Overslaan en naar de inhoud gaan

Digitaliseringsverordening — Kennisgevingen van de lidstaten

Zweden

Deze pagina bevat informatie over de kennisgevingen die de lidstaten op grond van Verordening (EU) 2023/2844 hebben gedaan.

Inhoud aangereikt door
Zweden
Flag of Sweden

Informatie uit hoofde van artikel 17, lid 1

a) Nationale IT-portalen voor de communicatie met rechtbanken of andere autoriteiten

Zweden heeft geen nationaal IT-portaal dat gelijkwaardig is aan het portaal dat bij de digitaliseringsverordening is ingevoerd. De autoriteiten in Zweden hebben elk hun eigen digitale platform waar zij diensten en informatie aanbieden. Zo bieden de Zweedse nationale raad voor de rechtbanken (Domstolsverket), de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie (Kronofogdemyndigheten) en de Zweedse belastingdienst (Skatteverket) op hun websites e-diensten aan die personen en bedrijven kunnen gebruiken om met de autoriteiten te communiceren.

De e-dienst van de Zweedse nationale raad voor de rechtbanken stelt burgers bijvoorbeeld in staat om documenten in te dienen zonder ze te ondertekenen. Ook voorziet de dienst in een contactformulier, als een veiligere manier om contact op te nemen dan via een gewone e-mail. Er is ook een e-dienst waarmee burgers documenten digitaal kunnen ondertekenen en indienen bij de rechtbanken en bestuursorganen van rechtbanken. De e-dienst is toegankelijk via domstol.se, waarbij elektronische identificatie een vereiste is. Een ander voorbeeld is de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie, waarvan de e-dienst een elektronische betalingsdienst voor grensoverschrijdende betalingen omvat. Nadere informatie over dit type betalingen is beschikbaar op de website van de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie. Ook de Zweedse belastingdienst heeft een e-dienst voor grensoverschrijdende bankbetalingen, bijvoorbeeld voor betalingen voor een Europese erfrechtverklaring. Nadere informatie over dit type betalingen is beschikbaar op de website van de Zweedse belastingdienst. Voor meer details, zie punt d) Elektronische betalingsmethoden.

Er is niet één e-dienst voor alle overheidsinstanties. In plaats daarvan wordt elke afzonderlijke dienst beschikbaar gesteld via de website van de desbetreffende instantie, en de diensten zijn voor iedereen toegankelijk, ongeacht in welk land de persoon zich bevindt. De voorwaarden voor het gebruik van de verschillende e-diensten kunnen echter uiteenlopen, afhankelijk van het geval en van het doel van de dienst. Voor informatie over de mogelijkheid om videoconferenties te gebruiken in grensoverschrijdende procedures, zie de antwoorden hieronder.

Nationaal recht inzake videoconferenties in burgerlijke en handelszaken

Wanneer er een hoorzitting voor de rechter moet worden gehouden op grond van een van de in artikel 5 bedoelde rechtshandelingen, zijn de procedureregels van het Zweedse Wetboek van rechtsvordering en de Wet inzake gerechtelijke aangelegenheden (1996:242) van toepassing op de procedure, naast de rechtstreeks toepasselijke regels van de verordeningen.

a)

Het Wetboek van rechtsvordering is van toepassing op civiele zaken, d.w.z. op burgerlijke en handelsgeschillen. Uit hoofdstuk 5, artikel 10, van het Wetboek van rechtsvordering volgt dat de rechtbank, indien daar gronden voor zijn, kan beslissen dat iemand die aan een zitting moet deelnemen dat kan doen door middel van een audio- of audiovisuele verbinding. Bij het beoordelen of er gronden zijn voor deelname door middel van een audio- of audiovisuele verbinding, moet de rechter onder meer rekening houden met de kosten en het ongemak dat zou ontstaan als de persoon die aan een zitting moet deelnemen in de rechtszaal zou moeten verschijnen. Het feit dat een partij of een persoon die aan een hoorzitting deelneemt buiten Zweden woont, is een typische reden voor de rechter om deelname via videoconferentie toe te staan, gezien de kosten die en het ongemak dat een persoonlijke verschijning met zich mee zou brengen. Uiteindelijk is het de rechter die hierover beslist. Verder staat in bovengenoemde bepaling dat deelname aan een zitting door middel van een audio- of audiovisuele verbinding wordt geacht gelijk te staan aan een fysieke verschijning in de rechtszaal. Dit betekent dat de procedureregels die van toepassing zijn op de persoon die de hoorzitting via videoconferentie bijwoont, dezelfde zijn als die welke van toepassing zouden zijn als de persoon fysiek in de rechtszaal zou zijn verschenen.

