1. Nationale IT-portalen voor de communicatie met rechtbanken of andere autoriteiten
De Tsjechische Republiek exploiteert momenteel geen informatieportaal voor deelname aan gerechtelijke procedures en elektronische communicatie tussen natuurlijke personen en rechtspersonen en bevoegde nationale gerechtelijke instanties met functies die overeenstemmen met het Europees elektronisch toegangspunt als bedoeld in Verordening (EU) 2023/2844 van het Europees Parlement en de Raad.
2. Nationaal recht inzake videoconferenties in burgerlijke en handelszaken
De regels voor het gebruik van videoconferenties zijn dezelfde voor burgerlijke en handelszaken en zijn opgenomen in artikel 102 bis van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Wet nr. 99/1963, zoals gewijzigd). Een rechtbank kan videoconferentie gebruiken om bijvoorbeeld een deelnemer in staat te stellen deel te nemen aan de procedure, een getuige of deskundige te horen of voor tolkdiensten.
Een rechtbank kan het gebruik van videoconferenties toestaan op verzoek van een van de deelnemers, maar kan ook op eigen initiatief besluiten dit te doen indien zij dit passend acht; in dergelijke gevallen is de toestemming van de deelnemers voor het gebruik van videoconferenties niet vereist. De wet bevat geen specifieke procedure voor beslissingen over de vraag of een deelnemer via videoconferentie aan de procedure mag deelnemen. De rechtbank kan de deelnemers evenwel de gelegenheid geven opmerkingen te maken over deze mogelijkheid en hen daarvoor een passende gerechtelijke termijn geven.
Deelname aan procedures via videoconferentie vindt plaats door middel van toegang op afstand. De handeling legt geen beperkingen op aan de plaats vanwaar de deelnemer op afstand verbinding kan maken met de procedure. De enige voorwaarde is dat de rechtbank tijdens de videoconferentie de identiteit kan vaststellen van elke deelnemer die niet fysiek aanwezig is in de rechtszaal en dat ervoor moet worden gezorgd dat de persoon die op afstand wordt gehoord niet onderhevig is aan ongepaste beïnvloeding.
De wet vereist dat er een audiovisuele opname wordt gemaakt van de via videoconferentie gevoerde procedures. Bovendien kan de rechtbank ook een schriftelijk verslag opstellen. De opname maakt deel uit van het dossier. Deze kan worden afgespeeld of gekopieerd onder dezelfde voorwaarden als voor het raadplegen van het dossier (artikel 44, lid 4, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Toegang tot het dossier is evenwel beperkt tot de ambtenaren van de rechtbank en de deelnemers aan de procedure en hun vertegenwoordigers. Andere personen kunnen bij de rechtbank een verzoek indienen om toegang te krijgen tot het dossier. Dit is alleen toegestaan als zij een wettelijk belang hebben bij het raadplegen van het dossier of als er andere ernstige redenen zijn. Het ministerie van Justitie heeft een uniforme opslagfaciliteit voor audio- en video-opnamen opgezet waarmee opnamen ook via tijdelijk beperkte toegang op afstand kunnen worden afgespeeld en gekopieerd, waarbij de externe toegangslink alleen door de persoon aan wie de link wordt verzonden, kan worden gebruikt onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor een persoon die het dossier raadpleegt.
Tijdens een procedure via videoconferentie moet ervoor worden gezorgd dat de technische verbinding correct werkt. De rechtbank organiseert hier ruim vóór de geplande zitting (meestal enkele dagen van tevoren) meestal een testverbinding voor. Indien er tijdens de hoorzitting toch verbindingsproblemen zijn, kan de deelnemer of elke andere persoon die bij de procedurele handeling betrokken is, bezwaar maken tegen de kwaliteit van de audio- of video-opname.
Rechtbanken maken voornamelijk gebruik van desktopclients zoals Cisco Webex en Real Desktop Presence om hoorzittingen via videoconferentie te houden. Wat de hardware betreft, zijn zij voornamelijk afhankelijk van videoconferentiesets (systemen) die specifiek zijn ontworpen voor videoconferenties. Hieronder vallen Polycom RealPresence Group 310, 510 en 700, Cisco RoomBar, RoomKit, RoomKit+ en DeskPro.
3. Nationaal recht inzake videoconferenties in strafzaken
a) Het gebruik van videoconferenties voor hoorzittingen wordt geregeld bij een aantal bepalingen van Wet nr. 141/1961 betreffende strafrechtelijke procedures (het “wetboek van strafvordering”), met name de artikelen 52 bis en 111 bis.
In artikel 52 bis worden drie groepen redenen voor het gebruik van videoconferenties gespecificeerd, namelijk de bescherming van de rechten van personen (hier worden bij wijze van voorbeeld de leeftijd en de gezondheidstoestand genoemd), veiligheidsoverwegingen (bv. bezorgdheid over de veiligheid van getuigen) en andere belangrijke redenen, zoals kosteneffectiviteit en versnelling van de strafrechtelijke procedure. Het gebruik van videoconferenties moet evenwel verenigbaar zijn met de aard van de procedurele handeling en technisch haalbaar zijn.
In artikel 111 bis van het wetboek van strafvordering zijn nadere bijzonderheden vastgelegd betreffende het verhoor van beklaagden of andere personen via videoconferentie. In lid 2 van dit artikel is bepaald hoe de identiteit van de te horen persoon moet worden geverifieerd (zie hieronder voor meer details), terwijl in lid 3 de procedure is vastgelegd die moet worden gevolgd bij de verificatie van de identiteit van een geheime getuige. Overeenkomstig artikel 111 bis, lid 4, van het wetboek van strafvordering moet de persoon die wordt gehoord, vóór het begin van de hoorzitting via videoconferentie worden geïnformeerd over de wijze waarop de hoorzitting zal worden gehouden. Hij/zij moet ook worden geïnformeerd over de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de kwaliteit van de videoconferentie. Tijdens de hoorzitting kan te allen tijde bezwaar tegen de slechte kwaliteit van de video- of audiotransmissie worden gemaakt. Aangezien de noodzaak om alle rechten van de te horen persoon te beschermen (met name het recht van de beklaagde op verdediging) evenzeer van toepassing is op hoorzittingen via videoconferentie, is het vanzelfsprekend dat een hoorzitting moet worden onderbroken als de transmissie van slechte kwaliteit is of volledig moet worden beëindigd als de slechte kwaliteit van de verbinding een goede communicatie in de weg staat of als de aan de hoorzitting deelnemende personen bijvoorbeeld elkaars gezicht niet kunnen zien.
