1 De bewijslast
1.1 Wat zijn de rechtsregels betreffende de bewijslast?
De bewijslast wordt beheerst door de beginselen van artikel 2697 van het burgerlijk wetboek, dat luidt als volgt: “Personen die voornemens zijn een recht voor een gerecht af te dwingen, moeten het bewijs leveren van de feiten die de vordering staven. Een partij die de geldigheid van deze feiten betwist of aanvoert dat het recht is gewijzigd of is vervallen, moet het bewijs leveren van de feiten die dit bezwaar staven.”
Daarom moet iedereen die gebruik wil maken van een specifieke rechtsprocedure in het algemeen het bewijs leveren van de feiten die deze vordering staven. Zo moet een eiser die betaling vordert die op grond van een overeenkomst verschuldigd is, het bestaan, de geldigheid en het verstrijken van de termijnen van de overeenkomst aantonen. De verweerder die de betaling wenst te weigeren, moet in de tegenvordering bewijzen dat de aangevoerde feiten zijn gewijzigd, uitgesloten of vervallen, bijvoorbeeld dat de betaling reeds is verricht, de schuld is kwijtgescholden of de verweerder een hoger bedrag verschuldigd is.
Indien de eiser zijn of haar vordering niet kan staven, wordt het verzoek afgewezen, ongeacht of de verweerder zich verweert door het overleggen van argumenten en bewijsmateriaal. Dezelfde regel geldt ook voor een verweerder die op zijn beurt een tegenvordering instelt tegen de eiser (domanda riconvenzionale).
Krachtens artikel 2698 van het burgerlijk wetboek zijn overeenkomsten tot overdracht of wijziging van de bewijslast met betrekking tot een onvervreemdbaar recht of die het overmatig bezwaarlijk maken voor een van de partijen om haar rechten uit te oefenen, nietig.
Onvoldoende bewijs schaadt de zaak van de partij — hetzij de eiser hetzij de verweerder — die de feiten moet staven of weerleggen, aangezien onvoldoende bewijs wordt geacht gelijk te staan aan geen bewijs.
1.2 Bestaan er rechtsregels krachtens welke bepaalde feiten niet hoeven te worden bewezen? In welke gevallen? Kan bij deze vermoedens een tegenbewijs worden geleverd?
De bewijslast geldt niet in de volgende gevallen:
- in het geval van “vermoedens”, d.w.z. wanneer de geldigheid van bepaalde feiten van rechtswege is vastgesteld of het gerecht uit een bekend feit gevolgtrekkingen maakt over een onbekend feit (artikel 2727 van het burgerlijk wetboek).
Vermoedens zijn als volgt onderverdeeld:
— wettelijke vermoedens: bij wet vastgestelde vermoedens, die weerlegbaar zijn (juris tantum), hetgeen inhoudt dat zij kunnen worden weerlegd door bewijs van het tegendeel, of onweerlegbaar zijn (juris et de jure), hetgeen inhoudt dat zij niet kunnen worden weerlegd door bewijs van het tegendeel voor de rechtbank;
— eenvoudige vermoedens: het gerecht moet deze zorgvuldig in overweging nemen en slechts ernstige, nauwkeurige en onderling overeenstemmende vermoedens toelaten. Bovendien kunnen feiten waarvoor de wet geen getuigenbewijs toestaat, niet als eenvoudige vermoedens worden aanvaard (artikel 2729 van het burgerlijk wetboek);
- feiten van algemene bekendheid (fatti notori), dat wil zeggen feiten die algemeen bekend zijn op het tijdstip en de plaats van de uitspraak en die niet kunnen worden betwist (artikel 115 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering);
- niet-betwiste of toegegeven feiten, dat wil zeggen feiten die door beide partijen zijn aangevoerd of — zelfs stilzwijgend — worden toegegeven door de partij die er belang bij zou kunnen hebben deze te betwisten, mits die partij ter zitting is verschenen (artikel 115, lid 1, wetboek van burgerlijke rechtsvordering).