De bepalingen van hoofdstuk 5, artikel 10, van het Wetboek van rechtsvordering houden ook in dat de algemene nationale regels inzake procedurele rechten en plichten van toepassing zijn op een persoon die deelneemt via videoconferentie, onder meer met betrekking tot de betekening en kennisgeving van stukken en dagvaardingen (zie onder meer hoofdstuk 9 van het Wetboek van rechtsvordering en artikel 3 van de Wet inzake de betekening en kennisgeving van stukken), het recht op vertolking en vertaling (hoofdstuk 5, artikel 6, en hoofdstuk 33, artikel 9, van het Wetboek van rechtsvordering), het recht op een vergoeding voor het verschijnen op hoorzittingen (hoofdstuk 36, artikel 24 en hoofdstuk 37, artikel 3, van het Wetboek van rechtsvordering), sancties, geldboeten en de inning daarvan in geval van niet-verschijnen op een hoorzitting (zie onder meer hoofdstuk 9, artikelen 7 tot en met 10 en hoofdstuk 32 van het Wetboek van rechtsvordering) en beroepen tegen rechterlijke beslissingen (hoofdstuk 49 van het Wetboek van rechtsvordering).

De Wet inzake gerechtelijke aangelegenheden (1996:242), die de behandeling regelt van bepaalde zaken die niet onder het Wetboek van rechtsvordering vallen, verwijst in essentie naar de bepalingen van het Wetboek van rechtsvordering waar het gaat om procedurele rechten en plichten, onder meer in kwesties met betrekking tot sancties, geldboeten en de inning daarvan (artikel 43) en vertolking en vertaling (artikel 48). In de wet is ook bepaald dat hoofdstuk 5, artikel 10, van het Wetboek van rechtsvordering van toepassing is op de deelname door middel van een audio- of audiovisuele verbinding (artikel 21).

Meer informatie over de rechten en plichten van een persoon die voor de rechter wordt gedaagd en over de manier waarop hoorzittingen in de praktijk worden gehouden, is te vinden op de website van de Zweedse rechtbanken.

Verordening (EU) nr. 606/2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken, is in Zweeds recht omgezet bij onder meer de Wet houdende aanvullende bepalingen bij de EU-verordening betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken (2015:197). Volgens artikel 3 van die wet is de Wet inzake gerechtelijke aangelegenheden (1996:242) van toepassing op procedures tot wijziging van een beschermingsmaatregel op grond van artikel 11 van de EU-verordening en op procedures tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging van een beschermingsmaatregel op grond van artikel 13 van de EU-verordening.

b)

Op grond van artikel 3 van de Wet houdende aanvullende bepalingen bij de EU-verordening betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken (2015:197), is de arrondissementsrechtbank de rechtbank die bevoegd is voor procedures op grond van Verordening (EU) nr. 606/2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken.

c)

Er zijn geen formele belemmeringen voor een rechtbank om ambtshalve een hoorzitting te organiseren. In de praktijk worden hoorzittingen echter vaak gehouden op verzoek van een partij of in overleg met de partijen.

d)

De beschikbare tools voor videoconferenties zijn Cisco en Mividas.

