l’affaire, ou de la suspension de l'exécution immédiate d’un jugement rendu par défaut.

2 Het verkrijgen van bewijs

2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?

De rechter kan bewijs toelaten dat niet is geleverd door een partij (artikel 232 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). In geschillenprocedures is dat echter een uitzondering en afhankelijk van de vrijheid die de rechter heeft bij de beoordeling. La situation est différente dans certaines procédures non contentieuses, pour lesquelles la loi prévoit la possibilité d’engager une procédure d’office (par exemple, dans les affaires d’autorité parentale ou de garde d’enfants), ou pour lesquelles la loi exige que le juge détermine d’office certaines circonstances factuelles (par exemple, dans une procédure de déclaration de succession, le tribunal détermine d’office qui est l’héritier). De rechter is in dat geval verplicht het bewijs ambtshalve toe te laten, als de betrokken partijen daartoe geen specifiek verzoek indienen.

2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?

De rechter is niet gebonden aan het verzoek om toelating van bewijs. Hij kan bewijs dat is ingediend door een partij bij de procedure, toelaten of niet. De rechter moet over zowel het toelaten als het niet toelaten van bewijs een beslissing nemen (artikel 235 2, lid 2, en artikel 236, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Deze regel geldt niet voor documenten die in het zaakdossier zijn opgenomen of daar als bijlage aan zijn toegevoegd. Dergelijke documenten gelden als bewijs zonder dat hierover een afzonderlijke beslissing hoeft te worden genomen. De rechter moet dan alleen een beslissing geven als hij het bewijs wil uitsluiten. (artikel 243 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). De rechter vermeldt in zijn beslissing tot toelating van bewijs, het bewijsmiddel en de feiten die bewezen moeten worden, en, indien noodzakelijk en mogelijk, de datum en plaats van bewijsverkrijging.

De rechter is niet gebonden aan zijn beslissing tot het toelaten of uitsluiten van bewijs en kan zijn beslissing naargelang van de omstandigheden herroepen of wijzigen (artikel 240, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?

Ingevolge artikel 235 2 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan de rechter met name bewijs uitsluiten:

  • waarvan de verkrijging door een bepaling in het wetboek is uitgesloten;
  • dat is bedoeld voor het vaststellen van een onweerlegbaar feit, een feit dat niet relevant is voor de zaak of een feit dat is bewezen in overeenstemming met de vordering van de eiser.
  • dat niet nuttig is voor het vaststellen van een bepaald feit;
  • dat onmogelijk kan worden verkregen;
  • dat is bedoeld om de procedure te vertragen;
  • dat niet zodanig in het verzoekschrift staat vermeld dat het als bewezen kan worden toegelaten, of wanneer niet is vermeld welke feiten met het bewijs moeten worden bewezen en de betreffende partij de ontbrekende informatie, ondanks een verzoek daartoe, niet heeft geleverd.

2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?

Onder de bewijsmiddelen vallen met name:

  • documenten die tekst bevatten en waarvan de opstellers kunnen worden geïdentificeerd (artikelen 243 1 tot en met 257 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • getuigenverklaringen (artikelen 259 tot en met 277 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • deskundigenoordeel (artikelen 278 tot en met 291 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering)
  • plaatsopneming en bezichtiging (artikelen 292 tot en met 298 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • verhoor van partijen (artikelen 299 tot en met 304 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • bloedgroeptesten (artikelen 305 tot en met 307 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
  • documenten die een afbeelding bevatten of geluidsopnamen (artikel 308 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Deze opsomming is niet limitatief. In Polen zijn in civiele procedures ook andere dan in de wet genoemde bewijsmiddelen toegestaan (artikel 309 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?