Artikel 52 bis
Technische apparatuur voor video- en audiotransmissie (hierna “videoconferentieapparatuur” genoemd) mag worden gebruikt bij de uitvoering van procedurele handelingen in strafrechtelijke procedures wanneer dit noodzakelijk is voor de bescherming van de rechten van personen, met name gelet op hun leeftijd of gezondheidstoestand, of wanneer dit om veiligheidsredenen of andere belangrijke redenen vereist is.
Artikel 111 bis
1) Wanneer de beklaagde wordt gehoord met behulp van videoconferentieapparatuur, wordt zijn/haar advocaat in kennis gesteld van het tijdstip en de plaats waar de beklaagde is opgeroepen. Indien een medeverdachte, getuige of deskundige op deze wijze wordt verhoord, wordt de advocaat van de beklaagde door de bevoegde strafrechtelijke instantie in kennis gesteld van de tijd en de plaats waar de hoorzitting zal worden gehouden.
2) Wanneer een persoon wordt verhoord met behulp van videoconferentieapparatuur, wordt zijn/haar identiteit geverifieerd door een ambtenaar van de rechterlijke instantie, het openbaar ministerie of een politie-autoriteit die daartoe is gemachtigd door de persoon die de hoorzitting voert. De persoon die de identiteit verifieert op de plaats waar de persoon die wordt verhoord, zich bevindt, kan een ambtenaar van de rechtbank, het openbaar ministerie, de gevangenis of de politie zijn, met toestemming van de persoon die de hoorzitting voert, mits hij/zij daartoe is gemachtigd door de voorzittende rechter, het hoofd van het openbaar ministerie, de directeur van de gevangenis of het hoofd van de politie. Deze ambtenaar is gedurende de gehele hoorzitting aanwezig op de plaats waar de te horen persoon zich bevindt.
3) De identiteit van een getuige wiens identiteit geheim is en wiens verhoor met behulp van videoconferentieapparatuur plaatsvindt, wordt in de gerechtelijke procedure geverifieerd door de voorzittende rechter of door een door hem/haar aangewezen ambtenaar van de rechtbank die belast is met de bescherming van vertrouwelijke informatie, en in de gerechtelijke vooronderzoeken door een door het hoofd van het openbaar ministerie of door het hoofd van de politie aangewezen ambtenaar van het openbaar ministerie of van de politie die belast is met de bescherming van vertrouwelijke informatie. Deze ambtenaar is gedurende de gehele hoorzitting aanwezig op de plaats waar de getuige wiens identiteit geheim is, zich bevindt.
4) De strafrechtelijke instantie die de hoorzitting voert, stelt de persoon die wordt gehoord, vóór aanvang van de hoorzitting die met behulp van videoconferentieapparatuur wordt gehouden, in kennis van de wijze waarop de hoorzitting zal worden gehouden.
5) Tijdens de hoorzitting met videoconferentieapparatuur kan de persoon die wordt gehoord, te allen tijde bezwaar maken tegen de kwaliteit van de video- of audiotransmissie.
b) Volgens de Tsjechische wetgeving is toestemming voor een hoorzitting via videoconferentie geen voorwaarde voor de uitvoering ervan; de toepasselijke regels zijn slechts de algemene regels voor hoorzittingen.
c) Het ministerie van Justitie heeft tussen 2014 en 2016 al bijna 170 videoconferentietoestellen geïnstalleerd, niet alleen in rechtbanken op alle niveaus, maar ook bij openbare aanklagers of in gevangenissen, als onderdeel van het project “Introductie van videoconferenties in de justitiële sector”, waarmee een adequate videoconferentie-infrastructuur is gewaarborgd.
d) Volgens artikel 33, lid 1, van het wetboek van strafvordering heeft de beklaagde het recht om een advocaat te kiezen en deze te raadplegen tijdens de procedurele handelingen van de strafrechtelijke instantie. Tijdens het verhoor mag de beklaagde de advocaat echter niet raadplegen over de wijze waarop hij/zij een vraag die hem/haar is gesteld, moet beantwoorden. De beklaagde kan verzoeken om te worden gehoord in aanwezigheid van diens advocaat en om de deelname van de advocaat aan andere procedurele handelingen in de fase voorafgaand aan het proces. Zelfs als de beklaagde in hechtenis zit of een gevangenisstraf uitzit, kan hij/zij zonder aanwezigheid van een derde met zijn/haar advocaat praten.
Artikel 33 Rechten van de beklaagde
1) De beklaagde heeft het recht opmerkingen te maken over alle feiten waarvan hij/zij wordt beschuldigd en over het bewijsmateriaal, maar heeft tevens het recht te zwijgen. Hij/zij kan feitenverklaringen afleggen en ter verdediging bewijsmateriaal overleggen, aanvragen indienen, verzoeken neerleggen en rechtsmiddelen aanvragen. Hij/zij heeft het recht om een advocaat te kiezen en deze te raadplegen tijdens de procedurele handelingen van een strafrechtelijke instantie. Tijdens het verhoor mag hij/zij de advocaat echter niet raadplegen over de wijze waarop hij/zij een vraag die hem/haar is gesteld, moet beantwoorden. Hij/zij kan verzoeken om te worden gehoord in aanwezigheid van zijn/haar advocaat en om de deelname van de advocaat aan andere procedurele handelingen in de fase voorafgaand aan het proces (artikel 165). Als hij/zij in hechtenis zit of een gevangenisstraf uitzit, kan hij/zij zonder aanwezigheid van een derde met zijn/haar advocaat praten. De hierboven genoemde rechten zijn van toepassing op de beklaagde, zelfs indien zijn/haar rechtsbevoegdheid is ingetrokken of beperkt.