Meer informatie is te vinden op de website van de Zweedse rechtbanken.

e)

Een verzoek tot het houden van een videoconferentie kan op elk moment vóór de zitting bij de rechtbank worden ingediend. Er zijn geen vereisten voor de wijze waarop dat verzoek moet worden ingediend. Een verzoek kan dus mondeling, schriftelijk of elektronisch worden ingediend bij de rechtbank. De rechtbank beslist normaliter tijdig vóór de zitting op een verzoek, maar er zijn geen wettelijke termijnen. De beslissing van de rechtbank over de wijze waarop de persoon moet deelnemen aan een hoorzitting kan niet worden aangevochten tijdens de procedure, maar alleen in het kader van een definitieve uitspraak in de zaak.

f)

Van alle zittingen worden audio- en video-opnamen gemaakt, zodat deze in hogere rechtbanken kunnen worden afgespeeld als er beroep wordt ingesteld (hoofdstuk 6, artikel 6, van het Wetboek van rechtsvordering). Omdat de hoorzittingen worden opgenomen, hoeven de deelnemers meestal niet voor de hogere rechtbank te verschijnen om opnieuw een verklaring af te leggen. Het audiobestand is een openbaar document dat op verzoek ter beschikking van het publiek kan worden gesteld indien er geen redenen zijn voor het bewaren van de vertrouwelijkheid. Het videobestand wordt niet openbaar gemaakt. Nadat er uitspraak is gedaan in de zaak, worden de video’s vernietigd. De regels voor het registreren van hoorzittingen zijn ook van toepassing op grensoverschrijdende zaken.

g)

De vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd door middel van technische en praktische maatregelen, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak. Zo kan een advocaat afzonderlijk met zijn cliënt spreken via een verbinding in een aangrenzende kamer in de rechtbank.

h)

Algemene informatie over de deelname via audio- en video-opnamen is beschikbaar op de website van de Zweedse rechtbanken (domstol.se). De gedetailleerde praktische maatregelen die in elke afzonderlijke zaak moeten worden getroffen, vallen onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde rechtbank. Spraak-naar-teksttechnologie is niet beschikbaar.

i)

In elke specifieke zaak ontvangen de partijen informatie over de wijze waarop de videoconferentie zal plaatsvinden. Het informeren van de persoon die via videoconferentie deelneemt over de wijze waarop dit zal gebeuren, is eveneens een verantwoordelijkheid van de rechtbank. De informatie bestrijkt alles wat de persoon moet weten om verbinding te maken en deel te nemen aan de hoorzitting. Aan personen met een gehoorbeperking kan een hoortoestel ter beschikking worden gesteld.

j-m)

De procedureregels die van toepassing zijn op de persoon die via videoconferentie deelneemt aan de hoorzitting, zijn dezelfde als die welke van toepassing zouden zijn als hij of zij fysiek in de rechtszaal zou verschijnen. Voor meer informatie, zie punt a). De gedetailleerde praktische maatregelen in elke afzonderlijke zaak worden vastgesteld in overleg met de partijen.

n)

Het videoconferentieverkeer, de videoconferentie-infrastructuur en de videoconferentiesystemen worden beschermd door onder meer encryptie en firewalls.

Nationaal recht inzake videoconferenties in strafzaken

Wanneer er een hoorzitting voor de rechter moet worden gehouden op grond van een van de in artikel 6 bedoelde rechtshandelingen, zijn de procedureregels van het Wetboek van rechtsvordering en de Wet inzake gerechtelijke aangelegenheden ((1996:242) van toepassing op de procedure, naast de rechtstreeks toepasselijke regels van de verordeningen.

a)

Het Wetboek van rechtsvordering is van toepassing op strafzaken. Uit hoofdstuk 5, artikel 10, van het Wetboek van rechtsvordering volgt dat de rechtbank, indien daar gronden voor zijn, kan beslissen dat iemand die aan een zitting moet deelnemen dat kan doen door middel van een audio- of audiovisuele verbinding. Bij het beoordelen of er gronden zijn voor deelname door middel van een audio- of audiovisuele verbinding, moet de rechter onder meer rekening houden met de kosten en het ongemak dat zou ontstaan als de persoon die aan een zitting moet deelnemen in de rechtszaal zou moeten verschijnen. Het feit dat een partij of een persoon die aan een hoorzitting deelneemt buiten Zweden woont, is een typische reden voor de rechter om deelname via videoconferentie toe te staan, gezien de kosten die en het ongemak dat een persoonlijke verschijning met zich mee zou brengen. Uiteindelijk is het de rechter die hierover beslist. Verder bepaalt bovengenoemde bepaling dat deelname aan een zitting door middel van een audio- of audiovisuele verbinding wordt geacht gelijk te staan aan een fysieke verschijning in de rechtszaal. Dit betekent dat de procedureregels die van toepassing zijn op de persoon die de hoorzitting via videoconferentie bijwoont, dezelfde zijn als die welke van toepassing zouden zijn als de persoon fysiek in de rechtszaal zou zijn verschenen.

