1. Nationale IT-portalen voor de communicatie met rechtbanken of andere autoriteiten
Overeenkomstig de wet op de invoering van elektronische dossiers in het gerechtelijk apparaat en op de verdere bevordering van elektronische justitie (Gesetz zur Einführung der elektronischen Akte in der Justiz und zur weiteren Förderung des elektronischen Rechtsverkehrs) (federaal publicatieblad (BGBl) 2017 I, blz. 2208), die op 1 januari 2018 in werking is getreden, moeten rechtbanken en openbare ministeries vanaf 1 januari 2026 in beginsel gerechtelijke en zaakdossiers uitsluitend in elektronische vorm bewaren.
Sinds 1 januari 2018 mogen partijen in procedures ook elektronische documenten in plaats van schriftelijke documenten indienen bij de civiele rechter via beveiligde communicatiekanalen (artikel 130a, lid 4, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Zivilprozessordnung, ZPO)); dit geldt naar analogie ook voor de andere rechtbanken via verwijzingen naar deze bepaling in andere wetgeving.
Bepaalde partijen in de procedure moeten ook beveiligde communicatiekanalen onderhouden om de betekening of kennisgeving van elektronische stukken door de rechtbank mogelijk te maken (artikel 173 ZPO) (met name advocaten, notarissen, belastingadviseurs, handhavingsfunctionarissen, overheidsinstanties enz.). Sinds 1 januari 2022 zijn advocaten, overheidsinstanties en publiekrechtelijke rechtspersonen verplicht documenten elektronisch bij de civiele rechter in te dienen (artikel 130d ZPO); dit geldt naar analogie ook voor de andere rechtbanken via verwijzingen naar deze bepaling in andere wetgeving. De rechterlijke macht maakt hiervoor gebruik van de technische infrastructuur van de elektronische gerechtelijke en administratieve mailbox (Elektronisches Gerichts- und Verwaltungspostfach, EGVP (egvp.justiz.de)).
Het systeem garandeert de vertrouwelijkheid, authenticiteit, integriteit en juridische doeltreffendheid van elektronisch verzonden documenten. Binnen het rechtsstelsel maken advocaten, rechtbanken en andere leden van de rechterlijke macht gebruik van de EGVP om documenten efficiënt uit te wisselen. In een bestuurlijke context gebruiken overheidsinstanties de EGVP om veilig met elkaar en met burgers te communiceren. Gebruikers hebben speciale software nodig voor elektronische juridische communicatie. De toegang is vaak gebaseerd op identificatie en authenticatie met behulp van elektronische-handtekeningkaarten of andere authenticatiemethoden, waaronder elektronische identificatie voor burgers. Dit zorgt ervoor dat alleen bevoegde personen documenten via het systeem kunnen verzenden en ontvangen.
De EGVP, als nationaal IT-portaal, is een moderne en veilige oplossing voor digitale communicatie in gerechtelijke en bestuurlijke aangelegenheden. Aangezien de EGVP een veilige, juridisch bindende, efficiënte en traceerbare verzending van documenten garandeert, is deze een essentieel instrument voor de verschillende belanghebbenden in het gerechtelijk en bestuurlijk apparaat van Duitsland.
De volgende IT-portalen zijn opgezet als beveiligde kanalen voor communicatie met de rechtbanken:
- de speciale elektronische mailbox voor advocaten (besonderes elektronisches Anwaltspostfach, beA (bea-brak.de)). Deze mailbox is beschikbaar voor natuurlijke personen en beroepsvennootschappen die zijn ingeschreven in het centrale register van de Duitse federale balie (Bundesrechtsanwaltskammer, BRAK) (artikelen 31a en 31b van de federale wet inzake de advocatuur (Bundesrechtsanwaltsordnung, BRAO));
- de speciale elektronische mailbox voor notarissen (besonderes elektronisches Notarpostfach, beN (bnotk.de)). Deze mailbox is beschikbaar voor natuurlijke personen die als notaris zijn ingeschreven in het register van de Duitse federale kamer van notarissen (Bundesnotarkammer, BNotK). Deze kan ook worden ingericht voor plaatsvervangende notarissen, kandidaat-notarissen, de BNotK, kamers van notarissen en andere notariële organisaties (artikel 78n van de federale wet inzake het notariaat (Bundesnotarordnung, BNotO));
- de speciale elektronische mailbox voor belastingadviseurs (besonderes elektronisches Steuerberaterpostfach, beSt (steuerberaterplattform-bstbk.de)). Deze mailbox is beschikbaar voor belastingadviseurs en fiscaal gemachtigden die overeenkomstig artikel 32, lid 2, tweede zin, van de wet inzake belastingadvies (Steuerberatungsgesetz, StBerG) zijn aangesteld. Deze staat ook open voor kamers van belastingadviseurs en beroepsvennootschappen die overeenkomstig artikel 32, lid 3, StBerG (artikel 86d en 86e StBerG) zijn aangesteld;
- de speciale elektronische mailbox voor overheidsinstanties (besonderes elektronisches Behördenpostfach, beBPo). Deze mailbox is alleen beschikbaar voor overheidsinstanties en publiekrechtelijke rechtspersonen;
- de speciale elektronische mailbox voor burgers en organisaties (besonderes elektronisches Bürger- und Organisationenpostfach, eBO). Er zijn een aantal eBO’s beschikbaar waarvoor een toeslag geldt; een overzicht van aanbieders is te vinden op egvp.justiz.de. Gebruikers worden geïdentificeerd door middel van elektronische identificatie, gekwalificeerde elektronische zegels, een door een notaris gewaarmerkte verklaring van naam en adres of, in het geval van door de overheid aangewezen of beëdigde personen die tolk- of vertaaldiensten verlenen en handhavingsfunctionarissen, door middel van een bevestiging van de benoeming door het in artikel 11, lid 2, punten 3 en 4, van de verordening inzake elektronische justitie (Elektronischer-Rechtsverkehr-Verordnung, ERVV) bedoelde openbare orgaan;
- de mailbox en bezorgdienst van een gebruikersaccount overeenkomstig de wet op online toegang (Onlinezugangsgesetz, OZG) (mein-justizpostfach.bund.de), die gratis beschikbaar is voor alle burgers via een “BundID” (“FederalID”, id.bund.de);
- de mailbox en bezorgdienst van een De-Mail-account indien de afzender bij het verzenden van het bericht op een beveiligde manier is ingelogd in de zin van artikel 4, lid 1, tweede zin, van de wet inzake De-Mail (De-Mail-Gesetz) en deze beveiligde login is bevestigd overeenkomstig artikel 5, lid 5, van de wet inzake De-Mail (https://www.bmi.bund.de/DE/themen/moderne-verwaltung/e-government/de-mail/de-mail-node.html).