(…)
De betrokkene kan in een strafrechtelijke procedure worden vertegenwoordigd door een gemachtigde (artikel 50 en 51 van het wetboek van strafvordering), welke een advocaat kan zijn.
De vertrouwelijkheid van de communicatie tussen een advocaat en diens cliënt is een algemeen beginsel dat ook geldt voor hoorzittingen via videoconferentie. Volgens artikel 21, lid 1, van Wet nr. 85/1996 inzake juridische beroepen is de advocaat verplicht alle feiten die hem/haar ter kennis komen in het kader van het verlenen van juridische diensten geheim te houden. De geheimhoudingsplicht van de advocaat is een noodzakelijke basis voor een vertrouwensrelatie tussen de advocaat en de cliënt.
Een wetsontwerp tot wijziging van de wet inzake juridische beroepen (document nr. 623 van de Kamer van Afgevaardigden) doorloopt momenteel het wetgevingsproces (met name in afwachting van de tweede lezing in de Kamer van Afgevaardigden van het Tsjechische parlement). De gewijzigde wet zal onder meer de bescherming van de vertrouwelijkheid tussen de cliënt en de advocaat versterken. Hiertoe wordt de wet inzake juridische beroepen aangevuld met een nieuw artikel 3 bis, dat als volgt luidt:
“1) Informatie die de inhoud vormt van de communicatie van een advocaat, een stagiair-advocaat en andere personen als bedoeld in artikel 21, lid 9, punt a), met een cliënt in het kader van de uitoefening van de advocatuur, is vertrouwelijk, wanneer die vertrouwelijkheid in het belang van de cliënt is. Evenzo is informatie die is verkregen of gegenereerd in het kader van de uitoefening van de advocatuur of in direct verband daarmee, vertrouwelijk, voor zover deze informatie het verkrijgen van informatie over de inhoud van de in de eerste zin bedoelde communicatie of over de verleende juridische diensten mogelijk maakt, wanneer die vertrouwelijkheid in het belang van de cliënt is.
2) De in lid 1 bedoelde informatie die in het bezit is van andere personen dan een advocaat, een stagiair-advocaat of een andere persoon als bedoeld in artikel 21, lid 9, punt a), moet uitdrukkelijk worden gelabeld om duidelijk te maken dat het vertrouwelijke informatie betreft die krachtens deze wet wordt beschermd.
3) Een persoon die de in lid 1 bedoelde informatie verkrijgt, mag deze niet misbruiken of aan een andere persoon bekendmaken zonder wettelijke gronden of zonder toestemming van de persoon aan wie de juridische diensten zijn verleend.”
e) Informatie over hoe de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen of andere geschikte volwassenen via videoconferentie of andere technologie voor communicatie op afstand worden geïnformeerd over het horen van een kind — op welke manier wordt er rekening gehouden met het belang van het kind?
Overeenkomstig artikel 60 van Wet nr. 218/200 inzake de strafrechtelijke aansprakelijkheid van minderjarigen en het rechtssysteem met betrekking tot minderjarigen en tot wijziging van bepaalde wetten (hierna: “de jeugdwet”) moeten de wettelijke vertegenwoordiger of voogd van de minderjarigen, het bevoegde orgaan voor de sociale en juridische bescherming van kinderen en de dienst voor reclassering en bemiddeling onverwijld op de hoogte worden gebracht van de inleiding van een strafrechtelijke procedure tegen een minderjarige. Volgens artikel 43, lid 1, van de jeugdwet is de wettelijke vertegenwoordiger of voogd van de minderjarige ook gerechtigd de minderjarige te vertegenwoordigen en in het bijzonder een advocaat voor hem/haar te kiezen, namens hem/haar voorstellen te doen en namens hem/haar verzoeken en rechtsmiddelen in te dienen; de wettelijke vertegenwoordiger is ook gerechtigd deel te nemen aan alle procedurele handelingen waaraan de minderjarige krachtens de wet kan deelnemen, dus ook aan hoorzittingen via videoconferentie.
Eenvoudig gezegd, de burgerrechtelijke rechtsinstituten garanderen dat de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid draagt in beginsel geen persoon mag zijn van wie het op de hoogte stellen van het verhoor van het kind, niet in het belang van het kind is. Als de ouders hun ouderlijke verantwoordelijkheid niet naar behoren uitoefenen of hun ouderlijke verantwoordelijkheid misbruiken of ernstig veronachtzamen, wordt hun ouderlijke verantwoordelijkheid door de rechtbank beperkt of ingetrokken. In een dergelijk geval dragen de ouders niet de ouderlijke verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid wordt overgenomen door een andere geschikte volwassene (voogd), die tevens de wettelijke vertegenwoordiger van het kind is en als zodanig de in artikel 43 van de jeugdwet bedoelde rechten heeft, of in plaats van de wettelijke vertegenwoordiger worden de relevante rechten gehouden door een voogd ad litem, die een andere geschikte volwassene is (maar dergelijke voogden ad litem zijn niet de wettelijke vertegenwoordiger, daarom worden zij afzonderlijk genoemd in artikel 43, lid 1, van de jeugdwet).
In artikel 43, lid 2, wordt gegarandeerd dat in uitzonderlijke gevallen waarin geen van de in lid 1 bedoelde volwassenen in een bepaalde situatie in staat is de desbetreffende rechten uit te oefenen (bijvoorbeeld wegens een belangenconflict), een speciale ad-hocvoogd — die gewoonlijk door de minderjarigen zelf wordt voorgesteld — wordt aangewezen om deze rechten uit te oefenen.
