Overslaan en naar de inhoud gaan

Basisopleiding van rechters en openbare aanklagers in de Europese Unie

Nederland
Inhoud aangereikt door
Nederland
Flag of Netherlands

Rechters

Algemene omschrijving

De basisopleiding voor rechters is verplicht voor eenieder die rechter wil worden. Zodra rechters in opleiding het groene licht hebben gekregen van de selectiecommissie, doen deelnemers aan het basisopleidingsprogramma een intake bij de rechtbank waar zij gaan werken. Hier wordt de duur van het programma bepaald in overleg met SSR.

In overleg met SSR wordt de duur van het programma bepaald (minimaal één jaar en drie maanden, maximaal vier jaar, afhankelijk van de kennis en ervaring) en worden de leerwerkomgevingen geselecteerd waarin de rechter in opleiding het eerst zal werken. Wanneer een rechter in opleiding de opleiding heeft voltooid, wordt hij of zij benoemd tot “allround” rechter, wat betekent dat hij/zij aan de slag kan bij elke afdeling van de rechtbank (burgerlijk recht, bestuursrecht, strafrecht, familierecht enz.).

De opleiding van rechters in opleiding wordt verzorgd door de rechtbanken, in samenwerking met SSR. Het grootste deel van de opleiding vindt plaats in de leerwerkomgeving, waar rechters in opleiding worden gecoacht door praktijkopleiders, die hen begeleiden en feedback geven. Bovendien wordt één dag per week, onder begeleiding van een kernopleider bij SSR, aandacht besteed aan het leerproces en aan de cursussen die rechters in opleiding volgen. Het reglement is te vinden op de website van de Raad voor de rechtspraak.

Om de drie maanden begint er een nieuwe groep rechters in opleiding. Aan het programma nemen per jaar maximaal 130 rechters in opleiding deel. In 2021 hebben 83 rechters in opleiding hun opleiding met goed gevolg afgerond. Eind 2021 volgden 248 rechters in opleiding de opleiding.

Toegang tot de basisopleiding

Kandidaten voor het opleidingsprogramma moeten beschikken over een masterdiploma in de rechten en een specifieke reeks cursussen hebben gevolgd ter voorbereiding op een loopbaan in de advocatuur of bij justitie. Zij moeten ook ten minste twee jaar relevante juridische werkervaring buiten de rechtspraak hebben. De selectie van kandidaten gebeurt door de Landelijke Selectiecommissie Rechters (LSR) in samenwerking met de rechtbanken. De selectieprocedure bestaat uit zes stappen.

Om te beginnen is er een briefselectie. Voor elke vacature worden er vijf brieven geselecteerd door een bestuurder of de president van de rechtbank en een lid-secretaris van de LSR. Bij dit proces wordt gebruik gemaakt van een scoreformulier. Vervolgens voert assessmentbureau LTP een analytische test uit. Bij deze test wordt onder andere gekeken naar het verbaal redeneervermogen, het kritisch denkvermogen en het abstract denkvermogen. Met deze tests, die door de Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN) of een soortgelijke instelling zijn beoordeeld, wordt bepaald of een kandidaat qua analytische vaardigheden bovengemiddeld presteert en aantoonbaar vrij is van culturele vooroordelen. Bij de analytische tests wordt onder andere gekeken naar het verbaal redeneervermogen, het kritisch denkvermogen en het abstract denkvermogen.

Wanneer kandidaten de analytische tests met goed gevolg doorstaan, dragen de rechtbanken hen voor een gesprek voor. Vervolgens ontvangen de rechtbanken het sollicitatieformulier en twee referenties voor elk van de kandidaten. De kandidaten worden door de rechtbank uitgenodigd voor een gesprek tijdens vooraf geplande vergaderingen van de lokale selectiecommissie en het bestuur. Na het gesprek mogen niet meer dan drie kandidaten per vacature de procedure voortzetten en deelnemen aan het assessment. Bij het assessmentbureau voert een universitair geschoold psycholoog een gestructureerd interview met de kandidaat en wordt de kandidaat getest met persoonlijkheidsvragenlijsten (waaronder een dilemmatest), een discussiesimulatie en een rollenspel. Tijdens de test wordt beoordeeld of de kandidaat over de nodige competenties beschikt om rechter te zijn, dan wel of hij/zij deze tijdens de opleidingscursus kan ontwikkelen.