1.3 In welke mate moet de rechtbank overtuigd zijn van een feit om zijn oordeel erop te mogen baseren?
De rechter moet zich bij het toewijzen van een vordering of bezwaar louter laten leiden door feiten die volledig zijn bewezen, hetzij rechtstreeks hetzij op basis van een vermoeden. In burgerlijke procedures moet de rechter oordelen dat een feit waarschijnlijker is dan het tegendeel, op basis van de ter zitting overgelegde bewijzen.
De rechter mag zich in zijn of haar uitspraak niet laten leiden door onbewezen feiten, zelfs als deze plausibel zijn (artikel 115, lid 1, wetboek van burgerlijke rechtsvordering).
2 Het verkrijgen van bewijs
2.1 Kan bewijsverkrijging enkel op verzoek van een partij plaatsvinden of kan de rechter in bepaalde gevallen eigener beweging bewijs verkrijgen?
In de Italiaanse rechtsorde wordt de bewijsverkrijging beheerst door het beginsel dat het toepassingsgebied van de procedure door de partijen wordt bepaald (principio dispositivo), dat is vastgelegd in artikel 115, lid 1, wetboek van burgerlijke rechtsvordering, op grond waarvan de rechter zijn of haar beslissing moet baseren op de door de partijen overgelegde bewijzen, “behalve in de gevallen waarin de wet voorziet”.
In de volgende artikelen van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering zijn echter bepaalde uitzonderingen op deze regel vastgesteld:
- artikel 117: het is toegestaan dat de partijen informeel worden gehoord;
- artikel 118: het is toegestaan dat nader onderzoek naar personen en voorwerpen wordt gelast;
- artikelen 61 en 191: het gerecht mag deskundig advies inwinnen;
- artikel 257: het gerecht mag een getuige oproepen die door een andere getuige is genoemd;
- artikel 281 ter: het is toegestaan dat de enkelvoudige kamer van een algemene rechtbank (tribunale) gelast om getuigenbewijs te verkrijgen indien in het feitenrelaas van de partijen personen worden genoemd die van de feiten op de hoogte lijken te zijn.
In arbeidsgeschillen kent het wetboek de rechter meer bevoegdheden toe, met name in:
- artikel 420: het is toegestaan dat de rechter de partijen naar eigen inzicht hoort;
- artikel 421: het is toegestaan dat de rechter uit eigen beweging op enig moment de toelating gelast van andere soorten bewijs, met uitzondering van een “beslissende eed” (giuramento decisorio), ook die welke verder reiken dan de in het burgerlijke wetboek vastgestelde grenzen. Van deze bevoegdheid kan geen gebruik worden gemaakt om feiten aan te tonen die de partijen niet binnen de wettelijke termijnen hebben aangevoerd. Indien ambtshalve bewijs wordt aanvaard, hebben de partijen het recht tegenbewijs over te leggen.
In zaken waarbij personen, minderjarigen en gezinnen betrokken zijn, bepaalt artikel 473 bis, lid 2, dat de rechtbank bewijs kan gelasten buiten de grenzen van de toelaatbaarheid van het burgerlijk wetboek, overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor en het recht op tegenbewijs. De rechtbank kan onderzoek naar vermogensbestanddelen gelasten, onder meer via de politie.
2.2 Als een verzoek tot leveren van bewijs is toegewezen, welke stappen volgen dan?
Indien een partij om bewijs van de feiten verzoekt, mag de tegenpartij om bewijs van het tegendeel verzoeken, mits de vorderingen binnen de wettelijk vastgestelde termijnen zijn ingediend. De rechtbank willigt beide verzoeken in als zij reden heeft om aan te nemen dat de aangevoerde feiten relevant zullen zijn om tot een uitspraak te komen.
Indien de rechtbank het bewijs toelaat, zal zij vervolgens van dit bewijs kennisnemen.
Nadat het bewijs is verkregen, wordt uitspraak gedaan over de zaak.