Artikel 43 Wettelijke vertegenwoordiger of voogd ad litem van een minderjarige
1) De wettelijke vertegenwoordiger of voogd ad litem van de minderjarige is gerechtigd de minderjarige te vertegenwoordigen en in het bijzonder een advocaat voor hem/haar te kiezen, namens hem/haar voorstellen te doen en namens hem/haar verzoeken en rechtsmiddelen in te dienen; de wettelijke vertegenwoordiger is ook gerechtigd deel te nemen aan alle procedurele handelingen waaraan de minderjarige krachtens de wet kan deelnemen. De wettelijke vertegenwoordiger of de voogd ad litem kan deze rechten ook tegen de wil van de minderjarige uitoefenen ten behoeve van de minderjarige. De wettelijke vertegenwoordiger of voogd ad litem van de minderjarige heeft ook het recht om de persoon die wordt verhoord vragen te stellen, de dossiers in te zien, met uitzondering van het stemprotocol en de persoonsgegevens van de getuige overeenkomstig artikel 55, lid 2, van het wetboek van strafvordering, uittreksels en notities daarvan te maken en op eigen kosten kopieën van dossiers of delen daarvan te maken. De in deze wet bedoelde strafrechtelijke instanties zijn verplicht de wettelijke vertegenwoordiger of de voogd ad litem onverwijld op de hoogte te stellen van de rechten van de minderjarige; indien de redenen voor de aanstelling van een voogd ad litem krachtens lid 2 vervallen, wordt de wettelijke vertegenwoordiger of voogd ad litem van de minderjarige geïnformeerd over de rechten van de minderjarige die hij/zij in de lopende fase van de procedure kan uitoefenen.
2) In gevallen waarin vertraging dreigt te ontstaan en de wettelijke vertegenwoordiger of voogd ad litem van de minderjarige zijn rechten als bedoeld in lid 1 niet kan uitoefenen, of wanneer geen voogd ad litem is aangewezen, hoewel er gronden zijn voor de aanwijzing van een voogd ad litem, wijst de voorzittende rechter en, in het kader van gerechtelijke vooronderzoeken, de openbaar aanklager een voogd ad litem aan voor de minderjarige om zijn/haar rechten uit te oefenen. De voorzittende rechter of, in het kader van gerechtelijke vooronderzoeken, de openbaar aanklager benoemt een door de minderjarige voorgestelde persoon als voogd ad litem. Indien de minderjarige geen persoon voorstelt of indien hij/zij een persoon voorstelt ten aanzien van wie er gegronde bezorgdheid bestaat dat hij/zij de belangen van de minderjarige niet naar behoren zal beschermen, wijst de voorzittende rechter of, in het kader van gerechtelijke vooronderzoeken, de openbaar aanklager, een andere geschikte persoon aan, zoals een naaste, een werknemer van een orgaan voor sociale en juridische bescherming van kinderen of een andere persoon met ervaring in de opvoeding van kinderen, of een advocaat. Een persoon die geen advocaat is, kan slechts met toestemming van de minderjarige als voogd ad litem worden aangewezen. Het besluit tot aanwijzing van een voogd ad litem wordt medegedeeld aan de aangewezen persoon en, indien de aard van de zaak dit niet uitsluit, ook aan de minderjarige. Tegen een beslissing tot aanwijzing van een voogd ad litem kan een klacht worden ingediend.
Artikel 60 Inleiding van strafrechtelijke vervolging
De wettelijke vertegenwoordiger of voogd ad litem van de minderjarige, het bevoegde orgaan voor sociale en juridische bescherming van kinderen en de dienst voor reclassering en bemiddeling worden eveneens onverwijld in kennis gesteld van de inleiding van een strafrechtelijke procedure tegen de minderjarige.
f) In overeenstemming met artikel 55 bis, lid 1, van het wetboek van strafvordering is het maken van video- en audio-opnamen verplicht indien videoconferentieapparatuur wordt gebruikt bij het uitvoeren van een procedurele handeling in een strafrechtelijke procedure. Het feit dat naast het schriftelijk verslag een audio- en/of video-opname van de procedurele handeling is gemaakt, moet in het schriftelijk verslag van die handeling worden vermeld, waarbij naast de tijd, de plaats en de wijze van uitvoering van de handeling ook wordt vermeld op welke wijze (wat is opgenomen, en welke opnameapparatuur en welk opslagmedium is gebruikt om de opname te maken) de handeling is uitgevoerd.
Overeenkomstig artikel 55 bis, lid 2, van het wetboek van strafvordering moet het technisch opslagmedium van de opname bij het dossier worden gevoegd of moet in het dossier worden vermeld waar het opslagmedium is opgeslagen. Dit opslagmedium moet worden geïdentificeerd aan de hand van een referentienummer van het dossier, de naam van de persoon die is gehoord, het tijdstip van de hoorzitting en alle andere noodzakelijke gegevens, en moet aan het dossier worden gehecht of op een veilige plaats worden opgeslagen, met vermelding van de opslagplaats in het dossier.
Aangezien deze opslagmedia dienen om de loop van de procedurele handeling te documenteren, mogen zij niet worden gewijzigd, bijvoorbeeld worden verkort, geknipt of worden aangevuld met begeleidende tekst, omdat dit de bewijskracht ervan kan verminderen en het onderwerp kan zijn van latere bezwaren van de partijen.
Er zij op gewezen dat het ministerie van Justitie momenteel met opmerkingen bezig is over wijzigingen in de strafrechtelijke wetgeving, die onder meer gevolgen zullen hebben voor de bepalingen van artikel 55 bis van het wetboek van strafvordering teneinde het gebruik van videoconferenties in strafrechtelijke procedures flexibeler te maken, ook rekening houdend met de technologische vooruitgang op dit gebied. Dit amendement moet in de komende weken aan de regering worden voorgelegd.
Artikel 55 bis
Gebruik van bijzondere middelen voor de registratie van de procedure
1) Indien nodig kan het verloop van een procedurele handeling eveneens worden vastgelegd met behulp van stenografie, die vervolgens, samen met de transcriptie in gewoon schrift, of door middel van een audio- of video-opname of op een andere geschikte wijze aan het stuk wordt gehecht. Wanneer bij de uitvoering van een procedurele handeling gebruik wordt gemaakt van videoconferentieapparatuur, wordt in alle gevallen een audio- en video-opname gemaakt.