Vervolgens gaan de kandidaten door naar de eindgesprekken. Deze gesprekken worden gevoerd door de landelijke selectiecommissie. De kandidaten krijgen drie eindgesprekken met verschillende interviewers over drie onderwerpen. Daarna worden de resultaten van deze interviews door alle interviewers besproken. De commissie is opgeleid in gesprekstechnieken en de interpretatie van het assessmentrapport. Na de eindgesprekken worden de kandidaten die het groene licht hebben gekregen aan de rechtbanken voorgedragen. De rechtbanken beslissen welke kandidaat (of kandidaten) zij willen benoemen en geven deze informatie door aan de LSR. De resterende “kandidaten met groen licht” worden (indien mogelijk) voorgedragen aan de andere rechtbanken.

Vorm en inhoud van de basisopleiding

In de voorfase neemt de rechter in opleiding deel aan een leerwerkteam in het betreffende arrondissement, waarbij de rechter in opleiding zijn/haar eigen richting en vaardigheden ontwikkelt, zonder zich te beperken tot de grenzen van de leerwerkomgeving. Aan het einde van de voorfase voert de rechter in opleiding een zelfevaluatie uit en stelt hij/zij een persoonlijk opleidingsplan op.

Vervolgens begint de hoofdfase van het programma (minimaal één jaar, maximaal drie jaar en negen maanden). De hoofdfase vindt plaats in twee of drie leerwerkomgevingen binnen de rechtbank, afhankelijk van de duur van het programma en het persoonlijke opleidingsplan. In dit verband is het mogelijk om te wisselen tussen rechtbanken en beroepsinstanties. De begeleiding wordt verzorgd door praktijkopleiders. Verder wordt één dag per week, onder begeleiding van een kernopleider, aandacht besteed aan het leerproces, het portfolio en het opleidingsplan, alsook aan onderzoeksprojecten en competenties die verder reiken dan de leerwerkomgeving. De begeleiding door de praktijk- en kernopleiders dient uitsluitend het leerproces en niet ter beoordeling. Rechters in opleiding moeten ook de volgende stages volgen: maatschappelijke stage, Europese/internationale stage, stage appèl/eerste aanleg en een korte/uitgebreide stage bij het Openbaar Ministerie indien een op het strafrecht gerichte werkomgeving wordt gekozen. Om de drie maanden beoordelen en actualiseren de kernopleider, de praktijkopleider en de rechter in opleiding het persoonlijke opleidingsplan. Na voltooiing van elke leerwerkomgeving vindt een overgangsevaluatie plaats met de rechter in opleiding, de kernopleider en de praktijkopleider.

Een internationale stage is verplicht voor rechters in opleiding. Deze stages variëren van deelname aan het Aiakos-programma van het ENJO tot een stage van een jaar bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Bovendien maakt de cursus “De Europese rechter” deel uit van het programma voor rechters in opleiding. Tijdens de leerwerkomgevingen volgen rechters in opleiding cursussen over Europees recht, bijvoorbeeld Europees burgerlijk recht of Europees bestuursrecht.

Afronding van de basisopleiding en de kwalificatieprocedure

De beoordeling in het nieuwe initiële programma voor rechters in opleiding is gebaseerd op het feit dat rechters in opleiding verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen programma en dat er een stimulerend leerklimaat is, en ook op de opleidingsinput van de rechtbanken zelf en begeleiding door de kernopleider. De kandidaten worden beoordeeld door een beoordelingscommissie op basis van een gesprek en een portfolio dat de rechters in opleiding zelf moeten samenstellen. Het portfolio moet een aantal verplichte bewijsstukken bevatten; een ander deel ervan kan naar keuze van de kandidaat worden ingevuld. Een stimulerend leerklimaat vereist dat het programma plaatsvindt in een veilige omgeving en dat de beoordeling rechters in opleiding in staat stelt zich zo goed mogelijk te ontwikkelen en voort te bouwen op hun talenten. Wij houden ons zoveel mogelijk aan deze basisprincipes door het leren en de beoordeling zoveel mogelijk gescheiden te houden en ervoor te zorgen dat de beoordeling transparant en objectief is. Hierdoor kan de opleider zich ten volle richten op de rol van coach en de ontwikkeling van de rechter in opleiding.