Met uitzondering van door de afzender bevestigde De-Mail zijn alle beveiligde communicatiekanalen gebaseerd op de EGVP-infrastructuur.
Details over de beveiligde communicatiekanalen via de beBPo, de eBO en de mailbox- en bezorgservice van een OZG-gebruikersaccount, evenals de algemene technische voorwaarden voor elektronische juridische communicatie, zijn te vinden in de ERVV.
2. Nationaal recht inzake videoconferenties in burgerlijke en handelszaken
Overeenkomstig artikel 128a, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (ZPO) kan de rechtbank partijen, hun gemachtigden en hun raadslieden op verzoek of ambtshalve toestaan om tijdens een mondelinge zitting op een andere locatie te blijven en van daaruit procedurele handelingen te verrichten; de hoorzitting zal dan gelijktijdig audiovisueel worden uitgezonden naar deze locatie en naar de rechtszaal. De rechtbank kan ook een videohoorzitting gelasten tegen de wil van de partijen. Het toestaan van een videohoorzitting is geen informele maatregel die wordt genomen om het verloop van de procedure te sturen, maar is onderworpen aan een beslissing die is genomen volgens het professionele oordeel van de rechtbank. Deze beslissing kan op elk moment worden gewijzigd. Als de rechtbank niet over de nodige technische faciliteiten beschikt, kan een verzoek vaak worden afgewezen. De afwijzing van een verzoek om een videohoorzitting moet worden onderbouwd.
Bovendien kan de rechtbank alleen op verzoek toestaan dat een getuige, een deskundige of een partij tijdens een verhoor op een andere locatie verblijft, overeenkomstig artikel 128a, lid 2, ZPO.
Voor videohoorzittingen gelden dezelfde procedureregels als voor fysieke hoorzittingen. Alle procedurele rechten kunnen op dezelfde manier worden uitgeoefend. Het recht om door een advocaat te worden vertegenwoordigd, wordt niet aangetast door de videohoorzitting. De meeste videoconferentiesystemen die in het rechtsstelsel worden gebruikt, beschikken over breakoutruimten die vertrouwelijk overleg tussen een advocaat en een cliënt mogelijk maken.
De rechtbank moet ervoor zorgen dat het publiek toegang heeft tot de rechtszaal en de hoorzitting. Bijgevolg moet de hoorzitting op zodanige wijze naar de rechtszaal worden doorgezonden dat het publiek de procedure kan volgen. De voorzitter moet aanwezig zijn in de rechtszaal. De andere leden van de rechtbank kunnen deelnemen met behulp van videoconferentietechnologie als daar zwaarwegende redenen voor zijn.
Het vertrouwensniveau waarmee de identiteit van met behulp van videoconferentietechnologie deelnemende partijen moet worden vastgesteld, is hetzelfde als dat volgens de voorschriften voor fysieke hoorzittingen. Er zijn geen formele identificatieprocedures voor de partijen en hun advocaten of voor andere deelnemers aan de procedure, zoals getuigen. De identificatievereisten die in individuele gevallen van toepassing zijn, staan derhalve ter beoordeling van de rechter. Aangezien de dagvaarding met de toegangsgegevens alleen aan de betrokken deelnemers wordt toegezonden, is er vaak geen aanvullend identiteitsbewijs nodig. Bovendien verschijnen partijen vaak samen met hun advocaat, die vaak bekend is bij de rechtbank. In de zeldzame gevallen waarin er twijfel bestaat over de identiteit van een deelnemer, kan deze worden weggenomen door deze persoon bijvoorbeeld te vragen een identiteitsbewijs over te leggen.
Inzage van bewijsstukken in het kader van de formele bewijsvoeringsprocedure (Strengbeweisverfahren) is tijdens een videohoorzitting niet mogelijk.
Er is geen voorziening getroffen voor de opname van de hoorzitting. Er wordt derhalve geen spraak-naar-tekstsoftware gebruikt. Overeenkomstig artikel 159 ZPO moet echter een proces-verbaal worden opgemaakt van de hoorzitting en van de eventuele verklaringen. Van de inhoud van het proces-verbaal kan een voorlopige geluidsopname worden gemaakt (artikel 160a ZPO). Het is partijen in de procedure en derden verboden de hoorzitting op te nemen.
In het geval van zittingen van de familierechtbank kunnen de bepalingen inzake videohoorzittingen worden gevonden in artikelen 30 en 32 van de wet op de procedures in familierechtelijke zaken en op het gebied van oneigenlijke rechtspraak (Gesetz über das Verfahren in Familiensachen und in den Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit, FamFG).
Videoconferentie is ook mogelijk in procedures met betrekking tot faillissementen en herstructureringen, bijvoorbeeld voor de bijeenkomst van schuldeisers om vorderingen te onderzoeken en vast te stellen of voor de bijeenkomst om een herstructureringsplan te bespreken en erover te stemmen. Dit is toegestaan op grond van artikel 4 van de insolventiewet (Insolvenzordnung, InsO) en artikel 38 van de wet op de stabilisatie en herstructurering van ondernemingen (Unternehmensstabilisierungs- und -restrukturierungsgesetzes, StaRUG), die verwijzen naar de desbetreffende bepalingen van de ZPO.