Getuigen leggen hun verklaring in de regel mondeling af tijdens de terechtzitting. Een getuige die wegens ziekte, een handicap of een andere onoverkomelijke reden geen gehoor kan geven aan de oproep, zal op zijn woonadres worden gehoord (artikel 263 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). De rechter kan bevelen dat de getuige een schriftelijke verklaring aflegt (artikel 271 1 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) binnen de door de rechter bepaalde termijn. Dove en doofstomme getuigen leggen hun verklaring schriftelijk af of met behulp van een deskundige (artikel 271, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Wanneer een getuige zonder geldige reden niet op de zitting verschijnt, legt de rechter hem een boete op, waarna hij opnieuw wordt opgeroepen. Verschijnt de getuige wederom niet, dan legt de rechter hem opnieuw een boete op en kan hij medebrenging van de getuige gelasten (artikel 274, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De getuige wordt voorafgaand aan het verhoor gewezen op zijn recht geen getuigenis af te leggen en op de strafrechtelijke aansprakelijkheid in geval van een valse getuigenis (artikel 266 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). De getuige die ertoe verplicht wordt te getuigen, legt de volgende eed af: “Ik ben mij bewust van het belang van mijn verklaringen en van mijn verantwoordelijkheid voor de wet, ik beloof plechtig dat ik de waarheid zal zeggen en niet te zwijgen over zaken die mij bekend zijn.” De getuige die schriftelijk wordt verhoord, legt de eed af door ondertekening van zijn verklaring.

Tijdens het afleggen van de mondelinge getuigenverklaring, begint de getuige met het beantwoorden van de vragen die de rechter hem stelt over de dingen die hij weet over de zaak en over de bron van die informatie. Daarna mogen de partijen hun vragen aan hem stellen (artikel 271, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Getuigen die tegenstrijdige verklaringen afleggen, kunnen met elkaar worden geconfronteerd (artikel 272 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De rechter beslist of het verhoor van een getuige met behulp van technische middelen op afstand kan plaatsvinden, en beoordeelt of de aard van het bewijs zich daar niet tegen verzet (bijvoorbeeld, vanwege de persoonlijke eigenschappen van de getuige; artikel 235, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). In dat geval moet de getuige aanwezig zijn in het gebouw van een andere rechtbank, of in een penitentiaire inrichting of een huis van bewaring, als hij zit opgesloten, zodat tijdens de zitting geschakeld kan worden tussen de zittingszaal van de rechtbank die de procedure leidt en de plaats waar de getuige zich bevindt. Op de locatie waar de opgesloten persoon zich bevindt, nemen een vertegenwoordiger van de directie van de penitentiaire inrichting of het huis van bewaring, een eventueel aangestelde juridisch vertegenwoordiger en een eventueel aangewezen tolk deel aan de procedurele handelingen (artikel 151, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De rechter beslist of een deskundige zijn oordeel mondeling of schriftelijk moet geven (artikel 278, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Een oordeel bevat altijd een motivering (artikel 285 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Nadat het oordeel is gegeven, kan de rechter een mondelinge of schriftelijke aanvulling of toelichting op het oordeel vragen. Ook kan hij om een aanvullend oordeel van dezelfde deskundige of van andere deskundigen verzoeken (artikel 286 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Als het bewijs moet worden verkregen via een aangewezen rechter of de rechtbank die de zaak behandelt, kan de rechter de benoeming van de deskundige overlaten aan de betreffende rechter of rechtbank (artikel 278, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Een partij kan, totdat de deskundige zijn handelingen heeft afgerond, verzoeken dat hij wordt vervangen op dezelfde gronden als die gelden voor het wraken van een rechter (artikel 281, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De deskundige kan weigeren een oordeel te geven om dezelfde redenen als getuigen kunnen weigeren een getuigenis af te leggen (artikelen 280 en 261 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Een deskundige die niet staat ingeschreven op de lijst van gerechtsdeskundigen, moet de eed afleggen.

Le juge peut ordonner la présentation des pièces pertinentes de l’affaire ou de l’objet de l’examen à l’expert dans la mesure nécessaire, ainsi que lui ordonner d’être présent ou de participer à l’administration de la preuve (article 284 du code de procédure civile).