De bepalingen van hoofdstuk 5, artikel 10, van het Wetboek van rechtsvordering houden ook in dat de algemene nationale regels inzake procedurele rechten en plichten van toepassing zijn op een persoon die deelneemt via videoconferentie, onder meer met betrekking tot de betekening en kennisgeving van stukken en dagvaardingen (zie onder meer hoofdstuk 9 van het Wetboek van rechtsvordering en artikel 3 van de Wet inzake de betekening en kennisgeving van stukken), het recht op vertolking en vertaling (hoofdstuk 5, artikel 6 en hoofdstuk 33, artikel 9, van het Wetboek van rechtsvordering), het recht op een vergoeding voor het verschijnen op hoorzittingen (hoofdstuk 36, artikel 24 en hoofdstuk 37, artikel 3, van het Wetboek van rechtsvordering), sancties, geldboeten en de inning daarvan in geval van niet-verschijnen op een hoorzitting (zie onder meer hoofdstuk 9, artikelen 7 tot en met 10 en hoofdstuk 32 van het Wetboek van rechtsvordering) en beroepen tegen rechterlijke beslissingen (hoofdstuk 49 van het Wetboek van rechtsvordering).

De Wet inzake gerechtelijke aangelegenheden (1996:242), die de behandeling regelt van bepaalde zaken die niet onder het Wetboek van rechtsvordering vallen, verwijst in essentie naar de bepalingen van het Wetboek van rechtsvordering waar het gaat om procedurele rechten en plichten, onder meer in kwesties met betrekking tot sancties, geldboeten en de inning daarvan (artikel 43) en vertolking en vertaling (artikel 48). In de wet is ook bepaald dat hoofdstuk 5, artikel 10, van het Wetboek van rechtsvordering van toepassing is op de deelname door middel van een audio- of audiovisuele verbinding (artikel 21).

Meer informatie over de rechten en plichten van een persoon die voor de rechter wordt gedaagd en over de manier waarop hoorzittingen in de praktijk worden gehouden, is te vinden op de website van de Zweedse rechtbanken.

  • Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, is in Zweeds recht omgezet bij onder andere de Wet betreffende de overlevering door Zweden op grond van een Europees aanhoudingsbevel (2003:1156). Voor zittingen op grond van de artikelen 18 en 19 van het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel gelden dezelfde procedurele bepalingen als die welke van toepassing zijn tijdens nationale vooronderzoeken, die in essentie zijn te vinden in het Wetboek van rechtsvordering.
  • Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, is in Zweeds recht omgezet bij onder andere de Wet inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen in de Europese Unie (2015:96). Volgens deze wet is de Wet inzake gerechtelijke aangelegenheden (1996:242) van toepassing op procedures waarin een hoorzitting op grond van artikel 6 van de digitaliseringsverordening wordt gehouden.
  • Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen, is in Zweeds recht omgezet bij onder andere de Wet inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van proeftijdmaatregelen in de Europese Unie (2015:650). Volgens deze wet is zowel het Wetboek van rechtsvordering als de Wet inzake gerechtelijke aangelegenheden (1996:242) van toepassing op procedures waarin een hoorzitting op grond van artikel 6 van de digitaliseringsverordening wordt gehouden.
  • Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis, is in Zweeds recht omgezet bij onder andere de Wet betreffende de erkenning en monitoring van beslissingen inzake toezichtsmaatregelen binnen de Europese Unie (2015:485). Volgens deze wet is het Wetboek van rechtsvordering van toepassing op procedures waarin een hoorzitting op grond van artikel 6 van de digitaliseringsverordening wordt gehouden.
  • Richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel, is in Zweeds recht omgezet bij onder andere de Wet betreffende een Europees beschermingsbevel (2015:642). Volgens deze wet is de Wet inzake gerechtelijke aangelegenheden (1996:242) van toepassing op procedures waarin een hoorzitting op grond van artikel 6 van de digitaliseringsverordening wordt gehouden.
  • Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen, is in Zweeds recht omgezet bij onder andere de Wet houdende aanvullende bepalingen bij de EU-verordening betreffende de bevriezing en confiscatie van vermogensbestanddelen (2020:968). Volgens deze wet is de Wet inzake gerechtelijke aangelegenheden (1996:242) van toepassing op procedures waarin een hoorzitting op grond van artikel 6 van de digitaliseringsverordening wordt gehouden.