2.3 In welke gevallen kan de rechter een bewijsaanbod afwijzen?
De rechtbank zal een verzoek om bewijsverkrijging afwijzen wanneer het bewijs volgens de wet waardeloos of ontoelaatbaar zou zijn (bv. indien een uitsluitend op getuigenverklaringen gebaseerde vordering wordt gedaan met betrekking tot een overeenkomst die bij wet schriftelijk moet zijn gesloten) of wanneer de feiten waarop het verzoek betrekking heeft, irrelevant zouden zijn voor de beslissing (bv. getuigenissen over een feit dat geen verband houdt met het voorwerp van het geschil). De rechtbank kan ook overweldigende bewijzen uitsluiten voor feiten die reeds voldoende onderbouwd zijn.
2.4 Wat zijn de verschillende bewijsmiddelen?
Het Italiaanse recht maakt onderscheid tussen schriftelijk en niet-schriftelijk bewijs.
Schriftelijk bewijs omvat:
- authentieke akten (artikelen 2699 e.v. van het burgerlijk wetboek);
- onderhandse akten (artikelen 2702 e.v. van het burgerlijk wetboek);
- telegrammen (artikelen 2705 e.v. van het burgerlijk wetboek);
- huishoudelijke archieven en documenten (artikel 2707 van het burgerlijk wetboek);
- financiële gegevens van bedrijven (artikel 2709 van het burgerlijk wetboek);
- mechanisch vervaardigde afschriften (artikel 2712 van het burgerlijk wetboek);
- afschriften van documenten en contracten (artikelen 2714 e.v. van het burgerlijk wetboek).
Niet-schriftelijk bewijs omvat:
- getuigenbewijs (artikelen 2721 e.v. van het burgerlijk wetboek);
- bekentenissen (artikelen 2730 e.v. van het burgerlijk wetboek);
- verklaringen onder ede (artikelen 2736 e.v. van het burgerlijk wetboek);
- inspecties (artikelen 258 e.v. van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).
Tevens kunnen deskundigenrapporten worden opgevraagd, indien het de rechtbank aan specifieke technische kennis ontbreekt.
2.5 Wat zijn de methodes om bewijs te verkrijgen van getuigen en zijn deze verschillend van de middelen om bewijs te verkrijgen van deskundigen? Wat zijn de regels betreffende het overleggen van schriftelijk bewijs en deskundigenrapporten/-adviezen?
Getuigenbewijs wordt door de rechtbank toegestaan (artikel 245 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering); de rechter gelast de getuige te verschijnen om te getuigen op straffe van dwangmaatregelen en een boete indien de getuige niet verschijnt.
De rechter stelt de plaats, de tijd en de manier vast waarop het bewijs wordt geleverd. Op verzoek van de betrokken partij wordt de getuige door de gerechtsdeurwaarder gedagvaard. De getuige leest een verklaring op waarin hij of zij belooft de waarheid te zullen spreken en wordt vervolgens door de rechter ondervraagd — de partijen mogen niet rechtstreeks vragen stellen aan de getuige.
Getuigen-deskundigen worden aangesteld door de rechtbank, die hen vragen stelt en hen uitnodigt om ter zitting te verschijnen en een verklaring onder ede af te leggen. Onlangs is de mogelijkheid ingevoerd voor getuigen-deskundigen om een digitaal ondertekende verklaring onder ede in te sturen, zodat zij de zitting niet hoeven bij te wonen (artikel 193 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).
In het algemeen stellen technische deskundigen op verzoek van de rechter schriftelijke rapporten op, maar de rechter kan hun ook vragen om tijdens een hoorzitting mondeling te getuigen (artikel 195 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).
Schriftelijk bewijs maakt deel uit van de procedure nadat het in het dossier van de partij is opgenomen, bij de eerste verschijning of later, met inachtneming van de wettelijke termijnen.
2.6 Hebben bepaalde bewijsmiddelen meer bewijskracht dan andere?
In Italië wordt een onderscheid gemaakt tussen bewijsmateriaal dat vrij door de rechtbank kan worden beoordeeld en juridisch bewijs. Juridisch bewijs heeft voorrang op elke andere vorm van bewijs. Juridisch bewijs omvat authentieke akten, verklaringen onder ede en bekentenissen.