Alle Duitse rechtbanken en andere rechtelijke autoriteiten hebben toegang tot videoconferentie-infrastructuur, hoewel de omvang van deze infrastructuur verschilt per regio en per tak van de rechterlijke macht. De federale overheid is alleen verantwoordelijk voor het uitrusten van de federale rechtbanken met hardware en software. Voor alle andere rechtbanken, d.w.z. de overgrote meerderheid van de Duitse rechtbanken, is dit een verantwoordelijkheid van de deelstaten. De omvang van de verstrekte informatie verschilt aanzienlijk per rechtbank, maar omvat in het algemeen de verwachte informatie. De informatiebehoeften van de deelnemers zijn de afgelopen jaren over het algemeen afgenomen, aangezien het gebruik van videoconferenties steeds gebruikelijker is geworden.
Vanwege het systeem van regionale verantwoordelijkheid voor het beheer van de rechtbanken wordt in het Duitse rechtsstelsel een breed scala van verschillende videoconferentieplatforms gebruikt, van oplossingen op locatie die worden aangeboden door Jitsi, Big Blue Button, Skype for Business, Pexip en Nextcloud Talk, tot cloudoplossingen zoals Cisco Webex en Microsoft Teams. Hoewel alle gebruikte videoconferentiesystemen tot doel hebben brede ondersteuning te bieden voor pc’s en mobiele apparatuur, doen zich af en toe compatibiliteitsproblemen voor.
Vertolking blijft een uitdaging in het geval van videohoorzittingen. De meeste videoconferentiediensten die in het Duitse rechtsstelsel worden gebruikt, bieden geen tweede audiokanaal, wat nodig is om online een simultaantolk aan te laten sluiten. In de overgrote meerderheid van de gevallen kunnen deelnemers die een tolk nodig hebben, dus niet op afstand aan de hoorzitting deelnemen.
3. Nationaal recht inzake videoconferenties in strafzaken
1. Regels voor het gebruik van videoconferentietechnologie in het kader van het wetboek van strafvordering (Strafprozessordnung, StPO)
Het Duitse strafprocesrecht schrijft voor in welke procedurele situaties en onder welke voorwaarden een verhoor of hoorzitting mag plaatsvinden via (in voorkomend geval grensoverschrijdende) videoconferenties om binnenlandse strafprocedures door Duitse overheidsinstanties te vergemakkelijken.
Buiten de hoofdzitting om is het normaal gesproken mogelijk om een persoon te horen met behulp van videoconferentietechnologie (artikel 58b StPO voor het verhoor van getuigen en artikel 136, lid 5, en artikel 163a, lid 4, tweede zin, beide in samenhang met artikel 58b StPO voor het verhoor van verdachten). Het gebruik van videoconferentietechnologie voor verhoren is beperkt tot uitzonderlijke situaties, en wel alleen in het geval van het verhoor van getuigen door rechters (artikel 168e StPO).
Bovenstaande bepalingen luiden als volgt:
- Artikel 58b StPO, Verhoor door middel van audiovisuele transmissie:
Het verhoor van een getuige buiten de hoofdzitting om kan op zodanige wijze plaatsvinden dat de getuige zich op een andere plaats bevindt dan de persoon die het verhoor uitvoert en dat het verhoor tegelijkertijd met audiovisuele middelen wordt doorgezonden naar de plaats waar de getuige zich bevindt en naar de verhoorkamer.
- Artikel 168e StPO, Afzonderlijk verhoor van getuigen:
Indien er een dreigend gevaar bestaat voor ernstige aantasting van het welzijn van een getuige ingeval deze wordt gehoord in aanwezigheid van personen die het recht hebben aanwezig te zijn en indien dit gevaar niet op een andere manier kan worden voorkomen, moet de rechter de getuige afzonderlijk van de personen die het recht hebben aanwezig te zijn, horen. Het verhoor wordt tegelijkertijd met audiovisuele middelen doorgegeven aan die personen die het recht hebben om aanwezig te zijn. De rechten van deelname van de personen die anderszins het recht hebben aanwezig te zijn, blijven onaangetast. De artikelen 58a en 241a zijn van overeenkomstige toepassing. De in de eerste volzin bedoelde beslissing kan niet worden betwist.
In het kader van een mondelinge toetsing van de bewaring kan een mondelinge zitting worden gehouden met behulp van videoconferentietechnologie indien de verdachte afstand heeft gedaan van het recht om persoonlijk deel te nemen of indien grote afstand of ziekte van de verdachte of andere onoverkomelijke belemmeringen hem beletten ter terechtzitting te worden voorgeleid. Artikel 118a, lid 2, StPO luidt als volgt:
- Artikel 118a, lid 2, StPO, Mondelinge zitting in verband met toetsing van de bewaring:
De verdachte moet ter terechtzitting worden voorgeleid, tenzij hij afstand heeft gedaan van het recht om aanwezig te zijn of tenzij grote afstand of ziekte van de verdachte of andere onoverkomelijke belemmeringen hem beletten ter terechtzitting te worden voorgeleid. De rechter kan gelasten dat, onder de voorwaarden van de eerste volzin, de mondelinge zitting zodanig wordt gehouden dat de verdachte zich ergens anders dan in de rechtszaal bevindt en dat de hoorzitting tegelijkertijd via audiovisuele middelen wordt doorgezonden naar de plaats waar de verdachte zich bevindt en naar de rechtszaal. Indien de verdachte niet ter terechtzitting wordt gehoord en de in de tweede zin bedoelde procedure niet wordt gevolgd, moet de raadsman de rechten van de verdachte ter terechtzitting waarborgen.
Het is de verdachte niet toegestaan om via een audiovisuele verbinding deel te nemen aan de hoofdzitting. Met de wet op de verdere digitalisering van de rechterlijke macht (Gesetz zur weiteren Digitalisierung der Justiz) wil Duitsland het op verzoek mogelijk maken om via videoconferentietechnologie deel te nemen aan de hoofdzitting waarin een cassatie (Revision) in een strafzaak wordt behandeld. Deze mogelijkheid zal echter worden beperkt tot de hoofdzitting over dergelijke cassaties, waarbij de discussie uitsluitend op rechtsvragen betrekking heeft en persoonlijke indrukken daarom niet van belang zijn.
