Overslaan en naar de inhoud gaan

Digitaliseringsverordening — Kennisgevingen van de lidstaten

Frankrijk

Deze pagina bevat informatie over de kennisgevingen die de lidstaten op grond van Verordening (EU) 2023/2844 hebben gedaan.

Inhoud aangereikt door
Frankrijk
Flag of France

1. Nationale IT-portalen voor de communicatie met rechtbanken of andere autoriteiten

De Franse autoriteiten wijzen erop dat Frankrijk geen nationaal IT-portaal heeft dat kan worden gebruikt voor de communicatie met rechtbanken of autoriteiten of voor videoconferenties en dat vanuit het buitenland toegankelijk is.

Voor communicatie met rechtbanken of autoriteiten heeft Frankrijk ervoor gekozen om het eEDES-referentie-implementatiesysteem te gebruiken voor het toepassen van eCODEX-technologie.

2. Nationaal recht inzake videoconferenties in burgerlijke en handelszaken

a) — Informatie over geldende nationale wetgeving en procedures, met inbegrip van procedurele rechten en waarborgen die van toepassing zijn op het houden van de hoorzitting via videoconferentie of andere technologieën voor communicatie op afstand

De Franse autoriteiten wijzen erop dat Frankrijk geen specifiek rechtskader heeft voor grensoverschrijdende gerechtelijke videoconferenties.

In het algemeen mogen krachtens artikel L. 111-12 van het wetboek gerechtelijke organisatie (code de l’organisation judiciaire) bij de gewone rechter onder de volgende voorwaarden hoorzittingen via audiovisuele telecommunicatie worden gehouden:

  • elke partij moet toestemming hebben gegeven voor het gebruik van videoconferenties;
  • de zitting vindt plaats in verschillende rechtszalen die door middel van audiovisuele telecommunicatie rechtstreeks met elkaar verbonden zijn;
  • de vertrouwelijkheid van de overdracht moet worden gewaarborgd door de videoconferentiesoftware.

Partijen, getuigen, deskundigen of andere personen die op hun uitdrukkelijk verzoek worden opgeroepen, kunnen door de president van de rechtsprekende formatie worden gemachtigd om buiten een rechtszaal via audiovisuele telecommunicatie te worden gehoord (L. 111-12-1 van het wetboek gerechtelijke organisatie).

De president van de rechtsprekende formatie willigt dit verzoek alleen in als hij de zitting op afstand verenigbaar acht met de aard van de procedure en met de eerbiediging van het beginsel van hoor en wederhoor. Deze beslissing is een maatregel van gerechtelijke administratie (R. 111-7-1 van het wetboek gerechtelijke organisatie).

Deze mogelijkheid is afhankelijk van het gebruik van audiovisuele telecommunicatiemiddelen waarvan de technische specificaties, die bij besluit van de minister van Justitie zijn gespecificeerd, enerzijds de kwaliteit van de overdracht en, wanneer de hoorzitting niet openbaar is, de vertrouwelijkheid van de uitwisseling moeten waarborgen en anderzijds het mogelijk moeten maken de identiteit van de deelnemers vast te stellen.

De president leidt de procedure vanuit de rechtszaal waar ook de andere leden van de rechtsprekende formatie aanwezig zijn, alsook de griffier en, in voorkomend geval, het openbaar ministerie.

Tijdens de hoorzitting ziet de president van de rechtsprekende formatie erop toe dat de omstandigheden waaronder de betrokkene verbinding maakt, verenigbaar zijn met de eerbiediging van de waardigheid en de sereniteit van de procedure.

Besluit JUST2214196A van 13 mei 2022 specificeert de technische details van audiovisuele telecommunicatiemiddelen voor het houden van videohoorzittingen of videoverhoren in niet-strafrechtelijke zaken. De belangrijkste voorwaarden zijn:

  • er wordt gebruikgemaakt van audiovisuele communicatie via een videoconferentieoplossing die beschikbaar wordt gesteld door het ministerie van Justitie. In handelsrechtbanken kan audiovisuele communicatie ook worden toegepast met behulp van een oplossing die beschikbaar wordt gesteld door de Nationale Raad voor griffiers van handelsrechtbanken (Conseil National des Greffiers des Tribunaux de Commerce).

c) — Informatie over de vraag of het nationale recht de rechter of de bevoegde autoriteit toestaat om op eigen initiatief een hoorzitting te organiseren

Met betrekking tot het gebruik van videoconferenties op initiatief van de rechter moet er een onderscheid worden gemaakt tussen twee situaties:

  • in alle rechterlijke instanties kan op initiatief van de rechter een zitting worden gehouden in verschillende rechtszalen die rechtstreeks met elkaar verbonden zijn door middel van audiovisuele telecommunicatie, zij het op voorwaarde dat alle partijen hun toestemming hebben gegeven voor het gebruik van videoconferenties (artikel L. 111-12 van het wetboek gerechtelijke organisatie);
  • voor rechtelijke instanties die uitspraak doen in niet-strafrechtelijke zaken, kan het horen van een partij, een getuige, een deskundige of iedere andere persoon die wordt opgeroepen, door middel van audiovisuele telecommunicatie buiten een rechtszaal slechts op uitdrukkelijk verzoek van de betrokken persoon door de president van de rechtsprekende formatie worden toegestaan (artikel L. 111-12-1 van het wetboek gerechtelijke organisatie).

d) — Informatie over videoconferentietechnologie die in de lidstaat beschikbaar is, of over het meest gebruikte videoconferentieplatform/de meest gebruikte videoconferentieoplossing

  • De Franse autoriteiten verstrekken de volgende informatie: voor communicatie tussen gerechtsambtenaren wordt de tool Cisco Jabber gebruikt.
  • Realtime verwerkingsdiensten maken gebruik van Cisco Webex Desk.
  • Rechtszalen en administratieve diensten zijn uitgerust met Cisco Webex Room Kit.
  • Gedecentraliseerde gevangenisdiensten maken gebruik van Cisco Webex Room Kit.
  • Wat de handelsrechtbank betreft, gebruikt de Nationale Raad voor griffiers van handelsrechtbanken de software Tixeo Private Cloud, een Franse oplossing die is goedgekeurd door het Franse Agenschap voor Cyberveiligheid (ANSSI).

e) — Informatie over procedurevoorschriften voor de partij om een advies uit te brengen over het gebruik van videoconferenties of een andere technologie voor communicatie op afstand voor de hoorzitting

Op grond van artikel L. 111-12 van het wetboek gerechtelijke organisatie kunnen hoorzittingen ambtshalve of op verzoek van partijen worden gehouden via audiovisuele telecommunicatie, mits elke partij toestemming heeft gegeven voor het gebruik van videoconferenties. In de wet wordt niet bepaald in welke vorm het advies van de partij over het gebruik van videoconferenties moet worden opgesteld, dus het kan op elke manier worden uitgebracht.