Als de deskundige zonder geldige reden afwezig is of weigert de eed af te leggen of zijn oordeel te geven, of de presentatie van zijn oordeel onnodig vertraagt, kan de rechter hem een boete opleggen. De rechter kan echter niet zijn medebrenging gelasten (artikel 287 en 289 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De rechter kan een oordeel dat op verzoek van een overheidsorgaan is opgesteld in het kader van andere wettelijke procedures toelaten als bewijs. (artikel 278 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Op bevel van de rechter is ieder persoon verplicht, op de vermelde tijd en plaats, elk document in te dienen dat in zijn bezit is en dat een relevant feit in de zaak bewijst, tenzij dat document vertrouwelijke informatie bevat (artikel 248, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Alleen personen die met betrekking tot de in dat document opgenomen feiten zouden kunnen weigeren te getuigen of die het document in bezit hebben namens een derde die om dezelfde redenen bezwaar zou kunnen maken tegen indiening van het document, kunnen van bovenstaande verplichting worden vrijgesteld. Weigering tot indiening van het document is echter onaanvaardbaar, als de persoon die het in bezit heeft, of de derde daartoe gehouden zijn tegenover ten minste een van de partijen of als het document is afgegeven in het belang van de partij die om de bewijsverkrijging verzoekt. Een partij kan indiening van een document evenmin weigeren als die partij door indiening ervan het risico loopt de zaak te verliezen (artikel 248, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?

Er zijn geen gronden voor aanvaarding van een formele hiërarchie van bewijsmiddelen ten aanzien van hun betrouwbaarheid en bewijskracht. Doorgaans beoordeelt de rechter het bewijs naar eigen inzicht. Documenten leveren, voor zover in de wet is bepaald, voldoende bewijs van bepaalde feiten op. Officiële documenten die in de vereiste vorm zijn opgesteld door de daartoe bevoegde overheidsinstanties en overige staatsorganen in het kader van hun opdracht, en door andere entiteiten in de uitvoering van de publieke taken die ingevolge de wet aan hen zijn opgedragen, leveren het bewijs op van de feiten die in het document staan vermeld (artikel 244 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). De partij die de echtheid van een officieel document betwist of stelt dat de daarin opgenomen verklaringen van de autoriteit niet overeenkomen met de waarheid, moet daarvan het bewijs leveren (artikel 252 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Een onderhands document dat schriftelijk of elektronisch is opgesteld, vormt het bewijs dat de persoon die het heeft ondertekend, de daarin opgenomen verklaring heeft gedaan (artikel 245 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). De partij die de echtheid van een onderhands document betwist of stelt dat de verklaring niet afkomstig is van de ondertekenaar, moet daarvan het bewijs leveren. Als er echter geschil bestaat over een onderhands document dat afkomstig is van een ander persoon dan de partij die het betwist, moet de partij die het document wil gebruiken, de echtheid ervan aantonen (artikel 253 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?

Nee. Integendeel, wanneer in de wet een vormvoorschrift is vastgesteld voor het sluiten van een bepaalde overeenkomst, zijn de mogelijkheden om het feit van sluiting van die overeenkomst te bewijzen met behulp van andere bewijsmiddelen dan het contract zelf behoorlijk beperkt. De persoon die een handeling niet op de voorgeschreven manier heeft verricht, ondervindt daar nadelige procedure gevolgen van, doordat zijn mogelijkheden voor bewijsverkrijging zijn beperkt. Als de wet of een overeenkomst de schriftelijke vorm voorschrijft voor het verrichten van een bepaalde rechtshandeling, mag het bewijs van die handeling worden geleverd door middel van een getuigenis of verhoor van de betrokken partijen, als het document waaruit de rechtshandeling blijkt, verloren is gegaan of vernietigd of meegenomen door een derde, en de schriftelijke vorm als bewijs moest dienen. Dit geldt eveneens voor andere in het Burgerlijk Wetboek voorziene gevallen (dat wil zeggen, bij geschillen anders dan tussen bedrijven onderling, als beide partijen ermee instemmen, als het verzoek wordt gedaan door een consument bij een geschil met een bedrijf of als de aannemelijkheid van de rechtshandeling is aangetoond aan de hand van een document; artikel 246 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering; artikel 74, leden 2 en 4, van het Burgerlijk Wetboek). Bewijsverkrijging door getuigenverklaringen of het verhoor van partijen over en buiten de inhoud van een document waaruit een rechtshandeling blijkt, is alleen toegestaan als dat niet leidt tot het omzeilen van de vormvoorschriften op straffe van nietigheid en als de rechter dat, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, noodzakelijk acht (artikel 247 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?