2) Wanneer naast het schriftelijke verslag een audio- of video-opname van een procedurele handeling wordt gemaakt, wordt dit in dat verslag van de handeling vermeld, waarbij naast de tijd, de plaats en de wijze van uitvoering van de handeling ook de gebruikte middelen worden vermeld. Het technisch opslagmedium van de opname wordt bij het dossier gevoegd of in het dossier wordt vermeld waar het opslagmedium is opgeslagen.
g) De persoon die wordt gehoord, heeft het recht om op elk moment tijdens de hoorzitting via videoconferentie bezwaar te maken tegen de kwaliteit van de video- en audio-opname. Bezwaar kan er bijvoorbeeld toe leiden dat de hoorzitting wordt onderbroken in afwachting van een verbetering van de kwaliteit van de opname of wordt beëindigd. In alle gevallen worden eventuele bezwaarschriften opgenomen in het proces-verbaal van de procedurele handeling.
In de fase van het vooronderzoek kan een verzoek worden ingediend overeenkomstig artikel 157 bis van het wetboek van strafvordering om de handelingen van een politieautoriteit te herzien (d.w.z. als de politieautoriteit niet in overeenstemming met de wet heeft gehandeld, kunnen hun handelingen worden betwist).
De uitspraak kan worden aangevochten door middel van een beroep als bedoeld in artikel 245 e.v. van het wetboek van strafvordering, waarbij de rechthebbende (die ook, voor zover relevant, de beklaagde en de deelnemer is) eveneens een schending van de bepalingen betreffende de procedure voorafgaand aan de uitspraak kan aanvechten, indien die schending tot een onjuist of ontbrekend dictum van de uitspraak heeft geleid. Indien de uitspraak is voorafgegaan door wezenlijke procedurefouten, met name schending van de bepalingen inzake het recht van verdediging, die de juistheid en de wettigheid van het gedeelte van de uitspraak die wordt herzien, hadden kunnen beïnvloeden, gaat de rechtbank van beroep over tot vernietiging van de uitspraak.
Elke beslissing van een politieautoriteit en de uitspraken van de rechtbank en de openbare aanklager in eerste aanleg kunnen worden betwist door middel van een klacht, indien de wet dit toestaat. Een uitspraak kan ook worden aangevochten wegens schending van de bepalingen betreffende de procedure die aan de uitspraak voorafging, indien een dergelijke schending tot een onjuist dictum van de uitspraak had kunnen leiden. Een klacht kan ook worden ingediend door een persoon die rechtstreeks door de uitspraak wordt getroffen, d.w.z. in voorkomende gevallen ook door de beklaagde of een deelnemer.
h) Voor videoconferenties worden twee platforms gebruikt, namelijk Polycom en Webex, die sinds begin 2024 worden gebruikt.
i) Als de persoon die moet worden gehoord niet in hechtenis zit of geen gevangenisstraf uitzit, moet hij/zij verschijnen bij een vooraf overeengekomen strafrechtelijke instantie (bv. een rechtbank of een politiebureau in zijn/haar woonplaats), die een videoconferentieverbinding tot stand brengt met de autoriteit die de hoorzitting voert.
De strafrechtelijke instantie is verplicht de advocaat in kennis te stellen van de plaats en het tijdstip van de hoorzitting, maar de kennisgeving van de plaats van de hoorzitting varieert naargelang de procedurele status van de persoon die wordt gehoord. Indien de beklaagde via videoconferentie wordt gehoord, moet de advocaat worden geïnformeerd over de plaats waar de beklaagde is opgeroepen. Wanneer de procedurele handeling daarentegen een hoorzitting via videoconferentie van een medebeklaagde, die niet door de aangemelde advocaat wordt vertegenwoordigd, of van een getuige of deskundige is, wordt de plaats waar de hoorzitting door de strafrechtelijke instantie wordt gehouden, aangegeven als de plaats waar de hoorzitting zal plaatsvinden.
j) Ja, de Beey-app wordt gebruikt om een audio- of video-opname te uploaden en deze vervolgens in tekst om te zetten. Rechtbanken, openbare aanklagers en gevangenissen hebben toegang tot de app.
k) De verificatie van de identiteit van de te horen persoon is geregeld in artikel 111 bis, lid 2, van het wetboek van strafvordering (zie hierboven voor de volledige tekst van deze bepaling). Deze bepaling is van toepassing op het verhoor van een persoon met de status van beklaagde (verdachte, beklaagde of veroordeelde), alsook van andere personen, met inbegrip van deelnemers. Wanneer een persoon wordt verhoord met behulp van videoconferentieapparatuur, wordt zijn/haar identiteit geverifieerd door een ambtenaar van de rechtbank, het openbaar ministerie of een politie-autoriteit die daartoe is gemachtigd door de persoon die de hoorzitting voert, afhankelijk van de strafrechtelijke instantie die de hoorzitting voert. Overeenkomstig de tweede volzin van dit lid kan de voorzittende rechter, het hoofd van het openbaar ministerie, de directeur van de gevangenis of het hoofd van de politie, met toestemming van de persoon die de hoorzitting voert, een ambtenaar van de rechtbank, het openbaar ministerie, de gevangenis of een politie-autoriteit van de plaats waar de te horen persoon zich bevindt, aanwijzen als de persoon die de identiteit van de te horen personen controleert. Deze aangewezen ambtenaar is gedurende de gehele hoorzitting aanwezig op de plaats waar de te horen persoon zich bevindt.
l) Zoals hierboven vermeld, heeft de beklaagde overeenkomstig artikel 33, lid 1, van het wetboek van strafvordering het recht om te verzoeken om te worden gehoord in aanwezigheid van zijn/haar advocaat en om de deelname van de advocaat aan andere procedurele handelingen in de procedure. Zodra de persoon die wordt gehoord zijn/haar ononderbroken getuigenis heeft afgerond, kunnen de strafrechtelijke instantie en vervolgens andere personen de persoon die wordt gehoord vragen stellen om eventuele tegenstrijdigheden in de verklaring te uit te klaren, om de door hen vermelde feiten nader te verduidelijken of om informatie aan te vullen die de persoon die wordt gehoord niet zelf in zijn/haar getuigenis heeft genoemd (artikel 92, lid 3, en artikel 101, lid 3, van het wetboek van strafvordering). Bij het verhoor van een persoon jonger dan 18 jaar mogen de vragen alleen worden gesteld via de strafrechtelijke instantie en niet rechtstreeks door de advocaat of andere personen die aan de hoorzitting deelnemen.