Bovendien kunnen overeenkomstig artikel L. 111-12-1 van het wetboek gerechtelijke organisatie partijen, getuigen, deskundigen of andere opgeroepen personen alleen op uitdrukkelijk verzoek en met toestemming van de president van de rechtsprekende formatie via audiovisuele telecommunicatie buiten een rechtszaal worden gehoord. In de wet worden geen formele eisen gesteld voor het indienen van een dergelijk verzoek, dat slechts een maatregel van gerechtelijke administratie is en daarom geen rechtsvordering in procedurele zin vormt. Het kan dus op elke manier worden ingediend.

g) — Informatie over de wijze waarop het beroepsgeheim van de advocaat wordt gewaarborgd vóór en tijdens videoconferenties

In burgerlijke en handelszaken bestaan er geen specifieke procedurele bepalingen met betrekking tot uitwisselingen tussen advocaten en hun cliënten wanneer er gebruik wordt gemaakt van een videoconferentie tijdens een hoorzitting of verhoor, aangezien dergelijke uitwisselingen niet van procedurele aard zijn.

De rechter kan de hoorzitting of het verhoor evenwel tijdelijk schorsen, zodat advocaten op vertrouwelijke wijze met hun cliënten kunnen spreken via telecommunicatie die hun ter beschikking wordt gesteld, zonder dat de andere partijen of de rechter aanwezig zijn.

Bovendien vereist besluit JUST2214196A van 13 mei 2022 met betrekking tot derden ter terechtzitting dat, wanneer de zitting niet openbaar is, de gebruikte telecommunicatiemethode de vertrouwelijkheid van de uitwisselingen moet garanderen.

Daarnaast is het opnemen of vastleggen van beeld en geluid niet toegestaan, behalve in het geval als bedoeld in de artikelen L. 221-1 en volgende van de erfgoedwet (code du patrimoine), overeenkomstig artikel L. 111-12 van het wetboek gerechtelijke organisatie.

h) — Informatie over praktische details voor de organisatie en het verloop van de hoorzitting, met inbegrip van informatie over het mogelijke gebruik van technologie voor het omzetten van tekst in spraak

Zoals aangegeven in de punten c) en e) is in burgerlijke en handelszaken de toestemming van alle partijen vereist om een hoorzitting per videoconferentie te organiseren, terwijl het horen van een persoon per videoconferentie alleen kan worden toegestaan op diens uitdrukkelijk verzoek (maar zonder dat de toestemming van de andere partijen is vereist).

j) — Voorschriften voor de identificatie en authenticatie van de partijen

Op grond van artikel R. 111-7-1 van het wetboek gerechtelijke organisatie moeten de technische kenmerken van de gebruikte audiovisuele telecommunicatiemiddelen het mogelijk maken de identiteit van de deelnemende personen vast te stellen, bijvoorbeeld door een identiteitsbewijs te laten zien en dit te controleren.

k) — Manier waarop partijen vragen kunnen stellen en effectief kunnen deelnemen

De videohoorzitting verloopt op dezelfde manier als elke andere hoorzitting. Partijen worden in de gelegenheid gesteld hun middelen en argumenten voor te leggen, de vragen van de rechter te beantwoorden en alle opmerkingen te maken die zij op grond van het beginsel van hoor en wederhoor passend achten. Wanneer de rechter van oordeel is dat hij over voldoende informatie beschikt, kan de president echter een einde maken aan de pleidooien of opmerkingen die de partijen ter verdediging hebben gehouden/ingediend (artikel 440 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (code de procédure civile)).

Bovendien zijn partijen verplicht om aan de rechter en aan de andere partijen de stukken te verstrekken die zij ter staving van hun vorderingen willen overleggen (artikel 15 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). De rechter mag in zijn beslissing alleen documenten in aanmerking nemen die aan de partijen worden voorgelegd in het contradictoire debat (artikel 16 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

De rechter kan de partijen verzoeken om mondeling of schriftelijk, met inachtneming van het reglement voor de procesvoering en het beginsel van hoor en wederhoor, de feitelijke of juridische toelichtingen te verstrekken die hij voor de beslechting van het geschil nodig acht (artikelen 8 en 13 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Meer fundamenteel kan geen enkele partij worden berecht zonder te zijn gehoord of opgeroepen (artikel 14 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Als het houden van de hoorzitting op afstand niet verenigbaar lijkt met de aard van de procedure en de eerbiediging van het beginsel van hoor en wederhoor, zal deze wijze van verschijnen dus niet worden gebruikt (artikel R. 111-7-1 van het wetboek gerechtelijke organisatie).

Wat de getuigen betreft, moet worden opgemerkt dat naar Frans recht: “getuigen worden gehoord in aanwezigheid van de partijen of de opgeroepen partijen” (artikel 208 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Echter, “de partijen mogen de getuigen die een getuigenis afleggen, niet onderbreken, ondervragen of proberen te beïnvloeden, en ze mogen zich niet rechtstreeks tot hen richten, op straffe van uitsluiting” (artikel 214, alinea 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Het is dus de rechter die “indien hij dit nodig acht, de vragen stelt die de partijen hem voorleggen, nadat de getuige is ondervraagd” (artikel 214, alinea 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). De partijen kunnen, zelfs wanneer zij via een telehoorzitting verschijnen, de rechter de vragen voorleggen waarvan zij wensen dat de rechter ze aan de getuigen stelt. In de praktijk komt het horen van getuigen in burgerlijke en handelszaken niet vaak voor.

l) — De wijze waarop partijen gebruik kunnen maken van het recht op tolkdiensten

Overeenkomstig artikel L. 111-12-1 van het wetboek gerechtelijke organisatie kunnen partijen, getuigen, deskundigen of andere opgeroepen personen alleen op uitdrukkelijk verzoek en met toestemming van de president van de rechtsprekende formatie via audiovisuele telecommunicatie buiten een rechtszaal worden gehoord.

De tolk kan van deze bepaling gebruikmaken en kan, op zijn uitdrukkelijk verzoek, worden gemachtigd de zitting via audiovisuele telecommunicatie buiten een rechtszaal bij te wonen. De tolk kan dan de zitting bijwonen, hetzij in de rechtszaal terwijl de partij per telehoorzitting verschijnt, hetzij per telehoorzitting terwijl de partij persoonlijk voor de rechter verschijnt. Onder de bovenstaande voorwaarden kunnen de tolk en de partij ook allebei door middel van audiovisuele telecommunicatie verschijnen, ongeacht of zij zich al dan niet op dezelfde plaats bevinden.

m) De wijze waarop de mogelijkheid wordt gewaarborgd om materieel bewijs tijdens videoconferenties te onderzoeken of voor te leggen

Voor personen die de vergadering per videoconferentie bijwonen, gelden dezelfde procedureregels als voor personen die fysiek in de rechtszaal verschijnen.