De huidige wetgeving staat echter reeds het verhoor van getuigen tijdens de hoofdzitting met behulp van videoconferentietechnologie toe indien er anders een dreigend risico bestaat op ernstige aantasting van het welzijn van een getuige, indien ziekte, zwakte of andere onoverkomelijke belemmeringen verhinderen dat de getuige gedurende een relatief lange of onbekende periode de hoofdzitting bijwoont of indien van de getuige redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij de hoofdzitting bijwoont als gevolg van een grote afstand, rekening houdend met het belang van zijn verklaring. Dit blijkt uit artikel 247a StPO:
- Artikel 247a, Bevel tot verhoor van getuigen via audiovisuele middelen:
1) Indien er een dreigend gevaar bestaat voor ernstige aantasting van het welzijn van een getuige die moet worden gehoord in aanwezigheid van degenen die de hoofdzitting bijwonen, kan de rechtbank gelasten dat de getuige tijdens het verhoor op een andere plaats verblijft; een dergelijk bevel is ook ontvankelijk onder de voorwaarden van artikel 251, lid 2, voor zover dit noodzakelijk is om de waarheid vast te stellen. De beslissing is niet betwistbaar. Gelijktijdige audiovisuele transmissie van de verklaring moet in de rechtszaal plaatsvinden. De verklaring moet worden opgenomen als er bezorgdheid bestaat dat de getuige niet beschikbaar zal zijn om tijdens een toekomstige hoofdzitting te worden gehoord en de opname noodzakelijk is om de waarheid vast te stellen. Artikel 58a, lid 2, is van overeenkomstige toepassing.
2) De rechtbank kan gelasten dat het onderzoek van een deskundige zodanig wordt uitgevoerd dat de deskundige zich ergens anders dan in de rechtbank bevindt en dat het verhoor tegelijkertijd met audiovisuele middelen wordt uitgezonden naar de plaats waar de deskundige zich bevindt en naar de rechtszaal. Dit is niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 246a. De in de eerste volzin bedoelde beslissing kan niet worden betwist.
In tenuitvoerleggingsprocedures kunnen de veroordeelde en de deskundige worden gehoord met behulp van videoconferentietechnologie:
- Artikel 463e, Mondelinge behandeling via audiovisuele middelen:
1) Indien aan de veroordeelde een mondelinge behandeling wordt verleend voorafgaand aan een van de rechterlijke beslissingen die op grond van de bepalingen van dit deel moeten worden genomen, kan de rechtbank bepalen dat deze persoon tijdens de mondelinge behandeling op een andere plaats dan de rechtbank verblijft en dat de hoorzitting tegelijkertijd via audiovisuele middelen wordt doorgegeven naar zowel de plaats waar de veroordeelde zich bevindt als de rechtszaal. De rechtbank mag slechts bevelen dat de mondelinge behandeling via audiovisuele middelen plaatsvindt op voorwaarde dat de veroordeelde zich tijdens die behandeling in het kantoor van zijn raadsman of advocaat bevindt. De eerste zin is niet van toepassing indien de veroordeelde tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld of opname in een psychiatrische kliniek of in preventieve hechtenis is opgelegd.
2) Indien een door de rechtbank benoemde deskundige wordt gehoord voordat een krachtens dit deel te geven rechterlijke beslissing wordt gegeven, is lid 1, eerste en derde zin, dienovereenkomstig van toepassing.
2. Regels inzake het gebruik van videoconferentietechnologie om buitenlandse procedures in het kader van de justitiële samenwerking in strafzaken te vergemakkelijken
Specifieke regels voor het grensoverschrijdende gebruik van videoconferentietechnologie in strafzaken zijn momenteel alleen opgenomen in het Duitse recht met betrekking tot het verhoor van personen. Dit zijn enerzijds de bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 2014/41/EU betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (EOB-richtlijn), in de artikelen 91a tot en met 91j van de wet inzake de internationale rechtshulp in strafzaken (Gesetz über die internationale Rechtshilfe in Strafsachen, IRG), en anderzijds artikel 61c in het geval van rechtshulp wanneer er geen Verdrag bestaat. Indien deze specifieke regels niet van toepassing zijn, kan de algemene machtiging om bijstand te verlenen, als bedoeld in artikel 59, lid 3, IRG, in beginsel een rechtsgrondslag vormen voor het grensoverschrijdende gebruik van videoconferentietechnologie. Op grond van deze bepaling kan een verhoor of hoorzitting worden uitgevoerd door middel van audiovisuele transmissie, voor zover dit mogelijk is overeenkomstig het Duitse procesrecht (zie punt 1).
Wat het verhoor van getuigen en deskundigen via audiovisuele middelen betreft, bevat artikel 61c IRG de specifieke bepaling dat hun geen kosten of bestuurlijke maatregelen mogen worden opgelegd indien zij geen gehoor geven aan een oproeping voor een dergelijk verhoor. De oproeping mag dus geen enkele dreiging van dwangmaatregelen inhouden in het geval dat de persoon niet verschijnt. Artikel 61c IRG is niet van toepassing op de verdachte. De verdachte kan echter een rechtsmiddel instellen tegen een dreiging van dwangmaatregelen, d.w.z. een rechterlijke beslissing vragen in het geval van een dagvaarding van een openbare aanklager of een klacht indienen tegen een gerechtelijke dagvaarding. In het kader van de geplande hervorming van de IRG zal deze specifieke regel ten behoeve van getuigen en deskundigen worden geschrapt.
In artikel 24, lid 1, van de Richtlijn 2014/41/EU betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken wordt het mogelijk gemaakt dat getuigen en deskundigen (eerste zin) en verdachten (tweede zin) per videoconferentie worden gehoord door de autoriteiten van de lidstaat waar zij zich bevinden met het oog op onderzoek of strafvervolging in een andere lidstaat.
