Overslaan en naar de inhoud gaan

Verwerking van binnenkomende zaken betreffende terugkeer door de gerechten

Is uw kind zonder uw toestemming of in strijd met een rechterlijke beslissing meegenomen naar een ander EU-land?
Het EU-recht voorziet in een systeem van justitiële samenwerking dat waarborgt dat het kind onverwijld terugkeert naar de lidstaat waar het zijn of haar gewone verblijfplaats had.
 

1. Welke EU-regels zijn van toepassing?

Wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht naar of ongeoorloofd wordt vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind vóór de ontvoering zijn of haar gewone verblijfplaats had, is het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 van toepassing, zoals aangevuld door de hoofdstukken III en IV van de verordening Brussel II ter. De verordening is van toepassing in alle EU-landen, met uitzondering van Denemarken.

De Praktijkgids voor de toepassing van verordening Brussel II ter is beschikbaar op deze pagina: EJN-publicaties.

2. Hoe verloopt de procedure bij de rechter en waarop baseert deze zich bij het nemen van een beslissing over de terugkeer van het kind?

De terugkeerprocedure wordt aanhangig gemaakt bij de rechter van de lidstaat waar het kind zich op dat moment bevindt. Deze procedure kan rechtstreeks door de ouders die om terugkeer verzoeken of met de hulp van een centrale autoriteit in gang worden gezet.

De rechter handelt de procedure inzake het verzoek met spoed af. Behoudens in uitzonderlijke omstandigheden, moet de rechter uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst het verzoek een beslissing nemen.

De belangrijkste taak van de rechter die met de terugkeerprocedure wordt belast, is om vast te stellen of er sprake is van ontvoering (het kind is meegenomen naar of wordt vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind vóór de ontvoering zijn of haar gewone verblijfplaats had, en dit is in strijd met het gezagsrecht van een andere persoon) en, indien dit inderdaad het geval is, om de onmiddellijke terugkeer van het kind te waarborgen naar de lidstaat waar het vóór de overbrenging zijn of haar gewone verblijfplaats had.

De rechter zal met name nagaan of:

  • het kind is meegenomen naar of wordt vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het vóór de overbrenging zijn of haar gewone verblijfplaats had;
  • de overbrenging of vasthouding in strijd is met het gezagsrecht; en
  • het gezagsrecht, alleen of gezamenlijk, werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien de overbrenging of vasthouding niet had plaatsgevonden.

Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet de rechter in beginsel de terugkeer van het kind gelasten, tenzij een van de beperkte weigeringsgronden uit hoofde van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 van toepassing is.

Het kind moet daadwerkelijk de gelegenheid krijgen zijn of haar mening te uiten, indien het in staat is deze te vormen. De persoon die om terugkeer van het kind verzoekt, moet eveneens de gelegenheid krijgen te worden gehoord. De rechter kan de terugkeer van het kind niet weigeren indien niet aan deze voorwaarde is voldaan. 

In voorkomend geval kan de rechter ook voorlopige of beschermende maatregelen treffen om de veiligheid van het kind te waarborgen of om het contact te faciliteren met de ouder die om terugkeer verzoekt. Deze maatregelen mogen de terugkeerprocedure niet onnodig vertragen.

Gedurende de gehele procedure zal de rechter de partijen aanmoedigen om bemiddeling of andere vormen van alternatieve geschillenbeslechting te overwegen, mits dit niet indruist tegen het belang van het kind. Voor meer informatie over gezinsbemiddeling kunt u de link onder aan deze pagina raadplegen.

Rechters in de lidstaat van herkomst blijven bevoegd om beslissingen te nemen over aangelegenheden betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, met inbegrip van het ouderlijke gezag.

3. Kan een rechter van het land waarnaar het kind is ontvoerd, de terugkeer van het kind weigeren?

Indien is vastgesteld dat het kind is ontvoerd, kan een rechter in het land waarnaar het kind is ontvoerd de terugkeer van het kind alleen weigeren:

  • indien de achterblijvende ouder zijn of haar gezagsrecht niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de ontvoering of had ingestemd of achteraf akkoord is gegaan met de overbrenging of vasthouding (artikel 13, eerste alinea, punt a), van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980);
  • indien er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn of haar terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar (artikel 13, eerste alinea, punt b), van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980). De terugkeer kan echter niet worden verhinderd wanneer er afdoende regelingen zijn getroffen om het kind te beschermen (artikel 27, lid 3, van de verordening Brussel II ter);
  • indien het kind zich tegen de terugkeer verzet (artikel 13, tweede alinea, van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980);
  • indien de terugkeer niet zou zijn toegestaan op grond van de fundamentele beginselen van de aangezochte staat betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 20 van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980).

Zelfs als de terugkeer van het kind is geweigerd, kunnen rechters in de lidstaat waar het kind gewoonlijk verblijft, nog steeds een beslissing nemen over het ouderlijk gezag, waarbij zij onder meer rekening houden met de gronden voor weigering van de terugkeer. Elke beslissing waarbij de terugkeer van het kind wordt gelast, is uitvoerbaar in andere lidstaten.

4. Wat gebeurt er als de rechter de terugkeer van het kind gelast?

Als de rechter de terugkeer van het kind gelast, is deze beslissing uitvoerbaar in de lidstaat waar zij is uitgevaardigd, overeenkomstig het nationale recht van die staat.

Als het kind vervolgens naar een andere lidstaat wordt overgebracht, kan de terugkeerbeslissing daar worden erkend en uitgevoerd zonder dat het noodzakelijk is een nieuwe terugkeerprocedure op grond van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 in gang te zetten.

De definitieve uitspraak van de rechter in de lidstaat van oorsprong wordt automatisch erkend in het andere EU-land en is daar automatisch uitvoerbaar zonder dat er een uitvoerbaarheidsverklaring nodig is (“afschaffing van het exequatur”), mits de rechter een certificaat als bedoeld in de verordening Brussel II ter. heeft afgegeven.

Klik op de vlag van het betrokken land voor gedetailleerde informatie.

5. Links

Een technisch/inhoudelijk probleem melden of feedback geven op deze pagina