Het in aanmerking nemen van materiële voorwerpen die rechtstreeks als bewijsmateriaal aan de rechter worden voorgelegd, kan worden beschouwd als een verificatie door de rechter zelf, zoals geregeld in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. In de regel kan de rechter om deze voorwerpen zelf te verifiëren persoonlijk kennis nemen van de litigieuze feiten en de door hem noodzakelijk geachte vaststellingen doen, evaluaties uitvoeren, beoordelingen of reconstructies verrichten die hij noodzakelijk acht, waarbij hij zich indien nodig ter plekke begeeft (artikel 179 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Hij mag dit echter alleen doen wanneer de partijen aanwezig zijn of zijn opgeroepen. Bovendien moet in dit geval een proces-verbaal worden opgemaakt van de vaststellingen, evaluaties, beoordelingen, reconstructies of verklaringen (artikel 182 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Dit blijft in de praktijk uitzonderlijk, aangezien het door de partijen overgelegde bewijsmateriaal gewoonlijk schriftelijk is.

In artikel 15 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering wordt het volgende bepaald: “de partijen moeten elkaar tijdig in kennis stellen van de feitelijke gronden waarop hun vorderingen zijn gebaseerd, van de bewijzen die zij aanvoeren en van de middelen waarop zij zich beroepen, zodat elke partij haar verweer kan organiseren”. Overeenkomstig artikel 16, alinea 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering mag de rechter in zijn beslissing alleen de stukken in aanmerking nemen die ter discussie aan de partijen zijn voorgelegd.

Er zij aan herinnerd dat in een schriftelijke procedure de stukken schriftelijk tussen partijen moeten worden uitgewisseld en niet rechtstreeks ter terechtzitting worden overgelegd. Dergelijke uitwisselingen tussen advocaten onderling en tussen advocaten en de rechter kunnen plaatsvinden door middel van elektronische communicatie, mits wordt voldaan aan de regels die op dergelijke communicatie van toepassing zijn en die met name betrekking hebben op de toestemming van de geadresseerde, de afgifte van betrouwbare bevestigingen van ontvangst of de beschikbaarheid en het gebruik van een technisch procedé dat is geregeld in een technisch besluit van de minister van Justitie waarin de waarborgen worden vastgesteld die in acht moeten worden genomen bij de toegepaste procedure (artikelen 748-1 en volgende van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

Hoewel het mogelijk is dat de partijen tijdens de mondelinge behandeling nieuwe stukken overleggen, moeten zij deze ter terechtzitting op tegenspraak aan de wederpartijen meedelen en aan de rechter overhandigen. Dit betekent dat als de partij op afstand verschijnt, de uitwisselingen per post moeten plaatsvinden, aangezien het niet altijd mogelijk is om elektronische communicatiemiddelen te gebruiken vanwege het ontbreken van technische procedés die voldoen aan de regels van de bovengenoemde artikelen 748-1 en volgende van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering met betrekking tot het gebruik van deze communicatiemethode.

3. Nationaal recht inzake videoconferenties in strafzaken

a) — Informatie over de geldende nationale wetgeving en procedures, met inbegrip van toepasselijke procedurele rechten en waarborgen, voor het houden van de hoorzitting per videoconferentie of via een andere technologie voor communicatie op afstand

De Franse autoriteiten herhalen de reeds uiteengezette elementen.

Vooraf zij eraan herinnerd dat de eerste bepalingen inzake het gebruik van videoconferenties in strafzaken zijn ingevoerd bij wet van 15 november 2001 betreffende de dagelijkse veiligheid (loi relative à la sécurité quotidienne). Sindsdien hebben verschillende wetten het toepassingsgebied van videoconferenties uitgebreid, waaronder Wet nr. 2019-222 van 23 maart 2019 betreffende de programmering 2018-2022 en de hervorming van het justitiële stelsel (loi de programmation 2018-2022 et de réforme pour la justice).

Videoconferenties waren aanvankelijk beperkt tot bepaalde handelingen in het kader van het onderzoek en het vooronderzoek, maar kunnen nu onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt in alle fasen van de strafprocedure, van het onderzoek tot de tenuitvoerlegging van de straffen.

Wanneer de persoon die door middel van een videoconferentie verschijnt, wordt bijgestaan door een advocaat, mag die advocaat aanwezig zijn bij de magistraat van de bevoegde rechtbank of commissie of bij de betrokken persoon (artikel 706-71, alinea 6, van het wetboek van strafvordering (code de procédure pénale)).

In het eerste geval moet hij vertrouwelijk met de betrokkene kunnen overleggen via audiovisuele telecommunicatiemiddelen.

In het tweede geval moet hem in het detentiecentrum een afschrift van het volledige dossier ter beschikking worden gesteld, tenzij de advocaat al een afschrift van het dossier heeft ontvangen.

b)Informatie over procedurevoorschriften voor het verlenen van toestemming voor het gebruik van videoconferenties of andere technologieën voor communicatie op afstand voor de hoorzitting

Op het gebied van internationale samenwerking kunnen de Franse justitiële autoriteiten de buitenlandse justitiële autoriteiten verzoeken om videoconferenties en vice versa, met het oog op het organiseren van ondervragingen, verhoren of confrontaties van getuigen, deskundigen of beklaagden tijdens de verschillende fasen van de strafprocedure.

Voor verzoeken om videoconferenties moet een verzoek om internationale wederzijdse rechtshulp in strafzaken of, binnen de Europese Unie (EU), een Europees onderzoeksbevel (EOB) worden uitgevaardigd.

Een dergelijk verzoek om wederzijdse bijstand kan worden ingediend op basis van verschillende samenwerkingsinstrumenten.

Het beginsel van videoconferenties moet zijn vastgelegd in het wetboek van strafvordering en voldoen aan de voorwaarden van de desbetreffende verdragsrechtelijke instrumenten.

Bij gebrek aan een dergelijk instrument moet artikel 694-5 van het wetboek van strafvordering worden toegepast, met name wat betreft het verkrijgen van de toestemming van de beklaagde. In dit artikel wordt bepaald dat ondervragingen, verhoren of confrontaties die op verzoek van de Franse gerechtelijke autoriteiten in het buitenland plaatsvinden, worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het wetboek van strafvordering, tenzij een internationale overeenkomst dit verhindert.

De ondervraging of de confrontatie van een beklaagde kan alleen plaatsvinden met zijn toestemming.