De praktijkopleider en de kernopleider leveren wel input voor de beoordeling: zij moeten om de drie maanden een aantal feedback- en evaluatieformulieren invullen voor het portfolio en de inhoud van het portfolio goedkeuren. Om ervoor te zorgen dat het beoordelingssysteem transparant en objectief is, worden er duidelijke beoordelingscriteria en een duidelijke procedure gebruikt, die zo consistent mogelijk door de beoordelaars worden toegepast. Dit vereist dat beoordelaars worden opgeleid en begeleid door een gespecialiseerde deskundige van SSR. Dit komt ook de kwaliteit van de beoordeling ten goede. Bovendien zorgt de programmastructuur ervoor dat kandidaten niet vaker worden beoordeeld dan vanuit juridisch oogpunt nuttig is. Het hier beschreven systeem – dat vaste beoordelingsmomenten en aanvullende beoordelingen op verzoek combineert – beantwoordt aan deze doelstelling. Het beoordelingssysteem biedt daarmee waar nodig flexibiliteit voor rechters in opleiding en ondersteunt ook didactische innovaties op het gebied van competentieontwikkeling.

De eerste tussentijdse beoordeling vindt plaats aan het einde van de eerste twaalf maanden van het programma, d.w.z. na negen maanden opleidingservaring in een leerwerkomgeving (aansluitend op de voorfase van drie maanden). Deze beoordeling spitst zich toe op de vraag of de rechter in opleiding daadwerkelijk over de competenties beschikt die nodig zijn om rechter te worden, en of de kandidaat een adequate ontwikkeling laat zien. Als het persoonlijke programma drie jaar of langer duurt, volgt een tweede tussentijdse beoordeling ongeveer halverwege de resterende looptijd van het programma. Indien nodig kan de beoordelingscommissie besluiten een extra beoordeling aan te bevelen, die niet vermeld staat in het persoonlijk opleidingsplan dat aan het bestuur van het gerecht is voorgelegd. In alle gevallen wordt het programma afgesloten met een eindbeoordeling om na te gaan of de rechter in opleiding zelfstandig als nieuwe rechter kan functioneren. Hierbij wordt beoordeeld of de rechter in opleiding al dan niet aan alle eindtermen voldoet. Bovenstaand systeem zorgt ervoor dat kandidaten niet vaker worden beoordeeld dan nodig is, wat past bij het gebruik van beoordeling als wettelijk instrument. Dit draagt bij tot het behoud van de scheiding tussen opleiding en beoordeling. Het draagt ook bij aan een stimulerend leerklimaat, de gewenste mate van flexibiliteit en de aantrekkelijkheid van het programma.

Dit programma omvat geen examens waarmee zuiver juridische kennis wordt getoetst. Dergelijke toetsen passen immers niet bij de basisveronderstelling dat rechters in opleiding zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen opleiding; beschikken over voldoende juridische kennis is uiteraard een belangrijk aspect daarvan. Bij de opzet van het programma wordt ervan uitgegaan dat deelnemers over de nodige juridische kennis beschikken of deze aan het begin van elke leeromgeving verwerven. De beoordeelde eindtermen hebben ook betrekking op juridische kennis, die moet worden aangetoond in het kader van de verrichte praktische werkzaamheden. Daarom moet worden benadrukt dat rechters in opleiding ervoor moeten zorgen dat hun niveau van juridische kennis geen belemmering vormt voor hun algehele voortgang in het programma.

Openbare aanklagers

Algemene omschrijving

De basisopleiding voor officieren van justitie is verplicht voor eenieder die openbaar aanklager wil worden. Zodra officieren van justitie in opleiding het groene licht hebben gekregen van de selectiecommissie, doen deelnemers aan het basisopleidingsprogramma een intake bij de rechtbank waar zij gaan werken.

In overleg met SSR wordt de duur van het programma bepaald (minimaal één jaar en zes maanden, maximaal vier jaar, afhankelijk van de kennis en ervaring) en worden de leerwerkomgevingen geselecteerd waarin de officier van justitie in opleiding het eerst zal werken. Wanneer een officier van justitie in opleiding de opleiding heeft voltooid, wordt hij/zij benoemd tot officier van justitie.

De opleiding van officieren van justitie wordt verzorgd door de parketten, in samenwerking met SSR. Het grootste deel van de opleiding vindt plaats in de leerwerkomgeving, waar officieren van justitie in opleiding worden gecoacht door praktijkopleiders, die hen begeleiden en feedback geven. Bovendien wordt één dag per week, onder begeleiding van een kernopleider bij SSR, aandacht besteed aan het leerproces en aan de cursussen die officieren van justitie in opleiding volgen.