Volgens artikel 24, lid 2, van de EOB-richtlijn kan de tenuitvoerlegging van een dergelijk EOB echter worden geweigerd indien de verdachte daar niet mee instemt. In Duitsland stelt artikel 91c, lid 1, IRG als voorwaarde dat een videohoorzitting door de betrokkene moet worden toegestaan, ongeacht zijn rol in de procedure. Dit betekent dat een dergelijk verhoor altijd moet worden geweigerd als er geen toestemming is gegeven (door verdachten, getuigen of deskundigen). In het kader van de voorgenomen hervorming van de IRG zal dit beperkt blijven tot verdachten.
In artikel 91h, lid 3, IRG, wordt het volgende bepaald met betrekking tot het houden van de hoorzitting:
Hoorzittingen met audiovisuele middelen overeenkomstig artikel 61c worden gehouden onder leiding van de bevoegde instantie en op basis van het recht dat in de verzoekende lidstaat van toepassing is. De bevoegde Duitse instantie neemt deel aan de hoorzitting, stelt de identiteit van de te horen persoon vast en zorgt ervoor dat de kernbeginselen van het Duitse rechtsstelsel in acht worden genomen. Verdachten moeten aan het begin van de hoorzitting worden geïnformeerd over hun rechten krachtens het recht van de verzoekende lidstaat en krachtens het Duitse procesrecht. Getuigen en deskundigen moeten worden geïnformeerd over het recht om te weigeren bewijs te leveren of informatie te verstrekken waarover zij krachtens het recht van de verzoekende lidstaat en het Duitse procesrecht beschikken.
4. Vergoedingen voor procedures in burgerlijke en handelszaken
i) Verordening tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (Verordening (EG) nr. 1896/2006)
In het kader van de Europese betalingsbevelprocedure moest informatie worden verstrekt over de kosten van de betekening of kennisgeving van stukken (artikel 28, punt a), van Verordening (EG) nr. 1896/2006). De informatie op het e-justitieportaal (https://e-justice.europa.eu/topics/money-monetary-claims/court-fees-concerning-european-payment-order-procedure/de_nl?GERMANY=&member=1) is juist.
Heroverweging overeenkomstig artikel 1092 ZPO en artikel 20 van Verordening (EG) nr. 1896/2006:
het verzoek om heroverweging op grond van artikel 1092 ZPO brengt geen afzonderlijke gerechtskosten met zich mee.
Artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1896/2006:
het verzoek om een buitenlands betalingsbevel uitvoerbaar te verklaren, brengt geen afzonderlijke gerechtskosten met zich mee.
ii) Verordening tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (Verordening (EG) nr. 861/2007)
De vergoedingen voor de Europese procedure voor geringe vorderingen zijn vastgelegd in de wet op de gerechtskosten (Gerichtskostengesetz, GKG). Het bedrag van de vergoeding wordt bepaald door het betwiste bedrag, dat meestal gelijk is aan de waarde van de vordering. De exacte tarieven zijn opgenomen in de tarievenlijst (Kostenverzeichnis, KV GKG) die als bijlage bij de wet op de gerechtskosten is gevoegd. In nummer 1210 KV GKG is een kostentarief vastgesteld van 3,0 tariefeenheden voor procedures voor de lokale rechtbank (Amtsgericht). In het geval van vroegtijdige stopzetting van de procedure wordt het kostentarief verlaagd tot 1,0 tariefeenheid (nummer 1211 KV GKG).
iii) Richtlijn rechtsbijstand (Richtlijn 2003/8/EG)
Wat de richtlijn rechtsbijstand (2003/8/EG) betreft, zijn de gegevens op het e-justitieportaal correct (https://e-justice.europa.eu/topics/taking-legal-action/legal-aid/de_nl, vraag 12). De richtlijn is ook van toepassing op precontentieuze adviezen (artikel 3, lid 2, punt a), van de richtlijn).
iv) Verordening inzake het huwelijksvermogensstelsel/verordening inzake vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen (Verordeningen (EU) 2016/1103 en (EU) 2016/1104), verordening Brussel II ter (Verordening (EU) 2019/1111), alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009), verordening beschermingsmaatregelen (Verordening (EU) nr. 606/2013)
Wat betreft de procedures uit hoofde van de Verordeningen (EU) 2016/1103 (verordening inzake het huwelijksvermogensstelsel), (EU) 2016/1104 (verordening inzake vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen), (EU) 2019/1111 (verordening Brussel II ter), (EG) nr. 4/2009 (alimentatieverordening) en (EU) nr. 606/2013 (verordening beschermingsmaatregelen), vloeien de aan vergoedingen onderworpen handelingen voort uit bijlage 1 bij de wet inzake gerechtskosten in familiezaken (FamGKG) en gedeeltelijk uit de wet inzake gerechtskosten en notariskosten (GNotKG) (voor notariële procedures en procedures die geen betrekking hebben op familiezaken, bv. met betrekking tot de echtheid van een document).
Procedures uit hoofde van Verordening (EU) 2016/1103 en Verordening (EU) 2016/1104 (verordening inzake het huwelijksvermogensstelsel/verordening inzake vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen) in samenhang met de wet inzake internationale huwelijksvermogensprocedures (IntGüRVG):
voor de aanvraagprocedure voor de afgifte van een verklaring op grond van artikel 27 IntGüRVG is een tarief van 17 EUR vastgesteld (nummer 1711 van de tarieflijst in de bijlage bij de wet inzake gerechtskosten in familiezaken (KV FamGKG), nummer 23808 van de tarieflijst in de bijlage bij de wet inzake gerechtskosten en notariskosten (KV GNotKG)). Het tarief voor de procedure op grond van artikel 31 IntGüRVG met betrekking tot de echtheid van een document bedraagt 60 EUR overeenkomstig nummer 15215 KV GNotKG. Voor de aanvraagprocedure voor de uitvoerbaarverklaring van een notariële akte op grond van artikel 4, lid 4, IntGüRVG wordt een tarief van 264 EUR in rekening gebracht (nummer 23806 KV GNotKG).