Artikel 92
1) Het verhoor van de beklaagde geschiedt zodanig dat, voor zover mogelijk, een volledig en duidelijk beeld wordt gegeven van de feiten die relevant zijn voor de strafrechtelijke procedure. De beklaagde mag op geen enkele wijze worden gedwongen te getuigen of te bekennen. Tijdens de hoorzitting moet hij/zij als persoon worden beschermd.
2) Bij de hoorzitting moet de beklaagde worden ondervraagd over zijn/haar persoonlijke, familiale, financiële en andere omstandigheden teneinde de feiten vast te stellen die nodig zijn om de aard en de omvang van de straf te bepalen in het geval van een vonnis tegen de beklaagde. Bovendien is het noodzakelijk om te vragen naar eerdere straffen en andere strafrechtelijke vervolging van de beklaagde.
3) De beklaagde moet in de gelegenheid worden gesteld gedetailleerd op de beschuldiging te antwoorden, met name door een samenhangende verklaring van de feiten die de basis van de beschuldiging vormen, te verstrekken, alle omstandigheden te vermelden die de beschuldiging verzachten of weerleggen en daarover bewijsmateriaal te verstrekken.
4) De beklaagde kan worden verzocht de getuigenverklaring aan te vullen of eventuele onvolledigheden, dubbelzinnigheden of tegenstrijdigheden uit te klaren. De vragen worden op duidelijke en gemakkelijk te begrijpen wijze gesteld, zonder misleidende of onware beweringen; de vragen zelf mogen niet suggestief zijn.
Artikel 101
1) Alvorens een getuige te horen, is het altijd noodzakelijk zijn/haar identiteit vast te stellen, zijn/haar relatie tot de beklaagde vast te stellen, hem/haar te informeren over zijn/haar recht om te weigeren te getuigen en, indien nodig, de plicht om niet te getuigen of de mogelijkheid van een procedure op grond van artikel 55, lid 2, en over zijn/haar verplichting om volledig de waarheid te spreken en niets achter te houden. Hij/zij wordt ook geïnformeerd over het belang van getuigenverklaringen voor het algemeen belang en over de strafrechtelijke gevolgen van valse getuigenverklaringen. Wanneer een persoon jonger dan 15 jaar als getuige wordt gehoord, wordt hij/zij op een voor zijn leeftijd passende wijze geïnstrueerd.
2) Aan het begin van de hoorzitting wordt de getuige gevraagd naar zijn/haar relatie tot de zaak en de partijen en, indien nodig, naar andere omstandigheden die van belang zijn voor de vaststelling van zijn/haar geloofwaardigheid. Het verhoor van een getuige geschiedt zodanig dat, voor zover mogelijk, een volledig en duidelijk beeld wordt gegeven van de feiten die relevant zijn voor de strafrechtelijke procedure en die de getuige via zijn eigen zintuigen heeft waargenomen. Getuigen krijgen de mogelijkheid om ononderbroken te getuigen over alles wat zij over de zaak weten en over waar zij hun kennis van de door hen vermelde omstandigheden hebben opgedaan. Tijdens het verhoor worden zij als persoon beschermd, met name wat betreft hun persoonsgegevens en hun persoonlijke levenssfeer.
3) Een getuige kan worden verzocht zijn/haar getuigenverklaring aan te vullen of eventuele onvolledigheden, dubbelzinnigheden of tegenstrijdigheden uit te klaren. Vragen over het privéleven van de getuige die wordt gehoord, met name in het geval van een slachtoffer van een strafbaar feit, mogen alleen worden gesteld wanneer het nodig is de feiten die relevant zijn voor de strafrechtelijke procedure te verduidelijken, en moeten op bijzonder tactvolle wijze en zo uitvoerig mogelijk worden gesteld, zodat de hoorzitting niet hoeft te worden herhaald; de vragen worden geformuleerd op een wijze die past bij de leeftijd, de persoonlijke ervaring en de psychische toestand van de getuige, waarbij constant gepaste zorgvuldigheid in acht wordt genomen. Er mogen geen vragen aan de getuige worden gesteld die misleidende of onjuiste beweringen bevatten of betrekking hebben op zaken die alleen aan de hand van zijn/haar getuigenverklaring kunnen worden vastgesteld.
4) Indien het noodzakelijk is om de echtheid van een handschrift vast te stellen, kan de getuige worden verzocht een noodzakelijk aantal woorden op te schrijven.
m) Het wetboek van strafvordering bevat geen specifieke bepalingen inzake tolken bij videoconferenties, waardoor de algemene regels inzake tolken in de artikelen 2, lid 14, en 28 van het wetboek van strafvordering van toepassing zijn. In overeenstemming met artikel 2, lid 14, van het wetboek van strafvordering heeft een persoon die verklaart dat hij/zij het Tsjechisch niet beheerst, het recht om voor de strafrechtelijke instantie zijn moedertaal of een taal die hij/zij beweert te beheersen, te gebruiken. Een dergelijke verklaring van de beklaagde vormt de grondslag voor de toewijzing van een tolk overeenkomstig artikel 28, lid 1, eerste volzin, van het wetboek van strafvordering.