Ja.

2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?

Echtgenoten van de partijen, hun bloedverwanten in de opgaande en de neergaande lijn, (half)broers en ‑zussen en aangehuwde familieleden in dezelfde lijn en van dezelfde graad, evenals hun adoptieouders of ‑kinderen mogen weigeren te getuigen. Het recht om te weigeren een verklaring af te leggen duurt voort na beëindiging van het huwelijk of de adoptierelatie. Weigeren een verklaring af te leggen is echter niet toegestaan in zaken over de burgerlijke staat van iemand (bijvoorbeeld voor het vaststellen of betwisten van de afstamming van een kind, de nietigverklaring van een huwelijk, adoptie of de herroeping van een adoptie, verklaring van vermissing, verklaring van verdwijning), behalve in geval van een echtscheiding (artikel 261, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Verder mag een getuige weigeren vragen te beantwoorden, als hij met zijn antwoorden zichzelf of zijn bovengenoemde verwanten zou kunnen blootstellen aan strafrechtelijke sanctie, reputatieschade of ernstige en directe financiële schade, of als hij met zijn verklaring een belangrijk beroepsgeheim zou schenden. Bovendien kan een priester weigeren te getuigen over feiten die hem in de biecht zijn toevertrouwd (artikel 261, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?

Als de rechter, na alle aanwezige partijen daartoe te hebben gehoord, concludeert dat een getuige ten onrechte weigert een verklaring of de eed af te leggen, legt hij hem een boete op. Ongeacht deze boete kan de rechter de getuige voor de duur van ten hoogste één week in gijzeling stellen. De rechter beëindigt de gijzeling van de getuige, als deze zijn verklaring aflegt of als de zaak is beslecht voor een rechtbank waar de verklaring van die getuige werd toegelaten als bewijs (artikel 276 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?

Ja. Les personnes frappées d'une incapacité de discernement ou d'une incapacité de communiquer leurs perceptions ne peuvent témoigner (article 259, point 1, du code de procédure civile). Als de oorzaken van dat onvermogen ophouden te bestaan, kan het verbod op het afnemen van een getuigenverklaring worden opgeheven. Het feit dat een persoon een psychiatrische behandeling ondergaat of handelingsonbekwaam is, betekent niet automatisch dat het verboden is die persoon te horen. Ook is er geen minimumleeftijd vastgesteld vanaf wanneer een kind wordt geacht in staat te zijn waar te nemen en te laten weten wat het waarneemt. Of een kind als getuige kan worden gehoord, hangt daarom af van zijn individuele vermogens en ontwikkelingsniveau. Met betrekking tot huwelijkszaken is in de wet een verbod opgenomen voor het verhoor van minderjarigen jonger dan dertien jaar en verwanten van de partijen in neergaande lijn jonger dan zeventien jaar (artikel 430 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Bovendien geldt als algemene regel dat niemand in eenzelfde zaak als getuige én als partij kan worden gehoord. De juridisch vertegenwoordiger van een partij kan derhalve worden gehoord in het kader van het verhoor van de partijen, maar niet als getuige (artikel 259, lid 3, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). De vertegenwoordiger van een partij kan weliswaar als getuige worden gehoord, maar moet dan een vervanger aanwijzen voor tijdens de zitting en onmiddellijk na het afleggen van zijn verklaring afstand doen van zijn volmacht. Les participants coïntéressés ne peuvent pas être entendus comme témoins (article 259, point 4, du code de procédure civile).