Indien naar Frans recht specifieke regelingen voor het verloop van videoconferenties noodzakelijk blijken, moeten deze bovendien in het verzoek om wederzijdse bijstand worden gespecificeerd, of het nu gaat om de te volgen procedure vóór of na de videoconferentie.

d)Informatie over de wijze waarop het beroepsgeheim van de advocaat wordt gewaarborgd vóór en tijdens de hoorzitting via videoconferentie

Wanneer de persoon die door middel van een videoconferentie verschijnt, wordt bijgestaan door een advocaat, mag die advocaat aanwezig zijn bij de magistraat van de bevoegde rechtbank of commissie of bij de betrokken persoon (artikel 706-71, alinea 6, van het wetboek van strafvordering).

In het eerste geval moet hij vertrouwelijk met de betrokkene kunnen overleggen via audiovisuele telecommunicatiemiddelen.

In het tweede geval moet hem in het detentiecentrum een afschrift van het volledige dossier ter beschikking worden gesteld, tenzij de advocaat al een afschrift van het dossier heeft ontvangen.

e) Informatie over de wijze waarop personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, of andere geschikte volwassenen worden geïnformeerd over het horen van een kind via een videoconferentie of andere technologieën voor communicatie op afstand. Hoe wordt er rekening gehouden met de belangen van het kind?

In de artikelen L. 311-1 en volgende van het wetboek van strafrecht voor minderjarigen (code de la justice pénale des mineurs) wordt bepaald dat de minderjarige verdachte of beklaagde het recht heeft om tijdens verhoren of ondervragingen te worden vergezeld door personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, als de autoriteit die deze handeling verricht, van oordeel is dat het in het belang van het kind is om te worden begeleid en dat de aanwezigheid van deze personen de procedure niet schaadt. Deze bepalingen zijn van toepassing op ondervragingen tijdens het gerechtelijk onderzoek.

In de circulaire van 27 mei 2019 betreffende de presentatie van de bepalingen van Wet nr. 2019-222 van 23 maart 2019 betreffende de programmering 2018-2022 en de hervorming van het justitiële stelsel en Besluit nr. 2019-507 van 24 mei 2019 betreffende de strafprocedure voor minderjarigen wordt erop gewezen dat dit recht op begeleiding, anders dan het geval is voor hoorzittingen, een mogelijkheid is die uitsluitend wordt overgelaten aan het oordeel van de autoriteit die het verhoor afneemt of de ondervraging uitvoert, namelijk de onderzoeker of de magistraat.

Zo wordt in artikel L. 311-1 van het wetboek van strafrecht voor minderjarigen bepaald dat: “de wettelijke vertegenwoordigers door het openbaar ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter of de rechtbank in kennis worden gesteld van de beslissingen die ten aanzien van de minderjarige zijn genomen.

Deze informatie kan op elke mogelijke wijze worden verstrekt, tenzij anders is bepaald.
De minderjarige heeft het recht zich te laten vergezellen door zijn wettelijke vertegenwoordigers:

1° bij elke hoorzitting tijdens de procedure;

2° tijdens de verhoren of de ondervragingen van de minderjarige, als de autoriteit die deze handeling verricht, van oordeel is dat het in het belang van het kind is om te worden begeleid en dat de aanwezigheid van deze personen de procedure niet schaadt; tijdens het onderzoek kan het verhoor of de ondervraging van de minderjarige beginnen in afwezigheid van de vertegenwoordigers na een tijdsduur van twee uur te rekenen vanaf het moment waarop ze in kennis zijn gesteld.

De wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige worden opgeroepen voor alle zittingen van de kinderrechter en, indien nodig, tijdens de verhoren en ondervragingen.

Wanneer het niet mogelijk of wenselijk is de wettelijke vertegenwoordigers te informeren of de minderjarige door hen te laten begeleiden, wordt de in de voorgaande alinea’s bedoelde informatie meegedeeld aan een geschikte volwassene en wordt de minderjarige door die volwassene vergezeld, in de gevallen en overeenkomstig de regelgeving van dit wetboek”.

Voorts wordt in artikel L. 334-6 van het wetboek van strafrecht voor minderjarigen bepaald dat audiovisuele telecommunicatiemiddelen niet mogen worden gebruikt om uitspraak te doen over voorlopige hechtenis of verlenging van de voorlopige hechtenis van een minderjarige, tenzij het vervoer van een minderjarige lijkt te moeten worden vermeden wegens een ernstige risico op verstoring van de openbare orde of ernstig vluchtgevaar.

f) Informatie over de mogelijkheid om verhoren op te nemen overeenkomstig de nationale wetgeving, alsook over de opslag en verspreiding van opnamen; informatie over het mogelijke gebruik van technologie voor spraakherkenning en geautomatiseerde transcriptie

  1. 1. Opname van de verhoren tijdens het onderzoek:

1.1. Opname van verhoren van minderjarigen

Wanneer een minderjarige wordt gehoord als getuige of als verdachte, maar zonder in verzekering te worden gesteld, bestaat er geen bepaling op grond waarvan er een audiovisuele opname van het verhoor moet worden gemaakt.

  • Verhoor van de minderjarige dader

Wanneer de minderjarige verdachte daarentegen in verzekering wordt gesteld, wordt in artikel L. 413-12 van het wetboek van strafrecht voor minderjarigen wel bepaald dat van de verhoren van de minderjarige die in verzekering is gesteld of wordt vastgehouden, een audiovisuele opname moet worden gemaakt.

De wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige worden op de hoogte gebracht van de inverzekeringstelling van de minderjarige overeenkomstig de bepalingen van artikel L. 413-7 van het wetboek van strafrecht voor minderjarigen, maar hun wordt niet om toestemming gevraagd voor de audiovisuele opname van het verhoor van de minderjarige. Evenzo mag de minderjarige niet weigeren om tijdens het verhoor te worden gefilmd.

Voorts wordt in artikel L. 413-7, alinea 2, van het wetboek van strafrecht voor minderjarigen bepaald dat van de verplichting om de wettelijke vertegenwoordigers of de geschikte volwassene in kennis te stellen van de inverzekeringstelling van de minderjarige slechts kan worden afgezien om het verzamelen of de bewaring van bewijs mogelijk te maken of om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen, zulks bij beslissing van de officier van justitie of de onderzoeksrechter, dat gelet op de omstandigheden van de betrokken zaak genomen is, en voor een periode die door de magistraat wordt bepaald en die niet langer mag zijn dan vierentwintig uur of, als de inverzekeringstelling niet kan worden verlengd, twaalf uur.

De enige uitzondering op audiovisuele opname van het verhoor van de minderjarige is als het technisch onmogelijk is om een dergelijke opname te maken, in welk geval de onderzoeksdiensten onmiddellijk de officier van justitie of de onderzoeksrechter op de hoogte moeten brengen en dit moeten vermelden in het proces-verbaal van het verhoor, tezamen met de aard van de onmogelijkheid.