Artikel 2, lid 14
(…)
14) De strafrechtelijke instanties voeren de procedure en stellen hun beslissingen op in het Tsjechisch. Eenieder die verklaart dat hij/zij het Tsjechisch niet beheerst, heeft het recht om voor de strafrechtelijke instantie zijn moedertaal of een taal die hij/zij beweert te beheersen, te gebruiken.
(…)
Artikel 28
1) Indien de inhoud van een document, getuigenverklaring of andere processtukken moet worden vertolkt of indien de beklaagde gebruikmaakt van het in artikel 2, lid 14, bedoelde recht, wordt een tolk aangesteld; hetzelfde geldt voor de toewijzing van een tolk voor een persoon met wie geen andere communicatie mogelijk is dan via een van de communicatiesystemen voor doven en doofblinden. Een tolk kan niet tegelijkertijd de persoon zijn die notuleert. Indien de beklaagde geen taal aangeeft die hij/zij beheerst of een taal of dialect aangeeft die niet de taal van zijn/haar etnische groep of een officiële taal van het land van zijn/haar nationaliteit is, en geen persoon is opgenomen in de lijst van tolken voor die taal of dat dialect, wijst de strafrechtelijke instantie een tolk aan voor de taal van zijn/haar etnische groep of een officiële taal van het land van zijn/haar nationaliteit. In het geval van een staatloze betekent dit het land van permanente verblijfplaats of het land van herkomst.
(…)
n) Hoe ongeautoriseerde toegang tot gevoelige gegevens of gegevensstromen naar onbekende entiteiten wordt voorkomen.
De doorlopende videoconferenties worden beveiligd door end-to-end-versleuteling (elk apparaat heeft een uniek certificaat dat rechtstreeks voor het apparaat wordt gegenereerd) en de Lets-versleutelingsmethode wordt gebruikt (certificaten van apparatuur worden elke zestig dagen gewijzigd). WEB RCT-videoconferenties — met behulp van een cliënt in een computer, browser of mobiel apparaat — worden beveiligd met een wachtwoord wanneer de bijeenkomst wordt aangemaakt. Er is ook de mogelijkheid om vergaderingen op locatie (domein) te houden waarbij niemand anders dan uitgenodigde personen of ambtenaren van de rechterlijke macht aan de vergadering kunnen deelnemen. Er zijn bijvoorbeeld ook videoconferentieruimtes die beveiligd zijn met een voor elke ruimte uniek wachtwoord.
De beveiliging van de opname zelf wordt gewaarborgd door een actieve directory van groepen en rechten, waarbij toegang tot het bestand wordt verleend aan gebruikers met de relevante rechten, zonder welke het bestand met de opnamen niet toegankelijk is.
4. Vergoedingen bij procedures in burgerlijke en handelszaken
I. Inning van vergoedingen in procedures voor Tsjechische rechtbanken
De gerechtskosten in procedures voor Tsjechische gerechten worden geregeld door Wet nr. 549/1991 op de gerechtskosten, zoals gewijzigd. Vergoedingen kunnen alleen worden geheven voor de procedures of administratieve handelingen die zijn opgenomen in de bijlage bij deze wet, getiteld “Vergoedingenlijst”.
De vergoeding moet tegelijk met de indiening van het verzoek tot inleiding van de desbetreffende procedure worden betaald. Indien een deelnemer niet zeker is over het bedrag van de gerechtskosten en deze daarom niet betaalt bij de indiening van de vordering, moet de rechter de deelnemer verzoeken om de aanvullende verplichting tot betaling van de gerechtskosten na te komen. In de aanmaningsbrief moet de rechter hem/haar in kennis stellen van het rekeningnummer waarop de vergoeding moet worden overgemaakt en het bedrag ervan, waarbij hij/zij een termijn van ten minste 15 dagen vaststelt. Indien de gerechtskosten nog steeds niet binnen de extra termijn zijn betaald, beëindigt de rechtbank de procedure.
In de vergoedingenlijst wordt onderscheid gemaakt tussen procedurele vergoedingen en vergoedingen voor individuele handelingen. De tarieven zijn vastgesteld in Tsjechische kronen. Indien de vergoedingsgrondslag in vreemde valuta is uitgedrukt, wordt de procentuele vergoeding berekend op basis van de vergoedingsgrondslag die is omgerekend in Tsjechische valuta tegen de door de Nationale Bank van Tsjechië gepubliceerde koers die geldig is op de eerste dag van de kalendermaand waarin de vergoeding verschuldigd is of waarin de rechtbank een besluit vaststelt over de verplichting tot betaling van de vergoeding. Voor de omrekening van valuta’s waarvoor de Nationale Bank van Tsjechië geen wisselkoers bekendmaakt, wordt de USD-koers van die valuta gebruikt, zoals aangegeven door de centrale bank of de bank met een gelijkwaardige status in het land waar de omgeruilde valuta geldig is; de vergoedingsplichtige moet de geldigheid van de gebruikte wisselkoers bewijzen door de rechtbank een document te overleggen dat is verkregen via het ministerie van Buitenlandse Zaken.
II. Bedrag van de gerechtskosten
a) Procedurekosten
Wat de procedurekosten betreft, is het uitgangspunt de berekening van de gerechtskosten op basis van het gevorderde geldbedrag, wat ook het geval is voor de procedure voor geringe vorderingen en het Europees betalingsbevel. Voor bedragen tot 20 000 CZK wordt de vergoeding op forfaitaire basis vastgesteld (1 000 CZK), tussen 20 000 CZK en 40 000 000 CZK bedraagt de vergoeding 5 % van het gevorderde bedrag, en voor een bedrag van meer dan 40 000 000 CZK bedraagt de vergoeding 2 000 000 CZK en 1 % van het bedrag boven 40 000 000 CZK; bedragen van meer dan 250 000 000 CZK worden niet meegerekend.