Procedures uit hoofde van Verordening (EU) 2019/1111 (verordening Brussel II ter) in samenhang met de wet op de procedure in het internationaal familierecht (IntFamRVG):
de tarieven voor procedures uit hoofde van Verordening (EU) 2019/1111 in samenhang met de IntFamRVG zijn te vinden in de nummers 1710 e.v. KV FamGKG. Naast deze tarieven kunnen ook servicekosten in rekening worden gebracht overeenkomstig nummer 2002 KV FamGKG.
Procedures uit hoofde van Verordening (EG) nr. 4/2009 (alimentatieverordening) in samenhang met de wet inzake buitenlandse alimentatie (AUG):
wat de aanvraagprocedures voor de afgifte van een verklaring op grond van artikel 71, lid 1, AUG betreft, wordt een tarief van 17 EUR in rekening gebracht overeenkomstig nummer 1711 KV FamGKG en nummer 23808 KV GNotKG. Voor procedures met betrekking tot een verzoek tot vaststelling van afdwingbare inhoud overeenkomstig artikel 34, lid 1, AUG wordt een tarief van 66 EUR in rekening gebracht overeenkomstig nummer 1713 KV FamGKG. Voor de aanvraagprocedure voor de uitvoerbaarverklaring van een notariële akte op grond van artikel 35, lid 3, AUG wordt een tarief van 264 EUR in rekening gebracht (nummer 23806 KV GNotKG).
Procedures uit hoofde van Verordening (EU) nr. 606/2013 (verordening beschermingsmaatregelen) in samenhang met de wet op de Europese beschermingsmaatregelen (EUGewSchVG):
de tarieven voor procedures uit hoofde van Verordening (EU) nr. 606/2013 in samenhang met de EUGewSchVG zijn opgenomen in de nummers 1320 e.v. KV FamGKG. Wat de procedure in het algemeen betreft, wordt een tarief van 2,0 tariefeenheden in rekening gebracht, die overeenkomstig nummer 1321 KV FamGKG kan worden verlaagd tot 0,5 tariefeenheid indien de gehele procedure wordt beëindigd. De waarde van de procedure die nodig is om het tarief te berekenen, wordt bepaald overeenkomstig artikel 49 FamGKG.
Voor de aanvraagprocedure voor de afgifte van een verklaring op grond van artikel 14 EUGewSchVG is een tarief van 17 EUR vastgesteld (nummer 1711 KV FamGKG).
v) Verordening betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen (Verordening (EU) nr. 655/2014)
Gerechtskosten:
De kosten die in rekening worden gebracht door de rechtbanken die betrokken zijn bij de verwerking of de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag overeenkomstig Verordening (EU) nr. 655/2014, zijn vastgelegd in de GKG en FamGKG. Bovengenoemde wetten kunnen via http://www.gesetze-im-internet.de/bundesrecht/gkg_2004/gesamt.pdf en http://www.gesetze-im-internet.de/bundesrecht/famgkg/gesamt.pdf gratis worden ingezien en opgevraagd.
In procedures krachtens artikel 5, punt a), van Verordening (EU) nr. 655/2014:
De hoogte van de kosten wordt in elk geval bepaald op basis van het in het geding zijnde bedrag en de desbetreffende tarieven op basis van de berekeningsmethode van artikel 34 GKG respectievelijk artikel 28 FamGKG.
a) Voor de procedure voor het verkrijgen van een Europees bevel tot conservatoir beslag op grond van artikel 5, punt a), van Verordening (EU) nr. 655/2014 wordt in de regel een tarief van 1,5 tariefeenheden toegepast, overeenkomstig nummer 1410 KV GKG. In bepaalde gevallen, wanneer de verwerkingslast voor het gerecht gering is, wordt er een verlaagd tarief van 1,0 tariefeenheid toegepast (nummer 1411 KV GKG). Indien er een bevel is uitgevaardigd overeenkomstig artikel 91a of artikel 269, lid 3, ZPO, wordt er in principe een hoger tarief van 3,0 tariefeenheden toegepast (nummer 1412 KV GKG).
De procedurekosten omvatten tevens de kosten voor het instellen van het rechtsmiddel door de schuldenaar in de zin van artikel 33 van Verordening (EU) nr. 655/2014 teneinde het Europees bevel tot conservatoir beslag in te trekken of te wijzigen. Wat betekeningen of kennisgevingen met een akte van betekening of kennisgeving of met een aangetekende brief met ontvangstbevestiging of door rechtbankpersoneel betreft, wordt er een forfaitaire vergoeding van 3,50 EUR in rekening gebracht indien er meer dan tien betekeningen of kennisgevingen gebeuren in eenzelfde fase van de procedure of indien de betekening of kennisgeving gebeurt op initiatief van de schuldeiser (nummer 9002 van de tarievenlijst die als bijlage bij de wet inzake gerechtsdeurwaarderskosten (KV GvKostG) is gevoegd).
In de beroepsprocedure wordt er een tarief van 1,5 tariefeenheid toegepast (nummer 1430 KV GKG). Wanneer de gehele procedure wordt beëindigd, omdat het beroep wordt ingetrokken, wordt het tarief verlaagd naar 1,0 tariefeenheid (nummer 1431 KV GKG).
Het in het geding zijnde bedrag wordt in elke zaak naar eigen goeddunken vastgesteld door het gerecht (artikel 53 GKG juncto artikel 3 ZPO).
De kosten moeten worden voldaan wanneer het verzoek om een Europees bevel tot conservatoir beslag wordt ingediend of wanneer er een beroep bij het gerecht wordt ingesteld (artikel 6 GKG).
b) Indien een lokale rechtbank in eerste aanleg als familierechtbank uitspraak doet, wordt er voor de procedure doorgaans een tarief van 1,5 tariefeenheid toegepast, overeenkomstig nummer 1420 KV FamGKG. Wanneer de gehele procedure wordt beëindigd zonder dat er een definitieve beslissing is genomen, wordt het tarief verlaagd naar 0,5 tariefeenheid (nummer 1421 KV FamGKG).