Authentieke akten (artikelen 2699 e.v. van het burgerlijk wetboek) zijn documenten die met inachtneming van de vereiste formaliteiten zijn opgesteld door een notaris (notaio) of een andere ambtenaar die bevoegd is om de officiële status ervan te bevestigen op de plaats waar het document is opgesteld. Authentieke akten hebben volledige bewijswaarde, tenzij de valsheid ervan is aangetoond. Behoudens deze betwisting vormen zij een absoluut en onvoorwaardelijk bewijs van feiten die de ambtenaar verklaart persoonlijk te hebben uitgevoerd of die in zijn aanwezigheid hebben plaatsgevonden. De waarheidsgetrouwheid van de verklaringen van de partijen in authentieke akten moet echter vrij door de rechtbank worden beoordeeld (d.w.z. dat het niet mogelijk is om met andere bewijzen aan te tonen dat de verklaring niet is afgelegd, maar dat er wel kan worden aangetoond dat de inhoud ervan onjuist is).
- Een bekentenis (artikel 2730 van het burgerlijk wetboek) is een verklaring van een partij waarin de waarheidsgetrouwheid wordt bevestigd van feiten die voor de partij zelf nadelig zijn en gunstig zijn voor de tegenpartij.
Een eed (artikel 2736 van het burgerlijk wetboek) is een verklaring onder ede van de partij over de waarheid van een feit. Deze kan op verzoek van de tegenpartij worden verstrekt om invloed uit te oefenen op een uitspraak of op verzoek van de rechtbank wanneer een feit slechts gedeeltelijk is bewezen of wanneer de economische waarde van een goed niet anderszins kan worden vastgesteld. In de praktijk wordt de eed zeer zelden gebruikt.
- Bovendien zijn onweerlegbare vermoedens (presunzioni juris et de jure) (artikel 2727 van het burgerlijk wetboek) nog doeltreffender, aangezien tegenbewijs niet toelaatbaar is.
2.7 Zijn voor het bewijzen van bepaalde feiten bepaalde bewijsmiddelen verplicht?
De wet vereist dat bepaalde feiten uitsluitend met bepaalde bewijsmiddelen kunnen worden bewezen, in sommige gevallen met authentieke akten en in andere met schriftelijke documenten die authentiek of onderhands kunnen zijn.
2.8 Zijn getuigen wettelijk verplicht te getuigen?
Getuigen zijn verplicht een getuigenverklaring af te leggen, met strafrechtelijke gevolgen in geval van weigering, het afleggen van een valse verklaring of het achterhouden van bewijs (artikel 372 van het wetboek van strafrecht), tenzij de wet anders bepaalt. Bepaalde personen zijn vrijgesteld van het afleggen van een verklaring en hebben de keuze om zich te onthouden van het leveren van bewijs.
2.9 In welke gevallen kan een getuige zich beroepen op het verschoningsrecht?
In de gevallen die worden bestreken door het wetboek van strafvordering, waarnaar wordt verwezen door het wetboek van burgerlijke rechtsvordering: het gaat hierbij om personen die mogen weigeren te getuigen, omdat zij zijn gebonden door beroepsgeheim, ambtsgeheim of staatsgeheim.
2.10 Kan een persoon die weigert te getuigen, daartoe worden gedwongen? Kan hij worden gestraft?
Krachtens artikel 256 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering wordt tegen getuigen die de zitting bijwonen, maar zonder gegronde reden weigeren te getuigen, of die de verdenking wekken dat zij een valse getuigenis afleggen of bewijs achterhouden, door de rechtbank aangifte gedaan bij het openbaar ministerie door toezending van een afschrift van het proces-verbaal van de zitting.
Indien de getuige niet verschijnt, verleent artikel 255 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering de rechtbank bovendien de bevoegdheid om te gelasten dat de getuige door de politie onder dwang voor de rechtbank wordt gebracht en om een geldboete op te leggen.