Twee keer per jaar begint er een nieuwe groep officieren van justitie in opleiding, twee groepen in oktober en twee groepen in april. Maximaal 48-54 officieren van justitie in opleiding nemen ieder jaar deel aan het programma. In 2021 hebben 34 officieren van justitie in opleiding hun opleiding met goed gevolg afgerond. Eind 2021 volgden 117 officieren van justitie in opleiding de opleiding.

Toegang tot de basisopleiding

Kandidaten voor het opleidingsprogramma moeten vanzelfsprekend beschikken over een masterdiploma rechtsgeleerdheid en een specifiek vakkenpakket hebben voltooid ter voorbereiding op een loopbaan in de advocatuur of bij justitie. Zij moeten ook ten minste twee jaar relevante juridische werkervaring buiten de rechtspraak hebben. De eerste selectie van de kandidaten vindt plaats op lokaal niveau (de parketten); vervolgens maakt de landelijke commissie een verdere selectie, waarna de kandidaten een assessment moeten doen. Tot slot selecteren de parketten de beste kandidaten.

Om te beginnen is er dus een briefselectie. Vervolgens voert assessmentbureau LTP een analytische test uit. Bij deze test wordt onder andere gekeken naar het verbaal redeneervermogen, het kritisch denkvermogen en het abstract denkvermogen. Met deze tests, die door de Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN) of een soortgelijke instelling zijn beoordeeld, wordt bepaald of een kandidaat qua analytische vaardigheden bovengemiddeld presteert en aantoonbaar vrij is van culturele vooroordelen. Bij de analytische tests wordt onder andere gekeken naar het verbaal redeneervermogen, het kritisch denkvermogen en het abstract denkvermogen.

Wanneer kandidaten de analytische tests met goed gevolg doorstaan, dragen de parketten hen voor een gesprek voor. Vervolgens ontvangen de parketten het sollicitatieformulier en twee referenties voor elk van de kandidaten. Bij het assessmentbureau voert een universitair geschoold psycholoog een gestructureerd interview met de kandidaat en wordt de kandidaat getest met persoonlijkheidsvragenlijsten (waaronder een dilemmatest), een gesimuleerde discussie en een rollenspel. Tijdens de test wordt beoordeeld of de kandidaat over de nodige competenties beschikt om officier van justitie te zijn, dan wel of hij/zij deze tijdens de opleidingscursus kan ontwikkelen.

Vervolgens gaan de kandidaten door naar de eindgesprekken. Deze gesprekken worden gevoerd door de landelijke selectiecommissie. Daarna worden de resultaten van deze interviews door alle interviewers besproken. De commissie is opgeleid in gesprekstechnieken en de interpretatie van het assessmentrapport. Na de eindgesprekken worden de kandidaten die het groene licht hebben gekregen aan de parketten voorgedragen. De parketten beslissen welke kandidaat (of kandidaten) zij willen benoemen. De resterende “kandidaten met groen licht” worden (indien mogelijk) voorgedragen aan de andere parketten.

Vorm en inhoud van de basisopleiding

In de voorfase neemt de officier van justitie in opleiding deel aan een leerwerkteam bij het parket in kwestie, waarbij de officier van justitie in opleiding zijn/haar eigen richting en vaardigheden ontwikkelt, zonder zich te beperken tot de grenzen van de leerwerkomgeving. Aan het einde van de voorfase moet de officier van justitie in opleiding een proeve van bekwaamheid afleggen om het zittingsvaardigheidsbewijs te verkrijgen. Er moeten bepaalde basisvaardigheden en basiskennis getoond worden in een simulatie-setting, voordat een officier van justitie ter zitting mag optreden. Als een officier van justitie in opleiding hiervoor niet slaagt, is er nog één herkansing; is hij/zij echter niet succesvol, dan moet hij/zij het hele programma verlaten.

Vervolgens begint de hoofdfase van het programma (minimaal 15 maanden, maximaal 45 maanden). De hoofdfase vindt plaats in verschillende leerwerkomgevingen, afhankelijk van de duur van het programma en het persoonlijke opleidingsplan. Deze fase bestaat uit een periode waarin de kandidaat bij het Openbaar Ministerie eenvoudige zaken behandelt, een periode waarin de stagiair werkt als juridisch medewerker, als plaatsvervangend advocaat, als officier van justitie, maar dan met ernstige zaken, en als rechter. Er is ook een externe stage mogelijk. Na voltooiing van elke leerwerkomgeving vindt een overgangsevaluatie plaats met de officier van justitie in opleiding, de kernopleider en de manager in die leerwerkomgeving.