Bij afwezigheid van een opname, ongeacht of dit in het proces-verbaal is vermeld en aan de bevoegde magistraat is meegedeeld, mag geen veroordeling worden uitgesproken enkel op basis van de verklaringen van de minderjarige, als deze worden betwist.

Deze opname kan tijdens de gerechtelijke procedure alleen worden geraadpleegd als de inhoud van het proces-verbaal van ondervraging wordt betwist, bij beslissing van de onderzoeksrechter, de kinderrechter of de rechtbank, op verzoek van het openbaar ministerie of een van de partijen.

Eenieder die een originele opname of een kopie daarvan verspreidt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van 15 000 EUR (artikel L. 413-14 van het wetboek van strafrecht voor minderjarigen).

Na afloop van een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van verval van de strafvervolging, worden de originele opname en de kopie daarvan binnen een maand vernietigd (artikel L. 413-15 van het wetboek van strafrecht voor minderjarigen).

  • Verhoor van het minderjarige slachtoffer

In artikel 706-52 van het wetboek van strafvordering wordt vereist dat er een audiovisuele opname wordt gemaakt van het verhoor van een minderjarige die het slachtoffer is van een van de strafbare feiten als bedoeld in artikel 706-47 van dat wetboek, dat wil zeggen hoofdzakelijk seksuele misdrijven (verkrachting, aanranding, seksueel misbruik en sekshandel). Er kan ook een audiovisuele opname worden gemaakt van het verhoor van het minderjarige slachtoffer voor feiten die onder de artikelen 222-33-2-2 (psychisch geweld) en 222-33-2-3 (pesten op school) van het wetboek van strafrecht vallen.

Artikel 706-52 van het wetboek van strafvordering is gewijzigd bij Wet nr. 2007-291 van 5 maart 2007, zodat dergelijke verhoren systematisch kunnen worden opgenomen, zonder dat hiervoor de toestemming van de minderjarige of zijn vertegenwoordigers is vereist.

Evenzo is niet langer bepaald dat deze opname op verzoek van de minderjarige of de wettelijke vertegenwoordiger uitsluitend een geluidsopname mag zijn. Voortaan kan alleen de officier van justitie of de onderzoeksrechter beslissen dat een opname uitsluitend een geluidsopname zal zijn mits het belang van de minderjarige dit rechtvaardigt (artikel 706-52, alinea 2).

Alleen een technische storing van de apparatuur kan dus rechtvaardigen dat het verhoor van een minderjarig slachtoffer niet wordt opgenomen. Een dergelijke storing is strikt omschreven in de wet en artikel 706-52 van het wetboek van strafvordering verplicht de onderzoeksdiensten om de officier van justitie of de onderzoeksrechter onmiddellijk op de hoogte te brengen en een proces-verbaal op te stellen over de aard van deze storing.

Er wordt ook een kopie van de opname gemaakt om deze later tijdens de procedure te kunnen raadplegen. Deze kopie wordt in het dossier opgenomen. De originele opname wordt verzegeld.

Op beslissing van de onderzoeksrechter kan de opname tijdens de procedure worden bekeken of beluisterd. De kopie van de opname kan echter wel worden bekeken of beluisterd door de partijen, advocaten of deskundigen, in aanwezigheid van de onderzoeksrechter of een griffier.

Eenieder die een originele opname of een kopie daarvan verspreidt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van 15 000 EUR.

Na afloop van een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van verval van de strafvervolging, worden de originele opname en de kopie daarvan binnen een maand vernietigd.

1.2. Verplichte audiovisuele opname van verhoren van personen die voor een ernstig misdrijf in verzekering worden gesteld

Overeenkomstig artikel 64-1 van het wetboek van strafvordering moet er een audiovisuele opname worden gemaakt van het verhoor van personen die voor ernstige misdrijven in verzekering worden gesteld in de gebouwen van een dienst of een eenheid van de politie of de gendarmerie die een gerechtelijke politietaak uitvoert. Deze opname kan alleen worden geraadpleegd in geval van een geschil over de inhoud van het proces-verbaal van het verhoor. Wanneer het aantal personen dat in verzekering is gesteld op dezelfde afdeling en dat tegelijkertijd moet worden ondervraagd, verhindert dat hun respectieve verhoren worden opgenomen, wordt de officier van justitie onverwijld in kennis gesteld van deze situatie en wijst hij bij naam de persoon of personen aan van wie de verhoren niet zullen worden opgenomen. Dit gebeurt bij schriftelijke beslissing die in het dossier wordt opgenomen, waarbij rekening wordt gehouden met wat voor het onderzoek is vereist. Als het technisch onmogelijk is het verhoor op te nemen, stelt de opsporingsambtenaar de officier van justitie daarvan onmiddellijk in kennis en vermeldt hij in het proces-verbaal de aard van de technische storing waardoor de opname niet mogelijk is.

  1. 2. Tijdens het onderzoek

Krachtens de artikelen 706-71, R.53-33 en volgende van het wetboek van strafvordering kan het verhoor, de ondervraging of de confrontatie plaatsvinden op verschillende plaatsen op het grondgebied van de Republiek die verbonden zijn via telecommunicatiemiddelen waarmee de vertrouwelijkheid van de overdracht is gegarandeerd, wanneer de vereisten voor het onderzoek dit rechtvaardigen.

Vervolgens wordt op elke locatie een proces-verbaal van de verrichtingen opgesteld. In dit geval moet dus als volgt te werk worden gegaan: advies inwinnen bij het Openbaar Ministerie; indien van toepassing, een beroep doen op een gekwalificeerd persoon, die aan het beroepsgeheim gebonden is; de originele opname verzegelen, nadat er een kopie is gemaakt; de kopie opnemen in het dossier van de procedure. Er wordt een proces-verbaal opgesteld van de verrichtingen. Deze bepalingen zijn ook van toepassing wanneer de persoon in hechtenis is genomen.

In artikel 706-71 van het wetboek van strafvordering wordt bepaald dat de advocaat in dergelijke gevallen zowel bij de rechtbank aanwezig mag zijn als zich aan de zijde van zijn cliënt mag bevinden. In het eerste geval moet de advocaat een vertrouwelijk gesprek met zijn cliënt kunnen voeren, met gebruikmaking van de beschikbare telecommunicatiemiddelen. In het tweede geval moet een volledig afschrift van het dossier ter beschikking worden gesteld in het detentiecentrum. Hoewel deze bepalingen van artikel 706-71 van het wetboek van strafvordering zich beperken tot het verhoor of de ondervraging van een gedetineerde, moet ervan worden uitgegaan dat de advocaat van een persoon op vrije voeten die op afstand wordt gehoord, op dezelfde manier in het kantoor van de onderzoeksrechter of bij zijn cliënt kan zijn.