De procedurekosten omvatten tevens de kosten voor het instellen van het rechtsmiddel door de schuldenaar in de zin van artikel 33 van Verordening (EU) nr. 655/2014 teneinde het Europees bevel tot conservatoir beslag in te trekken of te wijzigen. Wat betekeningen of kennisgevingen met een certificaat van betekening of kennisgeving of met een aangetekende brief met ontvangstbevestiging of door rechtbankpersoneel betreft, wordt er een forfaitaire vergoeding van 3,50 EUR per betekening of kennisgeving in rekening gebracht indien er meer dan tien betekeningen of kennisgevingen gebeuren in eenzelfde fase van de procedure of indien de betekening of kennisgeving gebeurt op initiatief van de schuldeiser (nummer 2002 KV FamGKG).
In de beroepsprocedure wordt er een tarief van 2,0 tariefeenheden toegepast (nummer 1422 KV FamGKG). Wanneer de gehele procedure wordt beëindigd, omdat het beroep wordt ingetrokken voordat er beroep bij het gerecht is ingesteld, wordt het tarief verlaagd naar 0,5 tariefeenheid (nummer 1423 KV FamGKG). In andere gevallen waarbij de procedure wordt beëindigd zonder dat er een definitieve beslissing is genomen, geldt er een tarief van 1,0 tariefeenheid (nummer 1424 KV FamGKG).
Het in het geding zijnde bedrag wordt ex aequo et bono vastgesteld (artikel 42, lid 1, FamGKG).
De kosten moeten worden voldaan zodra er een onvoorwaardelijke beslissing is genomen over de kosten, of als de procedure op een andere wijze werd beëindigd (artikel 11 FamGKG).
c) Wanneer een rechtbank in eerste aanleg (Arbeitsgericht) uitspraak doet, wordt er voor de procedure doorgaans een tarief van 0,4 tariefeenheid toegepast (nummer 8310 KV GKG). Indien er een bevel is uitgevaardigd overeenkomstig artikel 91a of artikel 269, lid 3, ZPO, wordt er in principe een hoger tarief van 2,0 tariefeenheden toegepast (nummer 8311 KV GKG).
De procedurekosten omvatten tevens de kosten voor het instellen van het rechtsmiddel door de schuldenaar in de zin van artikel 33 van Verordening (EU) nr. 655/2014 teneinde het Europees bevel tot conservatoir beslag in te trekken of te wijzigen. Wat betekeningen of kennisgevingen met een certificaat van betekening of kennisgeving of met een aangetekende brief met ontvangstbevestiging of door rechtbankpersoneel betreft, wordt er een forfaitaire vergoeding van 3,50 EUR per betekening of kennisgeving in rekening gebracht indien er meer dan tien betekeningen of kennisgevingen gebeuren in eenzelfde fase van de procedure of indien de betekening of kennisgeving gebeurt op initiatief van de schuldeiser (nummer 9002 KV GKG).
In de beroepsprocedure wordt er een tarief van 1,2 tariefeenheid toegepast (nummer 8330 KV GKG). Wanneer de gehele procedure wordt beëindigd, omdat het beroep wordt ingetrokken, wordt het tarief verlaagd naar 0,8 tariefeenheid (nummer 8331 KV GKG).
Het in het geding zijnde bedrag wordt in elke zaak naar eigen goeddunken vastgesteld door het gerecht (artikel 53 GKG juncto artikel 3 ZPO).
De kosten moeten worden voldaan zodra er een onvoorwaardelijke beslissing is genomen over de kosten, of als de procedure op een andere wijze werd beëindigd (artikel 9 GKG).
In procedures krachtens artikel 5, punt b), van Verordening (EU) nr. 655/2014, en in alle procedures waarin wordt verzocht de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag in te perken of te beëindigen:
In de procedure voor het verkrijgen van een bevel tot conservatoir beslag in de zin van artikel 5, punt b), van Verordening (EU) nr. 655/2014 wordt er een vergoeding van 22 EUR in rekening gebracht (nummer 2111 KV GKG). Indien er in de procedure rekeninginformatie wordt opgevraagd, wordt de vergoeding verhoogd naar 37 EUR (nummer 2112 KV GKG).
De procedurekosten omvatten tevens de kosten voor het instellen van het rechtsmiddel door de schuldenaar in de zin van artikel 33 van Verordening (EU) nr. 655/2014 teneinde het Europees bevel tot conservatoir beslag in te trekken of te wijzigen.
Voor verzoeken om de gedwongen tenuitvoerlegging te beëindigen of in te perken, wordt er een vergoeding van 33 EUR in rekening gebracht (nummer 2119 KV GKG).
Voor beroepen die worden afgewezen of verworpen, wordt er een vergoeding van 33 EUR in rekening gebracht (nummer 2121 KV GKG). Indien een beroep slechts gedeeltelijk wordt afgewezen of verworpen, kan het gerecht de kosten ex aequo et bono met de helft terugbrengen of beslissen geen vergoeding op te leggen.
De kosten moeten worden voldaan wanneer het verzoek om een Europees bevel tot conservatoir beslag wordt ingediend, of na beëindiging of inperking van de gedwongen tenuitvoerlegging, of wanneer er een beroep bij het gerecht wordt ingesteld (artikel 6 GKG).
Kosten van betekening en kennisgeving van stukken:
De kosten die in rekening worden gebracht door de gerechtsdeurwaarders die betrokken zijn bij de verwerking of de tenuitvoerlegging van een bevel tot conservatoir beslag overeenkomstig Verordening (EU) nr. 655/2014, zijn vastgelegd in de wet inzake gerechtsdeurwaarderskosten (GvKostG). De bovengenoemde wet kan via http://www.gesetze-im-internet.de/bundesrecht/gvkostg/gesamt.pdf gratis worden ingezien en opgevraagd.