b)

Een verzoek tot het houden van een videoconferentie kan op elk moment vóór de zitting bij de rechtbank worden ingediend. Er zijn geen vereisten voor de wijze waarop dat verzoek moet worden ingediend. Een verzoek kan dus mondeling, schriftelijk of elektronisch worden ingediend bij de rechtbank. De rechtbank beslist normaliter tijdig vóór de zitting op een verzoek, maar er zijn geen wettelijke termijnen. De beslissing van de rechtbank over de wijze waarop de persoon moet deelnemen aan een hoorzitting kan niet worden aangevochten tijdens de procedure, maar alleen in het kader van een definitieve uitspraak in de zaak.

c)

In elke specifieke zaak ontvangen de partijen informatie over de wijze waarop de videoconferentie zal plaatsvinden. Het informeren van de persoon die via videoconferentie deelneemt over de wijze waarop dit zal gebeuren, is eveneens een verantwoordelijkheid van de rechtbank. De informatie bestrijkt alles wat de persoon moet weten om verbinding te maken en deel te nemen aan de hoorzitting. Aan personen met een gehoorbeperking kan een hoortoestel ter beschikking worden gesteld.

d)

De vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd door middel van technische en praktische maatregelen, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak. Zo kan een advocaat afzonderlijk met zijn cliënt spreken via een verbinding in een aangrenzende kamer in de rechtbank.

e)

Als een persoon die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, wordt gedagvaard voor een hoorzitting, moet de persoon die de voogdij over de minderjarige heeft of een andere persoon die verantwoordelijk is voor de zorg en opvoeding van de minderjarige in kennis worden gesteld van de dagvaarding, tenzij er bijzondere redenen zijn om dat niet te doen. Dergelijke bijzondere redenen kunnen bijvoorbeeld zijn dat wordt aangenomen dat kennisgeving aan de voogd schadelijk voor de minderjarige persoon zal zijn of dat kennisgeving aan de voogd duidelijk geen enkele functie vervult. Een soortgelijke verplichting om een voogd te informeren is van toepassing in een strafprocedure wanneer de minderjarige persoon wordt gedagvaard omdat hij of zij van een misdrijf wordt beschuldigd. De verplichting om voogden en anderen te informeren is van toepassing ongeacht de wijze waarop de hoorzitting wordt gehouden, en dus ook wanneer deze via videoconferentie wordt gehouden.

f)

Van alle zittingen worden audio- en video-opnamen gemaakt, zodat deze in hogere rechtbanken kunnen worden afgespeeld als er beroep wordt ingesteld (hoofdstuk 6, artikel 6, van het Wetboek van rechtsvordering). Omdat de hoorzittingen worden opgenomen, hoeven de deelnemers meestal niet voor de hogere rechtbank te verschijnen om opnieuw een verklaring af te leggen. Het audiobestand is een openbaar document dat op verzoek ter beschikking van het publiek kan worden gesteld indien er geen redenen zijn voor het bewaren van de vertrouwelijkheid. Het videobestand wordt niet openbaar gemaakt. Nadat er uitspraak is gedaan in de zaak, worden de video’s vernietigd. De regels voor het registreren van hoorzittingen zijn ook van toepassing op grensoverschrijdende zaken.