  • Audiovisuele opname van ondervragingen ten behoeve van het onderzoek:

Er moeten audiovisuele opnamen worden gemaakt van ondervragingen van verdachten, inclusief ondervragingen tijdens de eerste zitting en confrontaties (artikel 116-1 van het wetboek van strafvordering):

— op voorwaarde dat de ondervraging plaatsvindt in het kantoor van de onderzoeksrechter;

— en dat het gaat om een vermoeden van een ernstig misdrijf. De uitzondering op opname, die betrekking had op ernstige misdrijven die worden genoemd in artikel 706-73 van het wetboek van strafvordering of die zijn vastgelegd in titel I en II, boek IV van het wetboek van strafrecht (Schaden van de fundamentele belangen van de natie — Terrorisme), is ongrondwettig verklaard bij beslissing van de Constitutionele Raad (Conseil Constitutionnel) van 6 april 2012 naar aanleiding van een prioritaire kwestie.

Deze ongrondwettigheid geldt alleen voor ondervragingen die na 6 april 2012 zijn uitgevoerd (Crim. 10/05/2012).

In de wet zijn twee uitzonderingen op de opnameverplichting opgenomen:

— wanneer het aantal gelijktijdig te ondervragen verdachten, hetzij in dezelfde procedure, hetzij in afzonderlijke procedures, een volledige opname onmogelijk maakt. In een dergelijk geval is het aan de onderzoeksrechter om, bij schriftelijke beslissing die in het dossier wordt opgenomen en rekening houdend met datgene wat voor het onderzoek vereist is, de persoon of personen aan te wijzen van wie het verhoor niet zal worden opgenomen;

— wanneer de opname technisch onmogelijk is, moet de rechter dit in het proces-verbaal van verhoor vermelden en de aard ervan specificeren.

  • Raadpleging van de opname

Voor de raadpleging van de opname gelden strikte voorwaarden:

— de opname kan zowel in de loop van het onderzoek als voor de rechtsprekende formatie worden geraadpleegd; — maar alleen als de verdachte de inhoud van een proces-verbaal van ondervraging betwist;

— de opname kan worden geraadpleegd hetzij op verzoek van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van een van de partijen en bij beslissing van de onderzoeksrechter of de rechtbank;

Als een van de partijen een verzoek indient, moet dit worden gedaan overeenkomstig artikel 82-1 van het wetboek van strafvordering, waarop de rechter binnen een maand na ontvangst van het verzoek bij een met redenen omklede beschikking moet antwoorden.

  • Wat er met de opname gebeurt

In de wet wordt bepaald dat de opname uiterlijk na afloop van een termijn van vijf jaar en één maand te rekenen vanaf de datum van verval van de strafvervolging moet worden vernietigd.

Deze opnamen worden vernietigd in opdracht van de officier van justitie (artikel D. 32-2 van het wetboek van strafvordering).

De onrechtmatige verspreiding van een dergelijke opname vormt een strafbaar feit dat kan worden bestraft met een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van 15 000 EUR. Een originele opname wordt verzegeld. Een kopie van deze opname wordt aan het dossier toegevoegd. Dit kan een kopie zijn van alle opnamen die tijdens het onderzoek zijn gemaakt (artikel D. 32-2 van het wetboek van strafvordering).

h) — Informatie over videoconferentietechnologie die in de lidstaat beschikbaar is of over het/de meest gebruikte videoconferentieplatform/-oplossing

— Realtime verwerkingsdiensten maken gebruik van Cisco Webex Desk;

— rechtszalen en administratieve diensten zijn uitgerust met Cisco Webex Room Kit;

— gedecentraliseerde gevangenisdiensten maken gebruik van Cisco Webex Room Kit.

i) — Informatie over praktische maatregelen voor het organiseren en houden van het verhoor; in het bijzonder over met welke autoriteit contact moet worden opgenomen. Gelden er specifieke vereisten (bijvoorbeeld informatie die moet worden verstrekt) om contact op te nemen met deze autoriteit?

Deze elementen worden behandeld in het antwoord op vraag (f).

l) — Mogelijkheid voor verdachten, beklaagden, veroordeelden of betrokken personen om vragen te stellen en actief deel te nemen

Naar Frans recht kunnen personen die van een strafbaar feit worden beschuldigd, op grond van de rechten van de verdediging actief aan de procedure deelnemen.

  • Tijdens de inverzekeringstelling hebben meerderjarige of minderjarige verdachten rechten die worden toegekend door de artikelen 63 en volgende van het wetboek van strafvordering, uitgebreid bij wet van 27 mei 2014 en wet van 18 november 2016, waaronder met name:

— het recht om geïnformeerd te worden over de aard van het onderzoek en over de kwalificatie, de datum en de plaats van het vermeende strafbare feit overeenkomstig de bepalingen van artikel 63-1 van het wetboek van strafvordering, evenals over de reden(en) overeenkomstig artikel 62-2 van het wetboek van strafvordering;

— het zwijgrecht;

— het recht op bijstand van een advocaat, wat zelfs verplicht is voor minderjarigen (artikel L. 413-9 het wetboek van strafrecht voor minderjarigen);

— het recht op toegang tot bepaalde processtukken (proces-verbaal van de kennisgeving van de inverzekeringstelling; medische attesten die zijn opgesteld door de arts die de minderjarige heeft onderzocht; proces-verbaal van de verhoren van de minderjarige);

— het recht om na afloop van de inverzekeringstelling te worden geïnformeerd over de rechten uit hoofde van artikel 77-2 van het wetboek van strafvordering.

De advocaat kan de verhoren en confrontaties van de in verzekering gestelde bijwonen. Verhoren en confrontaties worden nog steeds geleid door de officier en agenten van de gerechtelijke politie, die als enige de leiding hebben over deze handelingen. De advocaat kan daarentegen aan het einde van elk verhoor of elke confrontatie vragen stellen aan de in verzekering gestelde persoon. De opsporingsambtenaar heeft het recht om bezwaar te maken tegen de aldus geformuleerde vragen, als deze hem van dien aard lijken dat ze het goede verloop van het onderzoek in gevaar brengen. Deze weigering moet in het proces-verbaal worden vermeld. De advocaat kan het proces-verbaal van het verhoor doorlezen en aan het einde van elk verhoor of elke confrontatie schriftelijke opmerkingen indienen, die vervolgens aan de procedure worden toegevoegd.

De persoon die voor de officier van justitie of, in voorkomend geval, de rechter die verantwoordelijk is voor detentie en vrijlating, wordt gebracht met het oog op een eventuele verlenging van de inverzekeringstelling, moet op de hoogte worden gebracht van zijn recht om opmerkingen in te dienen bij deze magistraten met als doel deze maatregel te laten beëindigen. Als er geen opmerkingen worden ingediend bij de officier van justitie, kan de in verzekering gestelde persoon mondelinge opmerkingen maken die door de onderzoekers worden opgenomen in een proces-verbaal van verhoor dat aan de magistraat wordt verstrekt, voordat deze beslist over de verlenging van de maatregel.