2.11 Zijn er personen van wie geen getuigenis kan worden verkregen?
Personen die een persoonlijk belang hebben bij de feiten van de zaak, kunnen niet getuigen, zelfs als zij niet officieel als partij aan de procedure hebben deelgenomen (artikel 246 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).
2.12 Wat is de rol van de rechter en van de partijen bij het horen van een getuige? Onder welke voorwaarden kan een getuige worden gehoord via nieuwe technologieën zoals videoconferencing?
De rechter hoort de getuige door het stellen van directe vragen over de als van belang voor de procedure toegelaten feiten, die als relevant zijn toegelaten tot de procedure, en van eventuele vragen over diezelfde feiten die door de advocaten van de partijen tijdens het onderzoek zijn ingebracht.
Het wetboek van burgerlijke rechtsvordering sluit niet uitdrukkelijk uit dat getuigenbewijs wordt verkregen met behulp van videoconferentie. Artikel 202 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat wanneer de onderzoeksrechter de bewijsverkrijging gelast, hij of zij “het tijdstip, de plaats en de wijze van bewijsverkrijging bepaalt”.
Onlangs is de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden hoorzittingen via audiovisuele verbindingen op afstand te laten plaatsvinden, ingevoerd in het Italiaanse recht (artikel 127 bis van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). In Italiaanse burgerlijke procedures kan de rechter een hoorzitting via audiovisuele verbindingen op afstand gelasten waarbij alleen de raadsman, de partijen, het openbaar ministerie en de hulpleden van de rechtbank aanwezig zijn. Indien echter getuigen moeten worden gehoord, zijn zij verplicht persoonlijk voor de rechtbank te verschijnen.
In buitenlandse procedures kan een buitenlands gerecht, wanneer het bevoegd is om rechtstreeks tot bewijsverkrijging over te gaan, een getuige per videoconferentie ondervragen, indien het procesrecht van dat gerecht daarin voorziet. In geval van bewijsverkrijging door een Italiaanse rechtbank moet de getuige persoonlijk voor de rechtbank verschijnen, aangezien het Italiaanse recht een getuigenverklaring per videoconferentie niet toestaat. Indien het verzoekende buitenlandse gerecht dit toestaat, kan het verzoekende buitenlandse gerecht aanwezig zijn bij de bewijsverkrijging, onder meer per videoconferentie.
3 De waardering van het bewijs
3.1 Gelden voor de rechter beperkingen om tot zijn oordeel te komen op basis van onrechtmatig verkregen bewijs?
De rechter neemt geen nota van bewijs dat niet formeel is verkregen en toegelaten.
In burgerlijke procedures worden illegaal verkregen documenten gewoonlijk toegelaten, tenzij er wettelijke bepalingen zijn die anders bepalen. De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de partij die het strafbare feit heeft gepleegd om het document te verkrijgen, blijft onverlet.
3.2 Geldt ook de verklaring van een partij als bewijs?
Verklaringen van een partij die gunstig zijn voor die partij, gelden niet als bewijs. Een bekentenis (die bijgevolg nadelig is) die tijdens een formele ondervraging wordt afgelegd, geldt echter als een negatief bewijs tegen de partij die de bekentenis heeft afgelegd. Verklaringen die nadelig zijn voor de partij die ze heeft afgelegd, zijn ook relevant wanneer zij buiten de procedure worden afgelegd, zoals in een brief.
4 Heeft deze lidstaat overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de verordening inzake bewijsverkrijging andere autoriteiten aangewezen die bevoegd zijn om overeenkomstig de verordening bewijs te verkrijgen met het oog op een gerechtelijke procedure in burgerlijke en handelszaken? Zo ja, in welke procedures zijn zij bevoegd bewijs te verkrijgen? Kunnen zij alleen verzoeken om bewijs te verkrijgen of kunnen zij ook bijstand verlenen bij het verkrijgen van bewijs naar aanleiding van een verzoek van een andere lidstaat? Zie ook de mededeling op grond van artikel 2, lid 1, van de verordening inzake bewijsverkrijging
Italië erkent geen andere autoriteit buiten de rechtbank.