g)

Tegen een besluit inzake deelname via videoconferentie kan beroep worden ingesteld in verband met een definitieve uitspraak of een definitief vonnis in alle procedures met betrekking tot de Kaderbesluiten 2008/909/JBZ, 2008/947/JBZ, 2009/829/JBZ, Richtlijn 2011/99/EU en Verordening (EU) 2018/1805. In het kader van een beroep kan de beklaagde, verdachte, veroordeelde of betrokkene aanvoeren, op grond van Verordening (EU) 2018/1805, dat zijn rechten uit hoofde van artikel 6 van de digitaliseringsverordening zijn geschonden. Als de rechtbank het eens is met die beoordeling, kan deze de beslissing wijzigen in het voordeel van de klager, de zaak terugverwijzen naar de lagere rechtbank of een nieuwe hoorzitting houden om de fout van de lagere rechtbank recht te zetten.

Een openbaar aanklager kan een hoorzitting gelasten op grond van artikel 18, lid 1, punt a), i), van Kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel. Het gedrag en (onterechte) beslissingen van een openbaar aanklager in een vooronderzoek kunnen worden geëvalueerd in het kader van de toezichthoudende activiteiten van het Zweedse openbaar ministerie. In de hoofdzitting passen de Zweedse rechtbanken het beginsel van vrije bewijsbeoordeling toe (hoofdstuk 35, artikel 1, van het Wetboek van rechtsvordering). Het Zweedse recht staat derhalve, als algemene regel, alle vormen van bewijs toe. Als bewijs bijvoorbeeld is verkregen in strijd met een bepaalde rechtsregel, belet dat in beginsel niet dat dit bewijs in rechte wordt aangevoerd. Als de rechter in het kader van zijn vrije beoordeling van het bewijs reden ziet om de wijze waarop het bewijs is verkregen in twijfel te trekken, kan hij of zij tot het oordeel komen dat de informatie weinig of geen bewijskracht heeft. Ook kan de rechter een schadevergoeding toekennen voor de schending die heeft geleid tot het onrechtmatig verkrijgen van het bewijs, bijvoorbeeld in de vorm van strafvermindering. Informatie die in strijd met artikel 6 van de digitaliseringsverordening is verkregen, kan bijgevolg weinig of geen bewijskracht hebben of leiden tot strafvermindering.

Indien inbreuk is gemaakt op de rechten van een persoon uit hoofde van artikel 6 van de digitaliseringsverordening, kan deze schadevergoeding vorderen wegens onjuiste uitoefening van het openbaar gezag (hoofdstuk 3 van de Wet inzake aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (1972:207).

h)

De beschikbare tools voor videoconferenties zijn Cisco en Mividas.

Meer informatie is te vinden op de website van de Zweedse rechtbanken.

i)

Algemene informatie over de deelname via audio- en video-opnamen is beschikbaar op de website van de Zweedse rechtbanken (domstol.se). De gedetailleerde praktische maatregelen die in elke afzonderlijke zaak moeten worden getroffen, vallen onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde rechtbank. Het informeren van de persoon die via videoconferentie deelneemt over de wijze waarop dit zal gebeuren, is eveneens een verantwoordelijkheid van de rechtbank. De informatie bestrijkt alles wat de persoon moet weten om verbinding te maken en deel te nemen aan de hoorzitting.

j)

Spraak-naar-teksttechnologie is niet beschikbaar.

k-m)

De procedureregels die van toepassing zijn op de persoon die via videoconferentie aan de hoorzitting deelneemt, zijn dezelfde als die welke van toepassing zouden zijn als de persoon fysiek in de rechtszaal zou zijn verschenen. Voor meer informatie, zie punt a).

n)

Het videoconferentieverkeer, de videoconferentie-infrastructuur en de videoconferentiesystemen worden beschermd door onder meer encryptie en firewalls.

c) Vergoedingen voor procedures in burgerlijke en handelszaken

Informatie over gerechtskosten is opgenomen in de Verordening inzake de vergoedingen van algemene rechtbanken (1987:452). Voor informatie over de vergoedingen die door andere autoriteiten in rekening worden gebracht, voor zover van toepassing, zie de relevante punten hieronder.