Les militaires et les fonctionnaires qui ne sont pas libérés de l’obligation de conserver secrètes des informations classées comme «secrètes» ou «confidentielles» ne peuvent pas témoigner si leur déposition entraîne une violation de cette obligation (article 259, point 2, du code de procédure civile).

Een bemiddelaar kan geen getuige zijn voor feiten die hem ter kennis zijn gekomen in het kader van de bemiddeling, tenzij de partijen hem ontheffen van zijn geheimhoudingsplicht als bemiddelaar (artikel 259 1 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?

Een getuige wordt gehoord door de rechter. De voorzitter van de rechtbank controleert eerst de identiteit van de getuige, wijst hem op zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het afleggen van een valse verklaring en laat hem de eed afleggen. De getuige begint met het beantwoorden van de vragen die de voorzittende rechter hem stelt over de dingen die hij weet over de zaak en over de bron van die informatie. Daarna mogen de andere rechters en partijen vragen aan hem stellen (artikel 271, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). De voorzitter geeft het woord, geeft toestemming voor het stellen van vragen en kan het woord terugnemen, als de spreker er misbruik van maakt, alsmede een vraag uitsluiten die hij ongepast of onnodig acht (artikel 155 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Le témoin ne peut quitter la salle qu’avec l’autorisation du président (article 273, paragraphe 2, du code de procédure civile).

3 De waardering van het bewijs

3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?

Het Poolse recht kent geen algemeen verbod op het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in civiele procedures. De jurisprudentie en de standpunten in de rechtsleer komen niet met elkaar overeen. De overheersende opvatting is dat de rechter per geval moet beoordelen welk belang het meest beschermd moet worden: het recht dat is geschonden door de manier waarop het bewijs is verkregen, of het recht op behandeling van de zaak. Onrechtmatig verkregen bewijs is dan ook in de regel niet toelaatbaar. Dat geldt echter niet noodzakelijkerwijs ook voor bewijs dat is verkregen door een lichte schending van een recht (bijvoorbeeld de schending van een persoonlijk recht in de vorm van het recht op privacy), en met name als een belangrijk algemeen belang pleit voor toelating van het bewijs.

Bewijs in de vorm van een geluidsopname van een gesprek waar de partij die het bewijs aandraagt, aan heeft deelgenomen, is over het algemeen toelaatbaar, zelfs als de opname is gemaakt zonder medeweten en toestemming van de andere gesprekspartner.

Als het bewijs is verkregen door het plegen van een strafbaar feit (vastgesteld in een definitieve strafrechtelijke veroordeling), kan dit reden zijn voor de rechtbank om de procedure te heropenen (artikel 403, lid 1, punt 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?

De mondelinge en schriftelijke verklaringen van de partijen bij het geding leveren geen bewijs op. Als er na bestudering van al het bewijs of bij gebrek aan bewijs nog onverklaarde feiten zijn die van belang zijn voor de zaak, kan de rechter bevelen de partijen te horen voor de opheldering van deze feiten (artikel 299 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Dit verhoor kan vervolgens als bewijs worden beschouwd.

4 Heeft deze lidstaat overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de verordening inzake bewijsverkrijging andere autoriteiten aangewezen die bevoegd zijn om overeenkomstig de verordening bewijs te verkrijgen met het oog op een gerechtelijke procedure in burgerlijke en handelszaken? Zo ja, in welke procedures zijn zij bevoegd bewijs te verkrijgen? Kunnen zij alleen verzoeken om bewijs te verkrijgen of kunnen zij ook bijstand verlenen bij het verkrijgen van bewijs naar aanleiding van een verzoek van een andere lidstaat? Zie ook de mededeling op grond van artikel 2, lid 1, van de verordening inzake bewijsverkrijging

In Polen zijn alleen rechtbanken bevoegd voor het verkrijgen van bewijs in burgerlijke en handelszaken.

Een technisch/inhoudelijk probleem melden of feedback geven op deze pagina