Overeenkomstig artikel 63-1 van het wetboek van strafvordering wordt dit recht meegedeeld aan alle personen onmiddellijk nadat zij in verzekering zijn gesteld, tegelijkertijd met andere informatie en rechten. De formulering van het zwijgrecht als bedoeld in punt 3 van dat artikel: “het recht om, tijdens een verhoor, na het kenbaar maken van de identiteit, verklaringen af te leggen, vragen te beantwoorden of te zwijgen”.

  • De verdachte tijdens het onderzoek

Na ontvangst van de eventuele opmerkingen van de advocaat wordt door de onderzoeksrechter aan de betrokkene medegedeeld: — hetzij dat hij niet in staat van beschuldiging wordt gesteld, in welk geval hij de rechten heeft van een témoin assisté (status tussen die van getuige en verdachte in) (artikel 116, alinea 6, van het wetboek van strafvordering);

— hetzij dat hij wel in staat van beschuldiging wordt gesteld, in welk geval de onderzoeksrechter de feiten en juridische kwalificaties specificeert die in aanmerking zijn genomen, als deze verschillen van de oorspronkelijk beoogde kwalificaties (artikel 116, alinea 7, van het wetboek van strafvordering).

In dit laatste geval stelt de onderzoeksrechter de betrokkene in kennis van: — zijn rechten om op grond van de artikelen 81, 82-1, 82-2 en 156 van het wetboek van strafvordering verzoeken in te dienen gedurende de gehele periode van vooronderzoek en uiterlijk, als hij daarom heeft verzocht, binnen de termijn van één tot drie maanden na de toezending van de kennisgeving met betrekking tot het einde van de periode van vooronderzoek als bedoeld in artikel 175-1 van het wetboek van strafvordering (artikel 116, alinea 7, van het wetboek van strafvordering);

— het recht om in dezelfde periode een beroep tot nietigverklaring in te stellen op grond van artikel 173 van het wetboek van strafvordering, onder voorbehoud van artikel 173-1 van het wetboek van strafvordering, waarin is bepaald dat de middelen tot de nietigheid van de ondervragingen (tijdens de eerste en de andere zittingen) en eerder verrichte handelingen, op straffe van nietigheid, moeten worden aangevoerd binnen zes maanden na de kennisgeving van de tenlastelegging of van de ondervraging (artikel 116, alinea 7, van het wetboek van strafvordering);

— de verwachte termijn voor de voltooiing van de procedure, als deze minder dan een jaar bedraagt in correctionele zaken en achttien maanden in criminele zaken;

— het recht om de afsluiting van de periode van vooronderzoek aan te vragen aan het einde van de door de rechter aangegeven termijn, of bij het verstrijken van de hierboven vermelde maximumtermijnen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 175-1 van het wetboek van strafvordering.

De verdachte kan ook opmerkingen maken wanneer een deskundig advies wordt bevolen, en de onderzoeksrechter verzoeken om aanvullende vragen te stellen. Bij de kennisgeving van het deskundigenverslag beschikt de verdachte over een termijn van ten minste vijftien dagen om een aanvullend deskundigenadvies, een contra-expertise of een nieuw deskundigenadvies aan te vragen (artikel 167, alinea 3, van het wetboek van strafvordering).

4. Vergoedingen voor procedures in burgerlijke en handelszaken

In het Franse recht is bij Wet nr. 77-1468 van 30 december 1977 het beginsel vastgelegd dat gerechtelijke procedures voor civiele rechters kosteloos zijn.

Er zijn echter tal van uitzonderingen op dit beginsel, in die zin dat het niet geldt voor de kosten van gerechtelijke functionarissen, deskundigenadviezen en, meer in het algemeen, voor talrijke kosten die partijen in de loop van de procedure maken.

De door een partij gemaakte kosten in burgerlijke of handelszaken, die zijn geregeld in titel XVIII, boek I van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, zijn onderverdeeld in twee categorieën:

  • kosten, limitatief opgesomd in artikel 695 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, die overeenkomen met de wettelijk noodzakelijke kosten die zijn gemaakt in het kader van de procedure en de nasleep daarvan en waarvan het bedrag wordt bepaald door een tarifering, hetzij bij verordening, hetzij bij rechterlijke beslissing. Deze kosten kunnen worden teruggevorderd door de partij die in het gelijk is gesteld van de partij die in het ongelijk is gesteld of die door de rechter is veroordeeld om deze kosten te dragen;
  • niet-terugvorderbare kosten, die overeenkomen met andere in de procedure gemaakte kosten en waarvoor een schadevergoeding wordt aangevraagd, die de rechter in beginsel en qua bedrag vrij kan bepalen, rekening houdend met rechtvaardigheid en de economische situatie van de veroordeelde partij (artikel 700 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Deze kosten omvatten met name de honoraria van advocaten.

De voornaamste kosten die mogelijk door de partijen moeten worden betaald in burgerlijke en handelszaken kunnen worden vastgesteld aan de hand van de lijst in artikel 695 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

Door de secretariaten van rechtbanken of de belastingdienst geïnde rechten, belastingen, vergoedingen of emolumenten, met uitzondering van de rechten, belastingen en boetes die eventueel verschuldigd zijn voor akten en titels die ter ondersteuning van de vorderingen van de partijen zijn overgelegd

In de praktijk gaat het in wezen om de vergoedingen die worden geïnd in het kader van het compensatiefonds voor het beroep van procureur bij de hoven van beroep in een beroepsprocedure met verplichte vertegenwoordiging (artikel 1635 bis P van het algemene belastingwetboek (code général des impôts)), de vergoedingen die worden geïnd door de griffiers van de handelsrechtbanken overeenkomstig Besluit nr. 80-307 van 29 april 1980 of de registratierechten.

Kosten voor de vertaling van de stukken, wanneer dit wettelijk of op grond van een internationale verbintenis is vereist

Krachtens bepaalde in bijlage I genoemde Europese instrumenten moeten er vertalingen van bepaalde stukken worden gemaakt; zie bijvoorbeeld Verordening (EU) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken, waarvan in artikel 9 wordt bepaald dat de eventuele kosten van vertaling vóór de verzending van het stuk worden gedragen door de aanvrager.

Getuigenvergoeding

Dit zijn de kosten die worden gemaakt in het kader van de maatregelen van instructie die door de rechter zijn gelast krachtens de artikelen 204 tot en met 231 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Deze kosten bestaan uit een vergoeding voor verschijning, voor reiskosten en een dagvergoeding, overeenkomstig de voorwaarden van de artikelen 9 tot en met 13 van het besluit van 27 december 1920 tot herziening van het reiskostentarief voor partijen, gerechtelijk deskundigen, depositarissen van stukken en getuigen.