Europees betalingsbevel

In zaken op grond van Verordening (EG) nr. 1896/2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure, bedragen de kosten van het indienen van een verzoek 300 SEK (artikel 1 van de Verordening inzake de vergoedingen van de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie (1992:1094)). De gerechtskosten moeten vooraf door de verzoeker worden betaald (artikel 5 van de Wet inzake het Europees betalingsbevel (2008:879). Als de dienst in een andere EU-lidstaat wordt verricht, kan die andere lidstaat in sommige gevallen kosten voor de dienst in rekening brengen. De vergoeding moet worden betaald door de verzoeker.

Voor het verkrijgen van bankrekeninginformatie op grond van Verordening (EU) nr. 655/2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken, wordt een vergoeding van 300 SEK in rekening gebracht (artikel 17 van de Verordening inzake de vergoedingen van de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie).

Europese procedure voor geringe vorderingen

Op de procedure voor geringe vorderingen is slechts één vergoeding van toepassing, die moet worden betaald bij het indienen van het verzoek bij de rechtbank. Voor de procedure of voor procedurele maatregelen worden geen andere kosten in rekening gebracht. Het totale bedrag voor de procedure is derhalve gelijk aan de vergoeding voor het indienen van het verzoek, die sinds 1 juli 2014 900 SEK bedraagt (bijlage bij de Verordening (1987:452) inzake de vergoedingen van algemene rechtbanken).

Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen

De bepalingen inzake de gerechtskosten zijn vastgelegd in de Verordening (1987:452) inzake de vergoedingen van algemene rechtbanken. De kosten voor het verzoek om een Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen bedragen 2 800 SEK. Deze vergoeding moet worden betaald bij het indienen van het verzoek bij de rechtbank.

Erfopvolgingsverordening

De Zweedse belastingdienst brengt de volgende vergoedingen in rekening op grond van artikel 2 van de Verordening houdende aanvullende bepalingen bij de EU-erfrechtverordening (2015:422) en artikel 10 van de Verordening inzake vergoedingen (1992:191):

  • verzoek om een erfrechtverklaring — 1 660 SEK.
  • verzoek om een nieuw gewaarmerkt afschrift van een erfrechtverklaring of om een reeds afgegeven erfrechtverklaring — 320 SEK.
  • verzoek om verlenging van de geldigheidsduur van een gewaarmerkt afschrift van een erfrechtverklaring — 320 SEK.

Overige bepalingen

Er zijn geen vergoedingen vastgesteld voor andere verordeningen, te weten de insolventieverordening, de verordeningen betreffende huwelijksvermogensstelsels, de Brussel II-verordening en de alimentatieverordening.

Vergoedingen van de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie

In incassozaken en andere tenuitvoerleggingszaken bedraagt de basisvergoeding 600 SEK (artikelen 5 en 6 van de Verordening inzake de vergoedingen van de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie). In individuele beslagzaken wordt de basisvergoeding in rekening gebracht voor elk jaar dat de zaak duurt.

In het geval van gedwongen verkoop van roerende goederen wordt een verkoopvergoeding in rekening gebracht. De verkoopvergoeding bedraagt 4 % van de aankoopprijs (artikel 11 van de Verordening inzake de vergoedingen van de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie).

In het geval van gedwongen verkoop van onroerende goederen worden een voorbereidings- en een verkoopvergoeding in rekening gebracht.

De voorbereidingsvergoeding bedraagt 1 % van de getaxeerde waarde van het onroerend goed. De verkoopvergoeding bedraagt 4 % van de aankoopprijs. De som van de voorbereidingsvergoeding en de verkoopvergoeding mag niet minder dan 20 % of meer dan 150 % van het basisbedrag zijn (artikel 12 van de Verordening inzake de vergoedingen van de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie).