Er worden kosten in rekening gebracht voor de betekening of kennisgeving aan een bank van een in Duitsland uitgevaardigd Europees bevel tot conservatoir beslag indien er hiervoor in Duitsland een gerechtsdeurwaarder wordt ingeschakeld. Indien de gerechtsdeurwaarder de betekening of kennisgeving persoonlijk verricht, wordt er een vergoeding van 11 EUR in rekening gebracht overeenkomstig nummer 100 KV GvKostG, evenals de reiskosten op basis van de door de gerechtsdeurwaarder afgelegde afstand: 3,25 EUR voor een afstand van maximaal 10 kilometer, 6,50 EUR voor een afstand tussen 10 en 20 kilometer, 9,75 EUR voor een afstand tussen 20 en 30 kilometer, 13 EUR voor een afstand tussen 30 en 40 kilometer, en 16,25 EUR voor een afstand van meer dan 40 kilometer (nummer 711 KV GvKostG). Indien de gerechtsdeurwaarder de betekening of kennisgeving op een andere wijze verricht, wordt er een vergoeding van 3,30 EUR in rekening gebracht (nummer 101 KV GvKostG). Er worden maximale posttarieven in rekening gebracht voor betekeningen of kennisgevingen met een akte van betekening of kennisgeving (nummer 701 KV GvKostG). Een forfaitair tarief van 20 % van de kosten die voor elke opdracht in rekening worden gebracht, wordt in rekening gebracht om alle andere contante kosten te dekken, maar niet minder dan 3,00 EUR en niet meer dan 10,00 EUR (nummer 716 KV GvKostG).
Dit geldt dienovereenkomstig in gevallen waarin de rechter die het Europees bevel tot conservatoir beslag in Duitsland heeft uitgevaardigd, het bevel op initiatief van de schuldeiser met behulp van een executoriale titel aan de schuldenaar voorlegt.
vi) Europese insolventieverordening (Verordening (EU) 2015/848)
Het instellen van een vordering in een insolventieprocedure op grond van artikel 53 van Verordening (EU) 2015/848 is kosteloos indien de vordering wordt ingediend binnen de termijn die door de rechter is vastgesteld in het bevel tot opening van de procedure, overeenkomstig artikel 28 van de insolventiewet (InsO). Deze termijn moet ten minste twee weken en ten hoogste drie maanden bedragen. Het is echter nog steeds mogelijk om na deze termijn een vordering in te dienen, op voorwaarde dat de laatste bijeenkomst van schuldeisers nog niet heeft plaatsgevonden. In dergelijke gevallen draagt de schuldeiser echter de kosten van de behandeling van de na het verstrijken van de termijn ingediende vordering. Om deze kosten te voldoen, brengt de rechtbank een tarief van 22 EUR in rekening overeenkomstig nummer 2340 KV GKG. Dit tarief maakt geen deel uit van de noodzakelijke gerechtskosten voor de insolventieprocedure, die worden betaald uit de insolvente boedel overeenkomstig artikelen 53 en 54 InsO. Het tarief moet worden betaald door de schuldeiser die de vordering na afloop van de termijn heeft ingediend en aldus de extra verwerkingslast heeft veroorzaakt (artikel 33 GKG juncto artikel 177, lid 1, tweede zin, InsO).
vii) Europese erfrechtverordening (Verordening (EU) nr. 650/2012)
Wat betreft procedures op grond van Verordening (EU) nr. 650/2012 (Europese erfrechtverordening), zijn er overeenkomstig de GNotKG tarieven verschuldigd.
De tarieven voor de aanvraagprocedure voor de afgifte van een Europese erfrechtverklaring zijn te vinden in nummer 12210 e.v. KV GNotKG. De transactiewaarde die nodig is om de tarieven te berekenen, wordt bepaald overeenkomstig artikel 40 GNotKG en komt in het algemeen overeen met de waarde van de nalatenschap.
viii) Verordening betreffende de Europese executoriale titel (Verordening (EG) nr. 805/2004)
Aanvragen voor de afgifte van een verklaring:
overeenkomstig post 1513 KV GKG wordt een tarief van 22 EUR in rekening gebracht voor de afgifte van een verklaring op grond van artikel 9, lid 1, artikel 24, lid 1, artikel 25, lid 1, en artikel 6, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 805/2004 en de afgifte van een verklaring op grond van artikel 1110 ZPO.
Verzoeken om rectificatie of intrekking:
de in artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 805/2004 bedoelde aanvraagprocedures zijn niet onderworpen aan gerechtskosten. Er wordt alleen een tarief in rekening gebracht voor een beroep, en dan alleen als het beroep wordt afgewezen. In dat geval bedraagt het tarief 66 EUR overeenkomstig nummer 1523 KV GKG.
Aanvragen op grond van artikelen 21 en 23 van Verordening (EG) nr. 805/2004, artikel 1084 ZPO:
het tarief voor procedures met betrekking tot verzoeken tot beëindiging, weigering, schorsing of beperking van de tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 1084 ZPO bedraagt 33 EUR (nummer 2119 KV GKG).
ix) Verordening Brussel I bis (Verordening (EU) nr. 1215/2012)
Afgifte van verklaringen op grond van artikel 1110 ZPO (artikelen 53 en 60 van de verordening):
overeenkomstig nummer 1513 KV GKG en nummer 23805 KV GNotKG wordt een tarief van 22 EUR in rekening gebracht voor de afgifte van verklaringen op grond van artikel 1110 ZPO.
Weigering van erkenning op grond van artikel 1115 ZPO (artikelen 45 en 47 van de verordening):
het tarief voor de procedure betreffende verzoeken tot weigering van erkenning bedraagt 264 EUR (nummer 1510 KV GKG).
5. Elektronische betalingsmethoden
Alle kosten die door de rechtbanken in rekening worden gebracht, kunnen per SEPA-bankoverschrijving worden betaald. Elke griffie heeft hiervoor een bankrekening aangewezen.
6. Kennisgeving over het vroegtijdige gebruik van het gedecentraliseerde IT-systeem
Er zijn geen plannen om vroegtijdig gebruik te maken van het gedecentraliseerde IT-systeem.
7. Kennisgeving over het vroegtijdige gebruik van videoconferenties in burgerlijke en handelszaken
De Bondsrepubliek Duitsland past artikel 5 van de digitaliseringsverordening vanaf 1 oktober 2024 toe.
8. Kennisgeving over het vroegtijdige gebruik van videoconferenties in strafzaken
Er zijn geen plannen om vroegtijdig gebruik te maken van videoconferenties in strafzaken.