Bij wet wordt uitsluitend voor elektronische betalingsopdrachten een speciale categorie heffingen ingevoerd; in dit geval wordt het bedrag van de gerechtskosten als volgt vastgesteld:
- tot en met 10 000 CZK: 400 CZK;
- voor bedragen van meer dan 10 000 CZK tot en met 20 000 CZK: 800 CZK;
- voor bedragen van meer dan 20 000 CZK: 4 % van het bedrag.
Voor geschillen over niet-materiële schade in geldmiddelen voor bedragen tot 200 000 CZK is de vergoeding een forfaitaire vergoeding (2 000 CZK) gevolgd door 1 % van het gevorderde bedrag.
Bovendien bevat de wet een aantal andere regels voor gevallen waarbij het geschil geen geldelijke betaling betreft — in dergelijke gevallen worden de vergoedingen vastgelegd op basis van een forfaitair percentage. Bijvoorbeeld in het geval van een geschil over onroerend goed: 5 000 CZK voor elk onroerend goed en 15 000 CZK voor elke bedrijfsvestiging.
Bijzondere gerechtskosten worden eveneens vastgesteld in de volgende gevallen:
- uitvaardiging van een tijdelijk bevel: 1 000 CZK;
- in zaken met betrekking tot de regeling van het gezamenlijk vermogen van de echtgenoten en van het gezamenlijk eigendom: 2 000 CZK (dit bedrag wordt verhoogd met 5 000 CZK per onroerend goed en 15 000 CZK per bedrijfsvestiging);
- in geval van alimentatie: 500 CZK voor bedragen tot 50 000 CZK, gevolgd door 1 %, tot maximaal 15 000 CZK;
- voor een verzoek om erkenning van buitenlandse beslissingen in huwelijkszaken en tot vaststelling van het ouderschap: 2 000 CZK;
- voor een verzoek tot inleiding van een procedure in een bijkomend geschil (insolventieprocedure) betreffende een geldelijke betaling: de gerechtskosten bedragen 1 000 CZK voor bedragen tot 20 000 CZK, en vervolgens 5 % van het gevorderde bedrag;
- voor een verzoek tot inleiding van een procedure in een bijkomend geschil dat geen betrekking heeft op een geldelijke betaling:
- in een geschil over de echtheid, het bedrag of de rangorde van een ingediende vordering: 5 000 CZK;
- voor elk onroerend goed: 5 000 CZK;
- voor elke bedrijfsvestiging of organisatie-eenheid: 15 000 CZK;
- in andere gevallen: 2 000 CZK.
Er bestaat ook een restclausule, die van toepassing is in de overige gevallen waarbij geen geldelijke betaling of een van de uitdrukkelijk genoemde categorieën betrokken is. Deze restclausule voorziet in een gerechtskostenvergoeding van 2 000 CZK.
Voor beroepsprocedures (gewone beroepsprocedures) wordt het bedrag van de gerechtskosten op dezelfde wijze vastgesteld als voor het in eerste aanleg ingestelde beroep.
Voor buitengewone beroepsprocedures wordt de vergoeding op forfaitaire basis vastgesteld:
- geldelijke betaling tot en met 100 000 CZK: 7 000 CZK;
- voor elk onroerend goed: 14 000 CZK;
- voor elke bedrijfsvestiging of organisatie-eenheid: 28 000 CZK;
- in andere gevallen: 14 000 CZK.
b) Vergoedingen voor administratieve handelingen
De gerechtskosten voor administratieve handelingen worden op forfaitaire basis vastgesteld. Voorbeelden:
- 300 CZK voor de afgifte van een certificaat of verklaring overeenkomstig het Unierecht;
- 500 CZK voor de afgifte van een wijziging of intrekking van de Europese erfrechtverklaring;
- 150 CZK voor de afgifte van een officiële verklaring van feiten die bekend zijn uit gerechtelijke dossiers;
- 1 000 CZK voor het opstellen van een in te dienen stuk voor de gerechtelijke akten indien dit volgens de Tsjechische wetgeving is toegestaan;
- 70 CZK voor het maken van een afschrift van een beslissing, het proces-verbaal en een gewaarmerkt uittreksel uit registers en dossiers, per pagina of deelpagina;
- 20 CZK voor het maken van een afschrift (fotokopie) van de documenten, het proces-verbaal, de bijlagen, opnamen, andere delen van het dossier en andere bijbehorende documenten in het bezit van de rechter, met inbegrip van uittreksels daarvan, per pagina of deelpagina;
- 50 CZK voor het verstrekken van een afschrift van de elektronische gegevens in het dossier op een duurzaam opslagmedium, voor elke opslagmedium;
- 100 CZK voor het transcriberen van een audio- of audiovisuele opname in de vorm van een verslag, per pagina of deelpagina.
5. Elektronische betalingsmethoden
Momenteel is een bankoverschrijving de enige elektronische betaalmethode in de Tsjechische Republiek voor de betaling van gerechtskosten. De kosten worden middels een bankoverschrijving op de rekening van de bevoegde rechtbank gestort. De bankgegevens zijn te vinden op de websites van de afzonderlijke rechtbanken, die te vinden zijn op het online portaal justice.cz/.
6. Kennisgeving over het vroegtijdige gebruik van het gedecentraliseerde IT-systeem
De Tsjechische Republiek is niet voornemens gebruik te maken van het gedecentraliseerde IT-systeem vóór de datum van gebruik die is vastgesteld overeenkomstig artikel 26, lid 3, in samenhang met artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) 2023/2844 van het Europees Parlement en de Raad.
7. Kennisgeving over het vroegtijdige gebruik van videoconferenties in burgerlijke en handelszaken
De Tsjechische Republiek is niet voornemens om vóór 1 mei 2025 videoconferenties in burgerlijke en handelszaken overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) 2023/2844 van het Europees Parlement en de Raad in te zetten.
8. Kennisgeving over het vroegtijdige gebruik van videoconferenties in strafzaken
De Tsjechische Republiek is niet voornemens om vóór 1 mei 2025 videoconferenties in strafrechtelijke zaken overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) 2023/2844 van het Europees Parlement en de Raad in te zetten.