Vergoeding van technici

Dit zijn de kosten die worden gemaakt in het kader van de maatregelen van instructie die door de rechter zijn gelast krachtens de artikelen 232 tot en met 284-1 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, en met name deskundigenadviezen. Wat betreft de vergoeding van technici wordt een voorschot uitbetaald op het moment dat ze worden aangesteld; het definitieve bedrag wordt na de uitvoering van hun taken door de rechter vastgesteld.

Begrote uitgaven

Dit zijn kosten die advocaten en openbare en ministeriële ambtenaren voor rekening van hun cliënt rechtstreeks aan derden betalen voor een juridisch noodzakelijke verrichting, zoals de kosten voor het kopiëren van vonnissen, notariële akten of hypotheekuittreksels, de kosten van een slotenmaker of portokosten voor brieven, verplichte procedurele formaliteiten die door de commissarissen voor justitie worden voorgeschoten.

De honoraria van overheids- of ministeriële functionarissen

Dit zijn de vergoedingen die aan de commissarissen voor justitie verschuldigd zijn krachtens Besluit nr. 96-1080 van 12 december 1996 tot vaststelling van het tarief voor gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken, voor hun werkzaamheden als gerechtsdeurwaarder in burgerlijke en handelszaken, of krachtens Besluit nr. 85-382 van 29 maart 1985 tot vaststelling van het tarief voor gerechtelijke veilingmeesters (commissaires-priseurs judiciaires) voor hun werkzaamheden als gerechtelijk veilingmeester, en de kosten van notarissen als bedoeld in Besluit nr. 78-262 van 8 maart 1978 tot vaststelling van het tarief voor notarissen.

De vergoeding van advocaten, voor zover deze is geregeld, met inbegrip van de pleitvergoeding (droits de plaidoirie)

In tegenstelling tot honoraria, die door de advocaat vrij worden vastgesteld in overleg met de cliënt en niet in de kosten zijn opgenomen, is de vergoeding van advocaten op het gebied van onroerend beslag, verdeling, licitatie, gerechtelijke zekerheidstelling en gerechtelijke hypotheken wel geregeld (artikel R. 444-71 van het wetboek van koophandel (code de commerce)). Bovendien omvat die vergoeding ook de pleitvergoeding, die worden geïnd op grond van de artikelen R. 652-26 en volgende van het wetboek sociale zekerheid.

De kosten voor de kennisgeving van een stuk in het buitenland

Dit zijn kosten voor de kennisgeving van een stuk in het buitenland, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 683 tot en met 688-8 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, wanneer in een van de instrumenten in bijlage I de kennisgeving of betekening van een stuk wordt voorgeschreven (zoals een dagvaarding, een beslissing enz.).

De kosten van vertaling en vertolking die voortvloeien uit maatregelen van instructie in het buitenland op verzoek van rechterlijke instanties in het kader van Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de rechtelijke instanties van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking)

10° De sociale onderzoeken die zijn bevolen op grond van de artikelen 1072, 1171 en 1221 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering

Dit zijn kosten in verband met door de rechter gelaste sociale onderzoeken inzake familiezaken (artikel 1072 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering), adoptie (artikel 1171 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) of procedures voor de voogdijrechter (artikel 1221 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering).

11° De vergoeding van de persoon die door de rechter is aangewezen om de minderjarige te horen, overeenkomstig artikel 388-1 van het burgerlijk wetboek

Dit zijn gevallen waarin de rechter overeenkomstig artikel 388-1 van het burgerlijk wetboek een persoon heeft aangewezen om een minderjarige te horen die in staat is zijn eigen mening te vormen.

12° De vergoedingen en kosten in verband met de maatregelen, onderzoeken en evaluaties krachtens artikel 1210-8

Dit zijn gevallen waarin de officier van justitie op grond van artikel 1210-8 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering om maatregelen, onderzoeken of evaluaties heeft verzocht teneinde de regeling vast te stellen voor de tenuitvoerlegging van de beslissing tot terugkeer van een kind dat internationaal ongeoorloofd is overgebracht.

Met betrekking tot inschrijvingen van beslissingen in het kader van collectieve procedures in het handels- en vennootschapsregister, met uitzondering van de inschrijvingen die ambtshalve moeten worden verricht ingevolge artikel R. 123-22 van het wetboek van koophandel, zijn de tarieven vastgesteld bij besluit van 9 november 2017 tot vaststelling van het bedrag van de vergoeding die verschuldigd is als tegenprestatie voor de door de afdeling voor juridische en administratieve informatie verrichte diensten; voorts hebben die tarieven betrekking op de facultatieve inschrijvingen die zijn vastgesteld in de artikelen 28 en 29 van Verordening (EU) 2015/848 van 20 mei 2015.

5. Elektronische betalingsmethoden

Om deze methoden te kunnen identificeren, moet de analyse van de impact die de uitvoering van artikel 9 van de verordening zou hebben, eerst worden afgerond.

6. Kennisgeving over het vroegtijdige gebruik van het gedecentraliseerde IT-systeem

Frankrijk neemt deel aan alle comitéprocedures die de Europese Commissie over dit onderwerp organiseert. Er wordt momenteel gewerkt aan interne governance om ervoor te zorgen dat het eEDES-instrument naar behoren wordt ingezet en dat alle betrokken gerechtsambtenaren erbij worden betrokken. De eerste twee toepassingen, Betekening en kennisgeving van documenten en Bewijsverkrijging, worden momenteel geïmplementeerd bij de betrokken professionele en technische teams.

7. Kennisgeving over het vroegtijdige gebruik van videoconferenties in burgerlijke en handelszaken

Het ministerie heeft een werkgroep opgericht die toeziet op de naleving van de digitaliseringsverordening op het gebied van videoconferenties in grensoverschrijdende procedures. In dit verband onderzoekt het ministerie de technische, wetgevende en procedurele gevolgen van artikel 5 en gaat het na welke maatregelen er moeten worden genomen om de bepalingen ervan vóór de vastgestelde datum, te weten 1 mei 2025, te kunnen toepassen.

8. Kennisgeving over het vroegtijdige gebruik van videoconferenties in strafzaken

Het ministerie heeft een werkgroep opgericht die toeziet op de naleving van de digitaliseringsverordening op het gebied van videoconferenties in grensoverschrijdende procedures. In dit verband onderzoekt het ministerie de technische, wetgevende en procedurele gevolgen van artikel 6 en gaat het na welke maatregelen er moeten worden genomen om de bepalingen ervan vóór de vastgestelde datum, te weten 1 mei 2025, te kunnen toepassen.

Een technisch/inhoudelijk probleem melden of feedback geven op deze pagina