Op grond van artikel 13 van de Verordening inzake de vergoedingen van de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie wordt een speciale vergoeding in rekening gebracht wanneer een maatregel in de zaak bijzondere kosten voor de staat met zich meebrengt. De vergoeding is gelijk aan de kosten. Een speciale vergoeding kan bijvoorbeeld een vergoeding voor opslag na een huisuitzetting zijn. Er wordt geen speciale vergoeding in rekening gebracht voor de kosten van de staat, bijvoorbeeld voor de betekening of kennisgeving van documenten of voor tolken (artikel 14 van de Verordening inzake de vergoedingen van de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie).

Voor de vergoedingen in andere gevallen, zie artikel 17 van de Verordening inzake de vergoedingen van de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie.

Aansprakelijkheid van de verzoeker voor de betaling van de kosten

De algemene regel is dat de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie de kosten in rekening brengt aan de verweerder/schuldenaar. Als dat niet mogelijk is, is de verzoeker meestal aansprakelijk voor de kosten (zie hoofdstuk 17, artikelen 2 tot en met 4, van het Wetboek inzake tenuitvoerlegging).

In zaken betreffende beslag in verband met alimentatie en betreffende schade als gevolg van een misdrijf is de verzoeker niet aansprakelijk voor de tenuitvoerleggingskosten (zie hoofdstuk 17, artikel 3, tweede alinea, en hoofdstuk 7, artikel 14, leden 1 en 4, van het Wetboek inzake tenuitvoerlegging).

De Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie kan van de verzoeker verlangen dat hij of zij de vergoeding vooraf betaalt (zie hoofdstuk 17, artikel 5, van het Wetboek inzake tenuitvoerlegging en artikel 4, eerste en tweede alinea, van de Verordening inzake de vergoedingen van de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie.

d) Elektronische betalingsmethoden

Er zijn twee — alternatieve — methoden voor het betalen van de vergoedingen die op grond van de verordening (1987:452) in rekening worden gebracht door de algemene rechtbanken. De ene methode bestaat uit betaling met een debet-/creditcard, en de andere uit overmaking van het bedrag op de bankgirorekening van de rechtbanken van Zweden. Beide betalingsmethoden zijn toegankelijk via de website van de rechtbanken van Zweden. Betalingen met debet-/creditcard kunnen worden gedaan van buiten het Zweedse grondgebied. Het IBAN- en het BIC-nummer zijn te vinden op de betalingsdocumenten die in de e-dienst worden aangemaakt. Met behulp van deze informatie is het ook voor buitenlanders mogelijk om betalingen te doen aan de rechtbanken van Zweden. Alle informatie die nodig is voor betaling met een debet-/creditcard is te vinden in de e-betalingsdienst. Het bankgironummer en de referentiegegevens voor de betaling worden door de e-betalingsdienst aangemaakt op het moment dat de betaling wordt verricht.

De Zweedse belastingdienst biedt de mogelijkheid om grensoverschrijdende bankbetalingen elektronisch te verrichten, bijvoorbeeld voor een Europese erfrechtverklaring. Nadere informatie over dit soort betalingen is te vinden op de website van de Zweedse belastingdienst.

Voor grensoverschrijdende betalingen voorziet de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie in de mogelijkheid om verschuldigde vergoedingen elektronisch te betalen. Nadere informatie over dit soort betalingen is te vinden op de website van de Zweedse tenuitvoerleggingsinstantie.

Artikel 17, lid 2 — Kennisgeving over het vroegtijdige gebruik het gedecentraliseerde IT-systeem

Zweden is nog niet klaar om het gedecentraliseerde systeem eerder in gebruik te nemen dan is vereist in het kader van de bij de digitaliseringsverordening overeengekomen samenwerking.

Artikel 17, lid 2 — Kennisgeving over het vroegtijdige gebruik van videoconferenties in burgerlijke en handelszaken

Zweden is nog niet klaar om artikel 5 eerder toe te passen dan de verordening vereist.

Artikel 17, lid 2 — Kennisgeving over het vroegtijdige gebruik van videoconferenties in strafzaken

Zweden is nog niet klaar om artikel 6 eerder toe te passen dan de verordening vereist.

Een technisch/inhoudelijk probleem melden of feedback geven op deze pagina