De begeleiding wordt verzorgd door praktijkopleiders. Verder wordt één dag per week, onder begeleiding van een kernopleider, aandacht besteed aan het leerproces, het portfolio en het opleidingsplan, alsook aan onderzoeksprojecten en competenties die verder reiken dan de leerwerkomgeving. De begeleiding door de praktijk- en kernopleiders dient uitsluitend het leerproces en niet ter beoordeling.

Een internationale stage behoort voor officieren van justitie in opleiding tot de mogelijkheden. Deze stages variëren van deelname aan het Aiakos-programma van het ENJO tot langere stages.

Afronding van de basisopleiding en de kwalificatieprocedure

De beoordeling in het nieuwe initiële programma voor officieren van justitie is gebaseerd op het feit dat officieren van justitie in opleiding verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen programma en dat er een stimulerend leerklimaat is, en ook op opleidingsinput van de rechtbanken zelf en begeleiding door de kernopleider. De kandidaten worden beoordeeld door een beoordelingscommissie op basis van een gesprek en een portfolio dat de officieren van justitie in opleiding zelf moeten samenstellen. Het portfolio moet een aantal verplichte bewijsstukken bevatten; een ander deel ervan kan naar keuze van de kandidaat worden ingevuld. Een stimulerend leerklimaat vereist dat het programma plaatsvindt in een veilige omgeving en dat de beoordeling officieren van justitie in opleiding in staat stelt zich zo goed mogelijk te ontwikkelen en voort te bouwen op hun talenten. Wij houden ons zoveel mogelijk aan deze basisprincipes door het leren en de beoordeling zoveel mogelijk gescheiden te houden en ervoor te zorgen dat de beoordeling transparant en objectief is. Hierdoor kan de opleider zich ten volle richten op de rol van coach en de ontwikkeling van de officier van justitie in opleiding. De praktijkopleider en de kernopleider leveren wel input voor de beoordeling: zij moeten om de paar maanden een aantal feedback- en evaluatieformulieren invullen voor het portfolio en de inhoud van het portfolio goedkeuren. Om ervoor te zorgen dat het beoordelingssysteem transparant en objectief is, worden er duidelijke beoordelingscriteria en een duidelijke procedure gebruikt, die zo consistent mogelijk door de beoordelaars worden toegepast. Dit vereist dat beoordelaars worden opgeleid en begeleid door een gespecialiseerde deskundige van SSR. Dit komt ook de kwaliteit van de beoordeling ten goede. Bovendien zorgt de programmastructuur ervoor dat kandidaten niet vaker worden beoordeeld dan vanuit juridisch oogpunt nuttig is. Het hier beschreven systeem – dat vaste beoordelingsmomenten en aanvullende beoordelingen op verzoek combineert – beantwoordt aan deze doelstelling. Het beoordelingssysteem biedt daarmee waar nodig flexibiliteit voor officieren van justitie in opleiding en ondersteunt ook didactische innovaties op het gebied van competentieontwikkeling.

Na de proeve van bekwaamheid aan het einde van de introductieperiode vindt er een zittingsvaardigheidstoets en een test betreffende het horen van belangrijke getuigen plaats. De officier van justitie in opleiding kan deze beoordelingen plannen wanneer hij/zij denkt dat hij/zij daarvoor klaar is. Deze beoordelingen, de input van de teammanager en de evaluatie van het portfolio vormen samen het resultaat van het gehele programma.

Dit programma omvat geen examens waarmee zuiver juridische kennis wordt getoetst. Dergelijke toetsen passen immers niet bij de basisveronderstelling dat officieren van justitie in opleiding zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen opleiding; beschikken over voldoende juridische kennis is uiteraard een belangrijk aspect daarvan. Bij de opzet van het programma wordt ervan uitgegaan dat stagiairs over de nodige juridische kennis beschikken of deze aan het begin van elke leeromgeving verwerven. De beoordeelde eindtermen hebben ook betrekking op juridische kennis, die moet worden aangetoond in het kader van de verrichte praktische werkzaamheden. Daarom moet worden benadrukt dat officieren van justitie in opleiding ervoor moeten zorgen dat hun niveau van juridische kennis geen belemmering vormt voor hun algehele voortgang in het programma.

Een technisch/inhoudelijk probleem melden of feedback geven op deze pagina